Conclusie van de advocaat generaal
I - Juridische en feitelijke achtergrond
1. Deze Belgische prejudiciële verwijzing betreft een vordering tot staking van alle verkoop van appeldrank in houders van 0,33 liter die in strijd is met de Belgische wetgeving, welke door Cidrerie Ruwet SA (hierna: Cidrerie Ruwet") is ingesteld tegen Cidre Stassen SA (hierna: Cidre Stassen"; ondersteund door HP Bulmer Ltd, een verwante vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk; hierna: HP Bulmer"). De gestelde vragen betreffen de uitlegging van de richtlijnen inzake harmonisatie van flessenmaten en van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG).
2. Volgens het koninklijk besluit van 16 februari 1982 betreffende de voor bepaalde voorverpakte producten toegestane reeksen van nominale hoeveelheden en nominale capaciteiten (hierna: koninklijk besluit") mogen bepaalde producten, waaronder appeldrankproducten, niet worden verkocht in voorverpakkingen van 0,33 liter, tenzij zij - onder meer - uitsluitend bestemd zijn voor beroepsmatig gebruik (zie de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit). Dit besluit geldt als de omzetting in Belgisch recht van richtlijn 75/106/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005/EEG van de Raad.
3. Ondanks het in het koninklijk besluit gestelde verbod verkocht Cidre Stassen aan de kleinhandel (warenhuizen) flessen appeldrank van 0,33 liter, waarvan de verkoop in België alleen aan de horecasector (hotels, restaurants, cafés) is toegestaan. Ter rechtvaardiging stelt zij dat buitenlandse appeldrankproducenten al geruime tijd flessen appeldrank van 0,33 liter naar de gehele Europese Gemeenschap en met name naar België uitvoeren, zodat zij flessen appeldrank van 0,33 liter naar België is gaan uitvoeren, en vervolgens appeldrank in flessen van 0,33 liter voor hotels en restaurants is gaan produceren. Bij brief van 29 mei 1998 verzocht Cidrerie Ruwet Cidre Stassen deze verkoop te staken.
4. Cidre Stassen antwoordde, dat ofwel de richtlijn niet correct in Belgisch recht was omgezet, ofwel de richtlijn zelf in strijd was met artikel 30 van het Verdrag en dus ongeldig was. Cidre Stassen en HP Bulmer hebben bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel preventief beroep (hierna: eerste beroep") tegen de Belgische Staat ingesteld, waarbij zij ook Cidrerie Ruwet hebben gedagvaard; zij verzochten om een beslissing alvorens recht te doen, om een prejudiciële verwijzing over de verenigbaarheid van het koninklijk besluit met het gemeenschapsrecht, alsook met name om vaststelling dat de productie, invoer en verkoop op het Belgisch grondgebied van flessen appeldrank van 0,33 liter, bij uitlegging van het koninklijk besluit overeenkomstig de gemeenschapsrechtelijke regels en beginselen, geen schending van dit besluit vormden.
5. In het eerste beroep stelde de Belgische Staat, dat richtlijn 75/106 met de intrekking van artikel 4, lid 2, door richtlijn 79/1005 niet meer een volledige harmonisatie, doch een facultatieve harmonisatie nastreefde. De Belgische Staat wees op het standpunt van de Europese Commissie, dat de lidstaten bij facultatieve harmonisatie het gebruik van andere maten en volumes konden toestaan. De lidstaten die dat niet deden, konden evenwel de invoer blokkeren van producten die niet aan de standaard van de richtlijn voldoen. Dit standpunt werd gerechtvaardigd door het doel het midden- en kleinbedrijf in staat te stellen op de nationale markt actief te blijven, terwijl de weg naar volledige harmonisatie wordt ingeslagen. Het standpunt van de Commissie kwam er volgens de Belgische Staat op neer dat een lidstaat die had vastgesteld dat de standaard van de richtlijn de enige geoorloofde was, volledige harmonisatie had ingevoerd, en de rechtspraak in de zaak Cassis de Dijon niet toepasselijk was. Bovendien was de betrokken wettelijke regeling volgens de Belgische regering niet onevenredig, aangezien het vereiste te voldoen aan bepaalde gespecificeerde gestandaardiseerde nominale hoeveelheden het geschiktste middel was om de consument in staat te stellen de prijzen van voorverpakte goederen te vergelijken, in elk geval zolang er geen verplichting was ingevoerd de verkoopprijs en de prijs per eenheid aan te geven.
6. Een aantal dagen nadat het eerste beroep was ingesteld, stelde Cidrerie Ruwet bij de Rechtbank van koophandel te Brussel (hierna: nationale rechter") beroep in tegen Cidre Stassen en verzocht zij de rechtbank te verklaren dat de verhandeling in België door Cidre Stassen van flessen appeldrank van 0,33 liter voor verkoop aan het publiek, in het bijzonder Pêche", Classique", Passion Lime" en Woodpecker" die zij in België produceerde, in strijd was met het koninklijk besluit en dus met de eerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 93 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. Zij vorderde dat Cidre Stassen de verkoop van deze flessen in België staakte op straffe van een dwangsom.
7. De nationale rechter merkt op, dat richtlijn 79/1005 in een overgangsperiode van twintig jaar voorzag en dat de verschillende wetgevingen van de lidstaten nog steeds moesten worden geharmoniseerd.
8. Inmiddels is de feitelijke situatie veel veranderd. De houder van 0,33 liter werd steeds populairder en de consument is dit formaat gewoon. Dit formaat wordt gebruikt voor alle dranken die met appeldrank concurreren, in het bijzonder bier en softdrinks. Het volume waarin de Belgische wet voorziet - flessen van 0,375 liter - is praktisch niet meer in omloop. Daarentegen kent appeldrank in houders van 0,33 liter een goed onthaal in het buitenland en staan de meeste lidstaten de verkoop van appeldrank in houders van 0,33 liter toe.
9. Dat bepaalde lidstaten de verkoop van appeldrank in houders van 0,33 liter toestaan, terwijl andere zoals België zulks niet doen, beperkt volgens de nationale rechter het vrij verkeer van goederen. Voorts geven de Belgische detailhandelaars, vooral de supermarkten, de prijs steeds meer per eenheid aan, zodat de consument de prijzen kan vergelijken, zonder dat de Belgische markt hoeft te worden gesloten voor een houder, die wijdverspreid is in de andere lidstaten.
II - Vragen en opmerkingen
10. Overeenkomstig artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) heeft de Rechtbank van koophandel te Brussel verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Verzet artikel 30 EG-Verdrag er zich tegen, dat de lidstaten op grond van richtlijn 75/106/EEG van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005/EEG van 23 november 1979, die in een overgangsperiode voorziet, nog steeds, dat wil zeggen ongeveer twintig jaar later, en ofschoon gewoonten inmiddels zijn veranderd en het recipiënt van 33 cl wereldwijd populair is geworden en is verbreid, naar keuze wel of niet mogen toestaan, dat andere dan de in bijlage III bij de richtlijn genoemde recipiënten in de handel worden gebracht, in aanmerking genomen dat dit kan leiden en in casu leidt tot verschillen tussen de nationale wetgevingen, zodat de lidstaten die het gamma recipiënten beperken, zoals België dat dit gamma beperkt voor appeldrank, aldus over een maatregel beschikken die ertoe strekt of tot gevolg heeft dat het vrije verkeer van goederen wordt beperkt?
2) Is het de lidstaten, gelet op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, op grond van richtlijn 75/106/EEG van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005/EEG van 23 november 1979, toegestaan deze richtlijn aldus om te zetten, dat de nationale regeling het in de handel brengen verbiedt van recipiënten met een niet in bijlage III bij de richtlijn genoemde hoeveelheid, in casu de recipiënt van 33 cl voor de verkoop van appeldrank?"
11. Cidre Stassen en HP Bulmer (hierna: Stassen"), het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Raad en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt. Ter terechtzitting was ook Cidrerie Ruwet vertegenwoordigd.
III - Ten gronde
A - Geen zuiver interne aangelegenheid
12. Volgens Cidrerie Ruwet gaat het om een zuiver interne aangelegenheid. Het koninklijk besluit is evenwel van algemene toepassing en artikel 30 EG-Verdrag kan niet buiten toepassing zijn alleen omdat alle omstandigheden van de bij de nationale rechter aanhangige zaak tot een enkele lidstaat zijn beperkt. Het koninklijk besluit kan het vrij verkeer van goederen tussen de lidstaten ongetwijfeld nadelig beïnvloeden.
B - Hoofdkenmerken van de richtlijn
13. In de eerste plaats zij gewezen op de voornaamste bepalingen van de richtlijnen, die hier centraal staan, vooraleer ik op artikel 30 van het Verdrag terugkom. Richtlijn 75/106 is de basisrichtlijn. Zij is meermaals gewijzigd.
14. Richtlijn 75/106 is, zoals uit de titel en de eerste overweging van de considerans ervan blijkt, vastgesteld op basis van artikel 100 EG-Verdrag (thans artikel 94 EG) om de wetgevingen der lidstaten inzake de verkoop van vloeistoffen in voorverpakkingen wegens de belemmeringen die zij meebrengen voor de handel tussen de lidstaten, onderling aan te passen. De richtlijn betreft de verkoop van vloeibare producten in eenheden van niet minder dan 0,05 liter, doch niet meer dan 10 liter".
15. De centrale bepaling van richtlijn 75/106 is de vaststelling van gedetailleerde voorwaarden voor het gebruik van een EEG-teken in de vorm van een kleine e" die op iedere verpakking wordt aangebracht. Deze zaak betreft evenwel alleen de regeling van het volume van appeldrank in voorverpakkingen in het gemeenschapsverkeer.
16. De vierde overweging van de considerans van richtlijn 75/106 luidt:
Overwegende dat voor een bepaald product het aantal verschillende dicht bij elkaar liggende volumes zoveel mogelijk dient te worden beperkt, omdat het risico bestaat dat de consument wordt misleid; dat evenwel deze beperking slechts geleidelijk tot stand kan komen, gezien de zeer grote voorraden voorverpakkingen in de Gemeenschap."
17. Artikel 4, lid 2, van de richtlijn 75/106 in de oorspronkelijke versie luidt:
Voor deze voorverpakkingen zijn uitsluitend de in bijlage III vermelde nominale volumes toegestaan."
18. De aldus voorgestelde volledige harmonisatie van de inhoudsmaten bleek evenwel onwerkbaar en werd later grondig gewijzigd. De derde overweging van de considerans van richtlijn 79/1005 luidt:
Overwegende dat bij de aanneming van richtlijn 75/106/EEG de Raad met het oog op de betere bescherming van de belangen van de consument de Commissie heeft verzocht op 31 december 1980 een nieuw voorstel in te dienen waarin de lijst van de in bijlage III vermelde nominale volumes wordt ingekort door weglating van de elkaar te dicht benaderende waarden."
In de zesde overweging van de considerans van deze richtlijn heet het:
Overwegende dat deze vermindering van het aantal nominale volumes voor bepaalde staten moeilijkheden meebrengt en dat het derhalve gewenst is voor deze lidstaten een overgangsperiode vast te stellen, waardoor evenwel de intracommunautaire handel van bedoelde producten niet mag worden belemmerd en de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in de overige lidstaten niet in gevaar mag worden gebracht."
19. Bijgevolg is artikel 4 gewijzigd. Lid 1 ervan luidt als volgt:
1. Op alle voorverpakkingen als bedoeld in artikel 3, dient het vloeistofvolume, nominaal volume genoemd, te zijn vermeld, dat zij overeenkomstig bijlage I moeten bevatten."
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 75/106 is ingetrokken en vervangen door een in casu irrelevante bepaling.
20. Al deze maatregelen moeten het gebruik van het EEG-teken" als een soort paspoort vergemakkelijken. Aldus luidt artikel 3:
1. De voorverpakkingen die met het in punt 3.3 van bijlage I bedoelde EEG-teken worden gemerkt, zijn die welke voldoen aan de in bijlage I vermelde voorschriften.
2. Zij zijn onderworpen aan de metrologische controles onder de in bijlage I, punt 5, en in bijlage II genoemde voorwaarden."
21. Appeldrank en perendrank staan in bijlage III bij de richtlijn. Voor deze producten vermeldt punt 1, sub c, van deze bijlage onder de titel Nominale volumes in liters" de maat van 0,375 liter, doch niet die van 0,33 liter als definitief toegelaten".
22. Na de intrekking van artikel 4, lid 2, blijkt de juridische betekenis van dit punt van bijlage III uit artikel 5, lid 1, dat luidt als volgt:
1. De lidstaten mogen het in de handel brengen van voorverpakkingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, niet weigeren, verbieden of beperken op grond van redenen die verband houden met hetzij de bepaling van de volumes, hetzij de methode aan de hand waarvan deze zijn gecontroleerd, hetzij de nominale volumes wanneer zij in bijlage III staan vermeld."
C - De door de richtlijn ingevoerde mate van harmonisatie
23. Met de intrekking van artikel 4, lid 2, van richtlijn 75/106 door richtlijn 79/1005 werd de poging tot volledige harmonisatie althans tijdelijk opgegeven. Op die basis wordt algemeen aangenomen, dat de richtlijn een facultatieve harmonisatie nastreeft. Zij verbiedt een lidstaat niet de verkoop van producten in andere dan de vermelde volumes toe te staan.
24. Voor de vermelde volumes belet artikel 5 van richtlijn 75/106 in de gewijzigde versie, een lidstaat het in de handel brengen van producten te verbieden in voorverpakkingen, die voor het overige voldoen aan de richtlijn. België, ondersteund door Cidrerie Ruwet, betoogt evenwel a contrario dat de richtlijn belet, dat artikel 30 en zelfs de verplichting het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen worden toegepast op de weigering van een lidstaat de verkoop van niet-richtlijnconforme producten toe te staan.
25. Mijns inziens bewerkstelligt richtlijn 75/106 met de intrekking van artikel 4, lid 2, door richtlijn 79/1005 duidelijk nog slechts een gedeeltelijke harmonisatie. Zij heeft geen rechtstreekse invloed op de controle krachtens artikel 30 van het Verdrag inzake producten die in niet door de richtlijn gedekte volumes worden verkocht.
26. Het afgeleid gemeenschapsrecht wordt vastgesteld overeenkomstig het Verdrag; het moet de basisregels van het Verdrag in acht nemen en dus, zoals Stassen opmerkt, overeenkomstig het Verdrag en in de onderhavige context in het licht van de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van goederen" worden uitgelegd. Ook al kan het secundair gemeenschapsrecht in voorkomend geval zelf een incidentele handelsbeperking meebrengen, moet dit het gevolg zijn van een weloverwogen belangenafweging van de doelstellingen. Mijns inziens kan de richtlijn niet aldus worden uitgelegd, dat de betrokken handelsbelemmering op basis van de a-contrarioredenering van België onaantastbaar wordt. Ik ben het eens met Stassen, dat de opvatting van België tot gevolg heeft, dat de richtlijn alleen voor die lidstaat als een van volledige harmonisatie van flessenmaten wordt behandeld. Dan wordt de Belgische markt afgeschermd.
27. Bovendien, zoals Cidrerie Ruwet stelt, heeft het Hof in het arrest Cassis de Dijon verklaard, dat artikel 30 van het Verdrag bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling voor de productie en de verhandeling van alcohol" van toepassing is. Deze situatie is in casu aan de orde wat flessenmaten betreft. Het Hof heeft in zijn vaste rechtspraak gepreciseerd dat bij gebreke van harmonisatie van de wettelijke regelingen, artikel 30 die belemmeringen van de intracommunautaire handel verbiedt, welke voortvloeien uit de toepassing op goederen uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van hun aanbiedingsvorm, hun etikettering of hun verpakking, ook indien die voorschriften zonder onderscheid op alle producten van toepassing zijn".
28. Het gaat niet, zoals België stelt, om een geval waarin een lex specialis afwijkt van een lex generalis, doch om een situatie die niet valt onder de verplichting van artikel 5 van richtlijn 75/106 in de gewijzigde versie, en waarvoor bijgevolg artikel 30 van het Verdrag blijft gelden. De door de Commissie in antwoord op een parlementaire vraag gegeven en door België aangehaalde opvatting van het tegendeel is in de loop van de tijd veranderd, zoals de Commissie in haar mondelinge opmerkingen heeft toegegeven. Dat kan de uitlegging van de richtlijn door het Hof evenwel niet binden.
29. In het licht van deze conclusies staat de geldigheid van richtlijn 75/106, in de gewijzigde versie, die de Raad tegen het door Stassen subsidiair aangevoerde argument heeft verdedigd, buiten kijf.
D - Evenredigheid
30. België, ondersteund door Cidrerie Ruwet, draagt subsidiair voor, dat het koninklijk besluit een in het belang van de consumentenbescherming rechtvaardigbare handelsbelemmering bevat. Een dergelijk belang behoort tot de dwingende vereisten op grond waarvan belemmeringen van het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 30 van het Verdrag volgens de rechtspraak van het Hof zijn toegestaan".
31. Als kader voor de analyse van de door de nationale rechter opgeworpen vraag geldt artikel 30 van het Verdrag dat alle kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking" verbiedt. Als een fundamentele verdragsvrijheid wordt het artikel ruim uitgelegd:
(...) iedere handelsregeling der lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, [is] als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen (...) te beschouwen".
32. De nationale rechter stelde vast, dat de Belgische regeling het intracommunautaire handelsverkeer in appeldrank daadwerkelijk belemmert. Op het eerste gezicht is zij dus krachtens artikel 30 verboden.
33. De vraag rijst dus of de Belgische beperking van het vrij verkeer van flessen appeldrank van 0,33 liter noodzakelijk is om aan het dwingende vereiste van de consumentenbescherming te voldoen.
34. Er zij evenwel aan herinnerd, dat ook bij een richtlijn die in een volledige harmonisatie voorziet, nationale maatregelen ter bescherming van de consument evenredig en verenigbaar met het Verdrag moeten zijn.
35. Zoals het Verenigd Koninkrijk en de Commissie betogen, gaat het hier niet om de vraag of de beperking in abstracto noodzakelijk is, doch of deze concrete beperking met inachtneming van alle relevante omstandigheden daadwerkelijk gerechtvaardigd is. In dit opzicht moge ik zoals in mijn conclusie in de zaak Bluhme erop wijzen, dat de nationale rechter naar gemeenschapsrecht bevoegd is om aan de hand van de door het Hof bepaalde uitleggingscriteria vast te stellen of de beperking echt gerechtvaardigd is.
36. Daarbij kan het Hof helpen door de in acht te nemen overwegingen aan te geven en het standpunt van de consument naar gemeenschapsrecht te bepalen.
37. Uitgegaan moet worden van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument. Het daadwerkelijke beschermingsniveau verschilt naar gelang van het product en de markt. Zo bijvoorbeeld heeft het Hof ter rechtvaardiging van het vereiste van een zo duidelijk mogelijke informatie het verschil in kwaliteit in acht genomen, die voor de gemiddelde consument niet gemakkelijk herkenbaar is (kristallijnglas" en sonoorglas"), in het bijzonder wanneer dat product niet zo vaak wordt gekocht.
38. Als afwijking van artikel 30 moet de nationale regeling noodzakelijk voor en evenredig aan het doel ervan, in casu de consumentenbescherming, zijn en mag hetzelfde resultaat niet met minder ingrijpende maatregelen kunnen worden bereikt. De punten die de nationale rechter in aanmerking kan nemen om te oordelen of zij noodzakelijk is, zijn niet rechtens of a priori beperkt. In casu moet een en ander worden onderzocht.
39. In de eerste plaats kunnen dicht bij elkaar liggende volumes van concurrerende producten tot verwarring leiden. Zoals België stelt, gaat de richtlijn ervan uit dat de beperking van het aantal in de handel bruikbare volumes voor vloeistoffen in voorverpakkingen verwarring bij de consument over de aangeboden kwantiteit kan verhinderen, vooral wanneer de volumes dicht bij elkaar liggen. Een mogelijke verwarring betreft de waarde naar volume. Wanneer bijvoorbeeld twee flessen appeldrank op hetzelfde rek - de hier in het geding zijnde flessen van 0,33 liter en de volgens bijlage III bij richtlijn 75/106 ten slotte toegelaten flessen van 0,375 liter - en beide tegen dezelfde prijs worden aangeboden, kan het zijn dat een consument onvoldoende attent is om zich er rekenschap van te geven, dat de fles van 0,375 liter goedkoper is, omdat een volumeverschil van 0,045 liter niet voldoende is om zijn aandacht te trekken. De nationale rechter moet er evenwel van uitgaan, dat de consument gemiddeld geïnformeerd, omzichtig en oplettend is.
40. In de tweede plaats kunnen andere maatregelen het verwarringsgevaar verminderen of opheffen. Duitsland stelt dat het Hof in het arrest Kelderman over een soortgelijke vraag diende te beslissen. In die zaak had Nederland gesteld, dat het Nederlandse broodbesluit een duidelijk onderscheid tussen de verschillende broodformaten en -gewichten had doorgevoerd, waardoor kon worden voorkomen dat de consument werd misleid aangaande de werkelijke hoeveelheid brood die hem werd aangeboden. Het Hof verklaarde dat een passende voorlichting van de consument zeer wel met daartoe geëigende middelen kan worden verzekerd, bijvoorbeeld door te verlangen dat het geïmporteerde brood wordt voorzien van een etiket met het gewicht en de samenstelling van het product".
41. Andere dergelijke maatregelen tot vermindering van het risico kunnen worden afgeleid uit andere verplichtingen van gemeenschapsrecht. In dit opzicht zijn er, zoals blijkt uit de gemaakte opmerkingen, behalve die van België en Cidrerie Ruwet, andere richtlijnen die voorzien in maatregelen ter bescherming van de consument tegen verwarring, die kan ontstaan doordat de volumes van concurrerende producten te dicht bij elkaar liggen. De Commissie verwees naar richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van de aan de consument aangeboden producten. De lidstaten moesten uiterlijk op 18 maart 2000 aan deze richtlijn voldoen. Artikel 3 van de richtlijn verlangt, dat de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid worden aangeduid, waardoor tussen flessen appeldrank van verschillende maten de prijs per volume rechtstreeks kan worden vergeleken zonder dat de volumes identiek zijn. Volgens het Verenigd Koninkrijk biedt de verplichting van aanduiding van de prijs per meeteenheid evenwel op zichzelf geen afdoende bescherming voor de consument, aangezien de aard en de maat van de gebruikte verpakking niet zijn geregeld.
42. Voor de vraag of verwarring bij de consument waarschijnlijk is, is het natuurlijk relevant of de houder van 0,33 liter in feite populair is geworden ten koste van die van 0,375 liter; bovendien moet rekening worden gehouden met de inhoudsmaten die voor concurrerende producten, zoals bier en alcoholvrije dranken, worden gebruikt.
43. Gelet op een en ander ben ik van mening, dat de richtlijnen 75/106 en 79/1005, in de gewijzigde versie, die geen volledige harmonisatie beogen, als zodanig de lidstaten niet toestaan of van hen verlangen op hun grondgebied de verkoop van appeldrank in voorverpakkingen met een andere dan de in bijlage III onder punt 1, sub c, bij richtlijn 75/106, in de gewijzigde versie, genoemde volumes te verbieden. Iedere regeling die een dergelijk verbod inhoudt, valt binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag en kan slechts als een dwingende vereiste in het belang van de consumentenbescherming worden gerechtvaardigd, indien het met het oog op dat doel noodzakelijk en evenredig is.
IV - Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van de Rechtbank van koophandel te Brussel te beantwoorden als volgt:
1) Richtlijn 75/106/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/1005/EEG van de Raad van 23 november 1979, verlangt van de lidstaten niet, dat zij op hun grondgebied de verkoop van appeldrank in andere dan de in bijlage III bij de richtlijn genoemde volumes weigeren.
2) Een dergelijke weigering is een krachtens artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) verboden maatregel, die met het gemeenschapsrecht onverenigbaar is voor zover hij niet noodzakelijk is om aan een dwingende vereiste van algemeen belang - in casu de consumentenbescherming - te voldoen, wanneer vaststaat dat dicht bij elkaar liggende verpakkingsmaten voor vloeistoffen in voorverpakkingen bij een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument tot verwarring van deze producten leiden."
Full & Egal Universal Law Academy