Samenvatting
Trefwoorden
1 Associatie van landen en gebieden overzee - Uitvoering door Raad - Inaanmerkingneming van bereikte resultaten en beginselen van Verdrag - Draagwijdte - Verzoening van doel van ontwikkeling van landen en gebieden overzee met doel van gemeenschappelijk landbouwbeleid - Maatregelen waarbij handelsverkeer tussen deze landen en gebieden met Gemeenschap wordt beperkt - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
(EG-Verdrag, art. 132 en 136, tweede alinea; besluit 91/482 van de Raad, art. 108 ter en 109)
2 Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Begrip - Risico van faillissement
(EG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
3 Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Afweging van alle betrokken belangen
(EG-Verdrag, art. 185 en 186)
Samenvatting
1 De associatie van de landen en gebieden overzee (LGO) moet tot stand worden gebracht volgens een dynamisch en geleidelijk proces in het kader waarvan het noodzakelijk kan zijn dat ter bereiking van de in artikel 132 van het Verdrag genoemde doeleinden meerdere bepalingen worden vastgesteld, rekening houdend met de resultaten die dankzij de eerdere besluiten van de Raad zijn bereikt. Daartoe verleent artikel 136, tweede alinea, van het Verdrag de Raad de bevoegdheid, in het kader van de associatie besluiten te nemen op basis van de in het Verdrag neergelegde beginselen.
De resultaten die dankzij de eerdere besluiten van de Raad zijn bereikt, moeten in hun totaliteit worden beoordeeld, dat wil zeggen met inachtneming van alle aspecten van de economische en sociale ontwikkeling van alle LGO. Bijgevolg kan de Raad niet worden verweten, dat hij een bereikt resultaat, zoals het stelsel van vrije toegang van LGO-suiker tot de markt van de Gemeenschap, niet onafhankelijk van de andere resultaten heeft beoordeeld.
De verplichting om de betrokken bepalingen vast te stellen op basis van de in het Verdrag neergelegde beginselen, betekent dat de Raad niet alleen rekening moet houden met de beginselen in het Vierde deel van het Verdrag, maar ook met alle andere in het Verdrag neergelegde beginselen, waaronder de beginselen die het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreffen. Deze verplichting houdt in dat de Raad in voorkomend geval de nodige maatregelen kan nemen opdat het doel van de ontwikkeling van de LGO niet in conflict komt met het doel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Aangezien de bevordering van de LGO geen verplichting inhield om deze te bevoorrechten, kan de verzoening van het doel van de ontwikkeling van de LGO met het doel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de Raad een grond opleveren om een maatregel vast te stellen waarbij het handelsverkeer tussen de LGO en de Gemeenschap wordt beperkt. Evenwel moet een dergelijke maatregel, ongeacht of het om een conjuncturele en gerichte maatregel gaat in de zin van artikel 109 van besluit 91/482 betreffende de associatie van de LGO met de Gemeenschap, dan wel om een structurele en duurzame maatregel in de zin van artikel 108 ter van dit besluit, in elk geval noodzakelijk zijn en evenredig aan het gestelde doel.
2 De spoedeisendheid van een opschorting van de tenuitvoerlegging en van de gevraagde voorlopige maatregelen moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Deze laatste moet het bewijs leveren, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder ernstige en onherstelbare schade te lijden.
Het risico van een dergelijke schade moet worden erkend, wanneer de bestreden handelingen de verzoeker hebben gedwongen om zijn activiteiten volledig te staken en hij zich in een financiële situatie bevindt die zijn bestaan bedreigt, omdat het risico reëel is dat hij failliet wordt verklaard.
3 De rechter in kort geding dient de betrokken belangen af te wegen. Bij zijn vergelijking en afweging van de belangen dient hij na te gaan of de eventuele nietigverklaring van de bestreden handeling door de rechter in de hoofdzaak de situatie die door onmiddellijke uitvoering van deze handeling zou zijn ontstaan, zou kunnen terugdraaien, en, omgekeerd, of opschorting van de uitvoering zou beletten dat de handeling nog volledige werking krijgt wanneer het beroep in de hoofdzaak zou worden verworpen.
Full & Egal Universal Law Academy