Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Hogere voorziening - Partij die heeft afgezien van indiening van memorie van repliek - Besluit van Hof om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen - Verzoek tot opening van mondelinge behandeling of, subsidiair, tot heropening van schriftelijke behandeling - Afwijzing
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 117, lid 1, en 120)
Partijen
in zaak C-291/98 P,
Sarrió SA, gevestigd te Barcelona (Spanje), vertegenwoordigd door A. Mazzoni, advocaat te Milaan, M. Siragusa, advocaat te Rome, en F. M. Moretti, advocaat te Venetië, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger, Hoss & Prussen, advocaten aldaar, Place Winston Churchill 2,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer - uitgebreid) van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie (T-334/94, Jurispr. blz. II-1439), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg.
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, L. Sévon, P. Jann, H. Ragnemalm en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 28 juli 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Sarrió SA (hierna: Sarrió") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie (T-334/94, Jurispr. blz. II-1439) houdende verwerping van het beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1).
2 Bij brief van 21 januari is Sarrió opgekomen tegen het besluit van het Hof om zonder mondelinge behandeling over de hogere voorziening te beslissen, op grond dat dit besluit niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 120 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en aan het beginsel van een goede rechtsbedeling. Primair verlangt zij, dat een terechtzitting wordt gehouden, en, subsidiair, dat haar wordt toegestaan een memorie van repliek in te dienen.
3 Sarrió verwijst daarbij naar haar brief van 11 november 1998, die luidt als volgt:
In uw brief van 29 oktober ll. - waarmee u ons de memorie van antwoord van de Commissie in bovengenoemde zaak toezond - hebt u ons erop geattendeerd, dat ingevolge artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de rekwirant het Hof toestemming kan vragen een memorie van repliek in te dienen.
In casu is Sarrió van oordeel, dat een memorie van repliek niet strikt noodzakelijk is, en om wille van de proceseconomie ziet zij er derhalve van af, het Hof de in artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde toestemming te vragen.
Daar de zaak evenwel bijzonder interessante juridische aspecten vertoont en de memorie van antwoord van de Commissie overwegingen bevat die een zorgvuldig onderzoek verdienen, willen wij het Hof reeds nu verzoeken te overwegen, of Sarrió ter terechtzitting wellicht wat meer tijd dan normaal kan krijgen om haar standpunt, ook ten aanzien van de memorie van antwoord, op passende wijze voor het Hof uiteen te zetten."
4 Dit verzoek is door Sarrió herhaald in haar brief van 8 december 1999, waarmee zij antwoordde op de uitnodiging van de griffie haar standpunt te bepalen ten aanzien van een eventueel besluit van het Hof om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.
5 Sarrió preciseert dat, zo zij had kunnen voorzien dat geen mondelinge behandeling zou plaatsvinden, zij stellig toestemming voor het indienen van een memorie van repliek zou hebben gevraagd.
6 Er zij aan herinnerd, dat volgens artikel 18 van 's Hofs Statuut-EG de procedure voor het Hof uit twee gedeelten bestaat: een schriftelijke en een mondelinge behandeling, waarbij de schriftelijke behandeling wordt afgesloten voordat de mondelinge wordt geopend.
7 In afwijking van artikel 41 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, volgens hetwelk de partijen het verzoekschrift en het verweerschrift met een repliek en een dupliek kunnen aanvullen, bepaalt artikel 117, lid 1, van dat Reglement met betrekking tot de hogere voorziening: Het verzoekschrift (...) en de memorie van antwoord kunnen worden aangevuld door een memorie van repliek en van dupliek of door iedere andere memorie, wanneer de president, na een desbetreffend verzoek, (...) zulks noodzakelijk oordeelt en uitdrukkelijk toestaat teneinde de betrokken partij in staat te stellen haar standpunt te verdedigen, dan wel om de beslissing in hogere voorziening voor te bereiden."
8 In casu nu heeft Sarrió in haar brief van 11 november 1998 met zoveel woorden verklaard van oordeel te zijn, dat een memorie van repliek niet strikt noodzakelijk was. Ook indien Sarrió geen gebruik heeft willen maken van de mogelijkheid toestemming voor een repliek te vragen, omdat zij ervan overtuigd was, dat zij het recht had haar opmerkingen mondeling voor te dragen, dan heeft zij daarmee zowel de bewoordingen als de opzet van artikel 117, lid 1, miskend, volgens hetwelk het Hof voor het einde van de schriftelijke behandeling moet beoordelen, of het noodzakelijk is de indiening van een memorie van repliek en van dupliek toe te staan.
9 Wat de mondelinge behandeling betreft, kan het Hof ingevolge artikel 120 van het Reglement voor de procesvoering besluiten zonder mondelinge behandeling in hogere voorziening uitspraak te doen, tenzij een van de partijen hiertegen bezwaar maakt op grond dat de schriftelijke behandeling haar niet in staat heeft gesteld haar standpunt ten volle te verdedigen".
10 Vastgesteld moet worden, dat de diverse brieven van Sarrió aan de griffie van het Hof geen enkele motivering in die zin bevatten. In die brieven wordt enkel vermeld dat zij in november 1998 heeft afgezien van de mogelijkheid te repliceren op de memorie van antwoord van de Commissie, zelfs met het verzoek mondeling te mogen reageren op de overwegingen" van de Commissie die een zorgvuldig onderzoek verdienen".
11 Het feit dat de verzoekende partij afziet van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 117, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering het Hof te verzoeken om toestemming tot het indienen van een memorie van repliek, geeft haar niet het recht het Hof te verzoeken een terechtzitting te houden. Noch blijkt eruit, dat zij tijdens de schriftelijke behandeling geen gelegenheid heeft gehad haar standpunt ten volle te verdedigen. Zij zou dan, al was het maar beknopt, uiteen moeten zetten, om welke redenen zij meent daartoe onvoldoende gelegenheid te hebben gehad. Niet enkel worden in Sarrió's brieven dergelijke redenen niet genoemd, maar ook kan zij moeilijk volhouden dat de schriftelijke behandeling haar niet in staat heeft gesteld haar standpunt ten volle te verdedigen, daar zij er immers spontaan van heeft afgezien om toestemming tot het indienen van een memorie van repliek te verzoeken.
12 Bijgevolg moeten de verzoeken van Sarrió, ertoe strekkende dat het Hof zou besluiten een terechtzitting te houden, en, subsidiair, dat haar zou worden toegestaan een memorie van repliek in te dienen, worden afgewezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
beschikt:
1) De verzoeken van Sarrió SA, ertoe strekkende dat het Hof zou besluiten een terechtzitting te houden, en, subsidiair, dat haar zou worden toegestaan een memorie van repliek in te dienen, worden afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy