Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Structuurhervorming - Verbetering van doeltreffendheid van landbouwstructuur - Steun voor extensivering van productie - Toepassingsmodaliteiten - Niet-nakoming van extensiveringsverbintenis door begunstigde van steun - Sanctie - Vermindering van steun - Wijze van berekening
(Verordening nr. 4115/88 van de Commissie, art. 16, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 838/93)
Samenvatting
$$Artikel 16, lid 1, van verordening nr. 4115/88 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van de steunregeling voor de extensivering van de productie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 838/93, moet aldus moet worden uitgelegd dat de aldaar bepaalde wijze van berekening van de vermindering van de steun voor de extensivering van toepassing is wanneer het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden meer dan twee hectaren bedraagt, maar minder dan 10 % van de oppervlakte waarvoor steun is gevraagd.
De vermindering van de steun voor de extensivering, bepaald in de tweede zin van genoemd artikel 16, lid 1, geldt voor de gehele looptijd van de verbintenis van de begunstigde, behalve wanneer deze kan bewijzen dat het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden noch aan zijn opzet noch aan zijn nalatigheid is toe te schrijven.
(cf. punten 14, 20, dictum 1-2)
Partijen
In zaak C-414/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Verwaltungsgericht Schwerin (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen
Landerzeugergemeinschaft eG Groß Godems
en
Amt für Landwirtschaft Parchim,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 16 van verordening (EEG) nr. 4115/88 van de Commissie van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van de steunregeling voor de extensivering van de productie (PB L 361, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 838/93 van de Commissie van 6 april 1993 (PB L 88, blz. 16),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, C. Gulmann en J.-P. Puissochet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Landerzeugergemeinschaft eG Groß Godems, vertegenwoordigd door C. Columbus, advocaat te Berlijn,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr en K.-D. Borchardt, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 november 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 17 september 1998, binnengekomen bij het Hof op 20 november daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Schwerin krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 16 van verordening (EEG) nr. 4115/88 van de Commissie van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van de steunregeling voor de extensivering van de productie (PB L 361, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 838/93 van de Commissie van 6 april 1993 (PB L 88, blz. 16).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Landerzeugergemeinschaft eG Groß Godems (hierna: "Landerzeugergemeinschaft") en het Amt für Landwirtschaft Parchim (hierna: "Amt") over de intrekking van de door deze dienst betaalde extensiveringssteun.
3 Verordening nr. 4115/88 is vastgesteld op basis van artikel 1 ter van verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB L 93, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1137/88 van de Raad van 29 maart 1988 (PB L 108, blz. 1). In artikel 3 van verordening nr. 4115/88 wordt onder meer bepaald, dat om voor extensiveringssteun in aanmerking te komen de producent de verbintenis moet aangaan, de productie effectief te verminderen.
4 Ingevolge artikel 4 van die verordening moet de producent zijn productie op de door de lidstaten bepaalde wijze verminderen; de lidstaten kunnen daartoe twee methoden voorschrijven: een "kwantitatieve" methode, gebaseerd op de effectieve vermindering van de geproduceerde hoeveelheden overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van verordening nr. 4115/88, en een "productietechnisch georiënteerde" methode, berustend op sectorgebonden toepassing van minder intensieve productietechnieken overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van die verordening.
5 Verordening nr. 4115/88 bepaalt bovendien, welke controles de lidstaten moeten uitoefenen en welke sanctiemaatregelen zij moeten treffen wanneer de begunstigde zijn verbintenissen niet nakomt. Dienaangaande wordt in artikel 16, zoals gewijzigd bij verordening nr. 838/93, het volgende bepaald:
"1. Indien bij de controle op het aantal eenheden oppervlakte (ha), vee (GVE), gewicht (t) of volume (m3) tussen het aantal eenheden waarvoor de steun wordt gevraagd en het geconstateerde aantal eenheden een verschil van ten minste 2 % en 0,2 eenheid tot maximaal 10 % en twee eenheden wordt vastgesteld, wordt de steun op basis van het geconstateerde aantal eenheden berekend onder aftrek van het verschil tussen de steunaanvraag en de geconstateerde eenheden. Deze vermindering geldt ook voor de reeds eerder uitgekeerde steunbedragen, behalve wanneer de begunstigde kan bewijzen dat het verschil noch aan diens opzet noch aan diens nalatigheid is toe te schrijven.
2. Indien het verschil het in lid 1 genoemde maximum overschrijdt, is voor de periode waarvoor de verbintenis tot extensivering geldt, geen steun verschuldigd, onverminderd passende bijkomende sancties. De voor de voorafgaande jaren uitbetaalde steun wordt evenwel niet teruggevorderd wanneer de begunstigde kan bewijzen dat het verschil noch aan diens opzet noch aan diens nalatigheid is toe te schrijven.
3. De lidstaten passen in de andere dan de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen waarin de aangegane verbintenissen niet zijn nagekomen, althans financieel, sancties toe, behalve in geval van overmacht of in andere omstandigheden waarop de begunstigde geen vat heeft. Bij ernstige onregelmatigheden ten aanzien van deze verbintenissen, en met name in geval van bedrieglijke opzet van de begunstigde of van diens opvolgers, is, onverminderd passende bijkomende sancties, voor de periode waarvoor de verbintenis tot extensivering geldt, geen steun verschuldigd."
6 Blijkens de verwijzingsbeschikking regelt de Extensivierungs-Richtlinie Mecklenburg-Vorpommern van 1 september 1991 (hierna: "Richtlinie") de extensivering van de landbouwproductie volgens de "productietechnisch georiënteerde" methode bedoeld in de artikelen 4 en 8 van verordening nr. 4115/88 bij wege van toepassing van de regels van de ecologische landbouw. De punten 2.5, sub a, en 4.2.1 van de Richtlinie verbieden in het bijzonder het gebruik van stikstofverbindingen na de omschakeling van het bedrijf op een minder intensieve productiemethode.
7 Bij beschikking van 24 januari 1992 verleende het Amt de Landerzeugergemeinschaft, tegen de verbintenis om haar landerijen gedurende vijf jaar extensief te exploiteren, een jaarlijkse steun voor de extensivering van haar landbouwproductie gedurende die periode. Het jaarlijkse steunbedrag, dat aanvankelijk op basis van een oppervlakte van 352,95 ha waarop overschotproducten werden geteeld, en een oppervlakte van 495,49 ha waarop producten werden geteeld waaraan geen overschot bestaat, op 298 650 DEM was vastgesteld, werd bij latere beschikkingen gewijzigd. De steun voor de landbouwjaren 1991/1992 en 1991/1993 is daadwerkelijk uitgekeerd.
8 Bij een controle op 17 juni 1994 werd vastgesteld, dat de Landerzeugergemeinschaft dezelfde dag op 56,85 ha landbouwgrond samengestelde chemische meststof had gestrooid. Volgens het Amt had de betrokkene zich daarmee niet gehouden aan zijn verbintenis om geen stikstofhoudende meststoffen te strooien op extensief geëxploiteerde landerijen - welke verbintenis besloten ligt in de verbintenis om een minder intensieve productiemethode aan te wenden - en vormde deze opzettelijke overtreding een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 16, lid 3, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd. Bij beschikking van 2 december 1994 trok het dus zijn beschikking tot toekenning van een jaarlijkse steun alsmede alle wijzigingsbeschikkingen in en vorderde het terugbetaling van de reeds uitgekeerde bedragen.
9 Nadat het bezwaar van de Landerzeugergemeinschaft tegen deze laatste beschikking was afgewezen, wendde deze zich tot het Verwaltungsgericht Schwerin. Van oordeel dat uitlegging van artikel 16 van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, nodig is voor de oplossing van het geschil, heeft deze rechterlijke instantie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Geldt de sanctie van artikel 16, lid 1, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 4115/88, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 838/93, ook wanneer het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden minder dan 10 % van het bouwland, doch meer dan 2 ha bedraagt?
2) Geldt de vermindering met betrekking tot de reeds uitgekeerde steunbedragen volgens artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening (EEG) nr. 4115/88, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 838/93, enkel vanaf het tijdstip waarop het bouwland niet meer extensief werd geëxploiteerd, of moet het verschil voor de gehele looptijd van de verbintenis worden berekend en in mindering worden gebracht?
3) Aan welke criteria moet zijn voldaan om te kunnen spreken van een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 16, lid 3, van verordening (EEG) nr. 4115/88, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 838/93?"
De eerste vraag
10 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de wijze van berekening van de vermindering van de steun voor de extensivering, bepaald in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, van toepassing is wanneer het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden meer dan twee hectaren bedraagt, maar minder dan 10 % van de oppervlakte waarvoor steun is gevraagd.
11 Verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie stellen het Hof voor, deze vraag bevestigend te beantwoorden. Huns inziens is de wijze van vermindering, bepaald in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, van toepassing zolang de twee bij deze bepaling vastgestelde maximumgrenzen niet cumulatief zijn overschreden. Elke andere uitlegging zou in strijd zijn met de evenredigheid van het sanctiestelsel van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd.
12 Uit de tekst van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, blijkt duidelijk, dat de in die bepaling geregelde vermindering van toepassing is wanneer het vastgestelde verschil tussen de twee aldaar bepaalde minimumgrenzen (2 % en 0,2 ha) en maximumgrenzen (10 % en 2 ha) valt. Uit het gebruik van het woord "en" om elk van deze grenzen te verbinden, blijkt dat deze cumulatief zijn. De betrokken bepaling is dus van toepassing wanneer beide minimumgrenzen zijn bereikt en de maximumgrenzen niet allebei zijn overschreden.
13 Zoals verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie hebben opgemerkt, is elke andere uitlegging trouwens in strijd met de algemene systematiek van het sanctiestelsel van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd. Dit stelsel voorziet namelijk in verschillende sancties naar gelang van de ernst van de vastgestelde overtredingen en houdt met name rekening met verschillen in omvang tussen de betrokken bedrijven, door zowel drempels in percent als drempels in absolute waarde te hanteren.
14 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 16, lid 1, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd, dat de aldaar bepaalde wijze van berekening van de vermindering van de steun voor de extensivering van toepassing is wanneer het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden meer dan twee hectaren bedraagt, maar minder dan 10 % van de oppervlakte waarvoor steun is gevraagd.
De tweede vraag
15 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de vermindering van de steun voor de extensivering, bepaald in artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, alleen geldt voor de periode na de vastgestelde overtreding dan wel voor de gehele looptijd van de verbintenis van de begunstigde.
16 Volgens verzoekster in het hoofdgeding geldt de vermindering van de steun voor de extensivering enkel voor de periode na de overtreding. Haars inziens volgt deze uitlegging a contrario uit de duidelijke bewoordingen van de leden 2 en 3 van artikel 16, volgens welke "voor de periode waarvoor de verbintenis tot extensivering geldt, geen steun verschuldigd" is.
17 Volgens de Commissie daarentegen geldt de vermindering ook voor de periode vóór de overtreding, tenzij de begunstigde bewijst dat het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden noch aan zijn opzet noch aan zijn nalatigheid is toe te schrijven. Haars inziens blijkt uit de zinswending "deze vermindering geldt ook voor de reeds eerder uitgekeerde steunbedragen" in artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, dat de wetgever de steun wil verminderen voor de gehele looptijd van de verbintenis.
18 Uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, blijkt duidelijk, dat de vermindering ook van toepassing is op de vóór de vastgestelde overtreding uitgekeerde steun, behalve wanneer de begunstigde kan bewijzen dat het vastgestelde verschil noch aan zijn opzet noch aan zijn nalatigheid is toe te schrijven. Behalve in dit laatste geval moet de vermindering dus worden toegepast met betrekking tot de gehele looptijd van de verbintenis van de begunstigde.
19 Anders dan verzoekster in het hoofdgeding stelt, laten de bewoordingen van de leden 2 en 3 van artikel 16 van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, geen andere uitlegging van de betrokken bepaling toe. Deze leden betreffen immers zwaardere sancties, zoals de totale intrekking van de steun, terwijl in lid 1 alleen sprake is van vermindering ervan, ook al geldt deze voor de volledige looptijd van de verbintenis.
20 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de vermindering van de steun voor de extensivering, bepaald in artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 4115/88, zoals gewijzigd, geldt voor de gehele looptijd van de verbintenis van de begunstigde, behalve wanneer deze kan bewijzen dat het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden noch aan zijn opzet noch aan zijn nalatigheid is toe te schrijven.
De derde vraag
21 Gelet op de antwoorden op de eerste twee vragen behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Schwerin bij beschikking van 17 september 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 16, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4115/88 van de Commissie van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van de steunregeling voor de extensivering van de productie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 838/93 van de Commissie van 6 april 1993, moet aldus moet worden uitgelegd, dat de aldaar bepaalde wijze van berekening van de vermindering van de steun voor de extensivering van toepassing is wanneer het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden meer dan twee hectaren bedraagt, maar minder dan 10 % van de oppervlakte waarvoor steun is gevraagd.
2) De vermindering van de steun voor de extensivering, bepaald in artikel 16, lid 1, tweede zin, van verordening (EEG) nr. 4115/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 838/93, geldt voor de gehele looptijd van de verbintenis van de begunstigde, behalve wanneer deze kan bewijzen dat het verschil tussen het aantal eenheden waarvoor steun is gevraagd, en het geconstateerde aantal eenheden noch aan zijn opzet noch aan zijn nalatigheid is toe te schrijven.
Full & Egal Universal Law Academy