Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Bevoegdheid van gemeenschapsrechter - Beschikking van Commissie houdende afwijzing van klacht inzake schending van mededingingsregels - Volledige rechtsmacht - Geen - Hogere voorziening gebaseerd op argument dat nietigverklaring van beschikking door Gerecht gelijkstaat aan schending van mededingingsregels - Hogere voorziening die kennelijk ongegrond is
[EG-Verdrag, art. 86 en 172 (thans art. 82 EG en 229 EG) en art. 173 (thans, na wijziging, art. 230 EG)]
Samenvatting
$$De nietigverklaring door het Gerecht van een beschikking van de Commissie houdende afwijzing van een klacht inzake schending van artikel 86 van het Verdrag (thans artikel 82 EG), op grond dat de door de Commissie in de litigieuze beschikking aangevoerde gronden geen rechtvaardiging konden vormen om bovengenoemd artikel niet toe te passen, staat niet gelijk aan de vaststelling door het Gerecht van een misbruik van een machtspositie. Aangezien het Gerecht in het kader van de wettigheidstoetsing bedoeld in artikel 173 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) in een zaak als de onderhavige geen volledige rechtsmacht bezit zoals die welke artikel 172 van het Verdrag (thans artikel 229 EG) aan de communautaire rechterlijke instanties verleent, was het Gerecht in casu niet bevoegd de litigieuze beschikking te wijzigen of ze door een andere te vervangen.
Aangezien het Gerecht zich heeft beperkt tot dat wat het in het kader van een op artikel 173 van het Verdrag gebaseerd beroep tot nietigverklaring behoort te doen, namelijk de deugdelijkheid van de redenering van de Commissie nagaan, dient de hogere voorziening, die is gebaseerd op het argument dat het Gerecht door de nietigverklaring van de litigieuze beschikking het bestaan van misbruik van machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag zou hebben vastgesteld, als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
( cf. punten 24-31 )
Partijen
In zaak C-428/98 P,
Deutsche Post AG, gevestigd te Bonn (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Schroeder, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch en Wolter, advocaten, Rue Goethe 11,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer - uitgebreid) van 16 september 1998, IECC/Commissie (T-133/95 en T-204/95, Jurispr. blz. II-3645), strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partijen bij de procedure:
International Express Carriers Conference (IECC), gevestigd te Genève (Zwitserland), vertegenwoordigd door E. Morgan de Rivery, advocaat te Parijs, J. Derenne en M. Cunningham, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat, Val Sainte-Croix 7,
verzoekster in eerste aanleg,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Wiedner, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door N. Forwood, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
La Poste, vertegenwoordigd door H. Lehman, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat, Route d'Esch 398,
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
en
The Post Office,
interveniënten in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en A. La Pergola, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 30 november 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Deutsche Post AG (hierna: Deutsche Post") krachtens artikel 168 A EG-Verdrag (thans artikel 225 EG) en artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 september 1998, IECC/Commissie (T-133/95 en T-204/95, Jurispr. blz. II-3645; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht de door de Commissie op 6 april 1995 op de klacht van International Express Carriers Conference (hierna: IECC") gegeven beschikking nietig heeft verklaard voor zover deze de fysieke commerciële remailing ABA" betrof.
De aan het geschil ten grondslag liggende feiten
2 IECC is een organisatie die de belangen vertegenwoordigt van bepaalde ondernemingen die exprespostdiensten verrichten. Haar leden bieden onder meer diensten aan inzake remailing", die hierin bestaan dat post uit land A wordt vervoerd naar het grondgebied van land B, om aldaar te worden gepost bij de plaatselijke openbare postexploitant (hierna: OPE"), teneinde door deze laatste naar de geadresseerde op zijn eigen grondgebied te worden verzonden (de zogenaamde ABB-remailing"), dan wel naar een bestemming in land A (de zogenaamde ABA-remailing") of in land C (de zogenaamde ABC-remailing").
3 Op 13 juli 1988 diende IECC bij de Commissie een klacht in krachtens artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204).
4 De klacht bestond uit twee onderdelen, gebaseerd op respectievelijk artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) en artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG). In het tweede onderdeel van haar klacht, het enige dat relevant is in het kader van deze hogere voorziening, voerde IECC aan dat bepaalde OPE's een overeenkomst over de verdeling van de markten poogden toe te passen door met een beroep op artikel 23 van het Verdrag betreffende de Wereldpostunie (UPU) (hierna: Wereldpostverdrag") te weigeren post te bestellen die door een klant is gepost bij een andere OPE dan die van het land waar hij woont.
5 Het Wereldpostverdrag, dat op 10 juli 1964 in het kader van de Verenigde Naties werd gesloten, vormt het kader van de relaties tussen de posterijen in de hele wereld. Alle lidstaten van de Europese Gemeenschap zijn erbij aangesloten.
6 Binnen de postdienstsystemen veroorzaken het sorteren van de inkomende post en het bestellen daarvan bij de geadresseerden aanzienlijke kosten voor de OPE's. Daarom voerden de leden van de UPU in 1969 een compensatieregeling per categorie poststukken in, onder de benaming eindkosten", waarmee zij afstapten van het sedert de oprichting van de UPU geldende beginsel dat elke OPE de kosten van het sorteren en bestellen van inkomende post droeg zonder daarvoor kosten in rekening te brengen bij de OPE's van de landen waaruit de post afkomstig was. De economische waarde van de postdistributie door de verschillende administraties der posterijen, hun kostenstructuur en de bij de klanten in rekening gebrachte kosten konden aanzienlijk verschillen. Het prijsverschil bij de verzending van nationale en internationale post in de verschillende lidstaten en het niveau van de eindkosten ten opzichte van deze verschillende prijzen op het nationale vlak zijn beslissende factoren die tot het ontstaan van remailing hebben geleid. De remailing-ondernemingen wensen immers, onder meer, te profiteren van deze prijsverschillen door handelsvennootschappen aan te bieden hun post te vervoeren naar de OPE die voor een bepaalde bestemming de gunstigste prijs-kwaliteitverhouding biedt.
7 Artikel 23 van het Wereldpostverdrag van 1984, thans artikel 25 van het Wereldpostverdrag van 1989, bepaalt:
1. Geen enkel land-lid is verplicht brievenpostzendingen die door om het even welke op zijn grondgebied gedomicilieerde afzenders in het buitenland persoonlijk of via anderen worden afgegeven met het oog op het genot van aldaar geldende lagere tarieven, te verzenden of bij de geadresseerden af te leveren. Hetzelfde geldt voor massale afgiften van dergelijke zendingen, ongeacht of zij al dan niet worden verricht om lagere tarieven te genieten.
2. Lid 1 is zonder onderscheid van toepassing op zendingen die in het land van de afzender worden klaargemaakt en nadien over de grens worden gevoerd en voor zendingen die in het buitenland werden klaargemaakt.
3. Het betrokken bestuur heeft het recht de zendingen terug te sturen naar hun plaats van verzending of er zijn binnenlandse tarieven op toe te passen. Weigert de afzender deze portokosten te betalen, dan mag het overeenkomstig zijn binnenlandse wetgeving over de zendingen beschikken.
4. Geen enkel land-lid hoeft brievenpostzendingen te aanvaarden, te verzenden of bij de geadresseerden af te leveren, die door eender welke afzender persoonlijk of via anderen, massaal werden gepost in een ander land dan dat waar hij gedomicilieerd is. De betrokken besturen hebben het recht dergelijke zendingen terug te sturen naar hun plaats van verzending of ze zonder terugbetaling van portokosten terug te bezorgen aan de afzenders."
8 In het tweede onderdeel van haar klacht, dat relevant is voor deze hogere voorziening, verweet IECC bepaalde OPE's, op basis van artikel 23 van het Wereldpostverdrag een regeling over de verdeling van de nationale markten voor postdiensten toe te passen. IECC voerde aan dat de Britse, Duitse en Franse OPE's, te weten respectievelijk The Post Office, Deutsche Post en La Poste, bovendien poogden handelsvennootschappen ertoe te bewegen geen beroep te doen op de diensten van particuliere remailing-ondernemingen, zoals de leden van IECC, of poogden andere OPE's van samenwerking met dergelijke particuliere ondernemingen te doen afzien.
9 Verder stelde IECC dat Deutsche Post in de lente van 1988 had gepoogd, remailing te ontmoedigen door de Duitse gebruikers van deze dienst te wijzen op artikel 23 van het Wereldpostverdrag en inkomende internationale post waarvan de geadresseerden in Duitsland woonden, tegen te houden en te retourneren.
10 Op 6 april 1995 deed de Commissie IECC een beschikking toekomen betreffende het tweede deel van haar klacht (hierna: litigieuze beschikking"), waarin zij met name aangeeft:
4. (...) De onderhavige brief is bedoeld om u in kennis te stellen van de definitieve beschikking van de Commissie inzake de bezwaren in uw klacht betreffende het tegenhouden van poststukken op basis van artikel [23] van het Wereldpostverdrag.
5. (...)
6. Wat fysieke commerciële remailing ABA betreft, is de Commissie van mening dat het ophalen met commerciële doeleinden van post bij inwoners van land B met het oog op remailing in land A met een eindbestemming in land B, erop neerkomt dat het nationaal monopolie voor binnenlandse postdistributie zoals voorzien in de wettelijke regeling van land B wordt omzeild, zodat het tegenhouden van deze post bij zijn terugkeer in land B in de huidige omstandigheden als een rechtmatige handelwijze is te beschouwen, en dus geen misbruik van machtspositie in de zin van artikel 86 EG-Verdrag vormt. [De Commissie] wijst er inzonderheid op, dat het omzeilen van het nationale monopolie enkel ,winstgevend is wegens het huidige onevenwicht tussen het niveau van de eindkosten, en dat precies op deze grond in de huidige situatie een zekere bescherming gerechtvaardigd kan zijn. (...)
7. (...)
8. Gelet op wat voorafgaat, deel ik u mee dat uw verzoek van 13 juli 1988, gebaseerd op artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 wordt afgewezen, voor zover het betrekking had op het tegenhouden van fysieke commerciële remailing ABA, fysieke niet-commerciële remailing ABA, niet-fysieke remailing en gewone grensoverschrijdende post."
11 Bij een op 20 juni 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegd en onder nummer T-133/95 ingeschreven verzoekschrift heeft IECC krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) een beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld.
Het bestreden arrest
12 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de litigieuze beschikking nietig verklaard voor zover deze betrekking had op fysieke commerciële remailing ABA, en het beroep voor het overige verworpen. De Commissie werd verwezen in de kosten van IECC in zaak T-133/95 en de interveniënten werden in hun eigen kosten verwezen.
13 Het Gerecht heeft de nietigverklaring van de litigieuze beschikking gebaseerd op de volgende gronden:
94 In haar beschikking van 6 april 1995 kwam de Commissie tot de conclusie, dat commerciële remailing ABA in werkelijkheid betekent dat het wettelijk postmonopolie van de OPE's wordt omzeild. Zij verbond daaraan de conclusie, dat in de huidige situatie het tegenhouden van dit type remailing rechtmatig was en niet kon worden aangemerkt als een misbruik in de zin van artikel 86 van het Verdrag. Zij heeft aldus vastgesteld, dat remailing ABA de OPE van het land van bestemming belette zijn kosten voor de postdistributie te dekken, voor zover de eindkosten niet gebaseerd zijn op de werkelijke kosten.
95 Gelet op de redenering van de Commissie, moet worden onderzocht of de omstandigheden waarop zij zich beroept, de toepassing van artikel 86 van het Verdrag uitsluiten.
96 Het bestaan van het postmonopolie, en dus het gestelde omzeilen daarvan via remailing ABA, kunnen op zich niet worden beschouwd als een rechtvaardiging voor het tegenhouden van dit type remailing.
97 De nationale wettelijke regelingen die het wettelijk monopolie toekennen aan de OPE's, en het Wereldpostverdrag leggen deze OPE's niet de verplichting op remailing tegen te houden. De OPE's beschikken derhalve over een manoeuvreerruimte, zodat zij eventueel kunnen afzien van het tegenhouden van de post.
98 De noodzaak voor de OPE's om hun monopolie te verdedigen, kan op zich niet betekenen dat het tegenhouden van inkomende ABA-post aan de toepassing van artikel 86 van het Verdrag ontsnapt. Een dergelijke redenering zou immers leiden tot de uitsluiting van een praktijk die alleen reeds door het bestaan van een machtspositie binnen het toepassingsgebied van deze bepaling valt.
99 Anders dan de Commissie stelt, kan het tegenhouden van bedoelde post niet objectief worden gerechtvaardigd onder verwijzing naar het feit dat de eindkosten, dus de vergoeding die de OPE's ontvangen bij remailing ABA, voor hen niet volstaan om hun kosten voor het bestellen van de post te dekken.
100 Indien er een wanverhouding bestaat tussen de kosten die een OPE voor het bestellen van de inkomende post moet dragen, en de vergoeding die hij daarvoor ontvangt, moet worden vastgesteld dat dit het gevolg is van een overeenkomst tussen de OPE's zelf, waaronder de drie OPE's die bij deze zaak betrokken zijn, welke overeenkomst tot gevolg heeft dat de eindkosten vaste bedragen zijn, die zijn vastgesteld zonder dat rekening is gehouden met de werkelijke kosten die de OPE van het land van bestemming heeft te dragen.
101 Een dergelijke praktijk, die bedoeld is om voor de onderneming met een machtspositie de negatieve gevolgen weg te nemen van een overeenkomst die zij zelf heeft helpen opstellen en totstandbrengen, kan niet worden beschouwd als een objectieve rechtvaardiging waardoor het tegenhouden van commerciële ABA-post buiten het toepassingsgebied van artikel 86 van het Verdrag wordt gehouden.
102 Overigens blijkt niet, dat het tegenhouden van inkomende post voor de OPE van het land van bestemming het enige middel is om de met het bestellen van deze post gepaard gaande kosten te dekken, aangezien Deutsche Post bij herhaling is overgegaan tot navordering bij de verzenders. Uit de bestreden beschikking blijkt evenwel niet, dat de Commissie zou hebben nagegaan of andere, minder beperkende middelen dan het tegenhouden van post in aanmerking konden komen.
103 La Poste, Post Office en, onrechtstreeks, het Verenigd Koninkrijk hebben erop gewezen, dat het tegenhouden van commerciële remailing ABA vanuit het oogpunt van artikel 90, lid 2, van het Verdrag gerechtvaardigd was door de noodzaak de eerbiediging door de OPE's van hun universele dienstverplichtingen te garanderen. Uit de beschikking van 6 april 1995 blijkt evenwel, dat de Commissie niet aan deze bepaling heeft gerefereerd en ze, zoals zij ter terechtzitting heeft bevestigd, in casu niet heeft toegepast.
104 De ter zake door interveniënten ontwikkelde argumenten vallen derhalve buiten het bestek van het onderhavige geding. Het staat bijgevolg niet aan het Gerecht, in het kader van de wettigheidstoetsing overeenkomstig artikel 173 van het Verdrag, zich over deze argumenten uit te spreken.
105 De conclusie dient derhalve te luiden, dat de Commissie, waar zij heeft gesteld dat het tegenhouden van commerciële remailing ABA geen misbruik was in de zin van artikel 86 van het Verdrag, heeft gedwaald ten aanzien van het recht.
106 Mitsdien moet de beschikking van 6 april 1995 nietig worden verklaard voor zover zij een beoordeling door de Commissie behelst van de wettigheid van het tegenhouden van commerciële ABA-post door de OPE's."
De hogere voorziening
14 Deutsche Post, de Commissie en La Poste concluderen dat het het Hof behage:
- het bestreden arrest te vernietigen voor zover het de litigieuze beschikking nietig verklaart;
- IECC te verwijzen in de kosten.
15 Tot staving van haar hogere voorziening voert Deutsche Post, ondersteund door de Commissie, zakelijk weergegeven, aan dat het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting berust. Het Gerecht heeft het gemeenschapsrecht, in casu artikel 86 van het Verdrag, geschonden door in punt 105 van het bestreden arrest te concluderen dat het tegenhouden van commerciële remailing een misbruik in de zin van dat artikel vormt.
16 Deutsche Post is van mening dat het Gerecht tot die conclusie is gekomen op grond van drie in punt 98, de punten 100 en 101 en punt 102 van het bestreden arrest vermelde vaststellingen, die op zichzelf onverenigbaar zijn met artikel 86 van het Verdrag.
17 Volgens Deutsche Post en La Poste heeft het Gerecht ten onrechte alleen onderzocht of de praktijk van het tegenhouden van commerciële remailing ABA kon worden gerechtvaardigd of buiten het toepassingsgebied van artikel 86 kon worden gehouden, zonder eerst te onderzoeken of die praktijk als zodanig reeds een misbruik opleverde.
18 Dienaangaande verwijt rekwirante het Gerecht in het bijzonder dat het op geen enkel moment heeft onderzocht of, dan wel heeft uitgelegd waarom, het beroep op artikel 25 van het Wereldpostverdrag (inzake de weigering door een OPE om grensoverschrijdende poststukken die afkomstig zijn van op zijn grondgebied gedomicilieerde afzenders, te bestellen) een misbruik oplevert.
19 IECC concludeert dat het het Hof behage:
- de hogere voorziening in haar geheel ongegrond te verklaren en de punten 94 tot en met 97 van het bestreden arrest te bevestigen;
- Deutsche Post te verwijzen in de kosten.
20 IECC voert, zakelijk weergegeven, aan dat de argumenten tot staving van de hogere voorziening geen steek houden, aangezien zij op een onjuiste lezing en een verkeerde uitlegging van het bestreden arrest zijn gebaseerd. Volgens IECC tast deze onjuistheid de hogere voorziening in haar geheel aan, waardoor deze als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
21 Volgens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof de hogere voorziening, wanneer deze kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen, zonder de mondelinge behandeling te openen.
22 Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens artikel 168 A van het Verdrag en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en gebaseerd moet zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht (zie met name arrest van 28 mei 1998, New Holland Ford/Commissie, C-8/95 P, Jurispr. blz. I-3175, punt 22).
23 Geconstateerd moet worden dat de door rekwirante aangevoerde onjuiste rechtsopvatting in feite op een kennelijk onjuiste lezing van het bestreden arrest berust. Anders dan Deutsche Post stelt, heeft het Gerecht niet geoordeeld dat het tegenhouden van commerciële remailing ABA een misbruik in de zin van artikel 86 van het Verdrag vormde, noch dat het retourneren van fysieke commerciële remailing ABA, conform artikel 25 van het Wereldpostverdrag, misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 86 vormde.
24 Uit punt 95 van het bestreden arrest blijkt duidelijk dat het Gerecht zich heeft beperkt heeft tot dat wat het in het kader van een op artikel 173 van het Verdrag gebaseerd beroep tot nietigverklaring behoort te doen, namelijk de deugdelijkheid van de redenering van de Commissie nagaan.
25 In de punten 96 tot en met 98 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het bestaan van een postmonopolie, en dus het gestelde omzeilen daarvan via remailing ABA, op zich niet als een rechtvaardiging voor het tegenhouden van dit type remailing kan worden beschouwd. Voorts heeft het Gerecht in de punten 99 tot en met 101 overwogen dat de wanverhouding tussen de kosten die de OPE voor het bestellen van de inkomende post draagt, en de vergoeding die hij daarvoor ontvangt, niet kan worden beschouwd als een objectieve rechtvaardiging waardoor een praktijk van tegenhouden buiten het toepassingsgebied van artikel 86 van het Verdrag wordt gehouden. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 102 opgemerkt dat overigens niet blijkt dat tegenhouden het enige middel is om het probleem van deze wanverhouding te verhelpen, en dat uit de litigieuze beschikking niet blijkt dat de Commissie heeft nagegaan of andere, minder beperkende middelen dan het tegenhouden van post in aanmerking konden komen.
26 Op grond van deze overwegingen heeft het Gerecht geoordeeld dat de door de Commissie in de litigieuze beschikking aangevoerde gronden geen rechtvaardiging konden vormen om artikel 86 van het Verdrag niet toe te passen op het tegenhouden van de betrokken remailing, en heeft het dat gedeelte van de litigieuze beschikking derhalve nietig verklaard.
27 Anders dan rekwirante beweert, staat deze nietigverklaring niet gelijk aan de vaststelling van een misbruik.
28 Zoals IECC terecht heeft opgemerkt, staat het in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarin geen misbruik van machtpositie wordt geconstateerd, niet aan het Gerecht om het bestaan van een dergelijk misbruik vast te stellen. Aangezien het Gerecht in het kader van de wettigheidstoetsing bedoeld in artikel 173 van het Verdrag in een zaak als de onderhavige geen volledige rechtsmacht bezit zoals die welke artikel 172 EG-Verdrag (thans artikel 229 EG) aan de communautaire rechterlijke instanties verleent ter zake van, bijvoorbeeld, boetebeschikkingen, was het Gerecht in casu niet bevoegd de litigieuze beschikking te wijzigen of ze door andere te vervangen.
29 De in de punten 15 tot en met 18 van de onderhavige beschikking overgenomen redenering van rekwirante, volgens welke het Gerecht vooraf had moeten onderzoeken of de praktijk van het tegenhouden van commerciële remailing op zichzelf een misbruik vormde, kan derhalve niet worden aanvaard.
30 Mitsdien is het middel kennelijk ongegrond.
31 Hieruit volgt dat de hogere voorziening ingevolge artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen.
Kosten
32 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Deutsche Post in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 3, worden IECC en La Poste verwezen in hun eigen kosten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Deutsche Post in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 3, worden IECC en La Poste verwezen in hun eigen kosten.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Deutsche Post AG wordt verwezen in de kosten.
3) International Express Carriers Conference en La Poste zullen hun eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy