Conclusie van de advocaat generaal
1. Bij beschikking, neergelegd op 18 januari 1999, heeft het Arbeitsgericht Siegen het Hof drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 90/270/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur (vijfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (hierna: richtlijn" of richtlijn van 1990"), onder verwijzing naar de begrippen beeldscherm", grafisch scherm" en bestuurdersplaats op een machine" die in deze richtlijn worden genoemd. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of de richtlijn ook van toepassing is op montagetechnici van televisieprogramma's die volgens verschillende procédés filmmateriaal selecteren en bewerken voor het samenstellen van programma's die vervolgens worden uitgezonden.
De relevante communautaire en nationale regelingen
2. Artikel 118 A EEG-Verdrag, dat op 1 juli 1987 door de Europese Akte is ingevoerd en vervolgens bij de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie (met wijzigingen) artikel 118 A EG-Verdrag is geworden (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), bepaalde in het eerste lid dat de lidstaten zich beijveren om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen, teneinde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen" en zich de harmonisatie bij de verbetering van de op dit gebied bestaande omstandigheden" ten doel stellen. Hiertoe verleende lid 2 van dit artikel de Raad de mogelijkheid om met de zogenaamde samenwerkings"-procedure door middel van richtlijnen de minimumvoorschriften vast [te leggen] die geleidelijk zullen worden toegepast, met inachtneming van de in elke van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften". Volgens lid 3 van het genoemde artikel beletten de aldus vastgestelde bepalingen niet dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden handhaaft en treft welke met dit Verdrag verenigbaar zijn". Genoemde bepalingen zijn in wezen overgenomen in artikel 137 EG, waarbij zij echter worden geplaatst in het wijdere perspectief van de bescherming van fundamentele sociale rechten, met name van werknemers.
3. Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, is vastgesteld op basis van het toenmalige artikel 118 A EEG-Verdrag. Deze richtlijn heeft ten doel maatregelen in te voeren ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers in alle particuliere of openbare sectoren, terwijl artikel 16, lid 1, bepaalt dat de regels betreffende onder meer de specifieke gebieden bedoeld in de bijlage van de richtlijn, waaronder de regels betreffende werkzaamheden met beeldschermapparatuur", in bijzondere richtlijnen" worden vastgelegd. Deze richtlijn is nog steeds van toepassing, ook al zijn er bijzondere richtlijnen, aangezien de bepalingen ervan onverkort [gelden] voor alle gebieden die onder de bijzondere richtlijnen vallen, onverminderd in die bijzondere richtlijnen vervatte stringentere en/of specifieke bepalingen".
4. De richtlijn van 1990, waar de prejudiciële vragen naar verwijzen, is nu juist een bijzondere richtlijn" (de vijfde, om precies te zijn) in de zin van artikel 16, lid 1, van de algemene richtlijn 89/391. Ervan uitgaande dat de naleving van de minimumvoorschriften die een hogere graad van veiligheid van de met een beeldscherm uitgeruste werkplekken kunnen garanderen dwingend vereist is om de veiligheid en gezondheid van de werknemers te waarborgen", is in genoemde bijzondere richtlijn een reeks minimumvoorschriften vastgesteld, ook op ergonomisch gebied, voor degenen die met beeldschermapparatuur werken, terwijl de bepalingen van richtlijn 89/391/EEG ten volle blijven gelden op dit gebied. Volgens de definitie van artikel 2, sub a, is een beeldscherm" een alfanumeriek of grafisch scherm, ongeacht het gebruikte afbeeldingsprocédé". Sommige minimumvoorschriften van de bijlage van de bijzondere richtlijn betreffen specifiek de voorwaarden waaraan de beeldschermen moeten voldoen. Volgens deze bepalingen moeten de tekens op het beeldscherm onder meer voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot zijn, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels", moet het beeld op het scherm stabiel zijn, zonder flikkering of andere vormen van onstabiliteit", en moeten de luminantie en/of het contrast tussen de tekens en de achtergrond" door de gebruiker van beeldschermstations gemakkelijk kunnen worden bijgesteld. Tot slot zij benadrukt dat de richtlijn volgens artikel 1, lid 3, sub a, niet van toepassing is op bestuurdersplaatsen op voertuigen of machines".
5. Zowel de algemene richtlijn 89/391 als de bijzondere richtlijn van 1990 moesten uiterlijk op 31 december 1992 in nationaal recht zijn omgezet. De Duitse regering heeft deze omzetting te laat doorgevoerd met een federale wet van 7 augustus 1996 en een federale verordening van 4 december 1996. De laatstgenoemde geeft een definitie van beeldscherm" met een formulering die aan de richtlijn van 1990 is ontleend, en sluit, net als de richtlijn, bestuurdersplaatsen op voertuigen of machines" van toepassing uit.
De feiten van het hoofdgeding
6. M. Dietrich, verzoekster in het hoofdgeding, is sinds 1 april 1974 montagetechnicus (cutter") in het productiecentrum van Siegen van de Westdeutsche Rundfunk (WDR"), verweerder in het hoofdgeding, een omroepbedrijf met de rechtsvorm van een publiekrechtelijke nutsinstelling (gemeinnützigen Anstalt des öffentlichen Rechts"), die radio- en televisieprogramma's produceert en uitzendt op het grondgebied van de deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen.
7. De werkzaamheden van Dietrich worden in de verwijzingsbeschikking beknopt beschreven. Als montagetechnicus heeft verzoekster in wezen tot taak om in samenwerking met de makers van de televisiebijdragen eerder opgenomen filmmateriaal (meestal in de vorm van ongemonteerde videofragmenten) samen te stellen en tot een voor uitzending geschikte bijdrage te bewerken (monteren" in vaktermen). Daartoe moet verzoekster voor een groot deel van haar werktijd op controlemonitoren hetzij nog ongesneden video-opnamen bekijken en uitkiezen, hetzij het resultaat van haar bewerking controleren. Verzoekster en de andere montagetechnici beschikken in de studio te Siegen over vier werkplekken die afhankelijk van de voor de bijdrage gekozen montagetechniek - analoog of digitaal - worden gebruikt. Bij de eerste werkwijze, de analoge, waarvoor de eerste twee werkplekken zijn bestemd, kiest de montagetechnicus via een schakelpaneel analoog beeldmateriaal dat op magneetbanden is vastgelegd (meestal videocassettes) en bewerkt het voor de uiteindelijke (eveneens analoge) uitzending; de invoer in het schakelpaneel kan op een afzonderlijke datamonitor worden afgelezen. Het tweede procédé - waarvoor de twee andere werkplekken worden gebruikt - is daarentegen digitaal: het analoge onbewerkte materiaal wordt na een eerste selectie gedigitaliseerd en met behulp van computerprogramma's die door de montagetechnicus via een toetsenbord worden bediend, verder bewerkt tot bijdragen die ook in digitale vorm worden uitgezonden.
8. Verzoeksters werkzaamheden als montagetechnicus brengen met zich mee, dat zij met apparatuur met een beeldscherm moet werken. Tussen verzoekster en de WDR is een geschil gerezen over de toepasselijkheid van de richtlijn van 1990 op deze werkplek, en dus van de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijn. Dit geschil betreft in wezen de betekenis en de draagwijdte van de begrippen beeldscherm", grafisch scherm" en bestuurdersplaats op een machine" van de richtlijn, die zijn overgenomen in de bepalingen waarmee deze richtlijn in nationaal recht is omgezet, gezien de bijzondere aard van het werk van een montagetechnicus. Verzoekster heeft dit geschil aan het Arbeitsgericht Siegen voorgelegd met als doel dat de voordelen van de relevante communautaire en nationale bepalingen ook op haar van toepassing worden verklaard.
De vragen van de verwijzende rechter
9. Bij beschikking van 7 januari 1999, die op 18 januari 1999 bij de griffie van het Hof is neergelegd, heeft het Arbeitsgericht Siegen het Hof drie prejudiciële vragen gesteld die als volgt kunnen worden samengevat:
1) Moet artikel 2, sub a, van de richtlijn van 1990 aldus worden uitgelegd, dat voor de uitlegging van het begrip ,beeldscherm, het begrip ,grafisch scherm ook betrekking kan hebben op de weergave van filmopnamen op monitoren?
2) Zo neen, moet deze bepaling dan aldus worden uitgelegd, dat voor de uitlegging van het begrip ,beeldscherm, het begrip ,grafisch scherm tenminste betrekking kan hebben op de weergave van videobestanden met gedigitaliseerde filmopnamen op monitoren?
3) Indien het antwoord op vraag 1 of vraag 2 bevestigend luidt: moet artikel 1, lid 3, sub a, van de richtlijn dan aldus worden uitgelegd, dat onder een bestuurdersplaats op een machine" in de zin van deze bepaling ook een werkplek moet worden verstaan waarop analoog of gedigitaliseerd beeldmateriaal met behulp van technische apparatuur en/of computerprogramma's wordt bewerkt?
10. De nationale rechter geeft in de verwijzingsbeschikking aan, waarom het antwoord op deze vragen noodzakelijk is voor een juiste beslissing in het hoofdgeding. Voor de beslechting van dit geschil moet namelijk worden nagegaan of de voordelen die zijn voorzien in de federale regeling van 4 december 1996 - waarin de richtlijn van 1990 in Duits recht is omgezet - op het onderhavige geval van toepassing kunnen zijn. Aangezien de definities van de begrippen beeldscherm", grafisch scherm" en bestuurdersplaats op een machine" in bovengenoemde richtlijn grotendeels in de betrokken regeling zijn overgenomen, is de uitlegging van de richtlijn beslissend voor een goed begrip van de terminologie in het nationale recht; de nationale rechter dient het nationale recht immers overeenkomstig het gemeenschapsrecht uit te leggen.
11. Vanuit dit oogpunt geeft de verwijzende rechter de voorkeur aan een ruime uitlegging van de begrippen beeldscherm" en grafisch scherm" in artikel 2, sub a, van de richtlijn om de veiligheid en de gezondheid van werknemers op werkplekken met beeldschermen beter te beschermen, ongeacht het soort grafische afbeeldingen dat op de werkplek wordt gebruikt. Om dezelfde redenen gaat de voorkeur uit naar een enge uitlegging van het begrip bestuurdersplaats op een machine", in geval van een afwijking van de toepassing van de richtlijn als bedoeld in artikel 1, lid 3, sub a, ervan. Daarom zou dit begrip slechts betrekking hebben op werkplekken waar een machine of een technische installatie wordt bestuurd via een systeem van automatische dataverwerking en het beeldscherm enkel dient voor de weergave van de ingevoerde gegevens en van de technische gegevens betreffende het productieproces". In ieder geval erkent de verwijzende rechter dat voor de uitleggingsproblemen die zich in het hoofdgeding voordoen, ook andere oplossingen mogelijk zijn die eveneens op aannemelijke argumenten zijn gebaseerd. Uit deze overwegingen volgt, dat een arrest noodzakelijk is om in de toekomst onzekerheden te vermijden over de werkingssfeer van de richtlijn en daarmee van de nationale regel waarmee deze is omgezet.
De eerste en de tweede vraag
De voorgestelde uitleggingen
12. De Commissie is het met de verwijzende rechter eens, dat de voorkeur moet uitgaan naar een ruime uitlegging van de begrippen beeldscherm" en grafisch scherm", en plaatst het uitleggingsprobleem in het ruimere kader van de definitie van werkplek" in artikel 2, sub b, van de richtlijn van 1990. Overeenkomstig de eis van bescherming van de veiligheid en de gezondheid van het arbeidsmilieu zoals vastgelegd in artikel 118 A EEG-Verdrag en in de algemene bepalingen van richtlijn 89/391, die betrekking heeft op alle particuliere en openbare sectoren, met inbegrip van culturele en vrijetijdsactiviteiten, en waarvan televisie- en radiostations dus niet kunnen worden uitgesloten, moet de richtlijn van 1990 immers zo veel mogelijk werknemers die beeldschermen gebruiken, een passende bescherming bieden. Uit de voorstukken van de richtlijn van 1990 blijkt, dat de communautaire wetgever in principe de bedoeling had, alle mogelijke vormen van gebruik van apparatuur met beeldschermen in de richtlijn op te nemen en de werknemers die er gebruik van maken een passende bescherming te bieden. De formulering van artikel 2, sub a, is volgens de Commissie niet in tegenspraak met een ruimere uitlegging van het begrip beeldscherm". Technisch gezien bestaat er tussen de weergave van alfanumerieke tekens of van grafiek en de weergave van lopende beelden, ongeacht de gebruikte techniek voor de weergave van beelden - analoog of digitaal -, geen relevant verschil. In alle gevallen straalt het beeldscherm (...) elektronen in de vorm van lichtpunten van variabele intensiteit uit", en is het doel van de richtlijn juist de werknemers tegen de mogelijk hieruit voortvloeiende gevaren voor de gezondheid te beschermen door hun bepaalde voordelen toe te kennen.
13. De WDR en de Nederlandse regering daarentegen geven het Hof in overweging, de begrippen beeldscherm" en grafisch scherm" letterlijk uit te leggen. Op de werkplek van een montagetechnicus bij de televisie geven de monitoren voornamelijk filmmateriaal weer, en zijn de begrippen alfanumeriek scherm" of grafisch scherm", waarmee de richtlijn het begrip beeldscherm" omschrijft, dus niet van toepassing. Het begrip grafisch scherm" betreft uitsluitend de weergave van schema's, grafieken, diagrammen of in elk geval tekeningen en kunstmatige afbeeldingen op beeldschermen, zodat de weergave van bewegende beelden per definitie is uitgesloten. Wat deze bewegende beelden betreft, gebruikt de montagetechnicus de monitor niet om een tekening, een schema of een kunstmatige afbeelding te maken, maar alleen om dit reeds bestaande filmmateriaal te bekijken teneinde in overleg met de auteur of de regisseur de uit te zenden bijdrage te maken. Volgens de WDR valt ook de weergave van videobestanden met filmopnamen in digitale vorm op monitoren niet onder het begrip grafisch scherm": het eindresultaat van een dergelijke weergave bestaat vanuit het standpunt van de kijker uit sequenties van bewegende beelden die volledig gelijk zijn aan analoge beelden. Bovendien wordt in de definitie van het begrip beeldscherm" van de richtlijn het gebruikte afbeeldingsprocédé volledig buiten beschouwing gelaten. Tot staving van zijn standpunt verwijst de WDR naar de door hem geïnitieerde technische norm DIN 15996 betreffende elektronische bewerking van bewegende beelden en geluid, in film-, video- en omroepbedrijven die niet voor filmmontagetafels" geldt.
Voorgestelde uitlegging
14. Naar mijn opvatting moet artikel 2, sub a, van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip grafisch scherm" de weergave van ieder type beeld omvat. Dit resultaat volgt uit de formulering van de bepaling, het beschermingsdoel van de richtlijn, de bedoeling van de communautaire wetgever, het normatieve kader van de richtlijn en tot slot de praktische eisen van de betrokken werkomgeving.
15. Wat de formulering van de richtlijn betreft, heb ik reeds aangegeven dat een beeldscherm" wordt omschreven als een alfanumeriek of grafisch scherm, ongeacht het gebruikte afbeeldingsprocédé". Uit technisch oogpunt is het weergaveprocédé van tekens, cijfers, symbolen, grafieken of beelden - of deze laatste nu kunstmatig of reëel, statisch of bewegend zijn - op beeldschermen volkomen hetzelfde. In alle gevallen zijn het elektronenbundels die de binnenkant van het beeldscherm raken en via een ingewikkeld technisch proces een beeld vormen. Bewegende beelden zijn in werkelijkheid niets anders dan sequenties van statische beelden die uit een aantal parallelle regels bestaan en die elkaar naargelang de gekozen frequentie in een bepaald tempo opvolgen; zij werken zodanig op het netvlies van het menselijk oog in, dat de illusie van beweging ontstaat. Vanuit dit oogpunt is er geen enkele reden om aan de begrippen alfanumeriek scherm" of grafisch scherm" waarmee in artikel 2, sub a, van de richtlijn het verzamelbegrip beeldschermen" nader wordt omschreven, geen betekenis toe te kennen die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn in beginsel de weergave van alle soorten beelden omvat.
16. Voor de kijker - of de werknemer voor het beeldscherm - is het gezondheidsrisico niet afhankelijk van het soort beelden dat op het beeldscherm wordt weergegeven, maar van de vraag hoeveel tijd hij voor het scherm doorbrengt. Het beeldscherm geeft namelijk een straling af die, wanneer iemand te lang daaraan wordt blootgesteld, het gezichtsvermogen en de algehele gezondheid ernstig kan schaden. Het potentiële risico van beeldschermen is geheel onafhankelijk van hetgeen op het scherm wordt afgebeeld. Het is een constant en ongedifferentieerd risico dat inherent is aan werkzaamheden waarbij deze schermen worden gebruikt en dat gepaste maatregelen voor de bescherming van de gezondheid van de betrokken werknemers noodzakelijk maakt. De richtlijn bevat dergelijke maatregelen in de vorm van een reeks minimumregels ter vermindering van de risico's en schrijft onder meer een regelmatige onderbreking van de dagelijkse arbeid aan het beeldscherm door rustpauzes of andersoortige activiteiten voor, waardoor de belasting van het werken met een beeldscherm wordt verlicht", alsmede vormen van aangepaste bescherming van de ogen en het gezichtsvermogen van de werknemers. Het risico dat aan blootstelling aan beeldschermen is verbonden, is dan ook niet afhankelijk van het soort afbeelding, maar van de intensiteit van de straling die het apparaat afgeeft. Een verschil in behandeling, afhankelijk van het soort beelden dat wordt weergegeven, is daarom uit technisch en uit medisch oogpunt niet geboden.
17. Maar er zijn nog andere goede redenen om het begrip grafisch scherm" zeer ruim uit te leggen.
18. Het doel van de richtlijn is de bescherming van werknemers die met beeldschermen werken. Om dit doel daadwerkelijk te bereiken, moet aan het begrip beeldscherm" in artikel 2, sub a, van de richtlijn een ruime betekenis worden gegeven om deze bescherming - afgezien van de vermelde uitzonderingen - op zoveel mogelijk werkplekken van toepassing te laten zijn. Een enge uitlegging, zoals door de WDR en de Nederlandse regering wordt voorgesteld, zou strijdig zijn met de verplichting om de gezondheid van werknemers doeltreffend te beschermen in een ruimer perspectief van bescherming van de volksgezondheid. De inaanmerkingneming van aspecten betreffende de volksgezondheid is echter voornamelijk gebaseerd op vereisten van hogere orde, verband houdende met de bescherming van de mensenrechten, die de basis vormen van de gehele communautaire rechtsorde". Met eventuele economische of commerciële belangen bij de uitsluiting van bepaalde groepen werknemers - zoals montagetechnici bij de televisie - van de hun door de richtlijn geboden bescherming kan daarom geen rekening worden gehouden: de met de bescherming van de volksgezondheid verband houdende eisen hebben ontegenzeglijk meer gewicht dan de belangen van economische of commerciële aard, overeenkomstig de doelstellingen om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren, zoals in het Verdrag omschreven, en de beginselen die op dit gebied aan het gemeenschapsrecht ten grondslag liggen".
19. Het Hof heeft zich door soortgelijke overwegingen laten leiden in het arrest van 12 december 1996 in de gevoegde zaken C-74/95 en C-129/95, wat tot dusverre het enige arrest op dit gebied was. Bij het bepalen van de grenzen van de werkingssfeer van verschillende bepalingen van de richtlijn van 1990 gaf het Hof de voorkeur aan een ruime uitlegging van de begrippen werknemer" en werkplek", gezien de verplichting om een minimumniveau van veiligheid en bescherming te garanderen. Op basis van dat uitgangspunt overwoog het Hof dat artikel 9, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat alle werknemers die onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, een periodiek oogonderzoek overeenkomstig deze bepaling moeten ondergaan", dat artikel 9, lid 2, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de werknemers een oftalmologisch onderzoek moeten kunnen ondergaan in alle gevallen waarin de resultaten van het in lid 1 bedoelde onderzoek van de ogen en het gezichtsvermogen zulks vereisen", dat de artikelen 4 en 5 van de richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat de daarin vervatte verplichting [tot het nemen van passende maatregelen opdat de werkplekken aan de minimumvoorschriften van de bijlage voldoen] van toepassing is op alle werkplekken, zoals gedefinieerd in artikel 2, sub b, zonder dat zij moeten zijn bezet door werknemers in de zin van artikel 2, sub c", en dat de werkplekken aan alle minimumvoorschriften van de bijlage moeten voldoen". Ik zie geen reden om een dergelijke ruime uitlegging van de definities in de richtlijn niet ook zou moeten worden toegepast op de minder gevoelige begrippen beeldscherm" en grafisch scherm".
20. Uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid kan niet worden getwijfeld aan de bedoeling van de communautaire wetgever om alle werkplekken met een beeldscherm - met alleen de in artikel 1, lid 3, genoemde uitzonderingen - binnen de werkingssfeer van de richtlijn te laten vallen. De voorstukken, en vooral het voorstel van de Commissie voor een richtlijn, bevestigen deze bedoeling. Ook de formulering van artikel 1, lid 1, betreffende het doel van de richtlijn, laat weinig ruimte voor twijfel; de opmerking dat in deze richtlijn minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid worden vastgesteld betreffende het werken met beeldschermapparatuur als omschreven in artikel 2", impliceert immers dat de richtlijn van algemene toepassing is, waarbij artikel 2 (Definities") alleen duidelijkheid moet scheppen over de courante betekenis van de begrippen beeldscherm", werkplek" en werknemer".
21. Ook worden mijn overwegingen nog gestaafd door de normatieve context van de richtlijn van 1990. De richtlijn is immers een bijzondere richtlijn" in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391. Deze twee richtlijnen bevatten minimumvoorschriften voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op grond van artikel 118 A EEG-Verdrag, dat in het hoofdstuk Sociale bepalingen" is opgenomen. In dit verband moet naar mijn mening worden benadrukt, dat de definities in artikel 2 van de richtlijn van 1990 een middel zijn om het beschermingsdoel van de richtlijn te bereiken, en strikt in overeenstemming met dat doel moeten worden uitgelegd en toegepast. Dit zou duidelijk anders zijn indien het zou gaan om een harmonisatierichtlijn" op basis van het toenmalige artikel 100 A EEG-Verdrag (vervolgens artikel 100 A EG-Verdrag en thans, na wijziging, artikel 95 EG). In dat geval zouden deze definities namelijk zijn bedoeld voor de harmonisatie van de rechtsstelsels in het kader van de interne markt en zouden zij ongetwijfeld zijn bedoeld zijn om de werkingssfeer van de richtlijn strikt af te bakenen. Dit betekent naar mijn mening, dat de verwijzing naar de technische DIN-norm 15996 door de WDR is te zien als niets meer dan een concrete toepassing van de in de richtlijn voorgeschreven beschermingseisen op het gebied van film, omroep en televisie, maar niet als een afbakening van de werkingssfeer van de richtlijn.
22. Tot slot wil in nog opmerken, dat de door mij bepleite uitlegging verenigbaar is met de organisatorische eisen die met de werkzaamheden van montagetechnici verbonden zijn. De WDR wijst er namelijk zelf op, dat deze activiteit regelmatig wordt onderbroken om technische redenen (vervangen van te bekijken cassettes, terugspoelen van de film enzovoort) of voor overleg tussen de montagetechnicus en de auteur of de regisseur van de bijdrage. Het is naar zijn aard dus een activiteit die niet voortdurend en zonder onderbreking moet worden uitgeoefend. Hierdoor kan er naar mijn mening voor montagetechnici zonder problemen een regeling met rustpauzes of afwisseling van werkzaamheden in de zin van artikel 7 van de richtlijn worden ingevoerd, zeker wat de in de bijlage opgenomen minimumvoorschriften" betreft.
23. Concluderend ben ik van mening, dat de eerste twee vragen over de toepasselijkheid van het begrip grafisch scherm" op de weergave van filmmateriaal of videobestanden met beeldopnamen in gedigitaliseerde vorm, tezamen moeten worden beantwoord. Het betreft namelijk twee verwante vragen, hoewel de tweede slechts wordt gesteld voor het geval de eerste ontkennend wordt beantwoord. Een onderscheid tussen de weergave van beelden met analoge en met digitale techniek lijkt mij niet van belang: volgens de richtlijn is het gebruikte weergaveprocédé absoluut niet relevant. De weergave van filmmateriaal op beeldschermen moet daarom net zo worden behandeld als die van videobestanden met digitale filmopnamen. Ik geef dan ook in overweging, de eerste twee vragen tezamen aldus te beantwoorden, dat voor de definitie van het begrip beeldscherm" in artikel 2, sub a, van de richtlijn van 1990, het begrip grafisch scherm" betrekking heeft op de weergave van alle soorten beelden, met inbegrip van de weergave van filmdocumenten op monitoren, ongeacht of het opnamen in analoge vorm of videobestanden met digitale opnamen betreft.
De derde vraag
Voorgestelde uitleggingen
24. De Commissie pleit voor een enge uitlegging van het begrip bestuurdersplaats op een machine" als uitzondering op de toepassing van de bijzondere beschermingsregeling van werknemers in artikel 1, lid 3, van de richtlijn van 1990. Het doel van de communautaire wetgever was naar haar mening, de afwijkingen van de toepassing van de richtlijn tot zeer nauw omschreven gevallen te beperken, zoals tot de gevallen waarin het beeldscherm weliswaar door de werknemer moet worden gebruikt, maar niet het wezenlijke deel van zijn activiteit uitmaakt. Bij de uitlegging van de richtlijn, en dus ook van de nationale regeling, moet hier volgens de Commissie rekening mee worden gehouden.
25. Volgens de WDR betreffen de bepalingen van de richtlijn daarentegen voornamelijk werkzaamheden op kantoor of, meer in het algemeen, werkzaamheden van administratieve aard, en kunnen zij niet worden toegepast op andere sectoren of gebieden. Daarvoor zijn de afwijkingen in artikel 1, lid 3, van de richtlijn voorzien, waaronder juist de afwijkingen betreffende een bestuurdersplaats op een machine". Daaronder wordt verstaan een bestuurdersplaats die deel uitmaakt van een machine wanneer door middel van een besturingssysteem met een beeldscherm rechtstreeks in het productieproces van de machine kan worden ingegrepen". In het onderhavige geval verricht een montagetechnicus zijn taak op een werkplek waar de filmdocumenten worden bewerkt met behulp van een technisch apparaat dat is voorzien van een geïntegreerd schakelpaneel met beeldscherm, hetgeen sterk overeenkomt met het gebruik van diagnose-apparatuur in de medische sector. De werkplek van een montagetechnicus bij de televisie is volgens de WDR dus in ieder opzicht een bestuurdersplaats op een machine" en valt daarom buiten de werkingssfeer van de richtlijn.
Mijn uitleggingsvoorstel
26. Om de hierboven uiteengezette redenen ben ik van mening dat de werkingssfeer van de richtlijn van 1990 zich uitstrekt tot alle werkplekken met een beeldscherm, met uitzondering van de afwijkingen die in artikel 1, lid 3, uitputtend zijn opgenoemd.
27. De in artikel 1, lid 3, genoemde uitzonderingsgevallen kunnen, afhankelijk van het gebruik van het beeldscherm en de ernst van de aan het gebruik ervan verbonden risico's, in twee categorieën worden verdeeld. De eerste categorie betreft de gevallen waarin het beeldscherm op bestuurdersplaatsen op voertuigen of machines" of in transportmiddelen" zijn aangebracht, en dus bij de bediening van een voertuig of een machine een dienende rol speelt. Tot de tweede categorie behoren daarentegen alle gevallen waarin de risico's die zich door de aanwezigheid van het beeldscherm voor de werknemer voordoen, gering of zelfs afwezig zijn. Dit geldt voor computersystemen die in de eerste plaats bestemd zijn voor gebruik door het publiek"; het gebruik van zogenaamde draagbare" systemen die niet aanhoudend worden gebruikt op een werkplek"; apparatuur die voorzien is van een klein display voor gegevens of hoeveelheden, dat nodig is voor het directe gebruik van die apparatuur" en tot slot voor conventionele schrijfmachines.
28. Het begrip bestuurdersplaats op een machine" in artikel 1, lid 3, sub a, is naar mijn mening van de werkingssfeer van de richtlijn uitgesloten omdat beeldschermen op zulke werkplekken in verhouding tot de hoofdfunctie van de machine slechts een marginale of ondergeschikte rol spelen bij de bediening ervan. De afwijking wordt gerechtvaardigd door de dienende rol die zij spelen. Ik deel in dit verband de mening van de verwijzende rechter en ben ervan overtuigd dat artikel 1, lid 3, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het begrip bestuurdersplaats op een machine" uitsluitend betrekking heeft op een werkplek waar een werknemer een machine of een technische installatie bedient met behulp van een eenheid voor de verwerking van technische gegevens die slechts op een beeldscherm de gegevens weergeeft die door de werknemer worden ingevoerd of tijdens het productieproces door die eenheid worden geleverd.
29. Of het begrip bestuurdersplaats op een machine" in het onderhavige geval betrekking heeft op de werkzaamheden van een montagetechnicus bij de televisie, hangt af van de rol die de beeldschermen spelen bij de bewerking van de filmdocumenten. Het staat daarom aan de nationale rechter om te beoordelen of een werkplek waar analoge of digitale filmdocumenten met behulp van technische apparatuur of computerprogramma's worden bewerkt, een bestuurdersplaats op een machine" is.
Conclusies
30. Gezien het een en ander stel ik het Hof voor, de vragen van het Arbeitsgericht Siegen als volgt te beantwoorden:
1) Artikel 2, sub a, van richtlijn 90/270/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur (vijfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) moet aldus worden uitgelegd, dat voor de daarin gegeven definitie van het begrip ,beeldscherm, het begrip ,grafisch scherm betrekking heeft op de weergave van alle soorten beelden, met inbegrip van de weergave van filmopnamen op monitoren, ongeacht of het opnamen in analoge vorm of videobestanden met digitale opnamen betreft.
2) Artikel 1, lid 3, sub a, van de richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat het begrip ,bestuurdersplaats op een machine uitsluitend betrekking heeft op een werkplek waar een werknemer een machine of een technische installatie bedient met behulp van een eenheid voor de verwerking van technische gegevens die slechts op een beeldscherm de gegevens weergeeft die door de werknemer worden ingevoerd of tijdens het productieproces door die eenheid worden geleverd. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of een werkplek waar analoge of digitale filmdocumenten met behulp van technische apparatuur of computerprogramma's worden bewerkt, onder dit begrip valt."
Full & Egal Universal Law Academy