Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Partijen
In zaak C-290/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Tufvesson en V. Kreuschitz, beiden juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg
verzoekster,
tegen
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door C. Stix-Hackl, Gesandte bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Erlacher, Ministerialrat bij dit ministerie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Oostenrijkse ambassade, Rue des Bains 3,
verweerder,
betreffende een beroep, strekkende tot vaststelling dat de Republiek Oostenrijk, door
- het verbod op het witwassen van geld in § 165 Strafgesetzbuch te beperken tot vermogensbestanddelen ter waarde van meer dan 100 000 ATS;
- de legitimatie van de cliënt bij het openen van een effectenrekening niet vanaf 1 januari 1994 (inwerkingtreding van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte), maar eerst vanaf 1 augustus 1996 verplicht te stellen;
- de legitimatie van de cliënt niet verplicht te stellen bij iedere transactie die naar of vanuit een bestaande effectenrekening wordt verricht, doch in § 40, lid 5, Bankwesengesetz te bepalen, dat de identiteit van de cliënt alleen voor het in ontvangst nemen en de verkrijging van effecten voor een effectenrekening behoeft te worden vastgesteld;
- niet vanaf 1 januari 1994 de legitimatie van de cliënt bij iedere opening van een spaarboekje verplicht te stellen;
- niet de legitimatie van de cliënt verplicht te stellen bij iedere transactie met betrekking tot een spaarboekje dat vóór of na 1 januari 1994 is geopend,
niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten ingevolge het EG-Verdrag en de artikelen 2 en 3, leden 1, 5 en 6, van richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (PB L 166, blz. 77),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF
advocaat-generaal A. Saggio gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 juli 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen beroep ingesteld krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG), strekkende tot vaststelling dat Republiek Oostenrijk, door
- het verbod op het witwassen van geld in § 165 Strafgesetzbuch te beperken tot vermogensbestanddelen ter waarde van meer dan 100 000 ATS;
- de legitimatie van de cliënt bij het openen van een effectenrekening niet vanaf 1 januari 1994 (inwerkingtreding van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte), maar eerst vanaf 1 augustus 1996 verplicht te stellen;
- de legitimatie van de cliënt niet verplicht te stellen bij iedere transactie die naar of vanuit een bestaande effectenrekening wordt verricht, doch in § 40, lid 5, Bankwesengesetz te bepalen, dat de identiteit van de cliënt alleen voor het in ontvangst nemen en de verkrijging van effecten voor een effectenrekening behoeft te worden vastgesteld;
- niet vanaf 1 januari 1994 de legitimatie van de cliënt bij iedere opening van een spaarboekje verplicht te stellen;
- niet de legitimatie van de cliënt verplicht te stellen bij iedere transactie met betrekking tot een spaarboekje dat vóór of na 1 januari 1994 is geopend,
niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten ingevolge het EG-Verdrag en de artikelen 2 en 3, leden 1, 5 en 6, van richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (PB L 166, blz. 77).
2 Bij op 19 juli 2000 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft de Commissie het Hof overeenkomstig artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering bericht dat zij afstand doet van haar beroep, en krachtens artikel 69, lid 5, eerste alinea, van dit Reglement verzocht, dat de Republiek Oostenrijk in de kosten wordt verwezen.
3 Bij op 21 augustus 2000 ter griffie van het Hof neergelegde brief heeft de Republiek Oostenrijk kennis genomen van de afstand van de Commissie en het Hof medegedeeld dat zij het niet nodig vond om met betrekking tot deze afstand opmerkingen in te dienen.
4 Bijgevolg dient de doorhaling van de zaak te worden gelast.
5 Volgens artikel 69, lid 5, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering wordt de partij die afstand van instantie doet in de kosten veroordeeld, voor zover dit door de wederpartij in haar opmerkingen over de afstand van instantie is gevorderd. Op vordering van de partij die afstand doet, wordt evenwel de wederpartij in de kosten veroordeeld, indien dit op grond van de houding van deze partij gerechtvaardigd lijkt.
6 In casu is de instelling van het beroep en de daaropvolgende afstand van instantie van de Commissie het gevolg van de houding van de Republiek Oostenrijk, die pas na de instelling van het beroep de nodige maatregelen heeft genomen om aan haar verplichting te voldoen.
7 De Republiek Oostenrijk dient derhalve in de kosten te worden verwezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) Zaak C-290/98 wordt doorgehaald in het register van het Hof.
2) De Republiek Oostenrijk wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy