Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Indiening van vordering bij Hof op basis van arbitragebeding - Overeenkomst waarbij communautaire financiële steun wordt verleend voor verwezenlijking van project op energiegebied - Recht op terugbetaling van voorschot, vermeerderd met moratoire interessen
[EG-Verdrag, art. 181 (thans art. 238 EG)]
Partijen
In zaak C-416/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright en O. Couvert-Castéra als gemachtigden, bijgestaan door M. Bra, avocat, en K. Kapoutzidou, dikigoros, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Nea Energeiaki Technologia EPE, gevestigd te Athene (Griekenland), vertegenwoordigd door G. Papacharalampous, dikigoros,
verweerster,
betreffende een door de Commissie krachtens artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) ingesteld beroep, strekkende tot terugbetaling van een voorschot dat zij aan verweerster had toegekend in het kader van een overeenkomst met betrekking tot de bouw en de demonstratie van de werking van een proefproject inzake windenergie genaamd: Nisos Kea" (eiland Kea), aangaande de plaatsing van een windgenerator op een Grieks eiland,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, kamerpresident, V. Skouris (rapporteur) en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 8 maart 2001, waarbij de Commissie werd vertegenwoordigd door P. Panayotopoulos als gemachtigde, bijgestaan door M. Bra, en Nea Energeiaki Technologia EPE door G. Papacharalampous,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 mei 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 november 1998 en ter kennis van verweerster gebracht op 11 december 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens een arbitragebeding op basis van artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) beroep ingesteld, strekkende tot veroordeling van de vennootschap Nea Energeiaki Technologia EPE (hierna: NET") tot terugbetaling van een bedrag van 13 800 000 GDR, vermeerderd met de contractuele rente ten belope van 24 382 218 GDR, zijnde een totaalbedrag van 38 182 218 GDR, vermeerderd met de overeenkomstig de Griekse wetgeving verschuldigde vertragingsrente, te rekenen vanaf de kennisgeving van het onderhavige beroep aan NET tot de volledige voldoening van de schuld van laatstgenoemde, althans met de op basis van het tarief van de Europese Investeringsbank (hierna: EIB") berekende rente over het tijdvak vanaf de dag van indiening van het onderhavige verzoekschrift tot de volledige voldoening van de schuld van NET.
Rechtskader en feiten
2 NET is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Grieks recht, met als maatschappelijk doel de studie en de bouw van alternatieve energiesystemen evenals de inschrijving op openbare aanbestedingen.
3 In 1985 heeft de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met NET een in het Engels opgestelde en door de Commissie als laatste op 15 juli 1985 ondertekende subsidieovereenkomst met referentienummers WE 131/83 en WE 72/84 (hierna: overeenkomst") gesloten. De overeenkomst is gesloten in het kader van de activiteiten bedoeld in verordening (EEG) nr. 1972/83 van de Raad van 11 juli 1983 betreffende het verlenen van financiële steun aan demonstratieprojecten op het gebied van de exploitatie van alternatieve energiebronnen en op het gebied van de energiebesparing en de vervanging van koolwaterstoffen (PB L 195, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2126/84 van de Raad van 23 juli 1984 (PB L 196, blz. 4), en verordening (EEG) nr. 1971/83 van de Raad van 11 juli 1983 betreffende het verlenen van financiële steun aan industriële proefprojecten en demonstratieprojecten op het gebied van de vloeibaarmaking en vergassing van vaste brandstoffen (PB L 195, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2125/84 van de Raad van 23 juli 1984 (PB L 196, blz. 3).
De overeenkomst
4 In artikel 1 en bijlage I, A, sub 1, van de overeenkomst, heeft NET zich in ruil voor een financiële bijdrage van de Commissie ertoe verbonden, een project genaamd Nisos Kea" tot stand te brengen met als doel, een windgenerator met een vermogen van 300 kW op een Grieks eiland te plaatsen, gedurende twee jaar de demonstratie van de werking van dat systeem te waarborgen en het daarna aan de gebruikers te leveren.
5 Volgens artikel 3 van de overeenkomst bedraagt de door de Gemeenschap toegekende financiële steun 40 % van de door de Commissie gecontroleerde en goedgekeurde daadwerkelijke uitgaven in verband met het project, belasting over de toegevoegde waarde niet inbegrepen, met een maximumbedrag van 46 000 000 GDR.
6 Overeenkomstig het in bijlage I, A, sub 2 van de overeenkomst opgenomen tijdschema voor de uitvoering van het project, moest de bouw van de windgenerator op 1 juni 1985 aanvangen en zijn afgerond vóór 1 januari 1986, de datum waarop de demonstratie van de werking van het systeem van start moest gaan. Daar die demonstratie was voorzien voor een duur van twee jaar, moest het project op 1 april 1988 klaar zijn voor commerciële exploitatie.
7 Bijlage II van de overeenkomst, deel I, getiteld Betalingswijze", bepaalt in lid 1, sub a, eerste en tweede alinea, dat de Commissie NET binnen dertig dagen te rekenen vanaf de ondertekening van de overeenkomst een voorschot van 13 800 000 GDR moest storten, gelijk aan 30 % van het maximumbedrag van de financiële steun voor het windgeneratorproject. Volgens die laatste bepaling mochten dat voorschot evenals de rente erover enkel voor de verwezenlijking van bedoeld project worden aangewend.
8 Bovendien bepaalt bijlage II, deel I, lid 1, sub c, tweede alinea, van de overeenkomst dat de als financiële steun gestorte bedragen pas definitief aan de contractpartij toebehoren na goedkeuring van het eindverslag en de uitgavenstaat.
9 Artikel 8 van de overeenkomst luidt als volgt:
Indien de contractpartij een van de krachtens deze overeenkomst op haar rustende verplichtingen niet nakomt, kan de Commissie de overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst opzeggen, na een per aangetekende brief met ontvangstbewijs ter kennis gebrachte ingebrekestelling waaraan binnen een termijn van één maand geen gevolg is gegeven. De overeenkomst kan eveneens worden opgezegd in geval de contractpartij, om de financiële bijdrage te verkrijgen, valse verklaringen heeft afgelegd, voorzover die aan haar toe te schrijven zijn. In dat geval moet de contractpartij de als financiële bijdrage uitgekeerde bedragen onmiddellijk aan de Commissie terugbetalen, vermeerderd met rente te rekenen vanaf het verstrijken van de hierboven bedoelde termijn van een maand. Het rentetarief is dat van de EIB, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie betreffende de toekenning van de financiële bijdrage aan het project."
10 Bovendien bepaalt artikel 9 van de overeenkomst:
Elk van de contractpartijen kan de onderhavige overeenkomst met inachtneming van een termijn van twee maanden ontbinden, indien de voortzetting van het in bijlage I vervatte werkprogramma zonder belang is geworden, bijvoorbeeld wanneer technische of financiële moeilijkheden betreffende het project worden voorzien of omdat de geschatte kostprijs van het project ruim is overschreden. In dat geval kan de Commissie gehele of gedeeltelijke terugbetaling vorderen van de als steun gestorte bedragen, vermeerderd met rente vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst, als het programma in het bereikte stadium resultaten heeft opgeleverd die commercieel kunnen worden benut. Het rentetarief is dat van de EIB, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie over de toekenning van de financiële bijdrage aan het project. De terugbetaling moet geschieden op de in de leden 2.1 en 2.2 van bijlage II vastgestelde wijze."
11 Volgens artikel 13 van de overeenkomst zal elk geschil over de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van de overeenkomst aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd. Luidens artikel 14 wordt de overeenkomst door Grieks recht beheerst.
De toepasselijke bepalingen van Grieks recht
12 Artikel 147 van het Griekse burgerlijk wetboek (hierna: burgerlijk wetboek") luidt als volgt:
Degene die door bedrog tot een wilsverklaring is gebracht, kan nietigverklaring van de handeling vorderen. Ingeval de verklaring tot een andere persoon is gericht en het bedrog door een derde werd gepleegd, kan slechts nietigverklaring worden gevorderd indien degene aan wie de verklaring werd gedaan of elke andere persoon die er rechtstreeks rechten door heeft verworven, van het bedrog op de hoogte was of had moeten zijn."
13 Artikel 154 van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:
Nietigverklaring van een rechtshandeling wegens dwaling, bedrog of bedreiging gebeurt bij rechterlijke beslissing. Alleen degene die heeft gedwaald, is bedrogen of is bedreigd, evenals zijn erfgenamen, kunnen nietigverklaring vorderen."
14 Artikel 155 van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:
De vordering tot nietigverklaring is gericht tegen de andere contractpartij en, bij een eenzijdige rechtshandeling, tegen degene die er rechtstreeks rechtmatig belang bij heeft."
15 Artikel 157 van het burgerlijk wetboek bepaalt:
Het recht om nietigverklaring te vorderen eindigt na verloop van twee jaar te rekenen vanaf de rechtshandeling. Als de dwaling, het bedrog of de bedreigingen na de handeling hebben voortgeduurd, gaat de termijn van twee jaar in op de dag waarop aan die situatie een einde is gekomen. Hoe dan ook is de vordering tot nietigverklaring niet meer ontvankelijk na verloop van 20 jaar na de handeling."
16 Artikel 340 van het burgerlijk wetboek bepaalt:
De schuldenaar van een opeisbare prestatie wordt door de schuldeiser bij aanmaning via gerechtelijke of buitengerechtelijke wijze in gebreke gesteld."
17 Artikel 345 van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:
Bij geldschulden heeft de schuldeiser het recht, in geval van ingebrekestelling de bij de wet of de rechtshandeling vastgestelde vertragingsrente te eisen, zonder schade aan te moeten tonen. De schuldeiser die bovendien het bewijs levert van andere reële schade kan ook daarvan vergoeding eisen, behoudens andersluidende wettelijke bepalingen."
18 Artikel 346 van het burgerlijk wetboek bepaalt:
De schuldenaar van een geldsom is gehouden tot voldoening van de wettelijke rente, ook als hij niet in gebreke is gesteld, vanaf de kennisgeving van de vordering in rechte met betrekking tot de opeisbare schuld."
Uiteenzetting van de feiten
19 Overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst heeft de Commissie NET op 16 juli 1985 een voorschot van 13 800 000 GDR uitgekeerd. Geen van de in bijlage I bij de overeenkomst vastgestelde stadia van uitvoering van het project is bereikt.
20 Sedert de datum van ondertekening van de overeenkomst door de Commissie en tot het jaar 1988 heeft laatstgenoemde NET meermaals gevraagd de voorziene werkzaamheden aan te vatten. NET gaf telkens te kennen dat de werkzaamheden spoedig zouden aanvangen.
21 Bij brief van 28 november 1988 heeft de Commissie opnieuw de vertraging in de aanvang van het project te berde gebracht en NET gevraagd om haar vóór 15 december 1988 kopie te bezorgen van de voor de bouw van het project vereiste vergunningen, die door de Griekse instanties moesten worden afgegeven, evenals een verslag over de vooruitgang van de werkzaamheden.
22 Aangezien de Commissie geen informatie ontving, heeft zij NET bij brief van 22 februari 1989 gewaarschuwd, dat zij had besloten artikel 8 van de overeenkomst toe te passen en dat zij NET bijgevolg een maand de tijd gaf om aan haar verplichtingen te voldoen, zo niet zou de overeenkomst zonder verdere plichtplegingen worden ontbonden.
23 Na afloop van de termijn van een maand heeft de Commissie op 17 mei 1989 een invorderingsopdracht doen uitgaan. Aangezien daaraan geen gevolg werd gegeven, heeft de Commissie NET bij aangetekende brief van 23 januari 1990 aangemaand, haar schuld binnen een termijn van vijftien dagen terug te betalen.
24 Bij brief van 26 juni 1989 heeft NET geantwoord op de brief van de Commissie van 22 februari 1989 en erkend dat het project niet was uitgevoerd. Zij wees in dat verband op het mislukken van de onderhandelingen met Dimosia Epichirisi Ilektrismou (openbare elektriciteitsonderneming) en de gemeente Naxos (Griekenland), de niet-nakoming van de verbintenissen die het proefcentrum voor de exploitatie van zachte en hernieuwbare energiebronnen van de gemeente Apeiranthos (Griekenland) tegenover NET was aangegaan, evenals het feit dat de Deense vennootschap Danish Wind Technology, producent en eventuele leverancier van de windgenerator, de overeenkomst op grond waarvan die onderneming in Griekenland door NET werd vertegenwoordigd, had opgezegd.
25 In voormelde brief verklaarde NET tevens dat zij een deel van het door de Commissie toegekende voorschot had uitgegeven. Zij wees in dat verband op tal van reizen van beheerder P. Freris (ondertekenaar van deze brief) naar het eiland Naxos en naar Denemarken om respectievelijk te zorgen voor een goede vestigingsplaats en voor de financiering van het project.
26 Bovendien bracht NET de Commissie in dezelfde brief ervan op de hoogte dat, na aftrek van de uitgaven in het kader van de inspanningen om het project te doen starten, nog 10 000 000 GDR van het voorschot beschikbaar was, en dat zij bereid was dat bedrag terug te storten. Zij stelde tevens voor dat de Commissie haar aanspraken zou beperken tot dit bedrag van 10 000 000 GDR, gelet op de door NET gedane uitgaven, aangezien zij niet beschikte over andere financiële middelen of reserves.
27 Bij aanvullende brief van 21 september 1989 heeft NET opnieuw gevraagd dat de Commissie rekening zou houden met de aanzienlijke uitgaven die zij had gedaan inzake administratieve kosten, reizen, studies, enzovoorts, en dat om de overeenkomst op te zeggen niet artikel 8, maar artikel 9 van de overeenkomst zou worden toegepast, met goedkeuring van de bedoelde uitgaven.
28 De Commissie heeft het voorstel van NET aanvaard en na controle uitgaven ten belope van 11 703 963 GDR goedgekeurd. Zij heeft bijgevolg op 27 maart 1990 een nieuwe invorderingsopdracht doen uitgaan voor een bedrag van 9 257 051 GDR, vermeerderd met bankrente van 241 500 GDR, gelijk aan een totaalbedrag van 9 498 551 GDR. Zij legde hiervoor een betalingstermijn vast die verstreek op 15 mei 1990.
29 Aangezien NET het bedrag van 9 498 551 GDR niet binnen die termijn stortte, heeft de Commissie haar meermaals aangemaand dat bedrag te voldoen, inzonderheid bij brieven van 30 juli en 10 oktober 1990, 17 maart, 2 augustus en 3 november 1993. NET heeft bij brief van 20 november 1990 geantwoord op de brief van de Commissie van 27 maart 1990. Zij voerde daarin aan dat zij wegens financiële problemen niet in staat was om de schuld te betalen en vroeg om toekenning van een bijkomende termijn tot eind 1991. Bij brief van 11 augustus 1993 wees NET opnieuw op haar financiële problemen en vroeg zij om toekenning van een bijkomende termijn evenals de mogelijkheid om een schikking te treffen over de schuld.
30 Bij aan NET bij deurwaarder bezorgde verklaring, aanmaning en buitengerechtelijk protest van 31 maart 1998, heeft de Commissie opnieuw overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst terugbetaling van de schuld gevorderd.
31 Bij buitengerechtelijke verklaring van 29 mei 1998, eveneens bij gerechtsdeurwaarder aan de Commissie bezorgd, heeft NET opnieuw gewezen op de moeilijkheid om nationale subsidies voor het in de overeenkomst bepaalde programma te verkrijgen, de problemen betreffende de levering van de windgenerator en de reacties van de gemeenteraad van Naxos. Bovendien bracht NET de Commissie ervan de hoogte dat zij zich al sedert geruime tijd in staat van vereffening bevond en vroeg zij om een nieuwe schikking betreffende haar schuld, waarbij zij de Commissie voorstelde om ermee in te stemmen dat een bedrag van 4 000 000 GDR zou worden terugbetaald, zonder rente en met gespreide betaling.
Conclusies van partijen
32 De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
- NET te veroordelen tot betaling aan de Commissie van het volle bedrag van de financiële bijdrage die zij van de Gemeenschap heeft ontvangen en te oordelen dat de door de Commissie aanvaarde schikking nietig is als zijnde op bedrieglijke wijze tot stand gekomen, dat wil zeggen NET te veroordelen tot betaling van de volledige hoofdschuld van 13 800 000 GDR, vermeerderd met de rente die, volgens de bepalingen van de overeenkomst, op het moment van kennisgeving van het onderhavige beroep 24 382 218 GDR bedraagt, zijnde in totaal een bedrag van 38 182 218 GDR, vermeerderd met de overeenkomstig de Griekse wetgeving verschuldigde vertragingsrente, te rekenen vanaf de kennisgeving aan verweerster van het onderhavige beroep tot de volledige voldoening van de schuld, althans de rente volgens het tarief van de EIB over het tijdvak vanaf de dag van indiening van het onderhavige verzoekschrift tot de volledige voldoening van de schuld door NET;
- subsidiair, NET te veroordelen tot betaling aan de Commissie van het bedrag voortvloeiend uit de in punt 28 van dit arrest vermelde schikking, zijnde 9 498 551 GDR, alsmede de rente over de hoofdsom (9 257 051 GDR), die, volgens de bepalingen van de overeenkomst, op de datum van kennisgeving van het onderhavige beroep 14 643 006 GDR bedraagt, zijnde in totaal een bedrag van 24 141 557 GDR, vermeerderd met de ingevolge de Griekse wetgeving verschuldigde wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving van het beroep tot de voldoening van de schuld, althans de op basis van het tarief van de EIB berekende rente over het tijdvak vanaf de dag van de indiening van het onderhavige verzoekschrift tot de volledige voldoening van de schuld door verweerster;
- verweerster in beide gevallen te verwijzen in de door de Commissie gemaakte kosten, de honoraria van haar mandatarissen daaronder begrepen.
33 NET concludeert dat het den Hove behage:
- het beroep in zijn geheel te verwerpen;
- geheel subsidiair, haar te veroordelen tot betaling aan de Commissie van 3 986 515 GDR, zonder rente;
- de Commissie te verwijzen in de kosten van NET, de honoraria van haar raadsman daaronder begrepen.
De primaire vordering van de Commissie
34 De Commissie voert allereerst aan dat uit de artikelen 8 en 9 van de overeenkomst juncto bijlage II, deel I, lid 1, sub c, tweede alinea, daarbij blijkt dat de contractpartij de verantwoordelijkheid voor en het risico van de volledige uitvoering van het programma op zich moet nemen en niet het recht heeft de financiële bijdrage te behouden als het programma mislukt, ook al is de mislukking niet aan haar te wijten. Enkel op grond van artikel 9 van de overeenkomst kan de Commissie gedeeltelijke terugbetaling van de reeds als steun toegekende bedragen eisen, waarbij de tot de ontbinding van de overeenkomst gedane uitgaven worden goedgekeurd.
35 Volgens de Commissie heeft NET in de met haar gevoerde briefwisseling erkend dat het programma waarvoor zij de financiële steun van de Commissie heeft aanvaard, sedert lang was mislukt. Door bijgevolg de overeenkomst krachtens artikel 8 daarvan op te zeggen en volgens de in de overeenkomst voorziene procedure NET in kennis te stellen van de opzegging, zou de Gemeenschap het recht hebben terugbetaling te vorderen van het reeds aan NET uitgekeerde voorschot, zulks ongeacht of NET al dan geen schuld kan worden verweten (arrest van 8 april 1992, Commissie/Feilhauer, C-209/90, Jurispr. blz. I-2613).
36 De Commissie betwist niet dat zij NET's voorstel tot schikking had aanvaard en had ingestemd met ontbinding van de overeenkomst op basis van artikel 9 en met de daaruitvoortvloeiende vermindering van de schuldvordering van de Gemeenschap tot 9 498 551 GDR, rekening houdend met de volgens de beweringen van NET gedane uitgaven.
37 De Commissie heeft dat voorstel tot schikking van NET aanvaard op basis van de verklaring van deze laatste dat zij een bedrag van 10 000 000 GDR - het saldo van het door haar ontvangen voorschot van 13 800 000 GDR - beschikbaar stelde en onder de stilzwijgende, maar duidelijke en vanzelfsprekende voorwaarde dat voormeld bedrag daadwerkelijk zou worden gestort. De Commissie voert aan dat NET's voorstel tot schikking bedrieglijk was omdat zij nooit serieus de bedoeling heeft gehad het bedrag waarvan in de schikking sprake was terug te betalen, hetgeen duidelijk blijkt uit haar houding achteraf, en op een valse verklaring berustte omdat NET niet over het nodige geld voor terugbetaling beschikte, zoals zij voor de eerste keer voor het Hof heeft bevestigd. Het voorwendsel van een schikking was bedoeld om het geschil op de lange baan te schuiven ten einde te vermijden dat ten slotte het volle bedrag van de financiële bijdrage moest worden terugbetaald. In het kader van die strategie heeft NET de Commissie nadien niet op de hoogte gebracht van haar vereffening.
38 Uit hetgeen voorafgaat leidt de Commissie af dat haar aanvaarding van de door NET voorgestelde schikking en de daaruit voortvloeiende vermindering van de schuldvordering van de Gemeenschap nietig zijn ingevolge artikel 147 van het burgerlijk wetboek, voorzover zij met bedrieglijke middelen zijn verkregen. Zij verzoekt het Hof bijgevolg de door NET verkregen schikking als nietig te beschouwen en deze laatste te veroordelen tot terugbetaling van het volledige bedrag van het uitgekeerde voorschot, gelijk aan 13 800 000 GDR, vermeerderd met contractuele rente en met wettelijke vertragingsrente.
39 In dit verband zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 147 van het burgerlijk wetboek degene die door bedrog tot een wilsverklaring is gebracht, nietigverklaring van de handeling kan vorderen.
40 Opdat een rechtshandeling op basis van deze bepaling kan worden nietig verklaard moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan. Er moet sprake zijn van bedrieglijke handelingen of kunstgrepen, van opzet van de auteur en van een oorzakelijk verband tussen de bedrieglijke handelwijze en de totstandkoming van de rechtshandeling.
41 Wat de eerste voorwaarde betreft zij opgemerkt, dat onder bedrog moet worden verstaan elke handelwijze die erop gericht is een onjuiste voorstelling of waarneming van de werkelijkheid te doen ontstaan of te versterken door op leugens gebaseerde feiten als werkelijk voor te stellen of door werkelijke feiten te verbergen dan wel slechts gedeeltelijk te openbaren. De verplichting om bepaalde feiten openbaar te maken of om aan de andere partij bepaalde informatie mee te delen hangt af van het type overeenkomst, de vereiste loyaliteit in de betrekkingen tussen partijen, de goede zeden en de wederzijds bindende gebruiken. Bij handelsovereenkomsten, wanneer inzonderheid een commercieel risico wordt aangegaan, moet de verplichting om informatie te verstrekken over de financiële situatie van een van de partijen ruimer zijn dan gewoonlijk.
42 Wat de tweede voorwaarde betreft, zij erop gewezen dat opzet van de auteur inherent is aan het begrip bedrog. Er moet sprake zijn van dolus, dat wil zeggen de auteur moet weten althans zich ervan bewust zijn dat zijn gedrag een bedrieglijk karakter heeft en de gevolgen van het bedrog aanvaarden. Het begrip bedrog sluit derhalve - zelfs grove - nalatigheid van de auteur uit.
43 Wat ten slotte de derde voorwaarde betreft, kan een rechtshandeling niet worden nietig verklaard en kan de auteur van het bedrog van alle verantwoordelijkheid worden ontslagen indien wordt aangetoond, dat het bedrog de contractuele wil van het slachtoffer niet heeft beïnvloed en dat deze de overeenkomst ook zonder de frauduleuze handelwijze zou hebben gesloten.
44 In het licht van deze overwegingen moet worden nagegaan, of de door NET op 26 juni 1989 voorgestelde en door de Commissie op 27 maart 1990 aanvaarde schikking overeenkomstig artikel 147 van het burgerlijk wetboek moet worden nietig verklaard.
45 De eerste voorwaarde voor toepassing van artikel 147 van het burgerlijk wetboek, namelijk het bestaan van een bedrieglijke handelwijze, is in casu vervuld, aangezien NET gelogen heeft over de bedragen waarover zij werkelijk beschikte op het moment waarop zij bedoelde schikking voorstelde. Uit de brief van NET van 26 juni 1989 blijkt duidelijk dat laatstgenoemde de Commissie de verzekering had gegeven dat, na aftrek van de uitgaven in het kader van de inspanningen om het project van start te doen gaan, het saldo van het voorschot dat zij voorwendde ter beschikking te hebben 10 000 000 GDR bedroeg. Zoals NET evenwel zelf voor het Hof heeft toegegeven, was dat bedrag niet beschikbaar.
46 Het doloze karakter van de handelwijze van NET staat eveneens buiten kijf. Zoals blijkt uit de inhoud van haar brief van 26 juni 1989 aan de Commissie, had de verklaring dat zij beschikte over een saldo van 10 000 000 GDR van het door de Commissie uitgekeerde voorschot juist tot doel laatstgenoemde ertoe over te halen de schuldvermindering tot 10 000 000 GDR te aanvaarden.
47 De omstandigheid dat de Commissie pas na die verklaring van NET heeft besloten artikel 9 van de overeenkomst toe te passen, terwijl zij aanvankelijk artikel 8 wilde toepassen, toont bovendien aan dat de wilsverklaring van de Commissie, waarbij zij het voorstel van NET tot schikking heeft aanvaard, is gedaan op basis van die verklaring. NET heeft de Commissie op dat punt trouwens niet tegengesproken.
48 Ofschoon de drie vereiste voorwaarden voor nietigverklaring van de wilsverklaring van de Commissie krachtens artikel 147 van het burgerlijk wetboek in casu vervuld zijn, vervalt overeenkomstig artikel 157 van het burgerlijk wetboek het recht om nietigverklaring van een rechtshandeling wegens bedrog te vorderen na afloop van twee jaar te rekenen vanaf die handeling. Indien het bedrog na de handeling heeft voortgeduurd, gaat de termijn van twee jaar volgens die bepaling in op de dag waarop aan die situatie een einde is gekomen.
49 In casu is de uit de bedrieglijke handelwijze van NET voortvloeiende rechtshandeling tot stand gekomen op 27 maart 1990. In haar brieven van 20 november 1990 en 11 augustus 1993 aan de Commissie maakt NET gewag van grote financiële moeilijkheden die het haar onmogelijk maken haar schuld binnen de door de Commissie gestelde termijn te voldoen. Dit is een duidelijke aanwijzing dat NET niet over het bedrag van 10 000 000 GDR beschikte. Bijgevolg kan de Commissie niet staande houden, dat het bedrog van NET heeft voortgeduurd na 11 augustus 1993, toen de Commissie moest worden geacht op de hoogte te zijn gesteld van de werkelijke financiële situatie van die onderneming.
50 Bijgevolg is het recht van de Commissie om nietigverklaring van de handeling wegens bedrog te vorderen uiterlijk op 11 augustus 1995 vervallen. Met het onderhavige beroep, dat is ingesteld op 20 november 1998, kan de Commissie derhalve niet meer de nietigverklaring vorderen van haar wilsverklaring waarbij zij het voorstel tot schikking van NET heeft aanvaard.
51 Bijgevolg moet de primaire vordering van de Commissie worden afgewezen.
De subsidiaire vordering van de Commissie
52 Voor het geval de aanvaarding door de Commissie van de door NET voorgestelde schikking rechtsgeldig mocht worden geacht, voert de Commissie aan dat NET gehouden is tot terugbetaling van het uit die schikking voortvloeiende bedrag, te weten 9 257 051 GDR, vermeerderd met bankrente ten belope van 241 500 GDR, gelijk aan een totaalbedrag van 9 498 551 GDR, het bedrag dat trouwens door NET zelf was voorgesteld.
53 NET betoogt primair dat de Commissie krachtens artikel 9 van de overeenkomst slechts volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de uitgekeerde steun kan vorderen indien het programma, voorzover het is verwezenlijkt, resultaten heeft opgeleverd die commercieel kunnen worden benut.
54 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 9 van de overeenkomst bepaalt dat, de Commissie gehele of gedeeltelijke terugbetaling [kan] vorderen van de als steun uitgekeerde bedragen, vermeerderd met rente vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst, als het programma in het bereikte stadium resultaten heeft opgeleverd die commercieel kunnen worden benut".
55 Het is juist dat deze bewoordingen niet ondubbelzinnig zijn. Gelet evenwel op met name het hoofddoel van de overeenkomst, namelijk de bouw en de plaatsing van een windgenerator op een Grieks eiland, moet die bepaling aldus worden uitgelegd dat de Commissie slechts gedeeltelijke terugbetaling van de als steun uitgekeerde bedragen kan vorderen indien het programma, in het bereikte stadium, resultaten heeft opgeleverd die commercieel kunnen worden benut. In alle andere gevallen kan zij terugbetaling van het totaal van bedoelde bedragen vorderen.
56 Bedoelde argumentatie van NET kan dus niet worden aanvaard.
57 NET voert subsidiair evenwel aan, dat de door haar opgegeven en door de Commissie in het kader van het akkoord over de ontbinding van de overeenkomst op basis van artikel 9 goedgekeurde uitgaven ten belope van 11 703 963 GDR, niet overeenstemmen met de contractuele werkelijkheid, maar met haar belastingaangiften.
58 Volgens NET moet de Commissie alle werkelijke uitgaven voor de verwezenlijking van het windgeneratorproject aanvaarden, ongeacht of de Griekse belastingautoriteiten deze hebben erkend. In dit verband voert NET aan dat zij bijkomende uitgaven heeft gedaan ten belope van 12 830 000 GDR en stelt zij dat het totaalbedrag van volledig gerechtvaardigde contractuele uitgaven 24 533 963 GDR uitmaakt.
59 Zoals reeds uit punt 50 van dit arrest blijkt, is het akkoord van 27 maart 1990, waarin NET en de Commissie overeen zijn gekomen dat de Commissie haar schuldvordering beperkt tot 9 498 551 GDR en dat NET dit bedrag aan de Commissie terugbetaalt, rechtsgeldig en derhalve bindend voor partijen. Bovendien blijkt duidelijk uit dit akkoord, dat partijen zowel over het beginsel als over het bedrag van de schuld ten laste van NET overeenstemming hebben bereikt.
60 In die omstandigheden moet NET worden veroordeeld tot betaling aan de Commissie van een bedrag van 9 257 051 GDR, vermeerderd met bankrente ten belope van 241 500 GDR, zijnde een totaalbedrag van 9 498 551 GDR, overeenkomstig het akkoord van 27 maart 1990 tussen NET en de Commissie.
De rente
61 De Commissie vordert dat NET op basis van artikel 9 van de overeenkomst wordt veroordeeld tot betaling van vertragingsrente over de hoofdsom van haar schuld, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst krachtens voormelde bepaling, in casu 27 maart 1990, volgens het tarief van de EIB geldend op de datum van de beslissing van de Commissie over de toekenning van de financiële bijdrage aan het project, te weten 15 juli 1985. De Commissie vordert tevens dat NET overeenkomstig artikel 346 van het burgerlijk wetboek wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke vertragingsrente, eveneens over de hoofdsom van haar schuld, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het beroep tot de volledige voldoening van de schuld of, subsidiair, tot betaling van rente volgens het tarief van de EIB, te rekenen vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot de volledige voldoening van de schuld.
62 NET voert hiertegen aan dat, aangezien de ontbinding van de overeenkomst is overeengekomen op basis van artikel 9 ervan, de betaling van rente niet gerechtvaardigd is aangezien het project niet het stadium had bereikt waarin het commercieel te benutten resultaten zou opleveren. Volgens NET is ingevolge artikel 9 van de overeenkomst slechts vertragingsrente verschuldigd in het welbepaalde geval dat commerciële benutting mogelijk is, hetgeen in casu niet het geval is.
63 Hoe dan ook voert NET aan, dat het rentetarief van de EIB moet worden toegepast; in geen geval is vertragingsrente volgens het Griekse recht verschuldigd, aangezien partijen de betaling van vertragingsrente niet zijn overeengekomen.
64 In dat verband zij eraan herinnerd, dat artikel 9 van de overeenkomst uitdrukkelijk bepaalt dat de Commissie gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de als steun uitgekeerde bedragen kan vorderen, vermeerderd met vertragingsrente vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst. Artikel 9 bepaalt bovendien, dat het tarief van de EIB, geldend op de datum van de beslissing van de Commissie over de toekenning van de financiële bijdrage aan het project, van toepassing is.
65 Zoals blijkt uit punt 55 van het onderhavige arrest, koppelt die bepaling van de overeenkomst de verplichting om rente te betalen niet aan de mogelijkheid van commerciële benutting van het project, maar aan de mogelijkheid voor de Commissie, slechts gedeeltelijke terugbetaling van de reeds uitgekeerde financiële steun te vorderen. Derhalve kan niet worden betwist, dat de schuld van NET overeenkomstig artikel 9 van de overeenkomst moet worden vermeerderd met contractuele rente.
66 Voor het tijdvak tussen de kennisgeving van het beroep aan NET en de volledige voldoening van de schuld door deze laatste, vordert de Commissie evenwel rente berekend op basis van het in de Griekse wetgeving vastgelegde wettelijke tarief.
67 In dat verband bepaalt artikel 346 van het burgerlijk wetboek, dat de schuldenaar van een geldsom, ook als hij niet in gebreke is gesteld, gehouden is tot voldoening van de wettelijke rente, te rekenen vanaf de kennisgeving van de vordering in rechte met betrekking tot de opeisbare schuld.
68 Nu artikel 9 van de overeenkomst niet bepaalt, of het contractuele rentetarief ook van toepassing is tijdens de gerechtelijke procedure, moet het in de Griekse wetgeving krachtens artikel 346 van het burgerlijk wetboek vastgestelde wettelijke rentetarief worden toegepast over het tijdvak tussen de kennisgeving van het beroep aan NET tot de volledige voldoening van de schuld door deze laatste.
69 Gelet op bovenstaande overwegingen moet NET worden veroordeeld tot betaling aan de Commissie van het bedrag van 9 498 551 GDR overeenkomstig het op 27 maart 1990 tussen de Commissie en NET gesloten akkoord, zijnde het bedrag van de hoofdschuld ten belope van 9 257 051 GDR, vermeerderd met bankrente ten belope van 241 500 GDR, alsmede tot betaling van rente over de hoofdschuld, te berekenen volgens het door de EIB op 15 juli 1985 toegepaste tarief, over het tijdvak van 27 maart 1990 tot en met 10 december 1998, en volgens het in de Griekse wetgeving vastgelegde wettelijke tarief over het tijdvak van 11 december 1998, datum van kennisgeving van het beroep aan NET, tot de volledige voldoening van de schuld door deze laatste.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
70 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien NET in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Veroordeelt de vennootschap Nea Energeiaki Technologia EPE tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van het bedrag van 9 498 551 GDR overeenkomstig het op 27 maart 1990 tussen de Commissie en Nea Energeiaki Technologia EPE gesloten akkoord, zijnde het bedrag van de hoofdschuld ten belope van 9 257 051 GDR, vermeerderd met bankrente ten belope van 241 500 GDR, alsmede tot betaling van rente over de hoofdschuld, te berekenen volgens het door de Europese Investeringsbank op 15 juli 1985 toegepaste tarief, over het tijdvak van 27 maart 1990 tot en met 10 december 1998, en volgens het in de Griekse wetgeving vastgelegde wettelijke tarief over het tijdvak van 11 december 1998, datum van kennisgeving van het beroep aan Nea Energeiaki Technologia EPE, tot de volledige voldoening van de schuld door deze laatste.
2) Verwijst Nea Energeiaki Technologia EPE in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy