Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Hogere voorziening - Beroep van ambtenaren - Hogere voorziening van instelling die in eerste aanleg niet is tussengekomen - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 49, derde alinea)
Samenvatting
$$Volgens artikel 49, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en -EGA staat in zaken betreffende geschillen tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden hogere voorziening bij het Hof niet open voor de lidstaten en de instellingen die niet voor het Gerecht zijn tussengekomen.
Moet niet-ontvankelijk worden verklaard, de hogere voorziening die is ingesteld door een instelling die in eerste aanleg niet is tussengekomen, wanneer het geschil, waarin de Gemeenschap en een ambtenaar tegenover elkaar staan, niet de nietigverklaring van een regelgevende handeling of een handeling van algemene strekking betreft. In dit verband ontneemt de omstandigheid dat de ambtenaar voor het Gerecht, in een beroep tot nietigverklaring van een hem betreffend individueel besluit, bij wege van exceptie de onwettigheid van een verordening van de Raad heeft opgeworpen, aan de zaak niet haar karakter van geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, aangezien het verzoek van de betrokkene, indien het wordt ingewilligd, slechts tot nietigverklaring van het hem betreffende individuele besluit, maar niet tot nietigverklaring van de verordening kan leiden.
( cf. punten 21-25 )
Partijen
In zaak C-434/98 P,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Jacqué, directeur bij zijn juridische dienst, D. Canga Fano en T. Blanchet, leden van die juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
rekwirant,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad, abogado del Estado, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard E. Servais 4-6,
interveniënt in hogere voorziening,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 30 september 1998, Busacca e.a./Rekenkamer (T-164/97, JurAmbt. blz. I-A-565 en II-1699), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
S. Busacca e.a., ambtenaren van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Vandersanden en L. Levi, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg op de zetel van de Société de gestion fiduciaire, postbus 585,
verzoekers in eerste aanleg,
en
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Giusta, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg op de zetel van de Rekenkamer, Rue Alcide de Gasperi 12, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward, L. Sevón en R. Schintgen, kamerpresidenten, C. Gulmann, A. La Pergola, J.-P. Puissochet (rapporteur), H. Ragnemalm, M. Wathelet en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 11 april 2000,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 1 december 1998, heeft de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 30 september 1998, Busacca e.a./Rekenkamer (T-164/97, JurAmbt. blz. I-A-565 en II-1699; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht nietig heeft verklaard de besluiten van de Rekenkamer van 16 september 1996 houdende afwijzing van het verzoek van bepaalde personeelsleden om te worden geplaatst op de lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een maatregel tot definitieve beëindiging van de dienst als waarin wordt voorzien door verordening (EG, Euratom, EGKS) nr. 2688/95 van de Raad van 17 november 1995 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden (PB L 280, blz. 1).
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
2 Naar aanleiding van de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden diende de Commissie, na op 21 juni een gunstig advies te hebben gekregen van het Comité voor het Statuut, op 7 juli 1995 een voorstel in voor een verordening tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschap (hierna: aanvankelijk voorstel"). Dit voorstel, dat het aantal ambtenaren vaststelde ten aanzien van wie bij het Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer en het Economisch en Sociaal Comité een afvloeiingsmaatregel" kon worden genomen, werd voor advies aan de betrokken instellingen voorgelegd en kreeg een gunstig advies van het Parlement, het Hof van Justitie en de Rekenkamer.
3 Nadat de Commissie haar aanvankelijke voorstel had gesplitst, stelde de Raad op 17 november 1995 verordening nr. 2688/95 vast, waarbij het Parlement tot en met 30 juni 2000 werd gemachtigd, ten aanzien van zijn ambtenaren die de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, met uitzondering van de ambtenaren in de rangen A1 en A2, maatregelen tot definitieve beëindiging van de dienst te nemen.
4 Busacca e.a., ambtenaren van de Rekenkamer, verzochten afzonderlijk, bij tussen 22 augustus en 2 september 1996 aan de secretaris-generaal van de Rekenkamer in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: TABG") gezonden brieven, te worden geplaatst op de lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een maatregel tot beëindiging van de dienst ter gelegenheid van de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
5 Bij brieven van 16 september 1999 antwoordde de secretaris-generaal van de Rekenkamer, dat hij hun verzoek niet kon inwilligen, aangezien de maatregelen tot definitieve beëindiging van de dienst krachtens verordening nr. 2688/95 enkel aan de ambtenaren van het Parlement waren voorbehouden, en geen rechtsgrondslag was op basis waarvan die verzoeken in aanmerking konden worden genomen.
6 Busacca e.a. dienden tussen 21 oktober en 13 december 1996 ieder afzonderlijk een klacht in tegen de besluiten die, volgens hen, in de antwoorden van het TABG waren vervat. Die klachten werden door de secretaris-generaal van de Rekenkamer niet-ontvankelijk verklaard, op grond dat de verzoeken om te worden geplaatst op de lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een maatregel tot beëindiging van de dienst, strekten tot vaststelling van een voorbereidende handeling, en dat de afwijzing van die verzoeken dus zelf slechts een voorbereidende handeling was, waartegen geen klacht kan worden ingediend. Hij voegde daaraan toe, dat indien de verzoeken aldus moesten worden uitgelegd, dat zij ertoe strekten, dat te hunnen aanzien maatregelen tot definitieve beëindiging van de dienst zouden worden genomen, zij bij gebrek aan rechtsgrondslag ongegrond zouden moeten worden verklaard.
7 Nadat die afwijzingen hun op 28 februari 1997 ter kennis waren gebracht, stelden Busacca e.a., bij op 26 mei 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, beroep in tot nietigverklaring van de besluiten van het TABG houdende afwijzing van hun verzoeken.
Het bestreden arrest
8 Het Gerecht verwierp de middelen van niet-ontvankelijkheid van het verzoek, aangevoerd door de Rekenkamer, verweerster in eerste aanleg.
9 Het overwoog, dat de door het TABG genomen besluiten geen voorbereidende handelingen waren, en dat zij, aangezien definitief werd geweigerd de door Busacca e.a. ingediende verzoeken in overweging te nemen, de rechtspositie van Busacca e.a. rechtstreeks en onmiddellijk raakten en dus voor hen bezwarend waren.
10 Ten gronde aanvaardde het Gerecht, waarvoor ten exceptieve de onwettigheid van verordening nr. 2688/95 was aangevoerd, na te hebben overwogen dat die verordening de rechtsgrondslag van de besluiten van het TABG vormde, twee gronden van onwettigheid van die verordening.
11 Het overwoog in de eerste plaats, in de uitoefening van een tot een kennelijke dwaling en misbruik van bevoegdheid beperkte toetsing, dat verordening nr. 2688/95, die het recht op afvloeiingsmaatregelen" tot het Parlement beperkte, een onderscheid maakte dat op willekeur berustte of kennelijk niet spoorde met het nagestreefde doel, en als zodanig in strijd was met een van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, namelijk het gelijkheidsbeginsel. De situatie van de Rekenkamer was immers niet verschillend van die van het Parlement, wat de noodzaak betreft om naar aanleiding van de toetreding van nieuwe lidstaten de samenstelling van hun ambtenarencorps aan te passen.
12 Het Gerecht oordeelde in de tweede plaats, dat door verordening nr. 2688/95 wezenlijke vormvoorschriften werden geschonden, daar het Parlement en het Comité voor het Statuut niet opnieuw waren geraadpleegd naar aanleiding van de wijziging, door de Commissie, van haar aanvankelijke voorstel.
13 Het overwoog namelijk, dat de in het aanvankelijke voorstel aangebrachte wijziging van substantiële aard was, aangezien zij de draagwijdte ervan aanzienlijk beperkte, en dus enerzijds, krachtens artikel 24 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, aan het Parlement en anderzijds, krachtens artikel 10, tweede alinea, tweede zin, van het Statuut, aan het Comité voor het Statuut had moeten worden voorgelegd. Dit was echter niet gebeurd.
14 Om die redenen verklaarde het Gerecht de besluiten nietig die tot Busacca e.a. waren gericht, en waarbij werd geweigerd hen te plaatsen op de lijst van personen die blijk hadden gegeven van belangstelling voor een maatregel tot definitieve beëindiging van de dienst als waarin werd voorzien door verordening nr. 2688/95.
De hogere voorziening
15 De Raad concludeert dat het den Hove behage het bestreden arrest te vernietigen. Tot staving van zijn hogere voorziening voert hij vier middelen aan, waarvan er een betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het bij het Gerecht ingestelde beroep, en de andere de grond van de zaak betreffen.
16 Busacca e.a. verzoeken het Hof, de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren en de Raad in de kosten te verwijzen.
17 Bij beschikking van de president van het Hof van 19 april 1999 is het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad. Het verzoekt het Hof, het bestreden arrest te vernietigen.
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
18 Busacca e.a. betogen, dat de zaak een geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden betreft, en dat de bevoegdheid om hogere voorziening in te stellen, die bij artikel 49, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG wordt verleend aan de lidstaten en de instellingen die niet voor het Gerecht zijn tussengekomen, dus luidens de bewoordingen zelf van die bepaling geen toepassing vindt. Aangezien de Raad in zaak T-164/97 in eerste aanleg niet is tussengekomen, kan hij niet worden ontvangen in een hogere voorziening bij het Hof.
19 De Raad, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, voert daarentegen aan, dat 's Hofs Statuut-EG met de uitdrukking geschillen tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden" niet doelt op geschillen waarbij de wettigheid van een handeling van algemene strekking, laat staan van een verordening, wordt betwist, maar enkel op geschillen welke betrekking hebben op individuele situaties waarvoor er geen reden leek te bestaan om instellingen of lidstaten die niet voor het Gerecht zijn tussengekomen, het recht te verlenen om zich tot het Hof te wenden.
20 De Raad is bovendien van mening, dat ingeval de onderhavige hogere voorziening niet-ontvankelijk zou worden verklaard, en de twee hogere voorzieningen die hij heeft ingesteld tegen de arresten van het Gerecht van 30 september 1998, Chvatal e.a./Hof van Justitie (T-154/96, JurAmbt. blz. I-A-527 en II-1579), en Losch/Hof van Justitie (T-13/97, JurAmbt. blz. I-A-543 en II-1633), waarvan zowel de motivering als het dictum vergelijkbaar zijn met die van het bestreden arrest, gegrond zouden worden verklaard, de rechtsduidelijkheid daaronder zou kunnen lijden, aangezien dat zou betekenen, dat een oplossing die het Hof in twee zaken in strijd met het recht heeft geoordeeld, in een derde toch kracht van gewijsde krijgt.
21 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat luidens de bewoordingen zelf van artikel 49, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA in zaken betreffende geschillen tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, het recht om bij het Hof hogere voorziening in te stellen, niet openstaat voor de lidstaten en de instellingen die niet voor het Gerecht zijn tussengekomen.
22 De aard van een geschil, waarvan de ontvankelijkheid van de hogere voorziening dus afhangt, moet worden beoordeeld naar het voorwerp van het beroep, en wordt niet gewijzigd door de middelen en argumenten feitelijk en rechtens, die de verzoekers kunnen ontwikkelen om hun aanspraken te rechtvaardigen.
23 In de onderhavige zaak hebben Busacca e.a. verzocht om nietigverklaring van de weigering van de Rekenkamer om hen te plaatsen op de lijst van personen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor een maatregel tot definitieve beëindiging van de dienst. De omstandigheid dat zij zich beroepen op onwettigheid van verordening nr. 2688/95, die de mogelijkheid om dergelijke maatregelen vast te stellen, aan het Parlement voorbehoudt, wijzigt niet het voorwerp van hun verzoek, dat, indien het wordt ingewilligd, slechts tot nietigverklaring van de hen betreffende individuele besluiten, maar niet van verordening nr. 2688/95 zelf kan leiden, aangezien de onwettigheid van deze laatste slechts bij wege van exceptie is opgeworpen.
24 De exceptie van onwettigheid van een handeling van algemene strekking ontneemt aan een zaak betreffende de bepaling van de rechten en verplichtingen van ambtenaren dus niet haar karakter van geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden. Anders zou het in artikel 49, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA bedoelde voorbehoud goeddeels worden uitgehold. Een dergelijke uitlegging zou bovendien tot grote rechtsonzekerheid leiden, aangezien, zoals Busacca e.a. terecht betogen, de op ambtenarenzaken toepasselijke procesrechtelijke regeling zou afhangen van de vraag, of de partijen het al dan niet eens zijn over de uitlegging of de geldigheid van de regelgevende of algemene bepalingen die op de zaak van toepassing kunnen zijn.
25 Aangezien de Raad in de onderhavige zaak in eerste aanleg niet is tussengekomen, en het geschil, waarin de Gemeenschap en ambtenaren tegenover elkaar staan, niet de nietigverklaring van een regelgevende handeling of een handeling van algemene strekking betreft, is de onderhavige hogere voorziening niet-ontvankelijk.
26 Met betrekking tot het nadeel dat volgens de Raad zou voortvloeien uit het in kracht van gewijsde gaan van een arrest dat nochtans gelijkt op andere, die wegens onjuiste rechtsopvatting nietig zouden worden verklaard, dient er enkel aan te worden herinnerd, dat de niet-toepasselijkheid van een verordening, die bij wege van incident krachtens artikel 184 EG-Verdrag (thans artikel 241 EG) wordt vastgesteld naar aanleiding van een geschil waarbij die verordening in het geding is, enkel tussen de partijen bij dat geschil bindende werking heeft.
27 De door de Raad ingestelde hogere voorziening moet dus worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 4, dat eveneens van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moeten de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.
29 Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van Busacca e.a. in de kosten te worden verwezen, met uitzondering van die van het Koninkrijk Spanje, dat zijn eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verklaart de hogere voorziening niet-ontvankelijk.
2) Verwijst het Koninkrijk Spanje in zijn eigen kosten.
3) Verwijst de Raad van de Europese Unie in de overige kosten.
Full & Egal Universal Law Academy