Zaak T-54/98
Aruba
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Associatie van landen en gebieden overzee – Invoer in Gemeenschap van suiker van oorsprong uit Aruba – Verordening (EG) nr. 2553/97 – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid»
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 17 september 2003
Samenvatting van de beschikking
1.. Beroep tot nietigverklaring – Beroep ingesteld door land of gebied overzee – Rechtsgrondslag
[EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea (thans, na wijziging, art. 230, vierde alinea, EG)]
2.. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Verordening betreffende afgifte van invoercertificaten voor bepaalde producten met ACS/LGO-oorsprongscumulatie – Beroep ingesteld door Aruba – Niet-ontvankelijkheid
[EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea (thans, na wijziging, art. 230, vierde alinea, EG); verordening nr. 2553/97 van de Commissie]
1. In het kader van een beroep tot nietigverklaring ingesteld door een land of gebied overzee leent noch artikel 173 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) noch artikel 173, derde alinea, van het Verdrag zich voor overeenkomstige toepassing. Bijgevolg kan alleen op grond van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag worden beoordeeld, of een dergelijk land bevoegd is om in rechte op te treden. cf. punt 34
2. Een natuurlijke of rechtspersoon kan slechts worden geacht individueel te zijn geraakt door een handeling met een algemene strekking, wanneer hij door die handeling in zijn rechtspositie wordt getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking. Het grondgebied van Aruba wordt niet individueel geraakt door verordening (EG) nr. 2553/97 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor bepaalde producten van de GN-codes 1701, 1702, 1703 en 1704 met ACS/LGO- oorsprongscumulatie. Dat Aruba deel uitmaakt van de beperkte groep van landen en gebieden overzee (LGO) die in bijlage IV bij het EG-Verdrag worden genoemd, volstaat namelijk niet om aan te nemen dat het door de bestreden verordening individueel wordt geraakt. Bovendien kan het algemene belang dat een LGO, als bevoegde entiteit voor de economische en sociale vraagstukken op zijn grondgebied, kan hebben bij de verkrijging van een voor de economische welvaart van dit grondgebied gunstig resultaat, op zich niet volstaan om aan te nemen dat het door de bestreden verordening wordt geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) noch ─ a fortiori ─ dat het door die verordening individueel wordt geraakt. Ten slotte zijn de bewerking van suiker uit derde landen op het grondgebied van de LGO en de uitvoer van suiker met ACS/LGO-oorsprongscumulatie handelsactiviteiten die op elk moment door om het even welke marktdeelnemer in elke LGO kunnen worden uitgeoefend. De bewerking van suiker en de uitvoer van suiker met ACS/LGO-oorsprongscumulatie zijn dus geen activiteiten die verzoeker ten opzichte van elke andere LGO karakteriseren. cf. punten 38-41
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
17 september 2003 (1)
„Associatie van landen en gebieden overzee – Invoer in Gemeenschap van suiker van oorsprong uit Aruba – Verordening (EG) nr. 2553/97 – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T-54/98,
Aruba, vertegenwoordigd door P. Bos en M. Slotboom, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster, ondersteund doorRaad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Huber en G. Houttuin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,en doorVerenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door R. Magrill als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2553/97 van de Commissie van 17 december 1997 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor bepaalde producten van de GN-codes 1701, 1702, 1703 en 1704 met ACS/LGO-oorsprongscumulatie (PB L 349, blz. 26),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Volgens artikel 3, sub r, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub s, EG) omvat het optreden van de Gemeenschap de associatie van landen en gebieden overzee (LGO), teneinde het handelsverkeer uit te breiden en in gezamenlijke inspanning de economische en sociale ontwikkeling te bevorderen.
2 Aruba maakt deel uit van de LGO.
3 Volgens artikel 227, lid 3, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 299, lid 3, EG) vormen de LGO, waarvan de lijst als bijlage IV aan het EG-Verdrag (thans, na wijziging, bijlage II EG) is gehecht, het onderwerp van de bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van dit Verdrag. Aruba wordt in die bijlage genoemd.
4 Artikel 136, tweede alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 187 EG) bepaalt dat de Raad op basis van de in het kader van de associatie van de LGO met de Gemeenschap bereikte resultaten en van de in dit Verdrag neergelegde beginselen met eenparigheid van stemmen de bepalingen vaststelt betreffende de wijze van toepassing en de procedure van de associatie van de LGO met de Gemeenschap. Op basis hiervan heeft de Raad op 25 februari 1964 besluit 64/349/EEG inzake de associatie van de LGO met de Europese Economische Gemeenschap (PB 1964, 93, blz. 1472) vastgesteld. Dit besluit verving per 1 juni 1964, de datum van inwerkingtreding van het op 20 juli 1963 te Yaoundé ondertekende interne akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap, de aan het Verdrag gehechte toepassingsovereenkomst betreffende de associatie van de LGO met de Gemeenschap, die voor een duur van vijf jaar was gesloten.
5 Na verschillende besluiten met hetzelfde onderwerp heeft de Raad op 25 juli 1991 besluit 91/482/EEG betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Gemeenschap (PB L 263, blz. 1; hierna: LGO-besluit) vastgesteld, dat volgens artikel 240, lid 1, ervan voor een op 1 maart 1990 ingaande periode van tien jaar geldt. Artikel 240, lid 3, sub a en b, bepaalt evenwel dat de Raad vóór het verstrijken van de eerste periode van vijf jaar met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, in voorkomend geval, naast de financiële steun van de Gemeenschap, de voor de tweede periode van vijf jaar eventueel op de associatie van de LGO met de Gemeenschap aan te brengen wijzigingen vaststelt. Dit heeft de Raad gedaan bij besluit 97/803/EG van 24 november 1997 tot tussentijdse herziening van het LGO-besluit (PB L 329, blz. 50).
6 Aanvankelijk luidde artikel 101, lid 1, van het LGO-besluit: Producten van oorsprong uit de LGO mogen met vrijdom van douanerechten en heffingen van gelijke werking in de Gemeenschap worden ingevoerd.
7 Artikel 102 van dit besluit bepaalde: De Gemeenschap past bij de invoer van producten van oorsprong uit de LGO geen kwantitatieve beperkingen, noch maatregelen van gelijke werking toe.
8 Artikel 108, lid 1, eerste streepje, van het LGO-besluit verwijst voor de definitie van het begrip producten van oorsprong en voor de methoden van administratieve samenwerking ter zake naar bijlage II bij het besluit (hierna: bijlage II). Volgens artikel 1 van deze bijlage wordt een product als een product van oorsprong uit de LGO, uit de Gemeenschap of uit de landen en gebieden in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (hierna: ACS-staten) beschouwd, indien het aldaar ofwel geheel en al is verkregen, ofwel toereikend is bewerkt.
9 Artikel 3, lid 3, van bijlage II bevat een lijst van be- of verwerkingen die ontoereikend worden geacht om een product het karakter van product van oorsprong uit de LGO te verlenen.
10 Artikel 6, lid 2, van bijlage II bepaalt evenwel: Wanneer geheel en al [...] in de ACS-staten verkregen producten in de LGO worden be- of verwerkt, worden zij geacht geheel en al in de LGO te zijn verkregen.
11 Volgens artikel 6, lid 4, van bijlage II is de in het vorige punt genoemde regel, de zogeheten oorsprongscumulatie ACS/LGO, van toepassing op elke be- of verwerking die plaatsvindt in de LGO, met inbegrip van de in artikel 3, lid 3, genoemde handelingen.
12 Bij besluit 97/803 is de toepassing van de regel van de oorsprongscumulatie ACS/LGO beperkt voor suiker uit de LGO. Met het oog daarop is bij besluit 97/803 in het LGO-besluit onder meer artikel 108 ter ingevoegd, dat de oorsprongscumulatie ACS/LGO voor suiker toelaat tot een bepaalde jaarhoeveelheid. Artikel 108 ter, leden 1 en 2, luidt: 1. [...] wordt de oorsprongscumulatie ACS/LGO als bedoeld in artikel 6 van bijlage II toegestaan ten belope van een jaarhoeveelheid van 3 000 ton suiker.2. Voor toepassing van de in lid 1 bedoelde ACS/LGO-cumulatieregels wordt persing tot suikerklontjes of kleuring als voldoende beschouwd om een product LGO-oorsprongskarakter te verlenen.
13 Op 17 december 1997 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 2553/97 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor bepaalde producten van de GN-codes 1701, 1702, 1703 en 1704 met ACS/LGO-oorsprongscumulatie (PB L 349, blz. 26; hierna: bestreden verordening) vastgesteld. Deze verordening bepaalt dat voor de invoer van suiker met oorsprongscumulatie ACS/LGO zoals bepaald in artikel 108 ter van het LGO-besluit, een invoercertificaat moet worden overgelegd.
14 De bestreden verordening is overeenkomstig artikel 8, eerste alinea, ervan op 19 december 1997 in werking getreden.
Procedure
15 Bij op 1 april 1998 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
16 Bij op 9 juli 1998 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 14 augustus 1998 heeft verzoeker zijn opmerkingen over deze exceptie ingediend.
17 Bij op 8 juli respectievelijk 18 augustus 1998 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben de Raad en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering verzocht te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van 17 december 1998 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht deze verzoeken ingewilligd.
18 Krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) heeft de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (Nederland) het Hof verzocht om een uitspraak over de geldigheid van besluit 97/803 (zaak C-17/98).
19 Bij beschikking van het Gerecht van 11 februari 1999 is de procedure in de onderhavige zaak geschorst tot de einduitspraak van het Hof in zaak C-17/98. Ten gevolge van het arrest van het Hof van 8 februari 2000, Emesa Sugar (C-17/98, Jurispr. blz. I-675), is deze schorsing geëindigd.
20 Bij beschikking van 5 oktober 2000 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht de procedure geschorst tot de einduitspraak van het Hof in zaak C-142/00 P, waarin het met name ging om de vraag of de Nederlandse Antillen konden opkomen tegen maatregelen waarbij de LGO-invoer werd beperkt. Deze schorsing is geëindigd ten gevolge van het arrest van het Hof van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen (C-142/00 P, Jurispr. blz. I-3483), waarbij het arrest van het Gerecht van 10 februari 2000, Nederlandse Antillen/Commissie (T-32/98 en T-41/98, Jurispr. blz. II-201), is vernietigd op grond dat het Gerecht ten onrechte had geoordeeld dat de Nederlandse Antillen door de omstreden maatregelen individueel werden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG).
21 Bij brief van 28 april 2003 is partijen verzocht, hun opmerkingen in te dienen over de voortzetting van de procedure in de onderhavige zaak. Verzoeker en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben geen opmerkingen ingediend. De Commissie en de Raad hebben bij brieven van 11 respectievelijk 12 juni 2003 hun opmerkingen ingediend.
Conclusies van partijen
22 In zijn verzoekschrift concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
─ de bestreden verordening nietig te verklaren; de bestreden verordening nietig te verklaren;
─ de Commissie te verwijzen in de kosten. de Commissie te verwijzen in de kosten.
23 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie, ondersteund door de Raad en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, dat het het Gerecht behage:
─ het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
─ verzoeker te verwijzen in de kosten. verzoeker te verwijzen in de kosten.
24 In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
─ de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde; de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde;
─ de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen; de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
─ indien het Gerecht de exceptie niet voegt met de zaak ten gronde, de beslissing omtrent de kosten aan te houden. indien het Gerecht de exceptie niet voegt met de zaak ten gronde, de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
De ontvankelijkheid
25 Ingevolge artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht op verzoek van een partij uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens artikel 114, lid 3, geschiedt de verdere behandeling van het verzoek dan mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich na bestudering van het dossier voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling op het verzoek van de Commissie te beslissen.
Argumenten van partijen
26 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt de Commissie dat de bestreden verordening verzoeker rechtstreeks noch individueel raakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. In hun opmerkingen over de voortzetting van de procedure beklemtonen de Commissie en de Raad dat het arrest Commissie/Nederlandse Antillen (aangehaald in punt 20 hierboven) onvermijdelijk tot de conclusie leidt dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is.
27 Verzoeker stelt primair dat Aruba een bijzondere status geniet. Hij verwijst hiervoor naar het vierde deel van het EG-Verdrag alsmede naar bijlage IV bij het EG-Verdrag, waarin Aruba uitdrukkelijk als een van de LGO wordt genoemd. Voorts stelt hij dat hij, net als het Europees Parlement (arrest Hof van 22 mei 1990, Parlement/Raad, C-70/88, Jurispr. blz. I-2041) het recht heeft om beroep tot nietigverklaring in te stellen wanneer dat beroep is gericht op bescherming van de hem door het Verdrag toegekende prerogatieven. Een overeenkomstige toepassing van artikel 173, tweede en derde alinea, van het Verdrag leidt er dus toe dat het onderhavige beroep ontvankelijk moet worden verklaard.
28 Subsidiair stelt verzoeker dat de bestreden verordening hem rechtstreeks en individueel raakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
29 In de eerste plaats raakt de bestreden verordening hem rechtstreeks, omdat zij de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge laat ter zake van de tenuitvoerlegging ervan (arresten Hof van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie, 41/70─44/70, Jurispr. blz. 411, punten 23-28; 11 juli 1985, Salerno e.a./Commissie en Raad, 87/77, 130/77, 22/83, 9/84 en 10/84, Jurispr. blz. 2523, punten 31 en 32, en 26 april 1988, Apesco/Commissie, 207/86, Jurispr. blz. 2151, punten 11-23).
30 In de tweede plaats raakt de bestreden verordening hem individueel. Deze verordening beperkt immers de invoer van suiker van oorsprong uit de LGO en raakt dus een gesloten groep gebieden en landen, die in bijlage IV bij het EG-Verdrag limitatief worden genoemd en waartoe Aruba behoort.
31 Voorts raakt de bestreden verordening hem individueel, omdat hij jegens verschillende landen niet gebonden is aan besluit 97/803, waarop de bestreden verordening is gebaseerd. Dienaangaande zet hij uiteen dat de akten betreffende de toetredingsvoorwaarden van Oostenrijk, Finland, Portugal, Spanje en Zweden tot de Europese Gemeenschappen slechts voor Nederland zijn geratificeerd, maar niet voor Aruba, dat zich dus van de andere LGO onderscheidt.
32 De bestreden verordening, die de uitvoer van suiker van oorsprong uit de LGO beperkt, raakt hem bovendien individueel in zijn hoedanigheid van LGO dat suiker van een dergelijke oorsprong produceert en exporteert. Ten tijde van de vaststelling van de bestreden verordening was vrijwel alle suiker met ACS/LGO-oorsprongscumulatie afkomstig uit Aruba.
33 Ten slotte raakt de bestreden verordening hem individueel, omdat hij vóór de vaststelling van besluit 97/803 met de Commissie en de Raad gesprekken heeft gevoerd over de herziening van de bepalingen van het LGO-besluit, welke tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid.
Beoordeling door het Gerecht
34 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat noch artikel 173, tweede alinea (zie in die zin beschikkingen Hof van 21 maart 1997, Waals Gewest/Commissie, C-95/97, Jurispr. blz. I-1787, punt 6, en 1 oktober 1997, Regione Toscana/Commissie, C-180/97, Jurispr. blz. I-5245, punt 6), noch artikel 173, derde alinea, van het Verdrag zich leent voor overeenkomstige toepassing. Bijgevolg kan alleen op grond van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag worden beoordeeld, of verzoeker bevoegd is om in rechte op te treden (arrest Hof van 22 november 2001, Nederlandse Antillen/Raad, C-452/98, Jurispr. blz. I-8973, punt 50).
35 Voorts zij vastgesteld dat de bestreden verordening een algemene strekking heeft; zij geldt immers voor alle invoer in de Gemeenschap van suiker met ACS/LGO-oorsprongscumulatie.
36 Onderzocht moet evenwel worden of verzoeker, ondanks de algemene strekking van de verordening, niettemin kan worden geacht door die verordening rechtstreeks en individueel te worden geraakt. De algemene strekking van een handeling sluit immers niet uit dat zij bepaalde natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks en individueel kan raken in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag (zie arrest Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853, punt 19, en arrest Nederlandse Antillen/Raad, aangehaald in punt 34 hierboven, punt 55).
37 Vastgesteld moet worden dat de bestreden verordening verzoeker rechtstreeks raakt, aangezien zij de met de toepassing ervan belaste nationale autoriteiten van de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge laat (zie in die zin arrest Gerecht van 6 december 2001, Emesa Sugar/Raad, T-43/98, Jurispr. blz. II-3519, punt 48).
38 Met betrekking tot de vraag of de bestreden verordening verzoeker individueel raakt, zij eraan herinnerd dat een natuurlijke of rechtspersoon slechts wordt geacht individueel te zijn geraakt door een handeling met een algemene strekking, wanneer hij door die handeling in zijn rechtspositie wordt getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking (arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, 232, en arrest Nederlandse Antillen/Raad, aangehaald in punt 34 hierboven, punt 60).
39 Uit de arresten Nederlandse Antillen/Raad (aangehaald in punt 34 hierboven) en Commissie/Nederlandse Antillen (aangehaald in punt 20 hierboven) volgt overduidelijk dat het feit dat verzoeker deel uitmaakt van de beperkte groep van LGO die in bijlage IV bij het EG-Verdrag worden genoemd, niet volstaat om aan te nemen dat hij door de bestreden verordening individueel wordt geraakt.
40 Bovendien kan het algemene belang dat een LGO, als bevoegde entiteit voor de economische en sociale vraagstukken op zijn grondgebied, kan hebben bij de verkrijging van een voor de economische welvaart van dit grondgebied gunstig resultaat, op zich niet volstaan om aan te nemen dat het door de bestreden verordening wordt geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag noch ─ a fortiori ─ dat het door die verordening individueel wordt geraakt (arrest Nederlandse Antillen/Raad, aangehaald in punt 34 hierboven, punt 64).
41 Met betrekking tot het argument dat verzoeker aan zijn positie op de suikermarkt ontleent, moet worden opgemerkt dat de bewerking van suiker uit derde landen op het grondgebied van de LGO en de uitvoer van suiker met ACS/LGO-oorsprongscumulatie handelsactiviteiten zijn die op elk moment door om het even welke marktdeelnemer in elke LGO kunnen worden uitgeoefend. Verzoeker zelf erkent dat ook op de Nederlandse Antillen suiker wordt bewerkt. De bewerking van suiker en de uitvoer van suiker met ACS/LGO-oorsprongscumulatie zijn dus geen activiteiten die verzoeker ten opzichte van elke andere LGO karakteriseren (zie in die zin arrest Nederlandse Antillen/Raad, aangehaald in punt 34 hierboven, punt 74).
42 Dat er vóór de vaststelling van besluit 97/803 gesprekken hebben plaatsgevonden tussen verzoeker en vertegenwoordigers van de Commissie en de Raad, toont evenmin aan dat de bestreden verordening verzoeker individueel raakt. Zelfs indien deze gesprekken hadden plaatsgevonden in het kader van de procedure tot vaststelling van de bestreden verordening, dan nog kan deze omstandigheid verzoeker niet individualiseren in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. Dat iemand op enigerlei wijze intervenieert in de procedure tot vaststelling van een gemeenschapshandeling, kan deze persoon namelijk alleen dan ten opzichte van de betrokken handeling individualiseren wanneer de toepasselijke communautaire regeling hem bepaalde procedurele waarborgen biedt (beschikkingen Gerecht van 9 augustus 1995, Greenpeace e.a./Commissie, T-585/93, Jurispr. blz. II-2205, punten 56 en 63, en 8 juli 1999, Area Cova e.a./Raad en Commissie, T-12/96, Jurispr. blz. II-2301, punt 59; arrest Gerecht van 7 februari 2001, Sociedade Agrícola dos Arinhos e.a./Commissie, T-38/99─T-50/99, Jurispr. blz. II-585, punt 46), hetgeen in casu niet het geval is.
43 Dat de akten betreffende de toetredingsvoorwaarden van Oostenrijk, Finland, Portugal, Spanje en Zweden tot de Europese Gemeenschappen alleen voor Nederland, maar niet voor Aruba zijn geratificeerd, bewijst ten slotte niet dat de bestreden verordening, een door de Commissie vastgestelde handeling, verzoeker op een andere wijze raakt dan de andere LGO.
44 Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat de bestreden verordening hem individueel raakt.
45 In deze omstandigheden moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kosten
46 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
47 Overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zullen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Raad, interveniënten, hun eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker zal zijn eigen kosten dragen alsmede die van de Commissie.
3) Interveniënten zullen hun eigen kosten dragen.
Luxemburg, 17 september 2003.
De griffier
De president van de Derde kamer
H. Jung
K. Lenaerts
1 – Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy