Samenvatting
Trefwoorden
1 Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - "Fumus boni juris" - Ernstige en onherstelbare schade - Beoordelingsbevoegdheid van rechter in kort geding
(EG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83, lid 2; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
2 Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Cumulatieve voorwaarden - Beoordeling uitsluitend op basis van bestaan van discretionaire bevoegdheid van gemeenschapsinstelling - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83, lid 2; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
1 Opschorting van de tenuitvoerlegging en voorlopige maatregelen kunnen door de rechter in kort geding worden verleend, indien vaststaat, dat de opschorting of de voorlopige maatregelen op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd voorkomen (fumus boni juris) en dat zij spoedeisend zijn, in die zin dat zij noodzakelijk zijn ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade aan de belangen van de verzoeker en reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak effect moeten sorteren. Zij moeten bovendien voorlopig zijn, in die zin dat zij niet vooruitlopen op de rechtspunten of feitelijke punten in geding, noch de gevolgen van de later in de hoofdzaak te nemen beslissing bij voorbaat ongedaan maken.
In het kader van dit algemene onderzoek beschikt de rechter in kort geding over een ruime beoordelingsbevoegdheid en kan hij, met inachtneming van de bijzonderheden van de zaak, vrij bepalen hoe en in welke volgorde deze verschillende voorwaarden moeten worden onderzocht, wanneer geen enkele gemeenschapsrechtelijke regel hem voor de beoordeling van de noodzaak van voorlopige maatregelen een vooraf vastgesteld onderzoeksschema voorschrijft.
2 Weliswaar zijn de voorwaarden voor een opschorting van de uitvoering of een andere voorlopige maatregel cumulatieve voorwaarden, zodat een verzoek in kort geding mag worden afgewezen op de enkele grond dat niet aan de voorwaarde betreffende de spoedeisendheid is voldaan, doch de rechter in kort geding kan niet in het kader van een onderzoek dat enkel de spoedeisendheid van de gevraagde maatregelen betreft, een verband leggen tussen het bestaan van discretionaire bevoegdheid van de instelling en de mate van spoedeisendheid die als voorwaarde voor de toewijzing van een voorlopige maatregel moet worden bewezen.
In het bijzonder kan weliswaar het bestaan van een dergelijke discretionaire bevoegdheid een relevante factor zijn voor de beoordeling van de mate van spoedeisendheid in het kader van een afweging van de betrokken belangen en kan het vereiste van een duidelijke spoedeisendheid - gecumuleerd met een bijzonder steekhoudende fumus boni juris - gerechtvaardigd zijn op grond van de aard van de gevraagde voorlopige maatregel of de gevolgen die deze kan hebben, doch het bestaan van een discretionaire bevoegdheid van de instelling die de betrokken handeling heeft vastgesteld, kan niet zonder enige beoordeling van de fumus boni juris en zonder enige afweging van de betrokken belangen op zichzelf bepalend zijn voor de kwalificatie van de eisen welke voor de voorwaarde betreffende de spoedeisendheid gelden.
Full & Egal Universal Law Academy