Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Het Tribunale civile e penale di Genova (Italië) heeft het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 243 en 244 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.
II - De feiten van het hoofdgeding
2. De prejudiciële vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Kofisa Italia Srl (hierna: Kofisa") en Ministero delle Finanze en Servizio della Riscossione dei Tributi - Concessione Provincia di Genova - San Paolo Riscossioni Genova SpA (concessiehouder van de belastinginvorderingsdienst van de provincie Genua).
3. Zonder vooraf een administratief bezwaarschrift te hebben ingediend, is Kofisa bij het Tribunale civile e penale di Genova opgekomen tegen het dwangbevel dat de douane te Genua haar had doen toekomen tot betaling van 782 393 152 ITL, vermeerderd met interesten, wegens onregelmatigheden bij de toepassing van het plafond inzake BTW bij invoer in 1995.
4. Terwijl de procedure liep, heeft de belastinginvorderingsdienst Kofisa een aanslag tot invordering van dit bedrag, vermeerderd met interesten en kosten, doen toekomen. Tegen deze maatregel heeft Kofisa beroep ingesteld, ertoe strekkende de invordering onwettig te doen verklaren en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel en van de invordering te doen opschorten tot de uitspraak van de rechter over het bestaan van de belastingschuld.
5. In het kader van deze tweede procedure, en meer bepaald in het kader van het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging, heeft het Tribunale civile e penale di Genova vastgesteld, dat het in het licht van de geldende nationale wetgeving en de rechtspraak terzake niet bevoegd was, en heeft het opgemerkt dat artikel 244 van het communautair douanewetboek bepaalt, dat de douaneautoriteiten onder bepaalde voorwaarden de tenuitvoerlegging kunnen opschorten van een beschikking waartegen bij hen is opgekomen.
6. De verwijzende rechter, die heeft vastgesteld dat aan de door artikel 244 vereiste voorwaarden om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op te schorten in casu voldaan leek te zijn, twijfelt of dit artikel van toepassing is, op grond dat Kofisa haar beroep had ingesteld zonder vooraf een administratief bezwaarschrift in de zin van artikel 243 van het wetboek te hebben ingediend, en in artikel 244 de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op te schorten alleen aan de douaneautoriteiten is toegekend en niet aan de rechter.
7. Om deze reden heeft het Tribunale civile e penale di Genova besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof twee prejudiciële vragen te stellen over de uitlegging van de artikelen 243 en 244 van het douanewetboek.
III - De prejudiciële vragen
8. Het Tribunale civile e penale di Genova verzoekt het Hof om een antwoord op de navolgende prejudiciële vragen:
1) Kan het beroep als bedoeld in artikel 243, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van 12 oktober 1992 rechtstreeks voor een rechterlijke instantie worden ingesteld, zonder dat ter zake eerst een bezwaarschrift is ingediend bij de douaneautoriteiten?
2) Komt de bevoegdheid om krachtens artikel 244 van verordening (EEG) nr. 2913/92 de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op te schorten alleen toe aan de douaneautoriteiten of ook aan de rechterlijke instantie waarbij het beroep is ingesteld?"
IV - Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
9. Artikel 243 van het douanewetboek bepaalt:
1. Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.
De persoon die de douaneautoriteiten om een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving heeft verzocht, doch binnen de in artikel 6, lid 2, bedoelde termijn van deze autoriteiten geen beschikking heeft verkregen, heeft eveneens het recht beroep in te stellen.
Het beroep moet worden ingesteld in de lidstaat waar de beschikking is genomen of waar om een beschikking is verzocht.
2. Het recht op beroep kan worden uitgeoefend:
a) in een eerste fase (bezwaar), bij de daartoe door de lidstaten aangewezen douaneautoriteit;
b) in een tweede fase (beroep), bij een onafhankelijke instantie, die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen, een rechterlijke instantie of een gelijkwaardig gespecialiseerd orgaan kan zijn."
10. Verder bepaalt artikel 244:
Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
De douaneautoriteiten schorten de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking evenwel geheel of gedeeltelijk op indien zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.
Indien de aangevochten beschikking tot de toepassing van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer leidt, dient in geval van opschorting van de tenuitvoerlegging van deze beschikking een zekerheid te bestaan of te worden gesteld. Van die eis kan evenwel worden afgezien wanneer deze, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken."
11. Artikel 245 ten slotte bepaalt:
De bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure worden vastgesteld door de lidstaten."
V - De procedure voor het Hof van Justitie
12. Binnen de in artikel 20 's Hofs EG-Statuut gestelde termijn zijn door verzoekster in het hoofdgeding, de Italiaanse en de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 22 juni 2000 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de vertegenwoordiger van Kofisa en de gemachtigden van de Italiaanse regering en de Commissie.
13. Kofisa betoogt om te beginnen, dat de bevoegdheid van het Hof in het onderhavige geval uit de arresten Dzodzi en Giloy voortvloeit. Aangezien de Italiaanse douaneautoriteiten verantwoordelijk zijn voor de inning bij invoer van zowel de douanerechten als de omzetbelastingen en de procedures daartoe identiek zijn, moeten de relevante bepalingen haars inziens op eenvormige wijze worden uitgelegd. Anderzijds zijn blijkens artikel 70 van de Italiaanse BTW-wet de bepalingen van de douanewetten betreffende aan de grens geheven rechten van toepassing op geschillen inzake BTW bij invoer.
In verband met de eerste vraag betoogt Kofisa, dat de niet-ontvankelijkheid van het rechtstreeks bij de rechter ingestelde beroep niet uit artikel 243 kan voortvloeien. Aangezien het bovendien de lidstaten zijn die krachtens artikel 245 van het communautair douanewetboek de bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure vaststellen, en de Italiaanse douanewet tegen een dwangbevel slechts in een beroep bij de rechter voorziet, voert zij aan dat de belastingplichtige geen andere keuze heeft dan dit wettelijk voorschrift na te leven, zodat haar geen inbreuk op artikel 243 kan worden verweten.
Het antwoord op de tweede prejudiciële vraag is volgens Kofisa deels te vinden in het arrest Factortame e.a., aangezien de nationale rechter ingevolge de voorang van het gemeenschapsrecht zich moet onthouden van de toepassing van een norm van intern recht die zich verzet tegen de vaststelling van voorlopige maatregelen.
In verband met de vraag of de rechter de tenuitvoerlegging kan opschorten, betoogt verzoekster in het hoofdgeding, dat het onredelijk zou zijn dat die mogelijkheid alleen in de eerste fase van de beroepsprocedure zou bestaan. Bovendien ware het haars inziens onlogisch indien de rechter een beschikking van de douaneautoriteit kon vernietigen, maar niet bevoegd was om de tenuitvoerlegging daarvan op te schorten. Dit argument geldt haars inziens a fortiori in een geval zoals dat van de Italiaanse rechtsorde, waarin het beroep niet kan worden ingesteld bij de douaneautoriteiten, zodat er geen echte mogelijkheid is om de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling te doen opschorten. Volgens haar was het zelfs niet nodig om deze bevoegdheid uitdrukkelijk in het douanewetboek op te nemen, omdat de mogelijkheid om voorlopige maatregelen te gelasten deel uitmaakt van de normale bevoegdheid van de nationale rechter.
14. De Italiaanse regering onderzoekt om te beginnen de bevoegdheid van het Hof van Justitie. Aangezien het voorwerp van het geding, bij invoer geheven BTW, buiten de werkingssfeer van het douanewetboek valt, betoogt zij dat, waar artikel 70 van de Italiaanse BTW-wet met betrekking tot geschillen en sancties inzake BTW bij invoer verwijst naar de douaneregeling, deze verwijzing alleen betrekking heeft op de nationale wetten betreffende aan de grens geheven rechten, en inzonderheid een bepaling uit 1972, toen voor deze materie nog geen bepalingen van gemeenschapsrecht bestonden. Anders dan in de zaak Giloy bevat de Italiaanse rechtsorde geen bepaling die het douanewetboek, en inzonderheid de artikelen 243 en 244 daarvan, toepasselijk maakt op geschillen inzake BTW bij invoer, zodat het Hof in casu niet bevoegd is.
Subsidiair spreekt de Italiaanse regering zich uit over de prejudiciële vragen. In verband met de eerste vraag beklemtoont zij dat artikel 243 van het douanewetboek zich ertegen verzet dat de voorafgaande administratieve fase wordt overgeslagen, zodat een rechtstreeks bij de rechter ingesteld beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
In verband met de tweede prejudiciële vraag voert de Italiaanse regering aan, dat de onafhankelijke instantie" niet bevoegd is om in eerste aanleg de tenuitvoerlegging van de beschikking van de douaneautoriteit op te schorten. Daarentegen kan in de beroepsfase worden opgekomen tegen de weigering van de douaneautoriteit om de tenuitvoerlegging op te schorten, en in dat geval kan de onafhankelijke instantie" de gepaste maatregelen treffen, waaronder de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking.
15. De Britse regering beklemtoont in haar opmerkingen, dat artikel 243 van het communautair douanewetboek een gestructureerde beroepsprocedure vaststelt die verplicht in twee opeenvolgende fasen verloopt, zodat een verzoeker zich niet tot een rechterlijke instantie kan wenden zonder de kwestie vooraf aan de douaneautoriteit te hebben voorgelegd. Deze procedure in twee fasen is gunstig voor zowel de verzoeker, die beschikkingen van een douaneautoriteit via een informele en goedkope procedure kan aanvechten, als voor de douaneautoriteit, die op die manier de kans krijgt om een kennelijk verkeerde beschikking snel recht te zetten.
Subsidiair, voor het geval dat het Hof niet van oordeel is dat artikel 243 de lidstaten verplicht een procedure in twee fasen vast te stellen, voert de Britse regering aan, dat het, indien een lidstaat opteert voor een procedure in twee fasen, niet mogelijk is met een beroep op artikel 243 de eerste fase over te slaan.
De Britse regering heeft geen opmerkingen over de tweede prejudiciële vraag.
16. De Commissie ten slotte, twijfelt om te beginnen aan de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen. In de zaak Giloy, die eveneens op BTW bij invoer betrekking had, heeft het Hof verklaard dat er geen twijfel over bestond dat het hoofdgeding zou worden beslecht door toepassing van normen van gemeenschapsrecht; in de onderhavige zaak daarentegen bestaat er volgens de Commissie geen enkele zekerheid hieromtrent, aangezien het in werkelijkheid de douaneregeling is die geïnspireerd is door het stelsel dat geldt voor directe en indirecte belastingen, zoals de BTW, en niet andersom. Volgens de Commissie ontbreken in casu de nodige elementen om zonder enige twijfel te kunnen vaststellen dat het Hof uitspraak moet doen.
In verband met de eerste prejudiciële vraag meent de Commissie, dat artikel 243 van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd, dat het zich er niet tegen verzet, dat de zaak onmiddellijk bij de rechter aanhangig wordt gemaakt, zonder voorafgaand beroep bij de douaneautoriteiten.
In verband met de tweede vraag meent de Commissie, dat artikel 244 de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging op te schorten, uitsluitend aan de douaneautoriteiten toekent. Evenwel sluit zij niet uit dat de rechter de tenuitvoerlegging kan opschorten krachtens de procedureregels die in de nationale rechtsorde gelden. Zij verwijst naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht het recht op een volledige en doeltreffende rechtsbescherming ontlenen, wat met name inhoudt dat een voorlopige bescherming kan worden gewaarborgd, wanneer deze noodzakelijk is voor de volle werking van de einduitspraak.
VI - Bevoegdheid van het Hof van Justitie
17. Om te beginnen zal ik onderzoeken of het Hof van Justitie bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden. In dit verband moet worden opgemerkt, dat de materie waarover het hoofdgeding gaat, buiten de werkingssfeer van het communautair douanewetboek valt. Blijkens artikel 4, lid 10, daarvan omvat het begrip rechten bij invoer uitsluitend de douanerechten en heffingen van gelijke werking, alsmede de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of van andere specifieke regelingen in de landbouwsector. Dit begrip omvat niet de BTW bij invoer, die dus buiten de werkingssfeer van het douanewetboek blijft.
18. Nochtans lijkt de verwijzende rechter er niet aan te twijfelen dat de bepalingen van het communautair douanewetboek van toepassing zijn, en bijgevolg dat een uitlegging daarvan door het Hof nodig is. Hij verwijst dienaangaande naar het arrest Giloy, waarvan het voorwerp, omzetbelasting bij invoer, eveneens buiten de werkingssfeer van het communautair douanewetboek viel, en waarin het Hof zich bevoegd heeft verklaard, omdat de betrokken bepalingen van Duits recht zonder onderscheid van toepassing waren op situaties die enerzijds onder het nationale recht en anderzijds onder het gemeenschapsrecht vielen, zodat deze bepalingen op eenvormige wijze moesten worden uitgelegd.
19. Met andere woorden, de vraag rijst opnieuw, of het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag bevoegd is antwoord te geven op vragen van een nationale rechter over de uitlegging van gemeenschapsrecht, wanneer die vragen rijzen in de context van een geschil waarop het gemeenschapsrecht als zodanig niet van toepassing is, maar wanneer het door nationaal recht in een niet-communautaire context is getransponeerd.
20. Het Hof heeft deze kwestie reeds herhaardelijk onderzocht. In 1985 heeft het in de zaak Thomasdünger voor het eerst uitspraak hierover gedaan. Dit arrest is gevolgd door de arresten Dzodzi, Gmurzynska-Bscher, Tomatis en Fulchiron, Kleinwort Benson, Leur-Bloem en Giloy. Hierbij moeten nog de arresten Federconsorzi en Fournier worden vermeld, in verband met verwijzingen naar het gemeenschapsrecht in contractuele regelingen.
21. Blijkens deze rechtspraak is het Hof van Justitie krachtens artikel 177 van het Verdrag bevoegd het gemeenschapsrecht uit te leggen wanneer de nationale wetgever naar bepalingen van gemeenschapsrecht verwijst om materies binnen de werkingssfeer van zijn interne recht te regelen.
22. Opvallend is dat deze rechtspraak altijd op verzet van de advocaten-generaal is gestuit. In de zaak Thomasdünger heeft advocaat-generaal Mancini geconcludeerd, dat het Hof de gestelde vragen niet moest beantwoorden, omdat het dan ogenschijnlijk de daarin vermelde voorschriften zou uitleggen, maar in werkelijkheid een oordeel zou uitspreken over de interne regels waarin die voorschriften zijn opgenomen met verlies van hun bindende kracht als gemeenschapsbepalingen.
23. In zijn conclusies in de zaken Dzodzi en Gmurzynska-Bscher heeft advocaat-generaal Darmon aangevoerd, dat het doel van de prejudiciële procedure, namelijk te verzekeren dat het gemeenschapsrecht overal dezelfde werking heeft, slechts de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht betrof zoals die door het gemeenschapsrecht zelf en uitsluitend door het gemeenschapsrecht wordt bepaald. Volgens hem kon een verwijzing in een nationale wettelijke regeling de werkingssfeer ervan en daardoor de bevoegdheid van het Hof niet uitbreiden, aangezien er geen gemeenschapsrecht bestaat buiten zijn werkingssfeer".
24. In de zaken Leur-Bloem en Giloy ten slotte heeft advocaat-generaal Jacobs geconcludeerd, na een minutieus onderzoek van de relevante rechtspraak, dat het Hof van Justitie enkel uitspraak dient te doen in gevallen waarin het bekend is met de feitelijke en juridische context van het geschil en waarin de gemeenschapsbepaling op die context ziet.
25. Het Hof is evenwel nooit ingegaan op de voorstellen van zijn advocaten-generaal, en zoals gezegd heeft het een vaste rechtspraak ontwikkeld waarin het zich op basis van artikel 177 van het Verdrag bevoegd verklaart om de normen van gemeenschapsrecht uit te leggen wanneer deze niet rechtstreeks de betrokken situatie regelen, maar de nationale wetgever naar de inhoud ervan verwijst.
26. Tot staving van zijn bevoegdheid in dit soort zaken, beroept het Hof zich op drie wezenlijke punten. Om te beginnen staat het volgens het Hof uitsluitend aan de nationale rechterlijke instanties waarbij het geding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid voor het te wijzen vonnis dragen, om met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van hun vonnis als de juridische relevantie van de vragen die zij het Hof stellen, te beoordelen.
Vervolgens beroept het Hof zich op de afwezigheid van een regel in tegengestelde zin, aangezien noch uit de tekst van artikel 177 noch uit het doel van de bij dit artikel ingestelde procedure blijkt, dat de auteurs van het Verdrag de bevoegdheid van het Hof om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een bepaling van gemeenschapsrecht hebben willen uitsluiten in het bijzondere geval, dat het nationale recht van een lidstaat naar de inhoud van die bepaling verwijst ter vaststelling van de voorschriften die in een zuiver interne situatie van die lidstaat van toepassing zijn.
Ten slotte is het Hof van oordeel, dat de Gemeenschap er derhalve stellig belang bij heeft, dat ter vermijding van uiteenlopende uitlegging in de toekomst, de uit het gemeenschapsrecht overgenomen bepalingen of begrippen op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden.
27. Blijkens deze rechtspraak kan een verzoek om een prejudiciële beslissing slechts niet-ontvankelijk worden verklaard, indien blijkt dat van de procedure van artikel 177 van het Verdrag een oneigenlijk gebruik wordt gemaakt en wel om via een fictief geschil een uitspraak van het Hof uit te lokken, of wanneer duidelijk is dat het gemeenschapsrecht direct noch indirect van toepassing kan zijn op de omstandigheden van het geval.
28. Deze argumenten overtuigen mij niet volledig.
29. Het argument in verband met de verdeling van de rechtsprekende taken tussen het Hof en de nationale rechters is volgens mij moeilijk verenigbaar met de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde beginselen inzake de ontvankelijkheid van prejudiciële vragen.
Zo heeft het Hof geoordeeld, dat het geen adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken moet formuleren, en verwerpt het vragen die kennelijk geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, inzonderheid wanneer de nationale rechter om uitlegging verzoekt van communautaire normen die niet op de zaak van toepassing zijn. Voorts heeft het Hof geoordeeld, dat prejudiciële vragen waarvan het antwoord niet objectief noodzakelijk is voor de beslechting van het geding, niet-ontvankelijk zijn.
30. Door zich bevoegd te verklaren in zaken waarin een nationale rechter om uitlegging verzoekt van een bepaling van gemeenschapsrecht buiten de werkingssfeer daarvan, en zich hiervoor te beroepen op het beginsel van de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter om de relevantie van de gestelde vragen te beoordelen, riskeert het Hof een tegenstrijdige houding aan te nemen: het is strenger bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen die rijzen in zaken die met toepassing van bepalingen van gemeenschapsrecht moeten worden beslecht, dan bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van vragen in zaken waarvan het voorwerp buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt.
31. Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat het Hof een norm moet uitleggen in de juiste context. Sinds het arrest Telemarsicabruzzo e.a. houdt het Hof strenger de hand aan zijn eis, dat de nationale rechter duidelijk de feitelijke en reglementaire context beschrijft waarin de gestelde vragen rijzen. Deze verduidelijkingen zijn fundamenteel, niet enkel om de verwijzende rechter een nuttig antwoord voor de beslechting van het hoofdgeding te bezorgen, maar tevens omdat het vaak zeer moeilijk of onmogelijk is een norm in abstracto uit te leggen.
32. De mogelijkheid bestaat dat de uitlegging die het Hof geeft wanneer de gemeenschapsbepaling niet van toepassing is op de feitelijke situatie waarin de prejudiciële vraag is gerezen, niet adequaat is, aangezien zij buiten de juiste context wordt gegeven. Daarom kan men aanvoeren, zoals advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaken Giloy en Leur-Bloem, dat het Hof enkel uitspraak dient te doen in gevallen waarin het bekend is met de feitelijke en juridische context van het geschil en waarin de gemeenschapsbepaling op die context ziet.
33. In verband met het tweede argument, dat noch uit de tekst van artikel 177 noch uit het doel van de prejudiciële procedure blijkt, dat de auteurs van het Verdrag de bevoegdheid van het Hof voor dergelijke prejudiciële verwijzingen hebben willen uitsluiten, meen ik dat het één van de fundamentele beginselen van bevoegdheidsverdeling binnen de Gemeenschap miskent: het beginsel van specifieke bevoegdheidstoedeling.
34. Blijkens artikel 5 EG handelt de Gemeenschap binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden en toegewezen doelstellingen. Voorts bepaalt artikel 7 EG dat elke instelling handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden.
De aan de Gemeenschap en bijgevolg aan haar instellingen verleende bevoegdheden, zijn dus toegekende bevoegdheden, dat wil zeggen dat deze bevoegdheden slechts bestaan voorzover zij uit de oprichtingsverdragen voortvloeien. De nationale bevoegdheid is de regel, en de communautaire bevoegdheid de uitzondering: anders nog, de nationale bevoegdheid is virtueel onbeperkt, terwijl de communautaire bevoegdheid duidelijk omschreven is.
35. Mijns inziens geven de Verdragen het Hof niet de opdracht uitspraak te doen over zaken buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht, zodat ik niet overtuigd ben door het betoog van het Hof inzake het ontbreken van een tekstargument in tegenovergestelde zin. De bevoegdheid van het Hof om over dit soort zaken uitspraak te doen, zou derhalve slechts kunnen worden afgeleid uit een eventueel belang van de Gemeenschap, wat mij bij het derde argument brengt, dat mijns inziens eveneens elke grondslag mist.
36. Blijkens de in dit verband aangehaalde rechtspraak ligt dit belang in de noodzaak een eenvormige uitlegging van het gemeenschapsrecht te waarborgen. Ter verdediging van deze stelling moet om te beginnen worden bepaald welk risico voor de eenvormige uitlegging van het gemeenschapsrecht het Hof ertoe brengt deze bevoegdheid op zich te nemen. Het Hof heeft dit in zijn rechtspraak nooit gepreciseerd.
37. Dat beweerde belang van de Gemeenschap bij een eenvormige uitlegging in alle gevallen van elke bepaling van gemeenschapsrecht, bestaat volgens mij gewoon niet. Zoals advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaken Giloy en Leur-Bloem heeft beklemtoond, komt de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht in de betrokken lidstaat hooguit indirect en tijdelijk in gevaar. Volgens hem is het duidelijk dat wanneer in die omstandigheden een bepaling van gemeenschapsrecht door een nationale rechter wordt uitgelegd, daaraan geen uitspraak van het Hof ten grondslag ligt, zodat die uitlegging kan worden betwist zodra zij in een communautaire context werd toegepast.
38. Bovendien is het opnemen van deze bevoegdheid evenmin een geschikte maatregel voor het bereiken van de doelstelling, aangezien dit afbreuk kan doen aan één van de fundamentele kenmerken van de arresten van het Hof: hun bindende kracht. In een situatie buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zijn de nationale rechters niet gebonden door de uitlegging van het Hof.
Dit element lijkt mij in duidelijke tegenspraak met de rechtspraak van het Hof, dat het onaanvaardbaar is dat de antwoorden van het Hof op vragen van rechters van de Verdragsluitende Staten louter een advieskarakter zouden hebben en niet bindend zouden zijn, omdat het in strijd zou zijn met de aard van de rol van het Hof, zoals die in het Verdrag vorm heeft gekregen, namelijk die van een rechterlijke instantie waarvan de arresten bindende kracht hebben.
Anderzijds weerlegt deze vaststelling definitief het argument van het Hof in verband met het belang van de Gemeenschap bij het waarborgen van een eenvormige uitlegging van elke bepaling van gemeenschapsrecht. Aangezien de nationale rechters niet zijn gebonden door de uitlegging van het Hof, hoe kan het Hof dan door het opnemen van deze bevoegdheid waarborgen dat de uit het gemeenschapsrecht overgenomen bepalingen en begrippen een eenvormige uitlegging krijgen?
39. Vanuit een andere hoek bekeken is het zo dat het Hof van Justitie door deze rechtspraak de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht en uiteindelijk zijn eigen bevoegdheid doet afhangen van een beslissing van de autoriteiten van de lidstaten. Op die manier en onder het mom de eenvormige uitlegging te waarborgen, stelt het paradoxaal genoeg een ander fundamenteel beginsel van de communautaire rechtsorde ter discussie, namelijk de autonomie daarvan ten opzichte van de rechtsstelsels van de lidstaten. Deze afhankelijkheid van nationale wetgevingen houdt bovendien in dat de bevoegdheid van het Hof sterk kan variëren van lidstaat tot lidstaat. Het kan moeilijk worden aanvaard dat de werkingssfeer van een fundamentele bepaling van gemeenschapsrecht, zoals artikel 177 van het Verdrag, deels kan afhangen van de verschillende nationale rechtsorden.
40. Ook de andere moeilijkheden die voortvloeien uit de uitbreiding van de bevoegdheid van het Hof, zoals het ontbreken van een verplichting voor rechters waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep om het Hof een prejudiciële vraag te stellen, of de problemen die kunnen rijzen in geval een prejudiciële vraag wordt gesteld over de geldigheid van een handeling van de Gemeenschap in dit soort zaak, mogen niet uit het oog worden verloren.
41. De uitbreiding van de bevoegdheid kan tevens leiden tot een aanzienlijke verhoging van het aantal zaken waarin het Hof uitspraak moet doen. Dit kan ongemerkt de eenvormige uitlegging van het gemeenschapsrecht uithollen die deze extra bevoegdheid beooft te beschermen: de uitbreiding van de bevoegdheid tot dit soort zaken kan de werklast van het Hof verhogen en tot langere termijnen voor een uitspraak leiden, waardoor de rechters van de lidstaten er misschien van afzien het Hof een prejudiciële vraag te stellen.
42. Om deze redenen sluit ik mij aan bij het advies van de advocaten-generaal die mij zijn voorgegaan, namelijk dat het Hof niet bevoegd is te antwoorden op vragen van een nationale rechter over de uitlegging van gemeenschapsrecht, wanneer die vragen rijzen in de context van een geschil waarop het gemeenschapsrecht als zodanig niet van toepassing is, maar alleen door nationaal recht in een niet-communautaire context is getransponeerd.
43. Bij de meest recente arresten van het Hof in deze materie, kan ik verwijzen naar het arrest Kleinwort Benson, waarin het Hof in verband met een vraag om uitlegging van sommige bepalingen van het Executieverdrag, een iets strenger standpunt heeft ingenomen over de grenzen van zijn eigen bevoegdheid. Het Hof heeft advocaat-generaal Tesauro, die het Hof in overweging gaf terug te komen van zijn rechtspraak, weliswaar niet gevolgd, maar heeft zich toch onbevoegd verklaard om uitspraak te doen over de vraag van de nationale rechter.
44. In die zaak bevatten de bepalingen van Brits recht geen rechtstreekse en onvoorwaardelijke verwijzing naar het gemeenschapsrecht. Bovendien waren de Britse gerechten niet verplicht zich bij de beslechting van de bij hen aanhangige geschillen volstrekt en onvoorwaardelijk aan de hun door het Hof verstrekte uitlegging van het Executieverdrag te houden. In deze omstandigheden heeft het Hof overwogen, dat zijn uitlegging van de bepalingen van het Executieverdrag niet bindend is voor de verwijzende rechter, en heeft het verklaard, onder verwijzing naar advies 1/91, dat het onaanvaardbaar was dat zijn antwoorden op door rechters van de Verdragsluitende Staten gestelde vragen louter een advieskarakter zouden hebben en niet bindend zouden zijn, omdat een dergelijke situatie in strijd zou zijn met de rol van het Hof, zoals gepreciseerd in het Protocol van 3 juni 1971, namelijk die van een rechterlijke instantie waarvan de arresten bindende kracht hebben.
45. Kortom, het arrest Kleinwort Benson is ten opzichte van de oudere zaken een kleine koerswijziging in de rechtspraak van het Hof. In dit arrest eist het Hof, dat de verwijzing in het nationale recht naar het gemeenschapsrecht rechtstreeks en onvoorwaardelijk is, en dat het gemeenschapsrecht hierdoor als zodanig van toepassing wordt verklaard. In de oudere rechtspraak werden daarentegen geen voorwaarden gesteld inzake de aard van de verwijzing, en werd de beoordeling van de relevantie en de gevolgen daarvan aan de nationale rechter overgelaten. Voorts is het Hof van oordeel, dat zijn uitlegging bindend moet zijn voor de verwijzende rechter, terwijl deze voorwaarde in de oudere rechtspraak ontbrak.
46. In de zaken Leur-Bloem en Giloy past het Hof de in het arrest Kleinwort-Benson geformuleerde voorwaarden evenwel niet toe, en onderzoekt het zijn bevoegdheid opnieuw aan de hand van de oudere rechtspraak. Het onderzoekt niet, of de verwijzing in het nationale recht naar het gemeenschapsrecht rechtstreeks en onvoorwaardelijk is, noch of de te geven uitlegging bindend zal zijn voor de rechter die de vraag stelt. De bevoegdheid lijkt verondersteld te zijn en de regel te vormen, terwijl de onbevoegdheid slechts een exceptie is in kunstmatige geschillen of in geschillen waarin de bepaling van gemeenschapsrecht kennelijk niet van toepassing is in het hoofdgeding.
Concreet, terwijl het Hof in het arrest Kleinwort Benson (punt 16) een rechtstreekse en onvoorwaardelijke verwijzing naar het gemeenschapsrecht als voorwaarde stelt, wordt in het arrest Giloy de bevoegdheid van het Hof verondersteld, aangezien blijkens punt 26 van dit arrest in het betrokken geval niets in het dossier aanleiding geeft tot de veronderstelling, dat het hoofdgeding niet zal wordt beslecht door toepassing van normen van gemeenschapsrecht. Het Hof lijkt een groot belang te hechten aan de erkenning van de autonomie van de nationale rechters en wil derhalve niet ingaan tegen hun beslissingen, behoudens in geval van kennelijke onregelmatigheid.
47. In haar schriftelijke opmerkingen in de onderhavige zaak voert de Italiaanse regering aan, dat de Italiaanse interne rechtsorde geen bepaling bevat die het communautair douanewetboek van toepassing verklaart. De Commissie voert aan dat er, anders dan in de zaak Giloy, geen enkele zekerheid bestaat dat het hoofdgeding moet worden beslecht aan de hand van bepalingen van gemeenschapsrecht.
48. Aangezien het Hof niet bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, komt men uiteindelijk in een situatie waarin niet kan worden gewaarborgd dat de aan het Hof gevraagde uitlegging van de bepalingen van gemeenschapsrecht noodzakelijk is om het hoofdgeding te beslechten.
49. In die zin denk ik dat moet worden herinnerd aan de door het Hof geformuleerde ontvankelijkheidsvoorwaarden van een prejudiciële vraag. Zoals gezegd is het Hof strenger inzake het vereiste dat de nationale rechters duidelijk de feitelijke en juridische context uitleggen waarin de gestelde vragen rijzen. Voorts is in de rechtspraak, ofschoon de basisregel luidt dat het alleen aan de nationale rechter staat om de relevantie te beoordelen van de vragen die hij krachtens artikel 177 van het Verdrag stelt, het beginsel geformuleerd dat vragen die geen enkel verband houden met het hoofdgeding en die niet beantwoorden aan een objectieve noodzaak om het geding te beslechten, niet-ontvankelijk zijn.
50. Volgens mij ligt het arrest Kleinwort Benson, reeds aangehaald, meer in de lijn van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een prejudiciële vraag dan de latere arresten Giloy en Leur-Bloem, reeds aangehaald. De in het arrest Kleinwort Benson gestelde voorwaarde van een rechtstreekse en onvoorwaardelijke verwijzing naar het gemeenschapsrecht beantwoordt aan de bezorgdheid dat de te geven uitlegging objectief noodzakelijk is ter beslechting van het hoofdgeding. Daarentegen waarborgt de formulering in de arresten Leur-Bloem en Giloy niet dat de beslissing van het Hof noodzakelijk is om het hoofdgeding te beslechten, en dus evenmin dat de rechter deze beslissing moet toepassen.
51. Om derhalve te voorkomen dat het Hof uitspraak doet over een bepaling van gemeenschapsrecht die geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding, uitgaand van het vermoeden van relevantie van de prejudiciële vragen van de nationale rechters, en conform de rechtspraak inzake de ontvankelijkheid van deze vragen, geef ik het Hof in overweging het in het arrest Kleinwort Benson gebruikte criterium over te nemen, en te verklaren dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over een prejudiciële vraag over de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht die niet voldoet aan de voorwaarde dat zij in de interne rechtsorde van toepassing is krachtens een rechtstreekse en onvoorwaardelijke verwijzing naar het gemeenschapsrecht.
52. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat in casu aan de voorwaarden om met zekerheid te kunnen vaststellen dat het Hof zich over de gestelde prejudiciële vragen moet uitspreken, niet is voldaan, aangezien de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen en niet vaststaat hoe de uit te leggen bepalingen van gemeenschapsrecht van toepassing zouden zijn krachtens een verwijzing naar deze bepalingen in het nationale recht.
53. Derhalve geef ik het Hof in overweging zich onbevoegd te verklaren om uitspraak te doen over de vragen van het Tribunale civile e penale di Genova.
54. Subsidiair, voorzover het Hof zou beslissen hieraan geen gevolg te geven, zal ik de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter onderzoeken.
VII - Onderzoek van de prejudiciële vragen
A - De eerste prejudiciële vraag
55. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst het Tribunale civile e penale di Genova te vernemen, of ingevolge artikel 243 van het communautair douanewetboek rechtstreeks bij de rechter beroep tegen een beschikking kan worden ingesteld, zonder dat vooraf een bezwaarschrift met dezelfde inhoud bij de douaneautoriteiten is ingediend.
56. Artikel 243 bepaalt dat het beroep in een eerste fase kan worden ingesteld bij de daartoe aangewezen douaneautoriteit, en in een tweede fase bij een onafhankelijke instantie. Deze bewoordingen lijken erop te duiden dat de wetgever een volgorde in de beroepsmogelijkheden heeft willen vaststellen.
57. Zoals de Commissie in haar opmerkingen beklemtoont, zijn de bepalingen van titel VIII inzake het recht op beroep, anders dan de meeste bepalingen van het douanewetboek, die een precies stelsel invoeren, in voorkomend geval door te verwijzen naar bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging die door de gemeenschapswetgever moet worden vastgesteld, beperkt tot enkele essentiële aspecten van de bescherming van de economische subjecten, zonder de materie exhaustief te regelen en, concreet, zonder imperatieve voorwaarden en modaliteiten van toegang tot de beroepsinstanties vast te stellen.
58. In zijn advies over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, heeft het Economisch en Sociaal Comité het volgende opgemerkt: De harmonisering van het recht op beroep is evenwel niet alleen een geval apart omdat de nationale procedures soms zeer uiteenlopend zijn, maar ook omdat deze vaak tegelijkertijd van toepassing zijn op het gehele nationale administratief of belastingrecht. Door het recht op beroep uitsluitend op het gebied van douanewetgeving te harmoniseren, worden tot dusverre uniforme nationale regelingen inzake het recht op beroep gesplitst." Dit is de reden waarom de gemeenschapswetgever slechts een paar algemene aspecten heeft geregeld.
59. Deze bedoeling van de wetgever blijkt duidelijk wanneer het oorspronkelijke voorstel van de Commissie met de definitieve versie van het douanewetboek wordt vergeleken.
60. In het voorstel van de Commissie bevatte de titel inzake het recht op beroep een gedetailleerde, in vier hoofdstukken gestructureerde regeling. Het eerste daarvan (Recht op beroep") bevatte een artikel 241 dat in grote lijnen overeenstemt met artikel 243 van het douanewetboek.
De twee volgende hoofdstukken (respectievelijk Eerste fase in de uitoefening van het recht op beroep" en Tweede fase in de uitoefening van het recht op beroep") stelden voorschriften vast die van toepassing waren op de procedures voor de douaneautoriteiten en voor de onafhankelijke instanties.
Ten slotte bevatte hoofdstuk 4 (Overige bepalingen met betrekking tot het recht op beroep") een artikel 250, dat particulieren uitdrukkelijk het recht toekende hun zaak rechtstreeks bij de onafhankelijke autoriteit aanhangig te maken, in welk geval zij werden geacht van hun recht op beroep bij de douaneautoriteiten afstand te hebben gedaan, en dat voorts de geldende nationale bepalingen toeliet waarbij wordt vastgesteld dat in bepaalde gevallen het beroep rechtstreeks bij de onafhankelijke instantie dient te worden ingesteld.
61. Het grootste deel van deze exhaustieve regeling van het beroep in douanezaken is verdwenen in de definitieve versie die de Raad heeft vastgesteld. Naast het reeds aangehaalde artikel 243, en artikel 244 inzake de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking (waarop ik zal terugkomen bij het onderzoek van de tweede vraag), bevat de definitieve tekst in de plaats daarvan enkel nog artikel 245, dat summier vaststelt dat de bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure door de lidstaten worden vastgesteld.
62. Dat de wetgever zo bondig is geweest, wijst erop dat hij met het ingevoerde stelsel van beroepsprocedures slechts bepaalde fundamentele beginselen heeft willen vaststellen om de bescherming van de rechten van de economische subjecten te waarborgen, en dat hij het aan de lidstaten heeft willen overlaten om de materie op exhaustieve wijze te regelen, met inachtneming van de bepalingen van gemeenschapsrecht.
63. Anderzijds toont de keuze van de wetgever in artikel 243 voor de formule het recht op beroep kan worden uitgeoefend" in plaats van de formule het recht op beroep moet worden uitgeoefend", aan dat het niet zijn intentie was een procedure in twee opeenvolgende fasen op te leggen.
64. Zoals de Commissie heeft opgemerkt wordt deze uitlegging van artikel 243 van het douanewetboek door een bijkomend element gestaafd. Zowel het beroep bij de douaneautoriteiten als dat bij de rechterlijke instanties is gericht tegen de beschikking van de douaneautoriteiten die betrekking heeft op de toepassing van de douanewetgeving. Had de wetgever een beroepsprocedure in twee opeenvolgende fasen willen invoeren, dan zou het tweede beroep, bij de rechterlijke instanties, niet gericht zijn tegen de oorspronkelijke beschikking van de douaneautoriteiten, maar tegen de uitspraak in het eerste beroep.
65. Artikel 243 moet derhalve niet aldus worden uitgelegd, dat op communautair niveau een beroepsprocedure in twee opeenvolgende fasen wordt opgelegd. Dit artikel laat de volledige regeling, met inbegrip van de mogelijkheid om een procedure in twee fasen in te voeren, aan de beoordeling van de lidstaten over. Een lidstaat kan aldus vaststellen, dat bij de rechterlijke instanties pas beroep kan worden ingesteld nadat vooraf bij de douaneautoriteiten een bezwaarschrift werd ingediend, terwijl een andere lidstaat aan dit voorafgaand bezwaar kan verzaken.
66. Om de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te geven, moet evenwel worden bepaald of, indien een lidstaat heeft geopteerd voor de invoering van een beroepsprocedure in twee fasen, waarin de ontvankelijkheid van het beroep bij de onafhankelijke instantie afhangt van het voorafgaand bezwaar bij de douaneautoriteit, een particulier met een beroep op artikel 243 van het douanewetboek de eerste fase kan overslaan en de zaak rechtstreeks bij de onafhankelijke instantie aanhangig maken.
67. Om de hiervoor uiteengezette redenen moet het antwoord ontkennend zijn. Zoals gezegd, indien het douanewetboek de organisatie van de beroepsprocedure aan de lidstaten overlaat, die aldus rekening kunnen houden met de eigen kenmerken van hun interne rechtsorde, dan moet worden vastgesteld dat, wanneer een lidstaat heeft geopteerd voor een beroepsprocedure in twee opeenvolgende fasen, de particulieren zich aan deze procedure moeten houden en bij de douaneautoriteit een bezwaarschrift moeten indienen vooraleer zij de zaak bij de onafhankelijke instantie aanhangig mogen maken.
68. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging op de vraag van de verwijzende rechter te antwoorden, dat artikel 243 van het douanewetboek in die zin moet worden uitgelegd, dat de lidstaten de beroepsprocedure tegen beschikkingen inzake de toepassing van de douanewetgeving naar keuze aldus mogen regelen dat zij twee opeenvolgende fasen omvat - de eerste bij een douaneautoriteit, de tweede bij een onafhankelijke instantie - of één enkele fase, bij een onafhankelijke instantie. Indien de lidstaat kiest voor een beroepsprocedure in twee fasen, staat het aan het nationale recht om te bepalen of, en onder welke voorwaarden, de particulieren de zaak rechtstreeks bij de onafhankelijke instantie aanhangig mogen maken.
B - De tweede prejudiciële vraag
69. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst het Tribunale civile e penale di Genova te vernemen, of krachtens artikel 244 van het communautair douanewetboek alleen de douaneautoriteiten bevoegd zijn om bij wijze van voorlopige maatregel de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op te schorten, dan wel ook de rechterlijke instantie waarbij beroep werd ingesteld.
70. Voorzover hier relevant, bepaalt artikel 244 dat de douaneautoriteiten de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geheel of gedeeltelijk opschorten indien zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.
71. De bewoordingen van dit artikel bevestigen de uitlegging, dat alleen de douaneautoriteiten de tenuitvoerlegging kunnen opschorten. Terwijl artikel 243 uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een beroep bij zowel de douaneautoriteiten als een onafhankelijke instantie (rechterlijke instantie of gelijkwaardig gespecialiseerd orgaan) voorziet, kent artikel 244 de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op te schorten alleen toe aan de douaneautoriteiten.
72. Anderzijds wijst de Commissie er in haar opmerkingen terecht op, dat de betrokken regel een uitzondering vormt op de algemene regel (artikel 7 van het douanewetboek), dat behoudens in de in artikel 244, tweede alinea, bedoelde gevallen, de beschikkingen van de douaneautoriteiten onmiddellijk uitvoerbaar zijn.
Nu de afwijkingen van het gemeenschapsrecht strikt moeten worden uitgelegd, moet de in artikel 244 vastgestelde bevoegdheid om de tenuitvoerlegging op te schorten, uitsluitend worden toegekend aan de autoriteiten die uitdrukkelijk in deze bepaling zijn vermeld, en kan deze bepaling niet ruim worden uitgelegd, op basis van een redenering bij analogie, in de zin dat deze bevoegdheid eveneens zou toekomen aan de rechterlijke instanties.
73. De voorwaarden waarvan artikel 244 van het douanewetboek de opschorting van de tenuitvoerlegging door de douaneautoriteit doet afhangen, bevestigen deze uitlegging. Volgens de bewoordingen van deze bepaling kan de tenuitvoerlegging slechts worden opgeschort indien de douaneautoriteiten gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van de bestreden beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden. In het arrest Giloy heeft het Hof verklaard, dat de douaneautoriteiten de tenuitvoerlegging van de bestreden douanebeschikking opschorten wanneer aan één van de twee in deze bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. Opdat de administratieve autoriteit de tenuitvoerlegging kan opschorten, volstaat het dat de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.
Daarentegen blijkt uit de rechtspraak van het Hof inzake de mogelijkheid voor de nationale rechter om de tenuitvoerlegging van een op een gemeenschapshandeling gebaseerde nationale administratieve beschikking op te schorten, dat de rechterlijke instanties de tenuitvoerlegging slechts kunnen opschorten, voorzover, onder andere, zij ernstige twijfel koesteren omtrent de geldigheid van de gemeenschapshandeling, en de zaak bovendien spoedeisend is in die zin, dat voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de partij die erom verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt.
74. Deze uitlegging van artikel 244 sluit echter niet uit dat de rechterlijke instanties waarbij de zaak overeenkomstig artikel 243 van het douanewetboek aanhangig is gemaakt, de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking kunnen opschorten overeenkomstig de in de nationale rechtsorde geldende procedureregels.
75. Parallel daarmee blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, dat de justitiabelen aan de communautaire rechtsorde een volledige en daadwerkelijke rechtsbescherming ontlenen, die inzonderheid het recht verleent op voorlopige maatregelen ter verzekering van de volle werking van de uitspraak die zal worden gedaan over het bestaan van de rechten die met een beroep op het gemeenschapsrecht geldend worden gemaakt.
76. De conclusie dient dus te luiden, dat artikel 244 van het douanewetboek zich er niet tegen verzet dat de rechterlijke instanties waarbij de zaak krachtens artikel 243 aanhangig is gemaakt, de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking kunnen opschorten op basis van procedureregels die in de nationale rechtsorde gelden, of krachtens de volledige en daadwerkelijke rechtsbescherming die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen.
77. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden, dat artikel 244 van het communautair douanewetboek aldus moet worden uitgelegd, dat alleen de douaneautoriteiten bevoegd zijn om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op te schorten. Evenwel verzet deze bepaling zich er niet tegen, dat de rechterlijke instanties waarbij de zaak krachtens artikel 243 van dit douanewetboek aanhangig is gemaakt, de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking kunnen opschorten op basis van procedureregels die in de nationale rechtsorde gelden, of krachtens de volledige en daadwerkelijke rechtsbescherming die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen.
VIII - Conclusie
78. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging zich onbevoegd te verklaren om de vragen van het Tribunale civile e penale di Genova te beantwoorden.
79. Subsidiair geef ik het Hof in overweging deze vragen te beantwoorden als volgt:
1) Artikel 243 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek moet in die zin worden uitgelegd, dat de lidstaten de beroepsprocedure tegen beschikkingen inzake de toepassing van de douanewetgeving naar keuze aldus mogen regelen dat zij twee opeenvolgende fasen omvat - de eerste bij een douaneautoriteit, de tweede bij een onafhankelijke instantie - of één enkele fase, bij een onafhankelijke instantie. Indien de lidstaat kiest voor een beroepsprocedure in twee fasen, staat het aan het nationale recht om te bepalen of, en onder welke voorwaarden, de particulieren de zaak rechtstreeks bij de onafhankelijke instantie aanhangig mogen maken.
2) Artikel 244 van het communautair douanewetboek moet aldus worden uitgelegd, dat alleen de douaneautoriteiten bevoegd zijn om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op te schorten. Evenwel verzet deze bepaling zich er niet tegen, dat de rechterlijke instanties waarbij de zaak krachtens artikel 243 van dit douanewetboek aanhangig is gemaakt, de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking kunnen opschorten op basis van procedureregels die in de nationale rechtsorde gelden, of krachtens de volledige en daadwerkelijke rechtsbescherming die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen."
Full & Egal Universal Law Academy