Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing draait in wezen om de vraag of de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende de interne markt - met name de artikelen 3, sub c en g, 3 A, 5, 7 A, tweede alinea, 102 A en 103, leden 3 en 4 - zich verzetten tegen de in Frankrijk voorgeschreven vaste boekenprijs. Het Hof heeft met betrekking tot de Franse regeling van vaste boekenprijzen reeds herhaaldelijk - doch vóór de totstandkoming van de interne markt op 1 januari 1993 - uitgemaakt, dat bij de toenmalige stand van het gemeenschapsrecht artikel 5, tweede alinea, junctis de artikelen 3, sub f, 85 en 86 EEG-Verdrag de lidstaten niet verbood een wettelijke regeling uit te vaardigen volgens welke de detailhandelsprijs van boeken moet worden vastgesteld door de uitgever of de importeur van een boek en voor elke detailhandelaar verbindend is, op voorwaarde dat die wettelijke regeling de andere toepasselijke bepalingen van het EEG-Verdrag, inzonderheid die betreffende het vrije verkeer van goederen, in acht nam. De verwijzende rechter, de Cour d'appel de Grenoble, vraagt zich in het hoofdgeding met name af of de rechtssituatie inmiddels is gewijzigd als gevolg van de opneming in het EG-Verdrag van de bepalingen betreffende de interne markt.
II - De nationale wettelijke regeling
2. Franse wet nr. 81-766 van 10 augustus 1981 bepaalt in artikel 1 ervan onder meer, dat eenieder die boeken uitgeeft of invoert, verplicht is een detailhandelsprijs vast te stellen voor de door hem uitgegeven of ingevoerde boeken. De detailhandelaren moeten een detailhandelsprijs toepassen die ligt tussen 95 % en 100 % van de door de uitgever of de importeur vastgestelde prijs. Indien de invoer in Frankrijk uitgegeven boeken betreft, moet de door de importeur vastgestelde detailhandelsprijs ten minste gelijk zijn aan die welke door de uitgever is vastgesteld. Laatstgenoemde bepaling is echter, overeenkomstig de wetten nr. 85-500 van 13 mei 1985 en nr. 93-1420 van 31 december 1993, die ook naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof zijn uitgevaardigd, niet van toepassing op uit andere lidstaten van de Europese Gemeenschap ingevoerde boeken, tenzij de invoer tot doel heeft aan de vaste boekprijs te ontkomen.
III - Feiten
3. Échirolles Distribution SA (hierna: rekwirante") drijft een handelsonderneming onder de naam Centre Leclerc". Aangezien zij in strijd met artikel 1, vierde alinea, van de wet van 10 augustus 1981 boeken ten verkope aanbood tegen een prijs die meer dan 5 % lager lag dan de door de uitgever of de importeur vastgestelde prijs, werd zij veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de boekhandelaar P. Corbet, de Association du Dauphiné pour le maintien et l'application de la loi du 10 août 1981 sur le prix unique du livre", de Association des libraires de bandes dessinées" en de Union des libraires de France" (hierna: verweerders").
4. Rekwirante is tegen dit vonnis opgekomen bij de verwijzende rechter. Tot staving van haar hoger beroep voert zij onder meer aan dat de wet, die tot nog toe verenigbaar met het gemeenschapsrecht was, dit thans wellicht niet meer is als gevolg van de inwerkingtreding van de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende de interne markt.
5. In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wijst de verwijzende rechter er onder meer op, dat de Franse regeling van de vaste boekenprijs in beginsel zowel particuliere als professionele kopers betreft en zonder onderscheidt geldt voor culturele en technische boeken. Hierdoor werkt zij kostenverhogend ten aanzien van de activiteit van ondernemingen of personen waarvoor informatie via boeken noodzakelijk en belangrijk is, zoals juristen, artsen en architecten. Georganiseerde of individuele boekhandelaren kunnen daardoor de winsten die gewoonlijk voortvloeien uit een hogere productiviteit, uit groepsaankopen, uit een beter handelsbeleid of zelfs uit de kwaliteit van de dienstverlening, niet doorberekenen in de detailhandelsprijzen. Door de praktijk van de vaste boekenprijs, waar de prijs wordt vastgesteld door iemand die geen contractpartij is, wordt de vrije marktwerking belemmerd. Frankrijk maakt aldus een non-concurrentiezone van de boekenmarkt.
6. De verwijzende rechter baseert zich in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing op het uitgangspunt dat de wet geen inbreuk maakt op artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG), aangezien de vaste boekenprijs niet voortvloeit uit een ondernemersafspraak. Een schending van de eventueel ook toepasselijke artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans de artikelen 28 EG en 34 EG) is in het verleden enkel aangenomen voor zover de wet zich uitstrekte tot grensoverschrijdende feiten, hetgeen in casu echter niet het geval is. De verwijzende rechter meent dan ook, dat het Hof en ook de Europese Commissie vóór de inwerkingtreding van de regels betreffende de interne markt de wet in haar huidige redactie verenigbaar hebben geacht met het Verdrag.
7. De vraag of dit na de totstandkoming van de interne markt nog steeds geldt, is echter (nog) niet uitdrukkelijk door het Hof beantwoord. Ervan uitgaande dat de interne markt moet worden gezien als de vereniging van de nationale markten tot één enkele markt, meent de verwijzende rechter dat de regels betreffende de interne markt ook gevolgen kunnen hebben voor zuiver nationale boekenprijsregelingen. Wellicht kan de interne markt niet op één lijn worden gesteld met een ruimte waarbinnen goederen vrij circuleren, doch moet zij als één enkele markt worden beschouwd, waarvan de regels met betrekking tot de werking ervan zowel voor lidstaten als voor particulieren gelden.
8. Voor het antwoord op de vraag of de wet in haar huidige redactie verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, is volgens de verwijzende rechter van beslissend belang of de rechtssituatie is gewijzigd met de inwerkingtreding van de regels betreffende de interne markt. Gezien zijn plicht om binnen een bepaalde termijn uitspraak te doen, kan de verwijzende rechter een uitdrukkelijke wijziging van het recht betreffende de vaste boekenprijs niet afwachten.
IV - Prejudiciële vraag
9. Op grond van de voorgaande overwegingen heeft de in het hoofdgeding aangezochte rechter het Hof de volgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
Is de Franse wettelijke regeling op grond waarvan uitgevers de boekhandelaren een vaste wederverkoopprijs van boeken, ongeacht de inhoud ervan, dienen voor te schrijven, zowel voor verkoop aan de consument als voor verkoop aan degenen die boeken beroepsmatig kopen, verenigbaar met de op 1 januari 1993 tot stand gekomen interne markt, met name met de artikelen 3, sub c en g, 3 A, 5, 7 A, tweede alinea, 102 A en 103, leden 3 en 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, gewijzigd bij de Europese Akte en het Verdrag betreffende de Europese Unie?"
V - Argumenten van partijen
10. Rekwirante voert aan dat de Franse regeling van de vaste boekenprijs een non-concurrentiezone heeft gecreëerd, zodat zij in strijd is met het marktbeginsel, dat de afweging tegen elkaar van vraag en aanbod impliceert. De Franse wetgever heeft met de vaste boekenprijs het boek als artistieke en literaire schepping willen beschermen, doch heeft er geen rekening mee gehouden dat deze regeling van algemene strekking is en dus ook van toepassing is op technische boeken, die een dergelijke bescherming niet behoeven. Zelfs wanneer het boek als een cultureel goed moet worden aangemerkt, bestaat er een band met de economie, die onder meer blijkt uit het feit dat de regeling van vaste boekenprijzen in Frankrijk tot een algemene stijging van de boekenprijzen heeft geleid.
11. In zijn arresten betreffende de Franse boekenprijsregeling heeft het Hof het beginsel van door de uitgever voorgeschreven prijzen tot op heden weliswaar in overeenstemming met het gemeenschapsrecht geacht, doch onder uitdrukkelijke verwijzing naar de toenmalige stand van het gemeenschapsrecht, op een tijdstip dus dat het begrip interne markt nog geen deel uitmaakte van het EG-Verdrag. Het is echter mogelijk dat de betrokken regels van het Verdrag zich sinds de invoering van de bepalingen betreffende de interne markt tegen de litigieuze Franse voorschriften verzetten.
12. Rekwirante betoogt voorts dat de Franse boekenprijsregeling evenmin in overeenstemming is met artikel 30 van het Verdrag, omdat zij ook van toepassing is op het geval dat een onderdaan van een andere lidstaat boeken in Frankrijk wil kopen en daarbij gebonden is aan de door de Franse uitgever vastgestelde prijzen, hetgeen een belemmering vormt voor het vrije goederenverkeer.
13. De Oostenrijkse en de Franse regering merken allereerst op, dat de prejudiciële vraag in haar huidige redactie niet-ontvankelijk is, omdat zij neerkomt op een beoordeling van de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht. Voor zover het Hof de beantwoording ervan echter noodzakelijk zou achten, dient de vraag geherformuleerd te worden. Volgens de Oostenrijkse regering moet de vraag ook opnieuw worden geformuleerd omdat daarin gemeenschapsrechtelijke bepalingen worden aangehaald waarvan de uitlegging niet van invloed kan zijn op de beslechting van het geschil in het hoofdgeding; deze bepalingen hebben namelijk geen rechtstreekse werking en kunnen dus niet door partijen worden ingeroepen. De Commissie betoogt dat de prejudiciële vraag aldus moet worden uitgelegd dat zij voornamelijk betrekking heeft op artikel 85 van het Verdrag in samenhang met de genoemde bepalingen. Een toetsing aan de artikelen 30 en 36 van het Verdrag acht zij echter niet noodzakelijk, omdat de verwijzende rechter zich op het standpunt stelt dat deze artikelen zich niet tegen de toepassing van de Franse bepalingen verzetten.
14. Verweerders in het hoofdgeding, de Franse, de Griekse, de Oostenrijkse en de Noorse regering alsook de Commissie verwijzen naar 's Hofs rechtspraak betreffende de Franse boekenprijsregeling en betogen in wezen dat de bepalingen die bij de Europese Akte en het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn ingevoerd, niet tot een wijziging van de geldende rechtspraak kunnen leiden. Het begrip interne markt is geen volslagen nieuw concept. De enkele omstandigheid dat dit begrip positief recht is geworden, betekent nog niet dat de vóór de introductie van dit begrip door het Hof geformuleerde beginselen moeten worden herzien. Het wezenlijke aspect bij de beoordeling van de vraag of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen de toepassing van nationale regelingen betreffende vaste boekenprijzen, bestaat erin te onderzoeken of er op communautair niveau een mededingingsbeleid bestaat dat zich uitstrekt tot zuiver nationale regelingen of praktijken met betrekking tot vaste boekenprijzen. Tot op heden is van een dergelijk communautair mededingingsbeleid echter geen sprake.
15. De Franse en de Noorse regering wijzen er bovendien op, dat het Verdrag betreffende de Europese Unie tot belangrijke wijzigingen op het gebied van de cultuur heeft geleid. Zo beschikt de Gemeenschap, met name in het kader van artikel 128 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 151 EG), over een adequate rechtsgrondslag voor communautair optreden. Nu de Gemeenschap ingevolge artikel 128, lid 4, van het Verdrag bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van het Verdrag rekening moet houden met de culturele aspecten, betekent dit dat de Franse bepalingen betreffende de vaste boekenprijzen niet in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, aldus de Franse regering.
VI - Standpunt
1. Ontvankelijkheid
16. De verwijzende rechter heeft zijn vraag aan het Hof geformuleerd als een vraag over de verenigbaarheid van een nationale regeling met het gemeenschapsrecht. In het kader van de prejudiciële verwijzingsprocedure van artikel 177, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 234, eerste alinea, EG) kunnen aan het Hof echter slechts vragen worden voorgelegd over de uitlegging en de geldigheid van het gemeenschapsrecht. De bevoegdheid van het Hof in het kader van deze procedure strekt zich niet uit tot de toetsing van bepalingen van nationaal recht. Hierover hebben de nationale rechterlijke instanties zelf in het licht van de prejudiciële beslissing te oordelen.
17. Uit het verzoek van de verwijzende rechter kan evenwel worden afgeleid dat daarmee in wezen een antwoord wordt beoogd op de vraag of de regels van het van het Verdrag betreffende de interne markt aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat regelingen mag vaststellen of handhaven die de vaststelling van de boekenprijs tot voorwerp hebben. De verwijzende rechter verzoekt het Hof dus hem criteria te verschaffen ter uitlegging van de toepasselijke bepalingen, zodat hij zelf de verenigbaarheid van het relevante nationale recht met het gemeenschapsrecht kan beoordelen. De aldus uitgelegde en opnieuw geformuleerde prejudiciële vraag is dan ook ontvankelijk.
18. De Oostenrijkse regering is verder van mening dat de prejudiciële procedure niet relevant is voor de oplossing van het geschil in het hoofdgeding. Omdat geen van de partijen in het hoofdgeding zich op de door de verwijzende rechter genoemde bepalingen kan beroepen en de verwijzende rechter evenmin verplicht is strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten, dient het verzoek om een prejudiciële beslissing wegens gebrek aan relevantie van de gestelde vraag voor het hoofdgeding te worden afgewezen.
19. Dienaangaande zij er evenwel aan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd, om de relevantie te beoordelen van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Dit volgt uit artikel 177 van het Verdrag, dat de grondslag legt voor een nauwe samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof. Indien de gestelde vragen dus betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is het Hof in beginsel gehouden daaromtrent een beslissing te geven. Het verzoek om een prejudiciële beslissing kan dan ook alleen worden afgewezen wanneer duidelijk is dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met het reële geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, dus wanneer de vraag niet objectief noodzakelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de beantwoording van de prejudiciële vraag erop neerkomt dat het Hof een advies moet geven over algemene of hypothetische vraagstukken.
20. Ook al kan de rechtstreekse werking van de door de verwijzende rechter genoemde bepalingen in het hoofdgeding wellicht worden betwijfeld, er is hoe dan ook een duidelijk verband aanwezig tussen de regels betreffende de interne markt en de nationale wettelijke regeling inzake de vaste boekenprijs. Het gaat hier niet om algemene of hypothetische vragen. Of het gemeenschapsrecht zich daadwerkelijk tegen de toepassing van de Franse wet verzet, is een vraag die deel uitmaakt van het onderzoek ten gronde. Mitsdien is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
2. Ten gronde
21. Overeenkomstig artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) treffen de lidstaten alle maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en onthouden zij zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen. Men kan zich afvragen of deze bepaling op autonome wijze rechtsgevolgen teweegbrengt, dan wel te algemeen is geformuleerd zodat zij slechts in samenhang met andere verdragsbepalingen dwingende gevolgen kan teweegbrengen. Weliswaar zijn er gevallen denkbaar waarin niet ook nog een beroep op andere elementen van het gemeenschapsrecht hoeft te worden gedaan, omdat de verplichtingen uitsluitend uit de gemeenschapstrouw voortvloeien. Dit geldt a fortiori ten aanzien van de verplichting zich te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van de verdragsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen. Deze doelstellingen moeten zelf echter wel voldoende geconcretiseerd zijn. Dit gaat stellig niet op voor het slechts in algemene termen geformuleerde begrip interne markt.
a) De artikelen 3, 3 A en 7 A EG-Verdrag
22. De artikelen 3, 3 A en 7 A van het Verdrag, die ter beantwoording van de prejudiciële vraag moeten worden uitgelegd, hebben zowel betrekking op de invoering van het begrip interne markt als op de aard daarvan. Het is in casu derhalve van beslissend belang om de inhoud van dit begrip vast te stellen. Daartoe moet het om te beginnen in zijn historische en systematische context worden bezien.
23. Het oorspronkelijke EEG-Verdrag bevatte evenals het Verdrag in zijn huidige redactie het begrip gemeenschappelijke markt; het bevatte echter niet, zoals thans, het begrip interne markt. Laatstgenoemd begrip is bij de preambule en artikel 13 van de Europese Akte van 28 februari 1986 aan het toenmalige EEG-Verdrag toegevoegd. De Europese Akte droeg aan de Gemeenschap de taak op om de interne markt tot stand te brengen en voorzag hiertoe in een aantal andere wijzigingen. Het op 1 januari 1993 in werking getreden Verdrag betreffende de Europese Unie heeft de integrerende functie van de totstandbrenging van de interne markt - letterlijk: totstandbrenging van een ruimte zonder binnengrenzen - bevestigd en tot doelstelling van de Europese Unie verheven (artikel B, eerste alinea, eerste streepje, van het Verdrag betreffende de Europese Unie). Het scheppen van de interne markt diende ertoe, de belemmeringen op te heffen die de lidstaten van elkaar scheidden, zodat de nationale binnenmarkten tot één enkele economische ruimte konden versmelten. Aldus werden essentiële elementen van de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt, die de Gemeenschap reeds op grond van artikel 2 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 2 EG) diende de verwezenlijken, inhoudelijk gepreciseerd.
24. Het begrip interne markt is dus onlosmakelijk verbonden met het begrip gemeenschappelijke markt, waaruit het voortvloeit. Volgens vaste rechtspraak van het Hof betreffende het oorspronkelijke Verdrag is het instellen van een gemeenschappelijke markt een van de doelstellingen van de Gemeenschap. Het Hof omschrijft dit laatste begrip als één enkele markt met structuren die lijken op die van een interne markt. De instelling van de gemeenschappelijke markt moet tot de opheffing van alle belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer leiden, teneinde de nationale markten te doen versmelten tot één enkele markt waarvan de voorwaarden die van een echte interne markt zo dicht mogelijk benaderen.
25. In het onderhavige geval nu is van beslissend belang of het instellen van een interne markt een verdragsdoelstelling is, die slechts in samenhang met andere verdragsbepalingen, zoals bijvoorbeeld die betreffende het vrije goederenverkeer (artikelen 30 e.v. EG-Verdrag) respectievelijk de mededinging (artikelen 85 e.v. EG-Verdrag), gevolgen teweegbrengt, dan wel of er sprake is van een zelfstandige bepaling die autonome juridische verplichtingen schept, zonder dat nadere maatregelen van de lidstaten ter verwezenlijking van deze doelstelling nodig zijn. Is slechts sprake van een verdragsdoelstelling, dan zou het hier enerzijds om een opdracht gaan, ter uitvoering waarvan passende maatregelen moeten worden getroffen. Anderzijds zou dit betekenen dat voornoemde bepalingen betreffende de interne markt bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet afzonderlijk doch slechts in samenhang met de verdragsbepalingen waarin de betrokken doelstelling wordt uitgewerkt, moeten worden gelezen, respectievelijk dwingende gevolgen kunnen teweegbrengen en verplichtingen kunnen opleggen.
26. De formulering van de bepalingen pleit ervoor de interne markt evenals het begrip gemeenschappelijke markt louter aan te merken als een verdragsdoelstelling die door de overeenkomstige verdragsbepalingen dient te worden geconcretiseerd.
27. Volgens de artikelen 3 en 3 A van het Verdrag omvat het optreden van de Gemeenschap onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin het Verdrag voorziet, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op de interne markt en dat wordt gevoerd met inachtneming van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging. In dit verband heeft het Hof in zijn arrest in de zaak Alsthom Atlantique beslist, dat de in artikel 3, sub f, EEG-Verdrag beoogde invoering van een regime waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst, (...) een doelstelling [is] die in diverse andere bepalingen betreffende de mededingingsregels is uitgewerkt". Tot deze uitwerkingsbepalingen behoort met name ook artikel 85 EG-Verdrag, dat overeenkomsten tussen ondernemingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen verbiedt welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
28. Volgens de rechtspraak van het Hof bepaalt artikel 3 van het Verdrag de gebieden en de doelstellingen voor het optreden van de Gemeenschap. Het omschrijft de algemene beginselen van de gemeenschappelijke markt, die worden toegepast in samenhang met de respectieve hoofdstukken van het Verdrag, waarin die beginselen worden uitgewerkt." Zo behoort ook artikel 3, sub f, EEG-Verdrag tot de algemene beginselen van de gemeenschappelijke markt, die worden toegepast in samenhang met de respectieve hoofdstukken van het Verdrag.
29. Weliswaar definieert artikel 7 A, tweede alinea, van het Verdrag de interne markt als een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd, doch dit artikel voegt hieraan uitdrukkelijk toe volgens de bepalingen van dit Verdrag". Dus ook al is het begrip interne markt door artikel 7 A positief recht geworden, dit neemt niet weg dat het pas dwingende rechtsgevolgen kan teweegbrengen nadat het door andere verdragsbepalingen is uitgewerkt. Dit kan ook worden afgeleid uit het gebruik van het woord gewaarborgd", want er staat immers niet dat er een ruimte van vrij verkeer is". Het begrip ter waarborging" betekent op zich al dat er bijzondere, nader te treffen maatregelen nodig zijn.
30. Volgens artikel 7 A, eerste alinea, van het Verdrag stelt de Gemeenschap de maatregelen vast om de interne markt geleidelijk op uiterlijk 31 december 1992 tot stand te brengen. De vastlegging van deze termijn schept echter geen automatische rechtsgevolgen. Uit deze enkele omstandigheid kunnen dan ook geen verplichtingen voor de lidstaten ontstaan die verder gaan dan de verdragsdoelstelling.
31. Voorts moet worden verwezen naar het arrest van het Hof in de zaak Wijsenbeek, zij het dat deze rechtszaak betrekking had op het vrije verkeer van personen die zich - vóór de integratie van het Schengen-acquis" in het recht van de Gemeenschap, respectievelijk van de Europese Unie - beriepen op het recht van ongecontroleerde grensoverschrijding als gevolg van de totstandkoming van de interne markt. Het Hof overwoog in punt 40: Dit artikel [gedoeld werd op artikel 7 A] kan niet aldus worden uitgelegd, dat wanneer de Raad vóór 31 december 1992 geen maatregelen heeft vastgesteld die de lidstaten verplichten de personencontroles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap af te schaffen, die verplichting automatisch bij het verstrijken van die termijn ontstaat." Indien de interne markt op zich dus geen rechtstreeks toepasselijke rechten van onderdanen van de Unie kan creëren, kunnen hieruit op zich ook geen rechtstreeks toepasselijke verplichtingen van de lidstaten worden afgeleid.
32. Insgelijks heeft het Hof in de zaak Frankrijk/Commissie uitgemaakt, dat de interne markt tot stand wordt gebracht door maatregelen die de Gemeenschap overeenkomstig dit artikel en de andere daarin genoemde bepalingen vaststelt. Ook in advies 1/91 kwalificeert het Hof de inhoud van de artikelen 2 van het Verdrag, 8 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 18 EG) en 102 A EG-Verdrag (thans artikel 98 EG) uitdrukkelijk als doelstellingen voor de verwezenlijking waarvan vrije handel en mededinging geschikte middelen zijn.
33. Ook de rechtspraak van het Hof betreffende de Franse boekenprijsregeling bevestigt de voorgaande overwegingen. Nadat het Hof verschillende arresten over deze wettelijke regeling had gewezen, zijn de onderdelen ervan die in strijd waren met het gemeenschapsrecht, met name in het licht van artikel 30 EEG-Verdrag, aangepast. In zijn arresten heeft het Hof de betrokken regeling onder meer aan artikel 3, sub f, EEG-Verdrag en andere verdragsbepalingen getoetst. Het kwam telkens tot de conclusie dat de litigieuze boekenprijsregeling in de op dat moment geldende redactie de toets van het gemeenschapsrecht kon doorstaan. Het Hof heeft uitdrukkelijk geoordeeld, dat in deze gevallen noch artikel 7 EEG-Verdrag, noch een andere bepaling of een ander beginsel van gemeenschapsrecht van toepassing is op een ongelijke behandeling in het kader van een regeling betreffende de vaststelling van de detailhandelsprijs van boeken door de uitgever of de importeur van een boek. Zoals hierboven is uiteengezet, doet ook de invoering van het begrip interne markt" niet aan deze zienswijze af.
34. Op grond van het voorgaande moet derhalve worden vastgesteld dat de regels betreffende de interne markt, dus de artikelen 3, 3 A en 7 A, tweede alinea, van het Verdrag, enkel verdragsdoelstellingen zijn die pas door handelingen van de Gemeenschap en de lidstaten of door de concreet toepasselijke verdragsbepalingen worden uitgewerkt en dus slechts in samenhang met deze bepalingen rechtstreekse werking hebben.
b) De artikelen 5 en 85 van het Verdrag
35. Opmerking verdient dat in casu niets is aangevoerd dat duidt op het bestaan van met artikel 85 van het Verdrag strijdige afspraken of onderlinge afgestemde gedragingen, ter vastlegging van de detailhandelsprijs, tussen de uitgevers of de detailhandelaren. Hieronder hoeft dan ook slechts kort te worden ingegaan op de toetsing aan de artikelen 5 en 85 van het Verdrag.
36. In het eerste, hierboven reeds genoemde arrest betreffende de Franse regeling van de vaste boekenprijzen in de zaak Leclerc e.a. heeft het Hof overwogen dat dit soort regelingen niet dwingen tot overeenkomsten tussen uitgevers en detailhandelaars of tot andere gedragingen als waarop artikel 85, lid 1, van het Verdrag het oog heeft, doch dat zij de uitgevers of importeurs verplichten de detailhandelsprijzen eenzijdig vast te stellen. Het Hof heeft dan ook onderzocht of een nationale wettelijke regeling die het bij artikel 85, lid 1, verboden soort gedragingen van ondernemingen overbodig maakt door de uitgevers of importeurs van boeken de verantwoordelijkheid voor de vrije vaststelling van bindende detailhandelsprijzen op te dragen, afbreuk doet aan het nuttig effect van artikel 85 en bijgevolg in strijd is met artikel 5, tweede alinea, EEG-Verdrag".
37. Destijds bestond - net als heden - geen communautair mededingingsbeleid met betrekking tot zuiver nationale systemen of praktijken in de boekensector dat de lidstaten in acht moesten nemen op grond van hun verplichting zich te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van de verdragsdoeleinden in gevaar kunnen brengen. Het Hof achtte de voor de lidstaten uit artikel 5 junctis de artikelen 3, sub f, en 85 van het Verdrag voortvloeiende verplichtingen dan ook onvoldoende bepaald om hen te verbieden regelingen met betrekking tot de mededinging bij de detailhandelsprijzen van boeken uit te vaardigen.
38. Volgens vaste rechtspraak van het Hof mogen de lidstaten echter op grond van artikel 5, gelezen in samenhang met artikel 85, van het Verdrag geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken. Volgens de rechtspraak is dit met name het geval wanneer een lidstaat met artikel 85 strijdige mededingingsregelingen oplegt, begunstigt dan wel de werking ervan versterkt, of aan zijn eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers over te dragen.
39. Weliswaar draagt de Franse wet betreffende de vaste boekenprijs aan de uitgevers de taak op om de boekenprijzen vast te stellen die de detailhandel van de consument kan vragen en is zij dus van invloed op een economische beslissing, doch zoals reeds is overwogen, blijkt noch uit de verwijzingsbeschikking noch uit het betoog van partijen dat sprake is van kartelafspraken of onderling afgestemde gedragingen van de uitgevers of de detailhandelaren met betrekking tot de vaststelling van de prijzen. Er kan dan ook geen causaal verband tussen de wettelijke regeling en de gedragingen van de betrokken ondernemingen worden vastgesteld, dat tot toepassing van artikel 85, lid 1, zou leiden.
40. Mitsdien verzet artikel 5, tweede alinea, junctis de artikelen 3, sub g, en 85, van het Verdrag zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die de uitgever verplicht de detailhandelsprijs van boeken vast te stellen, omdat er geen toereikend verband bestaat tussen de overheidsmaatregel en de uiteindelijke ondernemersbesluiten.
c) Het mededingingsbeleid
41. Ook op dit aspect hoeft niet uitvoeriger te worden ingegaan, omdat met betrekking tot zuiver nationale regelingen ter vaststelling van de boekenprijzen geen communautair mededingingsbeleid bestaat dat de lidstaten op grond van hun verplichting zich te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van de verdragsdoeleinden in gevaar kunnen brengen, zouden moeten eerbiedigen. In deze context verdient ook artikel 128, lid 4, van het Verdrag vermelding, volgens welke bepaling de Gemeenschap bij haar optreden, dus ook bij het vormgeven van haar activiteiten op het gebied van de mededinging, rekening moet houden met de culturele aspecten.
42. Sinds de uitspraak van het arrest in de zaak Leclerc e.a. is de Commissie driemaal tegen een lidstaat opgetreden in verband met nationale regelingen inzake vaste boekenprijzen. In al deze gevallen heeft de Commissie de grensoverschrijdende gevolgen van de betrokken boekenprijsregeling onderzocht, waarbij haar voornaamste kritiek erop neerkwam dat de litigieuze voorschriften zowel de invoer als de uitvoer van boeken belemmerden en dus het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig beïnvloedden.
43. In casu bevatten noch de verwijzingsbeschikking noch de standpunten van partijen aanknopingspunten waaruit met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden afgeleid, dat er merkbare gevolgen voor het intracommunautaire handelsverkeer zijn.
44. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat een ondernemersafspraak die het gehele grondgebied van een lidstaat bestrijkt, naar haar aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg heeft, hetgeen de in het Verdrag beoogde economische vervlechting doorkruist. Een overeenkomst tussen ondernemingen kan de handel tussen lidstaten ongunstig (...) beïnvloeden [wanneer zij] op grond van een aantal objectieve elementen feitelijk en rechtens met een voldoende mate van waarschijnlijkheid [doet] verwachten dat zij, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, op de handelsstromen tussen lidstaten een zodanige invloed kan uitoefenen, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen lidstaten wordt geschaad".
45. In beginsel is de beantwoording van de vraag of aan het bepaalde in artikel 85, lid 1, van het Verdrag is voldaan, afhankelijk van complexe economische beoordelingen die de nationale rechter moet maken, in voorkomend geval aan de hand van de criteria die in de rechtspraak van het Hof zijn ontwikkeld.
46. In casu moet er evenwel van worden uitgegaan, dat de Franse bepalingen betreffende de vaste boekenprijs, in hun geheel bezien, de handel tussen lidstaten niet ongunstig kunnen beïnvloeden in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Indirect volgt dit ook uit het feit dat boeken die in een bepaalde taal zijn gesteld, niet noodzakelijkerwijs in grote hoeveelheden in het grensoverschrijdend handelsverkeer worden gebracht. De uitvaardiging van regels ter vaststelling van vaste boekenprijzen is derhalve niet in strijd met de verplichting van de lidstaten om zich te onthouden van maatregelen welke de verwezenlijking van de verdragsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen, gelet met name op het ontbreken van een communautair mededingingsbeleid op dit gebied.
d) Het mededingingsbeleid en het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging" - De artikelen 3 A, 102 A en 103, leden 3 en 4, van het Verdrag
47. Het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging is te vinden in de artikelen 3 A, leden 1 en 2, 102 A en 105, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 105, lid 1, EG) en past in het kader van bepalingen inzake het economisch en monetair beleid. Het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat deze bepalingen heeft ingevoerd, heeft dit beginsel dus eerder binnen de context van het economisch en monetair beleid van de Gemeenschap geconstrueerd dan als een factor ter omschrijving van het begrip interne markt". Volgens artikel 102 A voeren de lidstaten hun economisch beleid teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap, als omschreven in artikel 2, en in het kader van de in artikel 103, lid 2, bedoelde globale richtsnoeren". De lidstaten en de Gemeenschap handelen in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waardoor een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 3 A.
48. Het begrip economisch beleid, zoals gebezigd in artikel 102 A, wordt in het Verdrag zelf niet nader bepaald. De door de Raad krachtens artikel 103, lid 2, opgestelde ontwerpen voor de richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap omvatten ook micro-economische denkbeelden ter regulering van bepaalde markten. Zo bevat bijvoorbeeld de aanbeveling van de Raad van 7 juli 1997 inzake globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap in hoofdstuk 5 standpunten over beter functionerende producten- en dienstenmarkten. Volgens dit hoofdstuk is het - om de concurrentiepositie, de werkgelegenheid en de levensstandaard in de Europese Gemeenschap in een wereld van vrije handel en constante technologische verandering veilig te stellen en te bevorderen - van essentieel belang dat de lidstaten en de Gemeenschap in overeenstemming met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid er intensiever naar streven hun markten voor goederen, diensten en arbeid te moderniseren. Als onderdeel van de strategie ter bevordering van de groei en de werkgelegenheid, terwijl er prijsstabiliteit wordt bereikt, is het van essentieel belang de werking van de producten- en dienstenmarkten te verbeteren, de mededinging en de innovatie te stimuleren en een efficiënte prijsbepaling te verzekeren.
49. Regelingen tot vaststelling van de prijzen zoals hier in geding, bevatten echter elementen die niet bevorderlijk zijn voor een doelmatige allocatie van middelen. Niettemin gaat het bij deze gemeenschapsrechtelijke bepalingen slechts om verdragsdoelstellingen en beleid van de lidstaten, respectievelijk de Gemeenschap, zonder dat de lidstaten duidelijke en voldoende bepaalde verplichtingen met betrekking tot hun gedrag worden opgelegd. Overeenkomstig de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag genoemde doelstellingen is veeleer sprake van beginselen die als zodanig nog geen dwingende rechtsgevolgen teweegbrengen, doch die moeten worden bezien in samenhang met de overige gemeenschapsrechtelijke bepalingen waarin zij worden uitgewerkt.
50. Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen verplichtingen voor de lidstaten enkel voortvloeien uit bepalingen van het gemeenschapsrecht die voldoende bepaald, precies en duidelijk geformuleerd zijn. Dit is niet het geval ten aanzien van de genoemde algemene beginselen van een open markteconomie met vrije mededinging en van economisch beleid.
51. Mitsdien moet de vraag van de verwijzende rechter aldus worden beantwoord dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de door hem genoemde bepalingen van het van het Verdrag zich niet verzetten tegen toepassing van de Franse regeling van vaste boekenprijzen.
VII - Kosten
52. De kosten door de Franse, de Oostenrijkse, de Griekse en de Noorse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
VIII - Conclusie
53. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
Artikel 5, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 10, tweede alinea, EG), junctis de artikelen 3, sub c en g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, sub c en g, EG), en 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG), alsook de artikelen 3 A EG-Verdrag (thans artikel 4 EG), 7 A, tweede alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14, lid 2, EG), 102 A en 103, leden 3 en 4, EG-Verdrag (thans de artikelen 98 EG en 99, leden 3 en 4, EG) moeten aldus worden uitgelegd dat zij bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de lidstaten niet verbieden een regeling uit te vaardigen volgens welke de detailhandelsprijs van boeken moet worden vastgesteld door de uitgever of de importeur van een boek en voor elke detailhandelaar verbindend is, mits deze regeling verenigbaar is met de overige toepasselijke bepalingen van het EG-Verdrag."
Full & Egal Universal Law Academy