Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Aanvoering van argumenten die ook voor Gerecht zijn aangevoerd - Geen invloed
[EG-Verdrag, art. 168 A (thans artikel 225 EG); 's Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, c]
2. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening houdende registratie van oorsprongsbenaming voor geografisch gebied dat ruimer is dan gebied met overeenkomstige naam
[EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea (thans, na wijziging, art. 230, vierde alinea, EG); verordening nr. 2081/92 van de Raad; verordening nr. 123/97 van de Commissie]
Samenvatting
1. Volgens artikel 168 A van het Verdrag (thans artikel 225 EG), artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet een hogere voorziening duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan een hogere voorziening steunen op een betoog dat reeds in eerste aanleg is voorgedragen, om aan te tonen dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door de middelen en argumenten van de verzoekende partij te verwerpen, zodat de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in een hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld, wanneer de rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist.
( cf. punten 53-56, 59-60 )
2. Verordening nr. 123/97 betreffende de registratie van de benaming Altenburger Ziegenkäse" als beschermde oorsprongsbenaming, die aan deze benaming de bescherming verleent waarin verordening nr. 2081/92 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen ten gunste van elke naar behoren geregistreerde, gecontroleerde oorsprongsbenaming voorziet, is een handeling van algemene strekking, en dus met een normatief karakter, die van toepassing is op objectief omschreven situaties en rechtsgevolgen teweegbrengt voor categorieën van marktdeelnemers die voldoen aan een aantal algemeen en abstract bepaalde voorwaarden. Zelfs indien de personen op wie zij van toepassing is, identificeerbaar waren op het moment waarop zij werd vastgesteld, en zou vaststaan dat hun aantal feitelijk nauwelijks kan variëren, dan nog zou dit niet afdoen aan haar normatieve karakter, gelet op het feit dat zij enkel het oog heeft op objectieve situaties rechtens of feitelijk.
Hieruit volgt dat verordening nr. 123/97 de ondernemingen die kaas produceren binnen het in het in artikel 4 van verordening nr. 2081/92 bedoelde productdossier afgebakende geografische gebied, en deze verhandelen, alleen raakt in deze objectieve hoedanigheid, op dezelfde wijze als iedere andere marktdeelnemer die zich feitelijk of potentieel in eenzelfde situatie bevindt. Mitsdien worden deze ondernemingen door verordening nr. 123/97 niet individueel geraakt.
( cf. punten 66-69 )
Partijen
In zaak C-447/98 P,
Molkerei Großbraunshain GmbH, gevestigd te Altenburg (Duitsland),
en
Bene Nahrungsmittel GmbH, gevestigd te Altenburg (Duitsland),
vertegenwoordigd door M. Loschelder en T. Klingbeil, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Carlo Hemmer 4,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer) van 15 september 1998, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie (T-109/97, Jurispr. blz. II-3533), en strekkende tot vernietiging van deze beschikking,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J.-L. Iglesias Buhigues en door U. Wölker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Vasak, adjunct-secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,
interveniënte in hogere voorziening,
Freistaat Thüringen, vertegenwoordigd door G. M. Berrisch, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Harles, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
en
Molkerei und Weichkäserei K.-H. Zimmermann GmbH, gevestigd te Falkenhain (Duitsland), vertegenwoordigd door P. Lotze en S. Lehr, advocaten te Brussel,
domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van R. Faltz, advocaat aldaar, Rue Heinrich Heine 6,
interveniënten in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 7 december 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift hebben Molkerei Großbraunshain GmbH (hierna: Molkerei Großbraunshain") en Bene Nahrungsmittel GmbH (hierna: Bene Nahrungsmittel") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 15 september 1998, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie (T-109/97, Jurispr. blz. II-3533, hierna: bestreden beschikking"), waarbij het Gerecht hun beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 123/97 van de Commissie van 23 januari 1997 tot aanvulling van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92 (PB L 22, blz. 19), voor zover daarbij de beschermde oorsprongsbenaming Altenburger Ziegenkäse" voor een te ruim geografisch gebied is geregistreerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2 Bij beschikking van de president van het Hof van 1 juni 1999 is de Franse Republiek toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
Toepasselijke bepalingen
3 Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208, blz. 1) regelt volgens de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, de communautaire bescherming van de oorsprongsbenamingen en de geografische aanduidingen ten gunste van bepaalde landbouwproducten en bepaalde levensmiddelen.
4 Artikel 2, lid 2, sub a, van verordening nr. 2081/92 luidt:
In deze verordening wordt verstaan onder:
a) ,oorsprongsbenaming: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land
en
waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden".
5 In artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2081/92 wordt bepaald: Om voor een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) of een beschermde geografische aanduiding (BGA) in aanmerking te komen, moet een product in overeenstemming zijn met een productdossier". Blijkens lid 2, sub c en d, van dit artikel bevat het productdossier met name de afbakening van het geografische gebied" en, de gegevens waaruit blijkt dat het landbouwproduct of het levensmiddel afkomstig is uit het geografische gebied, in de zin van artikel 2, lid 2, sub a".
6 De twaalfde overweging van de considerans bij verordening nr. 2081/92 luidt: Om in elke lidstaat te worden beschermd, [moeten] geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen op communautair niveau (...) worden geregistreerd". Volgens de dertiende overweging van deze considerans moet de registratieprocedure iedere individueel en rechtstreeks betrokken persoon de gelegenheid (...) bieden om met inschakeling van de lidstaat zijn rechten te doen gelden door bij de Commissie bezwaar aan te tekenen".
7 In de artikelen 5 tot en met 7 van verordening nr. 2081/92 wordt de procedure vastgesteld voor de normale" registratie van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen. De registratieaanvraag van een groep van producenten en/of verwerkers of, onder bepaalde voorwaarden, een natuurlijke of rechtspersoon (artikel 5, leden 1 en 2) wordt ingediend bij de lidstaat waarin het geografische gebied gelegen is (artikel 5, lid 4). De lidstaat gaat na of de aanvraag gerechtvaardigd is en zendt de aanvraag, samen met het in artikel 4 bedoelde productdossier, naar de Commissie (artikel 5, lid 5).
8 Binnen een periode van zes maanden gaat de Commissie door middel van een formeel onderzoek na of de aanvraag alle in artikel 4 bedoelde gegevens bevat (artikel 6, lid 1). Indien de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de benaming voor bescherming in aanmerking komt, publiceert zij een bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (artikel 6, lid 2). Indien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend door een lidstaat of een natuurlijke of rechtspersoon, wordt de benaming overeenkomstig artikel 7 ingeschreven in een door de Commissie bijgehouden Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen" (artikel 6, lid 3). Vervolgens worden de in het register ingeschreven benamingen gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (artikel 6, lid 4). Indien de Commissie, rekening houdend met het in lid 1 bedoelde onderzoek, tot de conclusie is gekomen dat de benaming niet voor bescherming in aanmerking komt, besluit zij volgens de procedure van artikel 15 om niet over te gaan tot de in artikel 6, lid 2, bedoelde bekendmaking (artikel 6, lid 5).
9 Artikel 7 van verordening nr. 2081/92 regelt de procedure voor het aantekenen van bezwaar tegen de inschrijving, en bepaalt:
1. Binnen zes maanden na de datum van de in artikel 6, lid 2, bedoelde bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen kan elke lidstaat tegen de registratie bezwaar aantekenen.
2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten dragen er zorg voor dat alle personen die kunnen aantonen een wettig economisch belang te hebben, gemachtigd zijn om van de ingediende aanvraag kennis te nemen. Daarnaast en in overeenstemming met de bestaande situatie in de lidstaten kunnen zij andere partijen die een wettig belang hebben, inzage verlenen.
3. Iedere wettig betrokken natuurlijke of rechtspersoon kan tegen de overwogen registratie bezwaar aantekenen middels toezending van een naar behoren gegronde verklaring aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij verblijf houdt of is gevestigd. De bevoegde autoriteit treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze opmerkingen of deze bezwaren binnen de vereiste termijnen in overweging worden genomen.
4. Om ontvankelijk te zijn moet in ieder bezwaarschrift:
ofwel worden aangetoond dat aan de in artikel 2 bedoelde voorwaarden niet is voldaan;
ofwel worden aangetoond dat met de registratie van de voorgestelde naam schade wordt toegebracht aan een bestaande, geheel of gedeeltelijk homonieme benaming, of aan een bestaand merk, dan wel aan bestaande producten die op het tijdstip van bekendmaking van deze verordening in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen legaal op de markt zijn;
ofwel nadere gegevens worden aangedragen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de naam waarvoor registratie wordt aangevraagd, een soortnaam is.
5. Indien een bezwaar ontvankelijk is in de zin van lid 4, verzoekt de Commissie de betrokken lidstaten om binnen een termijn van drie maanden overeenkomstig hun interne procedures met elkaar tot een akkoord te komen.
a) Indien een akkoord wordt bereikt, brengen deze lidstaten alle onderdelen van dit akkoord, alsmede het standpunt van de aanvrager en van de opposant, ter kennis van de Commissie. Indien de uit hoofde van artikel 5 ontvangen gegevens niet zijn gewijzigd, volgt de Commissie de procedure van artikel 6, lid 4. In het tegenovergestelde geval leidt zij opnieuw de procedure van artikel 7 in;
b) Indien geen akkoord wordt bereikt, neemt de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 15 een besluit en houdt daarbij rekening met de loyale en traditionele gebruiken en met de werkelijke risico's van verwarring. Indien wordt besloten tot registratie, volgt de Commissie de procedure van artikel 6, lid 4."
10 Artikel 17 van verordening nr. 2081/92 voert een vereenvoudigde" of verkorte" procedure in voor de registratie van benamingen die reeds bestonden op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening. Dit artikel bepaalt:
1. Binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening delen de lidstaten de Commissie mee, welke van hun wettelijk beschermde benamingen of, in de lidstaten waar geen beschermingssysteem bestaat, welke van hun door het gebruik algemeen gangbaar geworden benamingen zij krachtens deze verordening willen laten registreren.
2. De Commissie registreert volgens de procedure van artikel 15 de in lid 1 bedoelde benamingen die overeenkomen met de eisen van de artikelen 2 en 4. Artikel 7 is niet van toepassing. Soortnamen worden evenwel niet geregistreerd.
3. De lidstaten kunnen de nationale bescherming van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde benamingen handhaven totdat een besluit over de registratie is genomen."
11 Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 2081/92 luidt:
Geregistreerde benamingen zijn beschermd tegen:
a) elk rechtstreeks of onrechtstreeks gebruik door de handel van een geregistreerde benaming voor producten die niet onder de registratie vallen, voor zover deze producten vergelijkbaar zijn met de onder deze benaming geregistreerde producten of voor zover het gebruik van de benaming betekent dat wordt geprofiteerd van de reputatie van deze beschermde benaming;
b) elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven of indien de beschermde benaming is vertaald, of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals ,soort, ,type, ,methode, ,op de wijze van, ,imitatie, en dergelijke;
c) elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking, in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken product, alsmede het gebruik van een recipiënt die tot misverstanden over de oorsprong van het product aanleiding kan geven;
d) elke andere praktijk die het publiek ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product kan misleiden.
Indien een geregistreerde benaming de naam omvat van een landbouwproduct of levensmiddel die als soortnaam wordt beschouwd, wordt het gebruik van die soortnaam op dat landbouwproduct of levensmiddel niet beschouwd als strijdig met het bepaalde onder a of b."
12 Wat de bij verordening nr. 2081/92 ingevoerde maatregelen betreft, preciseert artikel 15 van deze verordening:
De Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.
De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen al naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.
Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
Indien de Raad, na verloop van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld."
13 Verordening nr. 2081/92 is bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1992. Overeenkomstig artikel 18 van deze verordening is zij twaalf maanden na deze datum in werking getreden, te weten op 25 juli 1993.
De feiten in het hoofdgeding en de procedure voor het Gerecht
14 De aan het geding ten grondslag liggende feiten, zoals zij uit de punten 7 tot en met 9 van de bestreden beschikking naar voren komen, zijn de volgende.
15 Op 20 december 1993 stelden de Duitse autoriteiten een verordening vast waarbij met name de kaasverordening werd gewijzigd. In de bijlage bij de aldus gewijzigde kaasverordening werd onder meer de benaming Altenburger Ziegenkäse" als oorsprongsbenaming geregistreerd. Het bij die benaming behorende geografische productiegebied omvatte de Kreise Altenburg, Schmölln, Gera, Zeitz, Geithain, Grimma, Wurzen en Borna, alsmede de stad Gera. Die Kreise kregen nadien een andere naam zo werden de Kreise Schmölln en Altenburg de Kreis Altenburger Land" , maar het door de benaming Altenburger Ziegenkäse" bestreken geografische gebied bleef ongewijzigd.
16 Bij brief van 26 januari 1994 deelde de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie mee, dat zij de benaming Altenburger Ziegenkäse" krachtens artikel 17 van verordening nr. 2081/92 als beschermde oorsprongsbenaming wilde laten registreren.
17 Molkerei Großbraunshain, die sedert 1898 een onder de benaming Altenburger Ziegenkäse" verhandelde kaas produceert, en Bene Nahrungsmittel, die alle aandelen van die melkfabriek bezit, hebben zowel op nationaal als op communautair niveau verschillende stappen ondernomen om het door die benaming bestreken geografische gebied te doen wijzigen. Zo dienden zij op 4 april 1995 een bezwaarschrift met die strekking in bij het bevoegde Duitse ministerie, en op 9 augustus 1995 een klacht bij de Commissie, waarin zij haar verzochten tegen de Duitse Bondsrepubliek een beroep wegens niet-nakoming ex artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) in te dienen.
18 Tot staving van hun bezwaar betoogden rekwiranten dat het geografische gebied dat in de Duitse kaasverordening en de aan de Commissie meegedeelde registratieaanvraag als productiegebied van Altenburger Ziegenkäse" werd aangemerkt te ruim was, aangezien het eveneens verschillende Kreise in Saksen en Saksen-Anhalt en met name de Kreis Wurzen in Saksen omvatte, waarin de Molkerei und Weichkäserei K.-H. Zimmermann GmbH (hierna: Zimmermann") is gevestigd, die sedert 1936 eveneens een onder de benaming Altenburger Ziegenkäse" verhandelde kaas produceert. Volgens rekwiranten zou het productiegebied moeten worden beperkt tot de Kreis Altenburger Land" in Thüringen, daar het product Altenburger Ziegenkäse" uitsluitend afkomstig kan zijn uit het gebied waarnaar het vernoemd is.
19 Het bevoegde Duitse ministerie heeft het bezwaar van rekwiranten afgewezen bij brief van 13 juli 1995, waarin het de motieven voor afbakening van het betrokken geografische gebied uiteenzet.
20 Het directoraat-generaal Landbouw (DG VI) van de Commissie antwoordde bij brief van 18 maart 1996, dat het de Commissie zou adviseren om enerzijds de klacht te seponeren, en anderzijds de Bondsrepubliek Duitsland te verzoeken om aanvullende informatie over het betrokken geografische productiegebied te verstrekken. Bij brieven van 31 juli, 12 en 28 november 1996 deed de Bondsrepubliek Duitsland deze informatie aan de Commissie toekomen.
21 Bij verordening nr. 123/97 heeft de Commissie onder andere de benaming Altenburger Ziegenkäse" als beschermde oorsprongsbenaming in de zin van verordening nr. 2081/92 geregistreerd.
22 In de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 123/97 merkt de Commissie op dat voor bepaalde benamingen die de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92 hebben meegedeeld, aanvullende informatie is gevraagd om te garanderen dat die benamingen met de artikelen 2 en 4 van de genoemde verordening in overeenstemming zijn; dat uit onderzoek van die aanvullende informatie is gebleken dat die benamingen aan de eisen van de genoemde artikelen voldoen".
23 Bij op 11 april 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben rekwiranten uit hoofde van artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr. 123/97. Rekwiranten betogen dat, in strijd met de bepalingen van artikel 2, lid 2, sub a, en artikel 4, lid 2, sub c en d, van verordening nr. 2081/92, waaruit huns inziens volgt dat het door de benaming bestreken geografische gebied beperkt moet zijn tot het grondgebied waarvan de naam overeenkomt met deze benaming, het door de benaming Altenburger Ziegenkäse" bestreken geografische gebied zich niet beperkte tot de Kreis Altenburger Land", waardoor deze benaming ook kon worden gebruikt door buiten dat gebied gevestigde ondernemingen, ten nadele van de belangen van rekwiranten.
24 Tot staving van hun verzoek hebben rekwiranten aangevoerd dat de Commissie in strijd heeft gehandeld met de bepalingen van verordening nr. 2081/92 en het discriminatieverbod, dat zij, door de mededeling van de Bondsrepubliek Duitsland zonder meer over te nemen de haar krachtens artikel 15 van verordening nr. 2081/92 toekomende discretionaire bevoegdheid heeft verzaakt, waarmee zij zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid, en dat zij het recht van verweer van rekwiranten heeft geschonden, doordat zij met haar keuze voor de vereenvoudigde procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 het hen krachtens de normale procedure van de artikelen 5 tot en met 7 toekomende recht om bezwaar aan te tekenen tegen de beoogde registratie heeft ontnomen.
25 Bij op 14 juli 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft de Commissie aangevoerd: (i) dat verordening nr. 123/97 niet bezwarend was voor rekwiranten; (ii) dat de verordening hen niet individueel raakt; dat rekwiranten geen procesbevoegdheid hebben, noch (iii) op grond dat zij vóór de vaststelling van verordening nr. 123/97 door de Commissie zijn gehoord, noch (iv) als gevolg van de beperking van hun procedurele rechten door de toepassing van de vereenvoudigde registratieprocedure, en (v) dat zij geen procesbelang hebben.
26 Met de bestreden beschikking heeft het Gerecht de exceptie aanvaard en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De bestreden beschikking
27 Na te hebben gewezen op de vaste rechtspraak van het Hof inzake de ontvankelijkheid van een door een particulier ingesteld beroep tot nietigverklaring van een verordening, heeft het Gerecht in de punten 50 en 51 van de bestreden beschikking vastgesteld dat verordening nr. 123/97 niet gericht is tot bepaalde marktdeelnemers, zoals rekwiranten, doch aan alle ondernemingen waarvan de producten aan de bij de verordening voorgeschreven eisen voldoen het recht verleent deze producten onder de beschermde oorsprongsbenaming Altenburger Ziegenkäse" te verhandelen, en dus een maatregel van algemene strekking vormt die van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen, te weten alle ondernemingen die een product met objectief omschreven kenmerken vervaardigen.
28 Aangaande de argumenten van rekwiranten dat het product Altenburger Ziegenkäse" slechts door twee producenten wordt vervaardigd, te weten Molkerei Großbraunshain en Zimmermann, dat het aantal producenten voorlopig niet zal veranderen en dat het dermate onwaarschijnlijk is dat ook andere producenten Altenburger Ziegenkäse" zullen gaan vervaardigen, dat deze mogelijkheid kan worden uitgesloten, herinnert het Gerecht in punt 52 van de bestreden beschikking, eraan dat een handeling haar verordenend karakter niet kan verliezen door het enkele feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie zij op een bepaald moment van toepassing is, met meer of mindere mate van zekerheid kan worden bepaald, zolang maar vaststaat dat deze toepassing geschiedt op grond van een objectieve feitelijke of rechtstoestand, die in samenhang met de doelstelling, van deze handeling is omschreven (arrest van 11 juli 1968, Zuckerfabrik Watenstedt/Raad, 6/68, Jurispr. blz. 570).
29 In de onderhavige zaak heeft het Gerecht in de punten 53 tot en met 55 van de bestreden beschikking opgemerkt dat:
verordening nr. 123/97 een bescherming toekent voor een objectief bepaald geografisch gebied;
het argument dat het aantal producenten niet zal veranderen, een pure veronderstelling is;
het economisch voordeel dat verordening nr. 123/97 meebrengt, niet enkel ten goede komt aan de producenten van Altenburger Ziegenkäse", maar ook aan die van de koeien- en geitenmelk waaruit deze kaas wordt bereid.
30 Uit al deze gegevens heeft het Gerecht in punt 56 van de bestreden beschikking afgeleid dat verordening nr. 123/97 qua aard en draagwijdte een normatief karakter heeft en geen beschikking is in de zin van artikel 189, vierde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, vierde alinea, EG). Aangezien echter ook een normatieve handeling die van toepassing is op alle betrokken marktdeelnemers onder bepaalde omstandigheden bepaalde marktdeelnemers individueel kan raken, namelijk indien de betrokken handeling hen treft uit hoofde van een zekere bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arrest van 18 mei 1994, Codorniu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853, punten 19 en 20), heeft het Gerecht onderzocht of dit bij rekwiranten het geval was.
31 Wat dit betreft, hadden rekwiranten aangevoerd dat zij in de loop van de procedure die voorafging aan de vaststelling van verordening nr. 123/97 door de Commissie waren gehoord, en hadden zij de Commissie verweten dat zij afbreuk had gedaan aan hun procedurele rechten, door voor de registratieprocedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 te kiezen, hoewel aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling niet was voldaan. Dienaangaande overwoog het Gerecht enerzijds, in punt 60 van de bestreden beschikking, dat rekwiranten de wettigheid van de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 niet hadden betwist met de overweging dat hierdoor afbreuk zou worden gedaan aan de legitieme rechten op deelneming, waarover alle door de registratie van een beschermde oorsprongsbenaming geraakte marktdeelnemers zouden moeten beschikken. Anderzijds stelde het Gerecht dat noch de procedure van totstandkoming van normatieve handelingen, noch de normatieve handelingen zelf, die maatregelen van algemene strekking zijn, op grond van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht zoals het recht om te worden gehoord, de deelneming van de personen vereist die door de handeling werden geraakt, aangezien ervan diende te worden uitgegaan dat hun belangen werden vertegenwoordigd door de tot vaststelling van deze handelingen bevoegde instanties.
32 Daarom oordeelde het Gerecht in punt 61 van de bestreden beschikking: Voor de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep, dat is gericht tegen verordening nr. 123/97, die is vastgesteld aan het einde van een wetgevingsprocedure in het kader waarvan de betrokken marktdeelnemers niet over procedurele rechten beschikken, volstaat derhalve niet het door rekwiranten aangevoerde argument, dat waar in casu niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 was voldaan, de Commissie de in de artikelen 5 tot en met 7 geregelde andere procedure had moeten volgen, in het kader waarvan zij zouden hebben beschikt over procedurele rechten waaraan zij een beroepsrecht hadden kunnen ontlenen. Dit argument stelt namelijk de rechtsgrondslag van de bestreden verordening [nr. 123/97] ter discussie en betreft derhalve het onderzoek ten gronde."
33 Het Gerecht heeft deze conclusie gebaseerd op de overweging, in punt 62 van de bestreden beschikking, dat het tot de wetgever gerichte verwijt, dat hij van de twee voorziene procedures die procedure heeft gekozen welke de betrokken personen van procedurele rechten berooft, (...) irrelevant [is] voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep dat is gericht tegen de aan het einde van de gekozen procedure vastgestelde normatieve handeling, die in beginsel wordt vermoed rechtsgeldig te zijn (arrest Hof van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555, punt 48), tenzij wordt aangetoond, dat de wetgever zich door zijn keuze schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procedure".
34 Dienaangaande heeft het Gerecht in casu in de punten 63 tot en met 65 van de bestreden beschikking vastgesteld dat,
rekwiranten op geen enkele wijze aannemelijk hadden gemaakt dat de Commissie, eventueel in overleg met de Bondsrepubliek Duitsland, de vereenvoudigde procedure juist had gekozen om het hoofd te bieden aan de omstandigheden van het geval en om te ontkomen aan de normale procedure, in het kader waarvan rekwiranten over procedurele rechten zouden hebben beschikt;
de bescherming die de benaming Altenburger Ziegenkäse" ingevolge de Duitse kaasverordening genoot, ook in Duitsland het resultaat was van een wetgevingsprocedure, waarbij de kwestie van het geografische gebied van het product Altenburger Ziegenkäse" uitdrukkelijk aan de orde was geweest, alvorens zij op zowel nationaal niveau als op het niveau van de Gemeenschap in de door rekwiranten bestreden zin werd beslist;
de Commissie niet kon worden verweten dat zij zich, door bij de vaststelling van verordening nr. 123/97 geen bezwaar te maken tegen de wijze waarop de Duitse wetgever het betrokken geografische gebied had afgebakend, schuldig had gemaakt aan misbruik van procedure, aangezien de Duitse wetgever beter dan de gemeenschapswetgever in staat was, het betrokken geografische gebied vast te leggen, rekening houdend met de regionale bijzonderheden wat de productie en de verhandeling betreft.
35 Hieruit heeft het Gerecht, in punt 66 van de bestreden beschikking afgeleid dat het feit dat de Commissie voor de vaststelling van (...) verordening [nr. 123/97] de procedure van artikel 17 in plaats van die van de artikelen 5 tot en met 7 van verordening nr. 2081/92 heeft gekozen, (...) bijgevolg niet een omstandigheid was waardoor rekwiranten in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag werden geïndividualiseerd".
36 In de tweede plaats heeft het Gerecht, in de punten 67 en 68 van de bestreden beschikking opgemerkt, dat ook het enkele feit dat rekwiranten vóór de vaststelling van verordening nr. 123/97 door de Commissie waren gehoord, niet een omstandigheid was die rekwiranten ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer kon individualiseren, terwijl de bepalingen van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 geen procedurele rechten toekent aan de rekwiranten, en de litigieuze procedure naar haar aard van de wetgever niet de eerbiediging verlangde van het recht van alle geraakte personen om te worden gehoord. Bij gebreke van uitdrukkelijk gewaarborgde procedurele rechten zou het in strijd met de letter en de geest van artikel 173 van het Verdrag zijn, om elke particulier die heeft meegewerkt aan de voorbereiding van een handeling van wetgevende aard, vervolgens toe te staan beroep tegen deze handeling in te stellen (beschikking van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 40).
37 Gelet op deze factoren, heeft het Gerecht, in de punten 69 tot en met 76 van de bestreden beschikking de verwijzing door rekwiranten naar een aantal arresten waarin het Hof beroepen van particulieren tegen verordeningen of aan andere personen gerichte beschikkingen ontvankelijk had geoordeeld, irrelevant verklaard.
38 In het bijzonder met betrekking tot het aangehaalde arrest Codorniu/Raad heeft het Gerecht in punt 71 van de bestreden beschikking erkend dat een te ruime omschrijving van een geografisch gebied in theorie stellig afbreuk kan doen aan de feitelijke waarde van een oorsprongsbenaming die voorheen tot een kleiner geografisch gebied beperkt was, en onder omstandigheden de specifieke rechten van de in het kleinere geografische gebied gevestigde ondernemingen die deze benaming gebruiken, kan aantasten. Het Gerecht overwoog echter dat, aangezien de vennootschap Zimmermann het betrokken product sedert 1936 onder de benaming Altenburger Ziegenkäse", of onder de soortgelijke benaming Altenborger Zeege", vervaardigde en verhandelde en rekwiranten op nationaal niveau niet gedaan hadden gekregen dat deze benaming wordt beperkt tot een kleiner geografisch gebied, te weten de Kreis Altenburger Land", rekwiranten op geen enkele wijze aannemelijk hadden gemaakt dat verordening nr. 123/97 hun rechten in bovenbedoelde zin had aangetast.
39 Dit alles in aanmerking nemend, komt het Gerecht, in punt 77 van de bestreden beschikking tot de conclusie dat verordening nr. 123/97 rekwiranten niet individueel raakte en dat het beroep dus niet-ontvankelijk moest worden verklaard, zonder dat behoefde te worden onderzocht, of de verordening rekwiranten juridisch daadwerkelijk bezwaarde en of zij een procesbelang hadden.
40 Verder heeft het Gerecht in punt 78 van de bestreden beschikking, aangevoerd dat, ofschoon rekwiranten zich op het standpunt stelden dat het met de beginselen van de rechtsstaat onverenigbaar zou zijn indien hun iedere rechterlijke bescherming tegen verordening nr. 123/97 werd onthouden, zij niet hadden gesteld, laat staan aangetoond, dat het voor hen juridisch niet mogelijk was om zich te wenden tot een nationale rechter die, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 177 van het EG-Verdrag het Hof een prejudiciële vraag betreffende de geldigheid van verordening nr. 123/97 had kunnen voorleggen.
De hogere voorziening
41 Tot staving van hun hogere voorziening voeren rekwiranten, ondersteund door de Freistaat Thüringen, in wezen aan dat de bestreden beschikking blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting, aangezien de conclusie dat rekwiranten niet individueel worden geraakt in strijd is met artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. Derhalve dient het beroep ontvankelijk te worden verklaard en ten gronde te worden onderzocht.
42 In de eerste plaats betogen zij dat, gelet op de concrete situatie in de onderhavige zaak, het Gerecht zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verordening nr. 123/97 betrekking heeft op een algemeen en abstract aangewezen categorie van personen, zodat de kring van potentiële verzoekers ten tijde van de vaststelling niet bekend was. In dit verband stellen zij enerzijds, dat slechts twee ondernemingen, te weten zijzelf en de vennootschap Zimmermann, al sinds honderd jaar op industriële wijze Altenburger Ziegenkäse" onder deze benaming vervaardigen en verhandelen. Anderzijds kan vanwege de geringe omvang van het in verordening nr. 123/97 genoemde geografische gebied en, a fortiori, van de Kreis Altenburger Land", alsmede de ontoereikende productie in dit gebied van de voor de vervaardiging van deze kaas benodigde geitenmelk, het aantal producenten in feite nauwelijks veranderen.
43 In de tweede plaats voeren rekwiranten aan dat het Gerecht er in punt 55 van de bestreden beschikking eveneens ten onrechte ervan is uitgegaan dat zij uit hoofde van verordening nr. 123/97 een verdergaande bescherming genoten, zodat zij geen behoefte aan rechtsbescherming en dus geen procesbelang hebben. Rekwiranten beweren daarentegen dat zij vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 123/97 op grond van artikel 3 van het Gesetz gegen den Unlauteren Wettbewerb (Duitse wet van 7 juni 1909 tegen de oneerlijke mededinging) een effectieve bescherming tegen het onrechtmatig gebruik van de benaming Altenburger Ziegenkäse" genoten. Door de aanwijzing van een veel uitgebreider gebied heeft de benaming zelf aan betekenis en waarde ingeboet, aangezien zij nu ook kan worden gebruikt voor producten die niet afkomstig zijn uit het Altenburger Land".
44 In de derde plaats zijn rekwiranten van mening dat het Gerecht bij zijn uitleg van verordening nr. 2081/92 en de daarbij voorziene procedures blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, toen het hun argument verwierp dat de keuze voor de vereenvoudigde procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 hun op onwettige wijze het recht ontnam deel te nemen aan de registratieprocedure en bijgevolg ook het recht om bezwaar aan te tekenen tegen verordening nr. 123/97.
45 Dienaangaande betogen rekwiranten allereerst dat de vereenvoudigde procedure na het verstrijken van de in artikel 17, lid 1, van verordening nr. 2081/92 genoemde termijn van zes maanden niet meer kan worden gevolgd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland haar registratieaanvraag voor Altenburger Ziegenkäse" pas tweeënhalf jaar na afloop van deze termijn heeft ingediend had de Commissie de normale procedure van de artikelen 5 tot en met 7 van verordening nr. 2081/92 moeten volgen. De Freistaat Thüringen voegt hieraan toe dat het Gerecht zich in dit verband niet had mogen beperken tot het onderzoek of de keuze van de gemeenschapswetgever een misbruik van procedure opleverde, en stelt dat, ook wanneer de keuze voor de vereenvoudigde procedure niet als rechtsmisbruik kon worden aangemerkt, zij het wel als ongeoorloofd, rekwiranten niettemin onrechtmatig waren beroofd van hun procedurele rechten, op grond waarvan zij een beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 123/97 uit hoofde van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag hadden kunnen instellen.
46 Verder voeren rekwiranten aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 64 van de bestreden beschikking te aanvaarden dat de Commissie met betrekking tot de bepaling van het litigieuze geografische gebied mocht afgaan op beoordelingen en beslissingen van de Duitse wetgever en aldus de nieuwe bepalingen van de Duitse kaasverordening zonder meer een communautaire gelding heeft gegeven, zonder op autonome wijze gebruik te maken van haar eigen beoordelings- en beschikkingsbevoegdheid.
47 Ten slotte zijn rekwiranten van mening dat de argumenten waarmee het Gerecht in de punten 70 en 71 van de bestreden beschikking ontkent dat zij als gevolg van het feit dat bij verordening nr. 123/97 een te ruim geografisch gebied is bepaald, in hun rechten worden aangetast, niet kunnen overtuigen, al was het alleen maar omdat de werkingssfeer van de Duitse kaasverordening beperkt is tot het Duitse grondgebied, terwijl verordening nr. 123/97 in alle lidstaten van toepassing is. De Freistaat Thüringen voegt hieraan toe dat het feit dat de ontvankelijkheid van het beroep afhankelijk is van het bestaan van een recht dat nu juist door middel van dat beroep moet worden verkregen, een onlogische en juridisch onjuiste argumentatie vormt.
48 In de vierde plaats betogen rekwiranten dat het Gerecht in punt 78 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft vastgesteld dat zij niet gesteld, laat staan aangetoond hebben dat het voor hen onmogelijk was zich ter bescherming van hun rechten te wenden tot een nationale rechter, aan wie zij hadden kunnen verzoeken overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag een prejudiciële vraag te stellen.
49 In de vijfde plaats stellen rekwiranten dat het Gerecht niet geldig had kunnen beslissen over de ontvankelijkheid van het beroep zonder de gegrondheid ervan te onderzoeken. Volgens hen had het Gerecht zelfs om over de ontvankelijkheid van het beroep te kunnen oordelen, een beslissing moeten nemen over de materiële grieven dat de Commissie noch de registratie van de litigieuze benaming op grond van de vereenvoudigde procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 had mogen uitvoeren, noch de in de mededeling van de Bondsrepubliek Duitsland opgenomen gegevens over het betrokken geografische gebied zonder meer had mogen overnemen.
50 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, verzoekt het Hof de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, in de zin van artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering. Zimmermann verzoekt het Hof het beroep als gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk ongegrond, subsidiair als geheel ongegrond af te wijzen.
51 Tot staving van hun conclusie van niet-ontvankelijkheid betogen deze partijen in wezen, dat rekwiranten met hun hogere voorziening opkomen tegen een aantal feitelijke vaststellingen en beoordelingen door het Gerecht, en zich beperken tot het herhalen van de middelen en argumenten die zij ook al in eerste aanleg hebben aangevoerd. Verder hebben zij herhaaldelijk verzuimd nauwkeurig aan te geven op welke punten van de bestreden beschikking zij kritiek hebben en welke juridische argumenten hun vordering tot vernietiging specifiek staven.
Beoordeling door het Hof
52 Krachtens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk afwijzen.
De ontvankelijkheid
53 Volgens artikel 168 A EG-Verdrag (thans artikel 225 EG) en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht (zie met name arrest van 16 maart 2000, Parlement/Bieber, C-284/98 P, Jurispr. blz. I-1527, punt 30).
54 Artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het verzoekschrift in hogere voorziening de aangevoerde middelen en argumenten dient te bevatten.
55 Uit bovengenoemde bepalingen volgt, dat een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om enerzijds de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en anderzijds om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof ingevolge artikel 168 A van het Verdrag bevoegd, toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden (zie met name arrest Parlement/Bieber, reeds aangehaald, punt 31).
56 Hieruit volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (zie met name arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punten 34 en 35).
57 Enerzijds vragen rekwiranten met hun hogere voorziening het Hof, te onderzoeken of het Gerecht zich op het standpunt mocht stellen dat zij door verordening nr. 123/97 niet individueel werden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. De verschillende argumenten die zij hiertoe aanvoeren, stellen diverse punten ter discussie op basis waarvan het Gerecht zijn beslissing heeft gemotiveerd.
58 Geconstateerd moet worden dat ofschoon rekwiranten binnen dit kader ook bepaalde feitelijke vaststellingen en beoordelingen door het Gerecht ter discussie stellen, zij deze evenwel niet als zodanig betwisten, doch slechts in de mate waarin zij voor het Gerecht als grondslag hebben gediend om hen de procesbevoegdheid in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag te ontzeggen.
59 Anderzijds zij opgemerkt dat een hogere voorziening kan steunen op een betoog dat reeds in eerste aanleg is voorgedragen, om aan te tonen dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door de middelen en argumenten van de verzoekende partij te verwerpen (arrest van 25 mei 2000, Kögler/Hof van Justitie, C-82/98 P, Jurispr. blz. I-3855, punt 23), zodat de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in een hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld, wanneer de rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist (arrest van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie, C-210/98 P, Jurispr. blz. I-5843, punt 43).
60 In casu volgt uit het bij het Hof ingediende verzoekschrift dat de onderhavige hogere voorziening geen letterlijke weergave is van de in het verzoekschrift in eerste aanleg aangevoerde middelen en argumenten en dat rekwiranten duidelijk hebben aangegeven tegen welke onderdelen van de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, alsmede op grond van welke argumenten zij van mening zijn dat de juridische beoordeling door het Gerecht onjuist is.
61 In dit verband moet erop worden gewezen dat hoewel de hogere voorziening formeel niet de specifieke punten van de bestreden beschikking aangeeft, de Commissie, alsmede de interveniënten aan haar zijde, toch een nuttig standpunt ten aanzien van de tegen hen aangevoerde argumenten hebben kunnen innemen.
62 In die omstandigheden moeten de door de Commissie, de Franse Republiek en Zimmermann aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen en de gegrondheid van de hogere voorziening worden onderzocht.
Ten gronde
63 Krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hem rechtstreeks en individueel raken.
64 Met betrekking tot de vraag of rekwiranten door verordening nr. 123/97 individueel worden geraakt, zij eraan herinnerd dat een handeling volgens vaste rechtspraak niet haar algemene strekking en, daarmee, normatieve karakter verliest door de mogelijkheid, dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop deze op een bepaald moment van toepassing is, met meer of mindere mate van zekerheid kan worden bepaald, zolang maar vaststaat, dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de handeling omschreven objectieve situatie rechtens of feitelijk en in samenhang met de doelstelling van de bepaling (zie met name arrest Codorniu/Raad, reeds aangehaald, punt 18).
65 Deze rechtssubjecten kunnen alleen dan als individueel geraakt worden aangemerkt, indien de betrokken bepaling hen treft uit hoofde van een zekere bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert (zie met name arrest Codorniu/Raad, reeds aangehaald, punt 20).
66 In casu moet worden vastgesteld dat verordening nr. 123/97 door de registratie van de benaming Altenburger Ziegenkäse" als beschermde oorsprongsbenaming alle marktdeelnemers van wie de producten voldoen aan de gestelde geografische en kwalitatieve eisen, zoals die voortvloeien uit het in artikel 4 van verordening nr. 2081/92 bedoelde en bij de registratieaanvraag gevoegde productdossier, het recht toekent deze producten onder de benaming Altenburger Ziegenkäse" te verhandelen en aan deze benaming de bescherming verleent waarin verordening nr. 2081/92 ten gunste van elke naar behoren geregistreerde, gecontroleerde oorsprongsbenaming voorziet.
67 Bijgevolg is verordening nr. 123/97 een handeling van algemene strekking, en dus met een normatief karakter, die van toepassing is op objectief omschreven situaties en rechtsgevolgen teweegbrengt voor categorieën van marktdeelnemers die voldoen aan een aantal algemeen en abstract bepaalde voorwaarden. Zelfs indien de personen op wie zij van toepassing is, identificeerbaar waren op het moment waarop zij werd vastgesteld, en zou vaststaan dat hun aantal feitelijk nauwelijks kan variëren, dan nog zou dit niet afdoen aan haar normatieve karakter, gelet op het feit dat zij enkel ziet op objectieve situaties rechtens of feitelijk (zie in die zin beschikking van 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 35).
68 Hieruit volgt dat verordening nr. 123/97 rekwiranten slechts raakt in hun objectieve hoedanigheid van ondernemingen die de betrokken kaas produceren binnen het door het productdossier afgebakende geografische gebied, en deze verhandelen, op dezelfde wijze als iedere andere marktdeelnemer die zich feitelijk of potentieel in eenzelfde situatie bevindt.
69 Met zijn vaststelling dat rekwiranten door de verordening niet individueel worden geraakt heeft het Gerecht dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
70 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument van rekwiranten dat zij individueel zouden zijn geraakt indien de Commissie had besloten verordening nr. 123/97 vast te stellen op basis van de normale procedure van de artikelen 5 tot en met 7 van verordening nr. 2081/92, op grond waarvan iedere in zijn wettig belang getroffen natuurlijke of rechtspersoon bezwaar kan aantekenen tegen de beoogde registratie van een benaming.
71 Immers, zelfs indien het gebruik van de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 onwettig zou zijn geweest en het bestaan van procedurele rechten die door de toepasselijke regeling uitdrukkelijk aan een particulier worden toegekend, dan wel de loutere deelneming van deze particulier aan de procedure tot vaststelling van een normatieve handeling door een gemeenschapsinstelling deze particulier zou kunnen individualiseren in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, dan nog zou de uitoefening van de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen, zoals voorzien in het kader van de normale registratieprocedure, rekwiranten niet het recht hebben verleend beroep in te stellen tegen de aan het einde van deze procedure vastgestelde handeling.
72 Enerzijds kan namelijk overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 3, van verordening nr. 2081/92 bij de Commissie alleen een verklaring van bezwaar tegen een beoogde registratieaanvraag worden ingediend door een lidstaat tot wie zich vooraf een natuurlijke of rechtspersoon heeft gewend die kan aantonen een wettig economisch belang te hebben.
73 Anderzijds volgt uit artikel 7, lid 5, van verordening nr. 2081/92 dat, zodra bij de Commissie een ontvankelijk bezwaar is ingediend, de bezwaarprocedure de lidstaat of de lidstaten die bezwaar hebben aangetekend komen te staan tegenover de lidstaat die de registratie heeft aangevraagd. Krachtens deze bepaling dienen de betrokken lidstaten" immers met elkaar tot een akkoord te komen en dit, in voorkomend geval, ter kennis te brengen van de Commissie.
74 Uit de bewoordingen en de opzet van artikel 7 van verordening nr. 2081/92 volgt dus dat het tegen een registratie aangetekend bezwaar niet kan uitgaan van de lidstaat die de aanvraag tot registratie heeft ingediend, en dat de bij artikel 7 van deze verordening ingestelde bezwaarprocedure niet bedoeld is om geschillen te beslechten tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de registratie van een benaming heeft aangevraagd, en een natuurlijke of rechtspersoon die in die lidstaat woont of is gevestigd.
75 Dergelijke geschillen moeten in beginsel worden afgehandeld voordat de betrokken lidstaat conform artikel 5 van verordening nr. 2081/92 een door een groep van producenten en/of verwerkers of, onder bepaalde voorwaarden, een natuurlijke of rechtspersoon bij hem ingediende registratieaanvraag naar de Commissie zendt.
76 Wanneer in dit stadium van de procedure de bevoegde autoriteit van deze lidstaat geen rekening houdt met de opmerkingen van een in zijn wettig belang geraakte marktdeelnemer ten aanzien van de registratieaanvraag, dan zou die marktdeelnemer zich tot de bevoegde nationale rechter moeten wenden om de eventuele onwettigheid van het gedrag van deze autoriteit te doen vaststellen, gelet op de bepalingen van verordening nr. 2081/92, die de lidstaat ingevolge artikel 5, lid 5, in acht dient te nemen alvorens de registratieaanvraag naar de Commissie te zenden.
77 Overigens hebben rekwiranten niet aangetoond dat zij niet voor een nationale rechter een zaak aanhangig kunnen maken tegen een concurrent die kaas verhandelt onder de benaming Altenburger Ziegenkäse", op de grond dat deze niet is vervaardigd binnen het geografische gebied dat, volgens hen, het enige gebied is dat aan de bepalingen van verordening nr. 2081/92 voldoet. In het kader van een dergelijk beroep zouden zij de onwettigheid van verordening nr. 123/97 kunnen stellen en deze rechter aldus de mogelijkheid bieden zich uit te spreken over alle dienaangaande geformuleerde grieven, eventueel na een prejudiciële vraag aan het Hof te hebben voorgelegd ter beoordeling van de geldigheid van deze verordening.
78 Uit het voorgaande volgt dat de hogere voorziening krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
79 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 4, van dit Reglement dienen de Franse Republiek en de Freistaat Thüringen, interveniënten, elk hun eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Molkerei Großbraunshain GmbH en Bene Nahrungsmittel GmbH worden verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy