Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Architecten - Erkenning van diploma's en titels - Nationale regeling die uitoefening van werkzaamheid van architect beperkt naar gelang van definitie van beroep in lidstaat van oorsprong van diploma - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 85/384 van de Raad, art. 2 en 10)
2. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Beperkingen - Artikel 56 van Verdrag (thans, na wijziging, artikel 46 EG) - Doel - Bestaan van richtlijnen inzake harmonisatie van wetgevingen - Gevolgen
[EG-Verdrag, art. 56 (thans, na wijziging, art. 46 EG)]
Samenvatting
1. Een lidstaat voldoet niet aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 2 en 10 van richtlijn 85/384 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, indien hij de houders van een in een andere lidstaat afgegeven architectendiploma dat is erkend in het kader van de richtlijn, niet toestaat andere werkzaamheden uit te oefenen dan die welke zij volgens het diploma van hun land van oorsprong aldaar mogen uitoefenen, tenzij zij samenwerken met een andere beroepsbeoefenaar, die bevoegd is om die werkzaamheden uit te oefenen en wiens diploma eveneens overeenkomstig de wettelijke regeling van de ontvangende lidstaat is erkend.
Uit de artikelen 2 en 10 van die richtlijn volgt, dat aangezien een werkzaamheid gewoonlijk wordt verricht door architecten die in het bezit zijn van een door de ontvangende lidstaat afgegeven diploma, een migrerend architect die in het bezit is van een onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallend diploma, certificaat of andere titel, ook toegang moet hebben tot die werkzaamheid, zelfs indien zijn diploma's, certificaten of andere titels niet noodzakelijkerwijs inhoudelijk gelijkwaardig zijn, wat de gevolgde opleiding betreft. Ook al staat het aan de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat, het werkterrein van het beroep van architect te omschrijven, het gebod van onderlinge erkenning impliceert dat, wanneer een werkzaamheid in een lidstaat tot dat terrein behoort, ook migrerende architecten toegang tot deze werkzaamheid moeten hebben.
( cf. punten 37-38, 45 en dictum 1 )
2. Artikel 56 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 46 EG) heeft niet tot doel, bepaalde onderwerpen voor te behouden aan de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten, doch laat toe dat in de nationale wetgevingen een uitzondering wordt gemaakt op het beginsel van het vrije verkeer, voorzover zulks gerechtvaardigd is en blijft ter bereiking van de genoemde doelstellingen. Wanneer communautaire richtlijnen voorzien in harmonisatie van de maatregelen die ter bescherming van een bepaalde doelstelling noodzakelijk zijn, is een beroep op artikel 56 van het Verdrag niet meer gerechtvaardigd en vormt de betrokken harmonisatierichtlijn het kader waarbinnen de passende controles moeten worden uitgevoerd en de beschermende maatregelen moeten worden getroffen.
( cf. punten 41-42 )
Partijen
In zaak C-421/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en B. Mongin, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van dezelfde dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door M. López-Monís Gallego, abogado del Estado, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard E. Servais 4-6,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door in artikel 10, lid 2, van Real Decreto 1081/1989 van 28 augustus 1989 (BOE nr. 214 van 7 september 1989, blz. 28449) te bepalen, dat de houders van een in een andere lidstaat afgegeven architectendiploma dat is erkend in het kader van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15), in Spanje geen andere werkzaamheden mogen uitoefenen dan die welke zij volgens het diploma van het land van oorsprong aldaar mogen uitoefenen, tenzij zij samenwerken met een andere beroepsbeoefenaar, die bevoegd is om die werkzaamheden uit te oefenen en wiens diploma overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling is erkend, de krachtens de artikelen 2 en 10 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 november 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door in artikel 10, lid 2, van Real Decreto 1081/1989 van 28 augustus 1989 (BOE nr. 214 van 7 september 1989, blz. 28449; hierna: koninklijk besluit") te bepalen, dat de houders van een in een andere lidstaat afgegeven architectendiploma dat is erkend in het kader van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15), in Spanje geen andere werkzaamheden mogen uitoefenen dan die welke zij volgens het diploma van het land van oorsprong aldaar mogen uitoefenen, tenzij zij samenwerken met een andere beroepsbeoefenaar, die bevoegd is om die werkzaamheden uit te oefenen en wiens diploma overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling is erkend, de krachtens de artikelen 2 en 10 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
De communautaire regelgeving
2 Artikel 1 van de richtlijn luidt:
1. Deze richtlijn is van toepassing op de werkzaamheden op het gebied van de architectuur.
2. In de zin van deze richtlijn worden onder werkzaamheden op het gebied van de architectuur de werkzaamheden verstaan die gewoonlijk onder de beroepstitel van architect worden verricht."
3 Artikel 2 van de richtlijn bepaalt:
Elke lidstaat erkent de door de overige lidstaten aan de onderdanen van de lidstaten afgegeven diploma's, certificaten en andere titels die behaald zijn na een opleiding welke beantwoordt aan de eisen van de artikelen 3 en 4, en wel door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden onder de beroepstitel van architect, onder de in artikel 23, lid 1, gestelde voorwaarden, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf afgegeven diploma's, certificaten en andere titels."
4 Artikel 10 van de richtlijn luidt:
Elke lidstaat erkent de in artikel 11 vermelde diploma's, certificaten en andere titels die door de overige lidstaten zijn afgegeven aan onderdanen van de lidstaten die op de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds in het bezit zijn van deze kwalificaties of die uiterlijk in de loop van het derde academiejaar volgende op deze kennisgeving zijn begonnen met de opleiding die door het behalen van deze diploma's, certificaten en andere titels wordt afgesloten, ook al voldoen zij niet aan de minimumeisen van de in hoofdstuk II bedoelde diploma's, certificaten en andere titels, en wel door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden, met inachtneming van artikel 23, op zijn grondgebied, hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf afgegeven diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur."
5 In artikel 16 van de richtlijn wordt bepaald:
1. Onverminderd artikel 23 dragen de ontvangende lidstaten er zorg voor dat de onderdanen van de lidstaten die aan de in hoofdstuk II of III gestelde voorwaarden voldoen, het recht hebben gebruik te maken van hun wettige, in de lidstaat van oorsprong of van herkomst gevoerde opleidingstitel en - eventueel - van de afkorting daarvan, in de taal van deze staat. De ontvangende lidstaten kunnen voorschrijven dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of de examencommissie die deze heeft verleend.
2. Wanneer de opleidingstitel van de lidstaat van oorsprong of van herkomst in de ontvangende lidstaat kan worden verward met een titel waarvoor in deze staat een aanvullende opleiding vereist is die de begunstigde niet heeft gevolgd, kan deze ontvangende lidstaat voorschrijven dat de begunstigde zijn opleidingstitel van de lidstaat van oorsprong of van herkomst voert in een door de ontvangende lidstaat voorgeschreven passende vorm."
De nationale regelgeving
6 De richtlijn is in Spaans recht omgezet bij het koninklijk besluit dat de erkenning van in de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap afgegeven certificaten, diploma's en andere titels op het gebied van de architectuur alsmede de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten regelt.
7 De voorwaarden voor uitoefening van het beroep van architect in Spanje, alsmede het recht van vestiging zijn in de artikelen 9 en 10 van het koninklijk besluit neergelegd.
8 Artikel 10 van het koninklijk besluit bepaalt:
1. Op grond van hun lidmaatschap van de bond van architecten hebben de houders van de titels waarnaar dit koninklijk besluit verwijst, dezelfde rechten en plichten als de Spaanse architecten die lid zijn van de bond van architecten. Met name wat betreft de tuchtrechtelijke procedures en de desbetreffende sancties, gelden voor hen de statuten van de bonden van architecten en de gedragsregels die hun academische raad heeft opgesteld.
2. Wanneer de opdrachten bestaan in het ontwerp van bouwplannen of het uitoefenen van toezicht op de bouw, mogen de houders van een in een andere lidstaat afgegeven architectendiploma dat in Spanje overeenkomstig de bepalingen van dit koninklijk besluit is erkend, in Spanje geen andere werkzaamheden uitoefenen dan die welke zij overeenkomstig het diploma van het land van oorsprong aldaar mogen uitoefenen, tenzij zij samenwerken met een andere beroepsbeoefenaar, die deze werkzaamheden mag uitoefenen en wiens diploma overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling is erkend."
De precontentieuze procedure
9 Bij brief van 19 juli 1990 maande de Commissie het Koninkrijk Spanje aan, zijn opmerkingen te maken over de verenigbaarheid van artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit met de artikelen 2 en 10 van de richtlijn.
10 Bij brief van 30 oktober 1990 betwistte de Spaanse regering deze grief met een beroep op artikel 56 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 46 EG) en op de bijzondere aspecten die de richtlijn onderscheiden van andere sectoriële richtlijnen op het gebied van de onderlinge erkenning van diploma's, en wees zij erop dat laatstgenoemde richtlijnen een volledige harmonisatie van de minimumopleidingseisen bevatten, zodat automatische onderlinge erkenning mogelijk is.
11 Van mening dat het betoog van de Spaanse regering geen wijziging kon brengen in haar standpunt ter zake, zond de Commissie bij brief van 21 april 1992 het Koninkrijk Spanje een met redenen omkleed advies waarin zij het verzocht, de nodige maatregelen vast te stellen om dit advies binnen twee maanden na de betekening ervan op te volgen.
12 In haar antwoord van 16 december 1992 deelde de Spaanse regering mee, dat zij voornemens was artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit af te schaffen. Ofschoon het koninklijk besluit inderdaad bij Real Decreto 314/1996 van 23 februari 1996 (BOE nr. 64 van 14 maart 1996, blz. 10140) is gewijzigd, is artikel 10, lid 2, evenwel gehandhaafd.
13 Van oordeel dat het Koninkrijk Spanje in die omstandigheden niet aan het met redenen omkleed advies had voldaan, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
Argumenten van partijen
14 Volgens de Commissie blijkt uit de formulering van de artikelen 2 en 10 van de richtlijn, dat de houder van een door een andere lidstaat dan de ontvangende lidstaat afgegeven diploma, certificaat of andere titel op het gebied van de architectuur, dezelfde rechten moet genieten en aan dezelfde verplichtingen onderworpen moet zijn als de houders van het diploma van de ontvangende lidstaat.
15 Diploma's die stroken met de in de artikelen 3 en 4 van de richtlijn gestelde eisen en die welke voldoen aan de criteria van de in hoofdstuk III vermelde regeling van verworven rechten, moeten volgens de richtlijn automatisch en onvoorwaardelijk worden erkend. In de geest van de gemeenschapswetgever is met een lijst van kwalitatieve en kwantitatieve criteria een voldoende mate van harmonisatie bereikt om aan het beginsel van onderlinge erkenning gestalte te kunnen geven.
16 Artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit is, aldus de Commissie, onverenigbaar met dit beginsel van onderlinge erkenning. Blijkens dit artikel mogen de houders van een in een andere lidstaat afgegeven architectendiploma niet dezelfde werkzaamheden verrichten als de houders van een in Spanje verkregen architectendiploma. Ingevolge die nationale bepaling mogen de houders van een door een andere lidstaat dan het Koninkrijk Spanje afgegeven architectendiploma in Spanje immers geen andere werkzaamheden verrichten dan die welke zij op grond van dat diploma in die andere lidstaat mogen verrichten.
17 Hoewel het aan de wetgever van de ontvangende lidstaat is het gebied van de architectuur af te bakenen en een regeling vast te stellen voor het beroep van architect, stelt de Commissie dat, anders dan de Spaanse regering betoogt, het werkterrein van de architect die houder is van een in Spanje afgegeven diploma, niet groter is dan dat van de architecten van de andere lidstaten.
18 Zelfs indien dat wel het geval zou zijn, kan een migrerend architect in de ontvangende lidstaat een groter werkterrein hebben dan dat waarvoor hij aanvankelijk is opgeleid, aangezien de lidstaten geen gemeenschappelijke definitie van het werkterrein van het beroep van architect hebben.
19 Deze mogelijkheid is in de richtlijn echter voorzien. Uit artikel 1, lid 2, daarvan blijkt immers, dat de gemeenschapswetgever om de in de negende en de tiende overweging van de considerans vermelde redenen heeft aanvaard, dat de in de artikelen 2 en 10 van de richtlijn voorgeschreven erkenning van de diploma's tot gevolg kan hebben, dat beroepsbeoefenaars bevoegd zullen zijn onder de beroepstitel van architect bepaalde werkzaamheden te verrichten waartoe hun diploma in hun land van oorsprong geen toegang geeft.
20 Wat er ook van zij, de wetgever heeft ter verzekering van een voldoende bescherming van degene te wiens behoeve de architect diensten verricht, in artikel 16, lid 2, van de richtlijn een specifieke maatregel neergelegd, die beoogt de consument in te lichten over de opleidingsvoorwaarden en de oorsprong van de titel van de migrerende architect. Elke aanvullende maatregel van de ontvangende lidstaat, zoals de verplichting om samen te werken met een beroepsbeoefenaar die in die staat bevoegd is om de werkzaamheden te verrichten waarvoor de migrerende architect niet is opgeleid, is ingevolge de richtlijn verboden.
21 Met betrekking tot de toepassing van artikel 56 van het Verdrag stelt de Commissie, dat aangezien geen wezenlijk verschil is aangetoond tussen de architecten van andere lidstaten en de houders van een Spaans diploma wat opleiding en werkterrein betreft, de eventuele toepassing van dit artikel op het onderhavige geval niet eens behoeft te worden onderzocht.
22 Bovendien is het niet zeker, dat op de in artikel 56 van het Verdrag vermelde uitzonderingen een beroep kan worden gedaan om een harmonisatierichtlijn haar effect te ontnemen, zelfs indien de harmonisatie minimaal is, wanneer die richtlijn zelf de mechanismen regelt ter voorkoming van situaties die de openbare veiligheid kunnen schaden. In het kader van de huidige regeling beschikken de lidstaten over een reeks vrijwaringsmaatregelen die het nuttig effect van de richtlijn dienen te waarborgen en de situaties die niet stroken met de daarin gestelde voorwaarden, dienen te ondervangen.
23 Voorts is artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Met de in Spanje geldende gedragsregels kunnen in elk geval de verschillen in verband met de opleiding van architecten worden ondervangen.
24 De Spaanse regering stelt, dat de wetgever van de ontvangende lidstaat het werkterrein van het beroep van architect moet afbakenen en de toepasselijke wettelijke voorschriften moet vaststellen. De artikelen 2 en 10 van de richtlijn verlangen slechts, dat elke ontvangende lidstaat de door de overige lidstaten aan gemeenschapsonderdanen afgegeven diploma's, certificaten en andere titels erkent, door daaraan op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf afgegeven diploma's, certificaten en andere titels.
25 Bovendien blijkt uit artikel 1 van de richtlijn, dat deze slechts ziet op de gewoonlijk onder de beroepstitel van architect verrichte werkzaamheden. Ofschoon niet wordt betwist, dat de Spaanse wetgeving de diploma's, certificaten en andere titels erkent die toegang geven tot de werkzaamheden op het gebied van de architectuur die gewoonlijk onder de beroepstitel van architect worden verricht, de in artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit bedoelde werkzaamheden behoren evenwel niet tot deze gewone werkzaamheden. De werkzaamheden die bestaan in de opstelling van bouwplannen of het technische toezicht op de bouw, vallen in diverse lidstaten onder de bevoegdheid van de bouwkundige ingenieurs.
26 Artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit dient juist een oplossing te bieden voor het geval dat een aantal in de richtlijn opgenomen titels de houders ervan geen volledige bevoegdheid verlenen op het technische gebied dat betrekking heeft op de stabiliteit van gebouwen. Deze bepaling vereist dus enkel, dat indien de in de lidstaat van oorsprong afgegeven titel de migrerende architect geen volledige bevoegdheid verleent, deze zich moet associëren met een andere bevoegde beroepsbeoefenaar, wiens titel door de Spaanse wetgeving wordt erkend. Deze andere beroepsbeoefenaar behoeft niet de Spaanse nationaliteit te bezitten noch zijn diploma in Spanje te hebben behaald.
27 Er bestaan aanzienlijke verschillen wat betreft het werkterrein dat wordt bestreken door de titel die toegang geeft tot het beroep van architect alsmede aangaande de opleiding, de taken en de verantwoordelijkheid van de architect.
28 Daar de voorschriften inzake de opleiding en de bevoegdheden van de architecten in de verschillende lidstaten niet zijn geharmoniseerd, mogen de lidstaten op grond van artikel 56 van het Verdrag regelingen invoeren waardoor kan worden gewaarborgd, dat de begunstigden van de richtlijn de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van architectuurprojecten op zich kunnen nemen. Dat is met name het geval wanneer het gaat om beroepsbeoefenaars die in hun lidstaat van oorsprong verplicht moeten samenwerken met een andere beroepsbeoefenaar om te kunnen waarborgen dat het project voldoet aan de eisen van openbare veiligheid van deze staat.
29 Artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit strookt met het evenredigheidsbeginsel en dient ter bescherming van de openbare veiligheid, die wordt gewaarborgd door de verplichte samenwerking met een beroepsbeoefenaar die bevoegd is om de dragende delen te berekenen. Dit is de oplossing die het vrij verrichten van diensten het minst belemmert.
30 Dit resultaat kan niet worden bereikt door een verwijzing naar de gedragsregels die de begunstigden van de richtlijn moeten naleven of door een verbod voor elke beroepsbeoefenaar, werkzaamheden te verrichten waarvoor hij onvoldoende is opgeleid.
31 Zoals de Commissie heeft erkend, rechtvaardigen de verschillen tussen de lidstaten betreffende de definitie van het beroep van architect, dat de ontvangende lidstaat over een ruime bevoegdheid beschikt om de voorwaarden voor het voeren van de titel van architect te regelen. In deze omstandigheden kan artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit worden geacht uitvoering te geven aan artikel 16, lid 2, van de richtlijn.
Beoordeling door het Hof
32 Vooraf zij opgemerkt, dat vaststaat dat wanneer de opdrachten bestaan in het ontwerp van bouwplannen of het uitoefenen van het toezicht op de bouw, op grond van artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit de houders van een door een andere lidstaat dan het Koninkrijk Spanje afgegeven en aldaar erkend diploma op het gebied van de architectuur op Spaans grondgebied geen andere werkzaamheden mogen uitoefenen dan zij in hun lidstaat van oorsprong of herkomst op grond van de afgegeven titel mogen verrichten.
33 Ingevolge deze bepaling mogen de houders van een door een andere lidstaat dan het Koninkrijk Spanje afgegeven diploma hun opdrachten niet op hetzelfde werkterrein uitoefenen als de houders van een in Spanje behaald diploma.
34 Volgens de tweede overweging van de considerans van de richtlijn beoogt deze de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels voor de werkzaamheden op het gebied van de architectuur te waarborgen, teneinde de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten op dat gebied te vergemakkelijken.
35 De kern van deze onderlinge erkenning wordt tot uiting gebracht in artikel 2 van de richtlijn, volgens hetwelk elke lidstaat de door de overige lidstaten aan de onderdanen van de lidstaten afgegeven diploma's, certificaten en andere titels moet erkennen die behaald zijn na een opleiding welke beantwoordt aan de eisen van de artikelen 3 en 4 en daaraan, met betrekking tot de toegang tot de gewoonlijk onder de beroepstitel van architect verrichte werkzaamheden, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg moet toekennen als aan de door hemzelf afgegeven diploma's, certificaten en andere titels.
36 Artikel 10 van de richtlijn breidt de onderlinge erkenning uit tot een aantal andere diploma's die niet beantwoorden aan de in hoofdstuk II van de richtlijn genoemde eisen, daaronder begrepen die van de artikelen 3 en 4.
37 Uit de artikelen 2 en 10 van de richtlijn volgt, dat aangezien een werkzaamheid gewoonlijk wordt verricht door architecten die in het bezit zijn van een door de ontvangende lidstaat afgegeven diploma, een migrerend architect die in het bezit is van een onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallend diploma, certificaat of andere titel ook toegang moet hebben tot die werkzaamheid, zelfs indien zijn diploma's, certificaten of andere titels niet noodzakelijkerwijs inhoudelijk gelijkwaardig zijn wat de gevolgde opleiding betreft.
38 Ook al staat het, zoals de Spaanse regering aanvoert, aan de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat, het werkterrein van het beroep van architect te omschrijven, het gebod van onderlinge erkenning impliceert dat, wanneer een werkzaamheid in een lidstaat tot dat terrein behoort, ook migrerende architecten toegang tot deze werkzaamheid moeten hebben.
39 Wat het betoog van de Spaanse regering betreft dat de richtlijn overeenkomstig artikel 1, lid 2, ervan enkel ziet op de gewoonlijk onder de beroepstitel van architect verrichte werkzaamheden, waartoe niet de in artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit bedoelde werkzaamheden behoren, wordt niet betwist, dat die werkzaamheden gewoonlijk worden verricht door architecten die houder zijn van een door het Koninkrijk Spanje afgegeven diploma. Dergelijke werkzaamheden vallen dus onder het toepassingsgebied van de richtlijn.
40 In elk geval blijkt uit de negende overweging van de considerans van de richtlijn, dat artikel 1, lid 2, daarvan er niet op gericht is, een juridische definitie te geven van de werkzaamheden op het gebied van de architectuur.
41 Met betrekking tot de toepassing van artikel 56 van het Verdrag op de onderhavige situatie zij opgemerkt, dat deze bepaling niet tot doel heeft, bepaalde onderwerpen voor te behouden aan de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten, doch toelaat dat in de nationale wetgevingen een uitzondering wordt gemaakt op het beginsel van het vrije verkeer, voor zover zulks gerechtvaardigd is en blijft ter bereiking van de genoemde doelstellingen [zie, in die zin, aangaande artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG), arrest van 5 oktober 1977, Tedeschi, 5/77, Jurispr. blz. 1555, punt 34].
42 Wanneer communautaire richtlijnen voorzien in harmonisatie van de maatregelen die ter bescherming van een bepaalde doelstelling noodzakelijk zijn, is een beroep op artikel 56 van het Verdrag niet meer gerechtvaardigd en vormt de betrokken harmonisatierichtlijn het kader waarbinnen de passende controles moeten worden uitgevoerd en de beschermende maatregelen moeten worden getroffen (zie, in die zin, aangaande artikel 36 van het Verdrag, arresten van 8 november 1979, Denkavit Futtermittel, 251/78, Jurispr. blz. 3369, punt 14; 20 september 1988, Moormann, 190/87, Jurispr. blz. 4689, punt 10, en 25 maart 1999, Commissie/Italië, Jurispr. blz. I-1821, punt 54).
43 De richtlijn schrijft voor, welke maatregelen moeten worden getroffen wanneer de in de lidstaat van oorsprong of herkomst gevolgde opleiding materieel niet gelijkwaardig is aan de opleiding in de ontvangende lidstaat.
44 Naar luid van artikel 16, lid 2, van de richtlijn kan immers, wanneer de opleidingstitel van de lidstaat van oorsprong of van herkomst in de ontvangende lidstaat kan worden verward met een titel waarvoor in deze staat een aanvullende opleiding vereist is die de begunstigde niet heeft gevolgd, deze ontvangende lidstaat voorschrijven dat de begunstigde zijn opleidingstitel voert in een door de ontvangende lidstaat voorgeschreven passende vorm.
45 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door in artikel 10, lid 2, van het koninklijk besluit te bepalen, dat de houders van een in een andere lidstaat afgegeven architectendiploma dat is erkend in het kader van de richtlijn, in Spanje geen andere werkzaamheden mogen uitoefenen dan die welke zij volgens het diploma van hun land van oorsprong aldaar mogen uitoefenen, tenzij zij samenwerken met een andere beroepsbeoefenaar, die bevoegd is om die werkzaamheden uit te oefenen en wiens diploma overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling is erkend, de krachtens de artikelen 2 en 10 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
46 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door in artikel 10, lid 2, van Real Decreto 1081/1989 van 28 augustus 1989 te bepalen, dat de houders van een in een andere lidstaat afgegeven architectendiploma dat is erkend in het kader van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, in Spanje geen andere werkzaamheden mogen uitoefenen dan die welke zij volgens de diploma's van het land van oorsprong aldaar mogen uitoefenen, tenzij zij samenwerken met een andere beroepsbeoefenaar, die bevoegd is om die werkzaamheden te verrichten en wiens diploma overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling is erkend, is het Koninkrijk Spanje de krachtens de artikelen 2 en 10 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy