Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Ontvankelijkheid - Beoordeling met betrekking tot geschil dat voorwerp van instantie is - Instelling die in eerste aanleg is tussengekomen en geheel of gedeeltelijk in ongelijk is gesteld - Voldoende voorwaarde
('s Hofs Statuut-EG, art. 49)
2. Ambtenaren - Definitieve beëindiging van dienst - Afvloeiing - Maatregel die specifieke rechtsgrondslag vereist - Verordening nr. 2688/95 van Raad, die Europees Parlement toestaat afvloeiingsmaatregelen te nemen ten gunste van zijn personeel - Beroep ingesteld door ambtenaren van Hof van Justitie die, bij wege van exceptie, onwettigheid van verordening nr. 2688/95 opwerpen - Niet-ontvankelijkheid
(Verordening nr. 2688/95 van de Raad)
Samenvatting
1. Voor de vraag of aan de in artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en -EGA vastgestelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van hogere voorzieningen is voldaan, moet alleen worden gezien naar het geding waarop de instantie betrekking heeft. De omstandigheid dat in de motivering van een beslissing van het Gerecht die definitief is geworden, de tegen een regelgevende handeling opgeworpen exceptie van onwettigheid wordt aanvaard, belet degene die een ontvankelijke hogere voorziening heeft ingesteld, niet om in een ander geding de wettigheid van diezelfde verordening te betwisten.
Bovendien volgt uit artikel 49, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en -EGA, dat het volstaat dat een in eerste aanleg tussengekomen instelling geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, om in haar hogere voorziening te kunnen worden ontvangen.
( cf. punten 22-23 )
2. Maatregelen tot definitieve beëindiging van de dienst, zoals die welke bij verordening nr. 2688/95 van de Raad zijn toegestaan, vinden hun wettelijke grondslag niet in het Statuut en zijn dus geen gewoon bestanddeel van de loopbaan van de betrokkenen. Dergelijke afvloeiingsmaatregelen" moeten integendeel worden beschouwd als een praktijk die de Gemeenschap bij gelegenheid toepast om de goede werking van haar instellingen te verzekeren.
Daaruit volgt enerzijds, dat een verzoek om te worden geplaatst op een lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een dergelijke maatregel, het bestaan veronderstelt van een specifieke en wettige verordeningsbepaling die aan dat verzoek een rechtsgrondslag verleent, en anderzijds dat, zelfs wanneer er een dergelijke bepaling bestaat, de betrokken instelling niet verplicht is de bij haar ingediende verzoeken in te willigen, of, zelfs gedeeltelijk, gebruik te maken van de haar geboden mogelijkheid om tot definitieve beëindiging van de dienst van een deel van haar ambtenaren te besluiten.
Aangezien verordening nr. 2688/95 van de Raad alleen het Europees Parlement heeft toegestaan afvloeiingsmaatregelen te nemen, en dus geen rechtsgrondslag kan verlenen aan verzoeken van ambtenaren van andere instellingen, heeft het Gerecht ten onrechte een exceptie van onwettigheid van die verordening ontvankelijk verklaard, die door ambtenaren van het Hof was opgeworpen in een geding dat strekte tot nietigverklaring van een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag houdende afwijzing van hun verzoek om te worden geplaatst op de lijst van ambtenaren die belangstelling hadden voor afvloeiingsmaatregelen. De wettigheid van de door het tot aanstelling bevoegd gezag gegeven antwoorden kan immers niet worden aangetast door eventuele gebreken van een verordening die niet van toepassing is op het Hof van Justitie.
( cf. punten 28-34 )
Partijen
In de gevoegde zaken C-432/98 P en C-433/98 P,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Jacqué, directeur bij zijn juridische dienst, D. Canga Fano en T. Blanchet, leden van die juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
rekwirant,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad, abogado del Estado, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard E. Servais 4-6,
interveniënt in hogere voorziening,
betreffende hogere voorzieningen tegen de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 30 september 1998, Chvatal e.a./Hof van Justitie (T-154/96, JurAmbt. blz. I-A-527 en II-1579), en Losch/Hof van Justitie (T-13/97, JurAmbt. blz. I-A-543 en II-1633), strekkende tot vernietiging van die arresten,
andere partijen bij de procedure:
C. Chvatal e.a., ambtenaren van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-N. Louis en T. Demaseure, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg op de zetel van de Société de gestion fiduciaire, postbus 585,
A. Losch, ambtenaar van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-N. Louis en T. Demaseure, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg op de zetel van de Société de gestion fiduciaire, postbus 585,
verzoekers in eerste aanleg,
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, L - 2925 Luxemburg,
verweerder in eerste aanleg,
en
Koninkrijk der Nederlanden, Bezuidenhoutseweg 67, 's-Gravenhage,
interveniënt in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward, L. Sevón en R. Schintgen, kamerpresidenten, C. Gulmann, A. La Pergola, J.-P. Puissochet (rapporteur), H. Ragnemalm, M. Wathelet en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 11 april 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij twee verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 1 december 1998, heeft de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen enerzijds het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 september 1998, Chvatal e.a./Hof van Justitie (T-154/96, JurAmbt. blz. I-A-527 en II-1579), en anderzijds het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 september 1998, Losch/Hof van Justitie (T-13/97, JurAmbt. blz. I-A-543 en II-1633; hierna: bestreden arresten"), bij welke arresten het Gerecht nietig heeft verklaard de besluiten van het Hof van Justitie houdende afwijzing van het verzoek van bepaalde personeelsleden om te worden geplaatst op de lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een maatregel tot definitieve beëindiging van de dienst als waarin wordt voorzien door verordening (EG, Euratom, EGKS) nr. 2688/95 van de Raad van 17 november 1995 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden (PB L 280, blz. 1).
De aan de gedingen ten grondslag liggende feiten
2 Naar aanleiding van de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden diende de Commissie, na op 21 juni een gunstig advies te hebben gekregen van het Comité voor het Statuut, op 7 juli 1995 een voorstel in voor een verordening tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschap (hierna: aanvankelijk voorstel"). Dit voorstel, dat het aantal ambtenaren vaststelde ten aanzien van wie bij het Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer en het Economisch en Sociaal Comité een afvloeiingsmaatregel" kon worden genomen, werd voor advies aan de betrokken instellingen voorgelegd en kreeg een gunstig advies van het Parlement, het Hof van Justitie en de Rekenkamer.
3 Nadat de Commissie haar aanvankelijke voorstel had gesplitst, stelde de Raad op 17 november 1995 verordening nr. 2688/95 vast, waarbij het Parlement tot en met 30 juni 2000 werd gemachtigd, ten aanzien van zijn ambtenaren die de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, met uitzondering van de ambtenaren in de rangen A1 en A2, maatregelen tot definitieve beëindiging van de dienst te nemen.
4 C. Chvatal e.a. en A. Losch, ambtenaren van het Hof van Justitie, verzochten afzonderlijk, bij tussen 6 februari en 16 juli 1996 aan de griffie van het Hof van Justitie in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: TABG") gezonden brieven, te worden geplaatst op de lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een maatregel tot beëindiging van de dienst ter gelegenheid van de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
5 Bij tussen 28 februari en 22 juli 1996 verzonden brieven (hierna: litigieuze brieven") antwoordde de griffier van het Hof van Justitie, dat hij hun verzoeken niet kon inwilligen, aangezien de regeling andere instellingen dan het Parlement niet toestond, maatregelen tot definitieve beëindiging van de dienst te nemen, maar dat hun blijk van belangstelling zeker in aanmerking zou worden genomen, ingeval de Raad het aanvankelijke voorstel van de Commissie, dat ook op de ambtenaren van de andere instellingen betrekking had, zou aanvaarden.
6 Chvatal e.a. en Losch dienden tussen 21 mei en 24 september 1996 ieder afzonderlijk een klacht in tegen de besluiten die, volgens hen, in de litigieuze brieven waren vervat. Die klachten werden afgewezen door het klachtencomité van het Hof van Justitie, op grond dat zij uitsluitend ertoe strekten, de geldigheid van verordening nr. 2688/95 te betwisten, met name omdat zij niet van toepassing was op de ambtenaren van het Hof van Justitie, terwijl het niet aan het TABG van die instelling stond, de geldigheid van een verordening van de Raad te beoordelen.
7 Nadat die afwijzingen hun tussen 11 juli en 23 oktober 1996 ter kennis waren gebracht, stelden Chvatal e.a. en Losch, bij twee op 8 oktober 1996 respectievelijk 20 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften, beroepen in tot vaststelling van de onwettigheid van verordening nr. 2688/95, en bijgevolg tot nietigverklaring van de besluiten van het TABG houdende afwijzing van hun in de litigieuze brieven vervatte verzoeken.
De bestreden arresten
8 Het Gerecht verwierp eerst de middelen van niet-ontvankelijkheid van de verzoeken, aangevoerd door het Hof van Justitie, verweerder in eerste aanleg, en door de Raad en het Koninkrijk der Nederlanden, die in eerste aanleg hadden geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van het Hof van Justitie.
9 Het overwoog enerzijds, dat de uitoefening, door een ambtenaar, van het recht om het TABG overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") te verzoeken jegens hem een besluit te nemen, aan geen enkele voorwaarde onderworpen was, en anderzijds, dat de door het TABG genomen besluiten, waarbij definitief wordt geweigerd de ingediende verzoeken in overweging te nemen, de rechtspositie van Chvatal e.a. en Losch rechtstreeks en onmiddellijk raakten en dus voor hen bezwarend waren.
10 Ook de betwisting, bij wege van exceptie, van de wettigheid van verordening nr. 2688/95, was volgens het Gerecht ontvankelijk.
11 Na te hebben overwogen, dat verordening nr. 2688/95 de directe grondslag voor de besluiten van het TABG vormde, aangezien het impliciet maar noodzakelijk de ambtenaren van andere instellingen dan het Parlement van haar werkingssfeer uitsloot, oordeelde het Gerecht namelijk, dat de tegen die verordening gerichte exceptie van onwettigheid niet te vroeg was opgeworpen - aangezien na verordening nr. 2688/95 geen enkele afvloeiingsmaatregel" voor de andere instellingen was vastgesteld en het aanvankelijke voorstel van de Commissie gedeeltelijk was vervallen - en ook geen misbruik opleverde, ook al had het TABG geen andere keus dan de bij hem ingediende verzoeken af te wijzen.
12 Bij het onderzoek ten gronde van de exceptie van onwettigheid van verordening nr. 2688/95 aanvaardde het Gerecht ten slotte twee gronden van onwettigheid van die verordening.
13 Het overwoog in de eerste plaats, in de uitoefening van een tot een kennelijke dwaling en misbruik van bevoegdheid beperkte toetsing, dat verordening nr. 2688/95, die het recht op afvloeiingsmaatregelen" tot het Parlement beperkte, een onderscheid maakte dat op willekeur berustte of kennelijk niet spoorde met het nagestreefde doel, en als zodanig in strijd was met een van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, namelijk het gelijkheidsbeginsel. De situatie van het Hof van Justitie was immers niet verschillend van die van het Parlement, wat de noodzaak betreft om naar aanleiding van de toetreding van nieuwe lidstaten de samenstelling van hun ambtenarencorps aan te passen.
14 Het Gerecht oordeelde in de tweede plaats, dat door verordening nr. 2688/95 wezenlijke vormvoorschriften werden geschonden, daar het Parlement en het Comité voor het Statuut niet opnieuw waren geraadpleegd naar aanleiding van de wijziging, door de Commissie, van haar aanvankelijke voorstel.
15 Het overwoog namelijk, dat de in het aanvankelijke voorstel aangebrachte wijziging van substantiële aard was, aangezien zij de draagwijdte ervan aanzienlijk beperkte, en dus enerzijds, krachtens artikel 24 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, aan het Parlement en anderzijds, krachtens artikel 10, tweede alinea, tweede zin, van het Statuut, aan het Comité voor het Statuut had moeten worden voorgelegd. Dit was echter niet gebeurd.
16 Om die redenen verklaarde het Gerecht de besluiten nietig die tot Chvatal e.a. en Losch waren gericht, en waarbij werd geweigerd hen te plaatsen op de lijst van personen die blijk hadden gegeven van belangstelling voor een maatregel tot definitieve beëindiging van de dienst als waarin werd voorzien door verordening nr. 2688/95.
De hogere voorzieningen
17 De Raad concludeert dat het den Hove behage de bestreden arresten te vernietigen. Tot staving van zijn hogere voorzieningen voert hij zes middelen aan, waarvan er drie betrekking hebben op de ontvankelijkheid van hetzij de bij het Gerecht ingestelde beroepen, hetzij de opgeworpen exceptie van onwettigheid, en drie de wettigheid van verordening nr. 2688/95 betreffen.
18 Chvatal e.a. en Losch verzoeken het Hof, de hogere voorzieningen niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair deze ongegrond te verklaren, en de Raad in de kosten te verwijzen.
19 Bij beschikkingen van de president van het Hof van 19 april 1999 is het Koninkrijk Spanje in de zaken C-432/98 P en C-433/98 P toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad. Het verzoekt het Hof, de bestreden arresten te vernietigen.
20 Bij beschikking van de president van het Hof van 17 maart 2000 zijn de zaken C-432/98 P en C-433/98 P gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
De ontvankelijkheid van de hogere voorzieningen
21 Chvatal e.a. en Losch verzoeken het Hof, de hogere voorzieningen niet-ontvankelijk te verklaren. Te dien einde zetten zij uiteen, dat de bestreden arresten in hun motivering en hun dictum overeenkomen met het arrest van het Gerecht van 30 september 1998, Busacca e.a./Rekenkamer (T-164/97, JurAmbt. blz. I-A-565 en II-1699). Aangezien de Raad echter in zaak T-164/97 niet heeft geïntervenieerd, is de hogere voorziening die hij tegen dat arrest heeft ingesteld, volgens hen kennelijk niet-ontvankelijk. Daar de partijen bij de procedure T-164/97 geen hogere voorziening hebben ingesteld, heeft dit arrest van het Gerecht in de zaak Busacca e.a./Rekenkamer gezag van gewijsde gekregen. Zou de Raad ontvankelijk worden verklaard in zijn hogere voorziening tegen de bestreden arresten, dan zou het gezag van gewijsde van voornoemd arrest Busacca e.a./Rekenkamer worden aangetast, terwijl de Raad welbewust ervan heeft afgezien in die zaak te interveniëren en de betrokken instelling thans de voor de uitvoering van dat arrest vereiste maatregelen dient vast te stellen.
22 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat voor de vraag of aan de in artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA vastgestelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van hogere voorzieningen is voldaan, enkel moet worden gezien naar het geding waarop de instantie betrekking heeft. De omstandigheid dat in de motivering van een beslissing van het Gerecht die definitief zou zijn geworden, de tegen een regelgevende handeling opgeworpen exceptie van onwettigheid wordt aanvaard, belet degeen die een ontvankelijke hogere voorziening heeft ingesteld, niet om in een ander geding de onwettigheid van diezelfde verordening te betwisten.
23 Bovendien volgt uit artikel 49, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA, dat het volstaat dat een instelling in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, om in haar hogere voorziening te kunnen worden ontvangen.
24 Daar zulks het geval is met de Raad in de zaken waarin de bestreden arresten zijn gewezen, moet die instelling worden ontvangen in haar hogere voorziening tegen die arresten, zonder dat aan die ontvankelijkheid afbreuk kan worden gedaan door de stand van de procedure in andere zaken, ook wanneer die vergelijkbare rechtsvragen opwerpen.
De gegrondheid van de hogere voorzieningen
De exceptie van onwettigheid van verordening nr. 2688/95
25 De Raad zet uiteen, dat het Gerecht artikel 184 EG-Verdrag (thans artikel 241 EG) onjuist heeft toegepast, door de tegen verordening nr. 2688/95 gerichte exceptie van onwettigheid ontvankelijk te verklaren.
26 Vaststaat, dat de enige grond die het Gerecht in aanmerking heeft genomen om de gewraakte besluiten nietig te verklaren, de onwettigheid is van de normatieve handeling die de rechtsgrondslag van deze besluiten vormt. Daaruit volgt, dat zo het Gerecht zich ten onrechte geadieerd heeft geoordeeld met een ontvankelijke betwisting, bij wege van incident, van de wettigheid van verordening nr. 2688/95, een dergelijke onjuiste rechtsopvatting noodzakelijk tot vernietiging van de bestreden arresten zal moeten leiden.
27 Uit de bestreden arresten blijkt, dat Chvatal e.a. en Losch het TABG hebben verzocht, te worden geplaatst op de lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een maatregel tot definitieve beëindiging van de dienst. In de litigieuze brieven, die aan het Gerecht zijn voorgelegd, antwoordde het TABG aan die ambtenaren, dat het bij de huidige stand van de procedure hun verzoeken niet kon inwilligen, aangezien verordening nr. 2688/95 enkel gold voor ambtenaren van het Parlement, en de regeling het andere instellingen dus niet mogelijk maakte, ten aanzien van hun personeelsleden maatregelen tot definitieve beëindiging van de dienst te nemen.
28 Vooraf moet worden opgemerkt, dat maatregelen tot definitieve beëindiging van de dienst, zoals die welke bij verordening nr. 2688/95 zijn toegestaan, hun wettelijke grondslag niet vinden in het Statuut en dus geen gewoon bestanddeel van de loopbaan van de betrokkenen zijn. Dergelijke afvloeiingsmaatregelen" moeten integendeel als een praktijk worden beschouwd, waarop de Gemeenschap bij gelegenheid een beroep doet om de goede werking van haar instellingen te verzekeren.
29 Daaruit volgt enerzijds, dat een verzoek om te worden geplaatst op een lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een dergelijke maatregel, het bestaan veronderstelt van een specifieke en wettige verordeningsbepaling die aan dat verzoek een rechtsgrondslag verleent, en anderzijds dat, zelfs wanneer er een dergelijke bepaling bestaat, de betrokken instelling niet verplicht is de bij haar ingediende verzoeken in te willigen, of, zelfs gedeeltelijk, gebruik te maken van de haar geboden mogelijkheid om tot definitieve beëindiging van de dienst van een deel van haar ambtenaren te besluiten.
30 In casu was de enige rechtsgrondslag waarop ambtenaren zich voor hun verzoek om afvloeiingsmaatregelen konden beroepen, verordening nr. 2688/95, die enkel het Parlement toestond dergelijke maatregelen te nemen.
31 Gesteld dus dat die verordening, om welke reden ook, onwettig was en daarom niet kon worden toegepast, kon dit niet tot gevolg hebben, dat een rechtsgrondslag werd verleend aan de verzoeken van ambtenaren van instellingen die van de werkingssfeer van de verordening waren uitgesloten.
32 De wettigheid van de door het TABG aan Chvatal e.a. en Losch gegeven antwoorden kan dus niet worden aangetast door eventuele gebreken van een verordening die niet van toepassing is op het Hof van Justitie.
33 Daaruit volgt, dat de betrokken ambtenaren niet ontvankelijk waren om bij wege van incident de wettigheid te betwisten van een verordening waarvan de bestreden besluiten geen toepassingsmaatregelen zijn. Het Gerecht heeft dus in de bestreden arresten ten onrechte aanvaard, uitspraak te doen over de door de verzoekers opgeworpen exceptie van onwettigheid van verordening nr. 2688/95.
34 Uit het voorgaande volgt, dat het middel ontleend aan onjuiste toepassing van artikel 184 van het Verdrag gegrond is, en dat de bestreden arresten om die reden moeten worden vernietigd, zonder dat de andere door de Raad aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht.
Het middel ontleend aan het niet opnieuw raadplegen van het Comité voor het Statuut
35 Niettemin verzoekt de Raad het Hof, wanneer het geen uitspraak mocht doen over de wettigheid van verordening nr. 2688/95, van de middelen ten gronde die het Gerecht heeft aanvaard, het middel te onderzoeken, dat het niet opnieuw raadplegen van het Comité voor het Statuut na de splitsing van het aanvankelijke voorstel van de Commissie, een schending van wezenlijke vormvoorschriften zou opleveren.
36 Aangezien het door Chvatal e.a. en Losch bij het Gerecht ingediende verzoek om bij wege van exceptie uitspraak te doen over de wettigheid van verordening nr. 2688/95 echter niet-ontvankelijk was, zijn er voor het Hof geen termen aanwezig om, na het vaststellen van die niet-ontvankelijkheid, uitspraak te doen over de juistheid van de overwegingen van het Gerecht ten gronde.
De bij het Gerecht ingestelde beroepen
37 Volgens artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EG en EGA vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van de hogere voorziening. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Dat is in casu het geval.
38 Uit de punten 26 tot en met 34 van het onderhavige arrest vloeit voort, dat de door Chvatal e.a. respectievelijk Losch bij het Gerecht ingestelde beroepen moeten worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet.
De in eerste aanleg gemaakte kosten
40 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien zulks is gevorderd. Volgens artikel 87, lid 4, dienen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten te dragen. Volgens artikel 88 blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, in beginsel te hunnen laste.
41 Aangezien Chvatal e.a. en Losch in het ongelijk zijn gesteld, zal elk der partijen alsook elk der interveniënten de eigen kosten dragen.
De naar aanleiding van de hogere voorziening gemaakte kosten
42 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 4, dat eveneens van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moeten de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen. Volgens artikel 70, dat ingevolge de artikelen 118 en 122 van toepassing is op de door de instellingen ingestelde hogere voorzieningen, blijven, onverminderd andere bepalingen, in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
43 Aangezien Chvatal e.a. en Losch in het ongelijk zijn gesteld, zal elke partij alsook het Koninkrijk Spanje, dat in hogere voorziening is tussengekomen, de eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Vernietigt de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 30 september 1998, Chvatal e.a./Hof van Justitie (T-154/96), en Losch/Hof van Justitie (T-13/97).
2) Verwerpt de bij het Gerecht ingestelde beroepen in de zaken T-154/96 en T-13/97.
3) Verwijst Chvatal e.a. en Losch, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de Raad van de Europese Unie, het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk der Nederlanden in de eigen kosten, die zij zowel in eerste aanleg als naar aanleiding van de hogere voorziening hebben gemaakt.
Full & Egal Universal Law Academy