Samenvatting
Trefwoorden
1 Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
[EG-Verdrag, art. 168 A (thans art. 225 EG); 's Hofs Statuut-EG, art. 49 en 51; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c]
2 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand voor financiering van beroepsopleidingsacties - Bevestiging door lidstaten van feitelijke en boekhoudkundige juistheid van aanvragen om betaling van saldo - Draagwijdte
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad; besluit 83/156 van de Raad; beschikking 83/673 van de Commissie, art. 6)
3 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand voor financiering van beroepsopleidingsacties - Bevestiging door lidstaten van feitelijke en boekhoudkundige juistheid van aanvragen om betaling van saldo - Draagwijdte en grenzen - Beschikking tot vermindering van aanvankelijk toegekende bijstand - Gewettigd vertrouwen bij begunstigden - Schending - Geen
(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 6, lid 1)
Samenvatting
1 Uit artikel 168 A van het Verdrag (thans artikel 225 EG), artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
Een hogere voorziening die, zonder zelfs maar een argument te bevatten dat specifiek tegen het bestreden arrest is gericht, slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - met inbegrip van die welke waren gebaseerd op door het Gerecht uitdrukkelijk verworpen feiten - overneemt, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt in werkelijkheid immers slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is.
Een hogere voorziening kan slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere beoordeling van de feiten. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen - behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de overgelegde processtukken - en om die feiten te beoordelen. Het Hof is dus niet bevoegd een nieuwe beoordeling van de feiten te geven. Een middel dat slechts de beoordeling van de feiten door het Gerecht betwist, is dus niet-ontvankelijk.
2 Een lidstaat kan zijn beoordeling van de aanvraag om betaling van het saldo van een financiële bijstand van het Europees Sociaal Fonds nog wijzigen, nadat hij de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van die aanvraag overeenkomstig artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 houdende toepassing van besluit 83/516 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds reeds heeft bevestigd, indien hij meent te maken te hebben met onregelmatigheden die eerder niet aan het licht waren gekomen, en een beroep doen op een professioneel accountant om de juistheid van de gegevens in die aanvraag te controleren.
Artikel 6 van beschikking 83/673 betreffende het beheer van het Europees Sociaal Fonds bepaalt, dat de aanvragen om betaling van het saldo van een financiële bijstand van het Europees Sociaal Fonds de Commissie dienen te bereiken binnen een termijn van tien maanden na de datum waarop de acties zijn beëindigd, en dat betaling van bijstand waarvoor de aanvraag na deze termijn wordt ingediend, is uitgesloten. Onder die omstandigheden zou het kunnen voorkomen, dat indien de controles van de regelmatigheid slechts vóór de bevestiging van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een aanvraag om betaling van het saldo mochten worden verricht, de lidstaat niet in staat zou zijn deze aanvraag binnen die termijn van tien maanden bij de Commissie in te dienen, zodat de betaling van het saldo is uitgesloten. De bevestiging van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een aanvraag om betaling van het saldo vóór een controle van de regelmatigheid of vóór de beëindiging daarvan, kan dus in bepaalde gevallen in het belang van de begunstigde van de bijstand zijn.
3 De bevestiging van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een aanvraag om betaling van het saldo van een financiële bijstand van het Europees Sociaal Fonds door de nationale autoriteiten kan bij de begunstigde van de bijstand geen gewettigd vertrouwen doen ontstaan dat de Commissie zich bij die bevestiging aansluit. In de eerste plaats is het ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 houdende toepassing van besluit 83/516 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds, immers de Commissie die de definitieve beschikking over de aanvraag om betaling van het saldo vaststelt en daarvoor bij uitsluiting rechtens aansprakelijk is jegens de begunstigden. In de tweede plaats blijft die beschikking op grond van diezelfde bepaling afhankelijk van de nakoming door de begunstigde van de voorwaarden voor de verlening van de financiële bijstand.
Full & Egal Universal Law Academy