Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Partijen
In zaak C-197/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en B. Mongin, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van dezelfde dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënt,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou en S. Vodina, respectievelijk juridisch adviseur en auditeur bij de bijzondere juridische dienst - afdeling Europees recht van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat de Helleense Republiek, door niet de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 23 maart 1995, Commissie/Griekenland (C-365/93, Jurispr. blz. I-499), en, in het bijzonder, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om volledige uitvoering te geven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), of deze bepalingen aan de Commissie mede te delen, de krachtens artikel 171 EG-Verdrag (thans artikel 228 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF,
advocaat-generaal N. Fennelly gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 20 mei 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht vast te stellen, dat de Helleense Republiek, door niet de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 23 maart 1995, Commissie/Griekenland (C-365/93, Jurispr. blz. I-499), en, in het bijzonder, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om volledige uitvoering te geven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), of deze bepalingen aan de Commissie mede te delen, de krachtens artikel 171 EG-Verdrag (thans artikel 228 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Bij op 8 augustus 2000 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft de Commissie het Hof overeenkomstig artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering bericht, dat zij afstand doet van haar beroep, en krachtens artikel 69, lid 5, eerste alinea, van dit Reglement verzocht, dat de Helleense Republiek in de kosten wordt verwezen.
3 Bij op 22 augustus 2000 ter griffie van het Hof neergelegde brief heeft de Griekse regering kennis genomen van de afstand en het Hof bericht, dat zij daarover geen opmerkingen wenste te maken.
4 Volgens artikel 69, lid 5, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering wordt de partij die afstand van instantie doet, in de kosten veroordeeld, voor zover dit door de wederpartij in haar opmerkingen over de afstand van instantie is gevorderd. Op vordering van de partij die afstand doet, wordt evenwel de wederpartij in de kosten veroordeeld, indien dit op grond van de houding van deze partij gerechtvaardigd lijkt.
5 In casu is de instelling van het beroep en de daaropvolgende afstand van instantie van de Commissie het gevolg van de houding van de Helleense Republiek, die pas na de instelling van het beroep de nodige maatregelen heeft genomen om aan haar verplichtingen te voldoen.
6 De Helleense Republiek dient derhalve in de kosten te worden verwezen.
7 Overeenkomstig artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dient te worden beslist, dat het Verenigd Koninkrijk zijn eigen kosten zal dragen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) Zaak C-197/98 wordt doorgehaald in het register van het Hof.
2) De Helleense Republiek wordt in de kosten verwezen.
3) Het Verenigd Koninkrijk zal zijn eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy