Conclusie van de advocaat generaal
1. Na zijn artsenopleiding in Oostenrijk keerde de Luxemburger J. Erpelding terug naar zijn geboorteland om er, met vergunning van de bevoegde Luxemburgse autoriteiten, als specialist inwendige geneeskunde werkzaam te zijn.
Ondanks zijn Oostenrijks diploma van specialist inwendige geneeskunde - onderdeel cardiologie" (Fachartzt für innere Medizin - Teilgebiet Kardiologie") werd hem door de Luxemburgse minister van Volksgezondheid het voeren van de beroepstitel specialist cardiologie ontzegd, op grond dat cardiologie in Oostenrijk geen officieel erkende specialisatie is.
2. In het hoofdgeding is nu de vraag gerezen, van welke voorwaarden de erkenning van een in een lidstaat verkregen beroepstitel in een andere lidstaat afhangt en op welke wijze een in die omstandigheden verkregen opleidingstitel kan worden gebruikt.
I - Richtlijn 93/16
3. Richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 strekt tot vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels.
4. Artikel 6, dat van toepassing is op diploma's, certificaten en andere titels van specialist die in twee of meer lidstaten bestaan, luidt als volgt:
Elke lidstaat, die ter zake geldende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen kent, erkent de door de overige lidstaten aan onderdanen van lidstaten overeenkomstig de artikelen 24, 25, 27 en 29 afgegeven en in artikel 7 vermelde diploma's, certificaten en andere titels van specialist, door daaraan op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels."
5. Met uitzondering van artikel 7 coördineren de in artikel 6 genoemde artikelen de nationale bepalingen betreffende de werkzaamheden van specialist met het oog op de onderlinge erkenning van de overeenkomstige titels. Zij voorzien, onder meer, in enige minimumcriteria (...), zowel voor de toegang tot de gespecialiseerde opleiding als voor de minimumduur van deze opleiding, de wijze waarop en de plaats waar deze moet plaatsvinden, alsmede voor het toezicht dat erop moet worden uitgeoefend".
6. Sinds de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie luidt artikel 7 als volgt:
1. De in artikel 6 bedoelde diploma's, certificaten en andere titels zijn die welke door de in artikel 5, lid 2, genoemde bevoegde autoriteiten of instanties zijn afgegeven en welke voor de desbetreffende specialisaties beantwoorden aan de in lid 2 van dit artikel opgenomen benamingen voor de lidstaten waar zij bestaan.
2. De in de lidstaten geldende benamingen voor de desbetreffende specialisaties zijn:
(...)
- cardiologie
(...)
Luxemburg: cardiologie et angiologie
(...)"
7. Artikel 10, lid 1, van de richtlijn, dat deel uitmaakt van hoofdstuk V, Het voeren van de opleidingstitel", luidt als volgt:
Onverminderd artikel 19, ziet de ontvangende lidstaat erop toe dat de onderdanen van de lidstaten die aan de in de artikelen 2, 4, 6 en 9 gestelde voorwaarden voldoen, het recht hebben gebruik te maken van hun wettelijke opleidingstitel, van de lidstaat van oorsprong of herkomst, en eventueel van de afkorting daarvan, in de taal van deze lidstaat. De ontvangende lidstaat kan voorschrijven dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend."
8. Artikel 19, dat deel uitmaakt van hoofdstuk VI, Maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en van vrije dienstverrichting van de arts", luidt als volgt:
Wanneer in een ontvangende lidstaat voorschriften gelden voor het voeren van de beroepstitel voor een der werkzaamheden van de arts, voeren de onderdanen van de andere lidstaten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2 en van artikel 9, leden 1, 3 en 5, de beroepstitel die in het ontvangende land met deze voorwaarden inzake opleiding overeenkomt, en maken zij gebruik van de afkorting van deze titel.
De eerste alinea is ook van toepassing op het voeren van de titel van specialist door diegenen die voldoen aan de voorwaarden welke achtereenvolgens zijn genoemd in de artikelen 4 en 6 en in artikel 9, leden 2, 4, 5 en 6."
II - De feiten en het hoofdgeding
9. Op 30 maart 1985 behaalde Erpelding aan de universiteit van Innsbruck het Oostenrijkse diploma van Doktor der gesamten Heilkunde" (doctor in de medicijnen). Dit diploma werd op 11 april 1986 door het Luxemburgse Ministerie van Onderwijs gehomologeerd.
10. Op 10 april 1991 kreeg hij van de Österreichische Ärztekammer, de beroepsorganisatie van Oostenrijkse artsen, vergunning de geneeskunde uit te oefenen als Fachartzt für Innere Medizin" (specialist inwendige geneeskunde). Bij beschikking van de Luxemburgse minister van Volksgezondheid van 29 augustus 1991 werd hem toestemming gegeven om in Luxemburg het beroep van specialist inwendige geneeskunde uit te oefenen.
11. Op 11 mei 1993 verkreeg Erpelding van de Österreichische Ärztekammer het diploma van Facharzt für Innere Medizin - Teilgebiet Kardiologie" (specialist inwendige geneeskunde - onderdeel cardiologie). Bij beschikking van 9 juli 1993 stond de Luxemburgse minister van Volksgezondheid Erpelding toe, naast zijn beroepstitel specialist inwendige geneeskunde ook zijn opleidingstitel in de taal van de staat van zijn opleiding te voeren, dus Facharzt für Innere Medizin - Teilgebiet Kardiologie".
12. Op 15 april 1997 deelde Erpelding de minister van Volksgezondheid mee, dat hij voornemens was zich geheel op de cardiologie toe te leggen, en dat hij, wanneer hem werd toegestaan de beroepstitel van specialist cardiologie te voeren, bereid was afstand te doen van zijn beroepstitel van specialist inwendige geneeskunde.
13. Bij beschikking van 25 april 1997 wees de minister van Volksgezondheid dat verzoek af, op grond dat cardiologie niet een door de Oostenrijkse autoriteiten erkende specialisatie was, en dat Erpelding daarom niet kon worden toegestaan de geneeskunde in die specialisatie uit te oefenen. De minister voegde daaraan toe, dat het hem niet toekwam buitenlandse diploma's om te zetten, en dat volgens de Luxemburgse wetgeving diploma's enkel in hun oorspronkelijke formulering konden worden erkend.
14. Op vordering van Erpelding werd deze beschikking door het Luxemburgse Tribunal administratif bij vonnis van 18 februari 1998 nietig verklaard, onder meer wegens schending van artikel 19 van de richtlijn.
15. Op 31 maart 1998 heeft de minister van Volksgezondheid bij de Cour administrative beroep van dit vonnis ingesteld.
III - De prejudiciële vragen
16. Van oordeel, dat de beslechting van het geschil afhing van de uitlegging niet slechts van artikel 19 van de richtlijn, betreffende het voeren van de beroepstitel van arts, maar ook van artikel 10, betreffende het voeren van de opleidingstitel van arts, heeft de Cour administrative besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.
17. De vragen van de verwijzende rechter luiden als volgt:
1) Heeft een verzoeker die in het bezit is van een in een andere lidstaat behaalde titel die echter niet voorkomt op de lijst van gespecialiseerde opleidingen van artikel 7 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, en die op basis van zijn in een andere lidstaat volbrachte opleiding verzoekt om toestemming tot het voeren van de overeenkomstige beroepstitel in de ontvangende lidstaat, aanspraak op toepassing van artikel 19 van richtlijn 93/16?
Zo nee:
2) Verleent artikel 10 van richtlijn 93/16 aan de houders van in een andere lidstaat verkregen opleidingstitels enkel de bevoegdheid hun opleidingstitel en eventueel de afkorting daarvan te gebruiken, of moet de richtlijn integendeel zo worden uitgelegd, dat enkel het voeren van de opleidingstitel in de taal van het land waar de titel werd verleend, kan worden toegestaan, met uitsluiting van gelijkwaardige titels in de taal en volgens de nomenclatuur van de ontvangende lidstaat?"
IV - De eerste prejudiciële vraag
Inleidende opmerkingen
18. Deze vraag wordt niet door alle partijen op dezelfde manier gelezen, daarom eerst enkele preciseringen met betrekking tot de inhoud ervan.
19. Zo zet Erpelding uiteen, dat de erkenning van een buitenlands diploma, waaruit het recht voortvloeit het beroep van medisch specialist uit te oefenen, iets anders is dan het voeren van de opleidingstitel. Hoewel hij daaraan geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van de gestelde vraag wenst te verbinden, betoogt hij, dat het in casu enkel gaat om het voeren van de opleidingstitel.
20. Deze opvatting lijkt mij niet juist.
21. In het geding voor de nationale rechter gaat het niet slechts om het recht op het voeren van de opleidingstitel, maar ook om de bevoegdheid de beroepstitel te voeren. Dit geeft Erpelding zelf toe wanneer hij artikel 19 van de richtlijn aanhaalt en erop wijst, dat het Tribunal administratif, welks vonnis in hoger beroep aan de verwijzende rechter is voorgelegd, heeft geoordeeld, dat hij gerechtigd is de beroepstitel van cardioloog te voeren.
22. In de tweede plaats is het vaste rechtspraak, dat enkel de nationale rechter die kennis neemt van het geschil en verantwoordelijk is voor de te geven beslissing, dient te beoordelen of, gelet op de bijzonderheden van de zaak, een prejudiciële verwijzing noodzakelijk is voor zijn uitspraak in de zaak en welke vragen hij daartoe aan het Hof moet stellen. Wanneer de door de nationale rechter gestelde vragen de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht betreffen, is het Hof in beginsel dus verplicht ze te beantwoorden.
23. Voorts is volgens dezelfde rechtspraak artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) gebaseerd op een duidelijke functiescheiding tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof en is er derhalve geen plaats voor kritiek van het Hof op de redengeving van de verwijzingsbeschikking. Het Hof kan bijgevolg het verzoek van de nationale rechter slechts afwijzen, indien de door die rechter gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband blijkt te hebben met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
De eerste vraag nu betreft duidelijk het voeren van de beroepstitel en dit wordt bevestigd door de verwijzingsbeschikking, waarin de nationale rechter verklaart, dat verzoekers beroep strekt tot het verkrijgen van toestemming om de beroepstitel van specialist cardiologie te voeren". De eerste prejudiciële vraag moet derhalve aldus worden gelezen, dat verzocht wordt te preciseren, onder welke voorwaarden het voeren van de beroepstitel van specialist kan worden toegestaan.
24. De Italiaanse regering stelt van haar kant voor, artikel 19 uit te leggen in samenhang met artikel 9, lid 5, van de richtlijn, dat in casu van toepassing zou zijn.
25. Laatstgenoemde bepaling, waarnaar in artikel 19 wordt verwezen, betreft de door artsen vóór de inwerkingtreding van de richtlijn verworven rechten. Er wordt in bepaald, dat ten aanzien van de onderdanen van de lidstaten, wier diploma's, certificaten en andere titels van specialist niet overeenkomen met de voor elke lidstaat in artikel 7 vermelde benamingen, elke lidstaat als genoegzaam bewijs erkent de door die lidstaten afgegeven titels, vergezeld van een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verklaring. In die verklaring moet staan, dat die titels zijn afgegeven na afsluiting van een opleiding die in overeenstemming is met de in artikel 6 genoemde bepalingen, en dat zij door de lidstaat die ze heeft afgegeven, worden gelijkgesteld met die waarvan de benamingen voorkomen in artikel 7.
26. Volgens de Italiaanse regering moet artikel 19 van de richtlijn aldus worden uitgelegd, dat in een situatie waarin toepassing van artikel 9 op haar plaats is, het voeren van de beroepstitel slechts wordt toegestaan wanneer deze door de lidstaat van oorsprong of herkomst die hem heeft afgegeven, met een van de in artikel 7 vermelde titels wordt gelijkgesteld. Zonder deze gelijkstelling zou elke lidstaat de gelijkwaardigheid van de titels eenzijdig kunnen bepalen. In casu nu bestaat de specialistentitel waarvan erkenning wordt gevraagd, als zodanig niet in de staat van herkomst.
27. Overeenkomstig vaste rechtspraak staat het uitsluitend aan het Hof om, in het geval van onnauwkeurig geformuleerde vragen, uit het geheel van de door de nationale rechter verstrekte gegevens en het dossier van de hoofdzaak de elementen van gemeenschapsrecht te distilleren die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven.
28. Over het door de Italiaanse regering ter sprake gebrachte probleem en de toepasselijkheid van artikel 9 wil ik geen uitspraak doen; ik wijs er slechts op, dat in de eerste prejudiciële vraag enkel de artikelen 19 en 7 worden genoemd. Dit suggereert, dat de verwijzende rechter wenst te worden voorgelicht over de uitlegging van artikel 19, in zoverre het verwijst naar artikel 6, dat zelf weer een verwijzing naar artikel 7 bevat, en niet over artikel 9. Ook overigens bevat het dossier niets wat zou kunnen suggereren, dat de vordering van Erpelding op enigerlei wijze op dat artikel gebaseerd is.
29. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt immers niet, dat de nationale rechter zich tot het Hof heeft gewend met het oog op uitlegging van artikel 9, ofschoon in artikel 19 naar die bepaling wordt verwezen. In de eerste plaats spreekt de Cour administrative nergens over artikel 9. In de tweede plaats zegt Erpelding zelf in zijn verzoek van 15 april 1997 noch in zijn schriftelijke opmerkingen, dat hij een verklaring als in artikel 9 voorgeschreven voor de erkenning van verworven rechten op de uitoefening van een medische specialisatie, bezit of moet overleggen.
30. Uit de beschrijving in de verwijzingsbeschikking van de feiten en het verloop van de nationale procedure blijkt, dat de oplossing van het bij de nationale rechter aanhangige geding afhangt van de vraag, of de omstandigheid dat een in een andere lidstaat verkregen titel niet voorkomt op de lijst van opleidingen van artikel 7, voor de bevoegde autoriteiten van de ontvangende staat reden kan zijn om toestemming tot het voeren van de overeenkomstige beroepstitel te weigeren.
31. Met die vraag wenst de verwijzende rechter dus te vernemen, of artikel 19 van de richtlijn zich ertegen verzet, dat een lidstaat waarin de werkzaamheid van specialist is gereglementeerd, aan een van zijn onderdanen, die in een andere lidstaat een titel van specialist heeft verworven, het voeren van de beroepstitel in de ontvangende lidstaat weigert op grond dat de titel van de lidstaat van herkomst niet met een van de in artikel 7 van de richtlijn vermelde benamingen overeenkomt.
Het recht het voeren van de beroepstitel te weigeren
32. Met betrekking tot de titels van specialist, zo vat de Commissie het samen, worden in de richtlijn drie gevallen onderscheiden:
- de uit hoofde van verworven rechten erkende titels van specialist (artikel 9). Volgens de achtste overweging van de considerans van de richtlijn immers [zijn] voor de diploma's, certificaten en andere titels van arts, die door de lidstaten zijn afgegeven na opleidingen die voor de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, zijn aangevangen, voorschriften nodig (...) met betrekking tot de verworven rechten";
- de titels van specialist die in alle lidstaten bestaan en worden verkregen na een gespecialiseerde opleiding, waarvan de benaming in elke lidstaat voorkomt in artikel 5, lid 3, van de richtlijn. Ingevolge artikel 4 wordt een dergelijke titel in alle lidstaten automatisch erkend;
- de titels van specialist die in twee of meer lidstaten bestaan en worden verkregen na een gespecialiseerde opleiding, waarvan de benaming in de lidstaten waar die gespecialiseerde opleiding bestaat, voorkomt in artikel 7, lid 2, van de richtlijn. Ingevolge artikel 6 wordt die titel erkend in de lidstaten waar de desbetreffende gespecialiseerde opleiding bestaat. Tot de in artikel 7, lid 2, vermelde opleidingen behoort die in de cardiologie.
33. Onder de rubriek cardiologie" vermeldt die bepaling voor Luxemburg de benaming cardiologie en angiologie". Voor Oostenrijk daarentegen ontbreekt iedere vermelding.
34. Hieruit moet worden afgeleid, dat Luxemburg een titel afgeeft waaruit blijkt van een gespecialiseerde opleiding op het gebied van cardiologie en angiologie, terwijl Oostenrijk, waar een dergelijke opleiding niet wordt gegeven, geen overeenkomstige titel kent.
35. Luxemburg is daarom niet verplicht, aan een door Oostenrijk afgegeven titel van specialist met betrekking tot het bijzondere gebied van de cardiologie,hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan een Luxemburgse titel, afgegeven na een in Luxemburg gevolgde opleiding op het gebied van de cardiologie en de angiologie.
36. Wanneer het niet meer enkel gaat om de erkenning van titels van specialist, maar ook om het recht de daarmee overeenkomende beroepstitel te voeren, dient men in het oog te houden, dat voor de erkenning van dat recht dezelfde voorwaarden gelden, zoals blijkt bij lezing van artikel 19 van de richtlijn.
37. Volgens artikel 19, tweede alinea, dient voor het voeren van de titel van specialist te zijn voldaan aan de in artikel 6 gestelde voorwaarden. In dit artikel wordt verwezen naar de in de artikelen 24, 25, 27 en 29 bepaalde voorwaarden inzake opleiding en naar het bezit van een titel, afgegeven na een opleiding waarvan de benaming is vermeld in artikel 7, lid 2. Uit deze verwijzing naar de opleidingsvoorwaarden, waarvan zowel de erkenning afhangt van de in een andere lidstaat verkregen titels, die daardoor hetzelfde rechtsgevolg in de ontvangende lidstaat krijgen, als het recht tot het voeren van de beroepstitel in laatstgenoemde lidstaat, blijkt, dat het recht het beroep van specialist uit te oefenen, en het recht de overeenkomstige beroepstitel te voeren, ten nauwste samenhangen.
38. Met andere woorden, wanneer aan de in artikel 6 bedoelde opleidingsvoorwaarden is voldaan, is de ontvangende lidstaat die de betrokken specialistische opleiding kent, verplicht het in de lidstaat van oorsprong of herkomst verkregen daarmee overeenkomende diploma te erkennen en de betrokkene het recht te verlenen de overeenkomstige beroepstitel te voeren.
39. Wanneer, omgekeerd, niet aan die voorwaarden is voldaan en een vermelding van de overeenkomstige opleiding in artikel 7 ontbreekt, behoeft de ontvangende lidstaat geen toestemming voor de beroepsuitoefening te geven en het recht op het voeren van de beroepstitel niet te erkennen.
40. Omdat hij, in de zin waarin artikel 6 dat bedoelt, de ter zake geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen kent, kan een ontvangende lidstaat dus niet gedwongen worden een door een andere lidstaat afgegeven titel gelijk te stellen met zijn eigen beroepstitels, zolang hij niet de zekerheid heeft dat voldaan is aan de minimumvoorwaarden inzake opleiding, genoemd in de artikelen 24, 25, 27 en 29, waarnaar artikel 6 verwijst.
41. Zoals duidelijk aangegeven in het intitulé, moet de richtlijn het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels vergemakkelijken, wat wil zeggen dat artsen die in een lidstaat zijn opgeleid, zich vrij in een andere moeten kunnen vestigen en er diensten moeten kunnen verrichten.
Deze doelstellingen impliceren niet enkel, dat verschil in behandeling op grond van nationaliteit verboden is, maar ook dat er positieve maatregelen worden getroffen om de daadwerkelijke uitoefening van die vrijheden te vergemakkelijken, waaronder maatregelen om de erkenning door de lidstaten van door andere lidstaten afgegeven titels mogelijk te maken.
42. Maar meer nog dan bij andere werkzaamheden en beroepen kan het vrije verkeer van artsen niet worden verwezenlijkt zonder dat gewaarborgd is, dat de elders verkregen opleiding en ervaring van een niveau zijn dat aan de vereisten van de volksgezondheid beantwoordt.
43. Het bepalen van minimumopleidingsvoorwaarden, teneinde de in de lidstaten bestaande kwalificaties te harmoniseren, is op dit gebied dus bijzonder noodzakelijk.
44. Ofschoon een automatische erkenning van titels een waarborg is voor een vlot verlopende liberalisering van het personen- en dienstenverkeer, is het begrijpelijk waarom deze liberalisering met name op het gebied van de medische dienstverlening slechts kan worden voorgeschreven, indien de lidstaat van oorsprong of herkomst zekerheid verschaft omtrent de kwalificaties van de op zijn grondgebied opgeleide gemeenschapsonderdanen.
45. Volgens de Commissie nu, die op dit punt niet op tegenspraak is gestuit, kent de Oostenrijkse wettelijke regeling (Österreichische Ausbildungsordnung") het beroep van specialist cardiologie niet. Cardiologie is een aanvullende specialisatie bij de basisspecialisatie inwendige geneeskunde. Dat in de richtlijn de vermelding cardiologie voor Oostenrijk ontbreekt, zo preciseert de Commissie, komt omdat in die staat de gespecialiseerde opleiding in de cardiologie strikt genomen niet voldoet aan de in artikel 27 gestelde voorwaarde inzake de minimumopleidingsduur, te weten een vierjarige opleiding in de betrokken specialisatie. De cardiologieopleiding is een aanvulling op de vijfjarige basisopleiding inwendige geneeskunde en neemt zelf twee jaar in beslag.
46. Daar in de lidstaat van herkomst niet aan de minimumopleidingsvoorwaarden wordt voldaan en de benaming cardiologie" in artikel 7, lid 2, voor die staat niet wordt vermeld, staat het de bevoegde Luxemburgse autoriteiten vrij, toestemming voor het voeren van de met die specialisatie overeenkomende beroepstitel in Luxemburg te weigeren.
47. Dat verweerder in het hoofdgeding naar eigen zeggen vergunning had de specialisatie cardiologie in Luxemburg te beoefenen en er al verscheidene jaren een cardiologiepraktijk had", is een feitelijke omstandigheid die het Hof niet kan onderzoeken, temeer niet omdat zij door een van de partijen in het hoofdgeding wordt weersproken. Volgens de verwijzingsbeschikking heeft de minister van Volksgezondheid Erpelding het recht ontzegd de geneeskunde in de specialisatie cardiologie uit te oefenen". Wij dienen ons derhalve te houden aan de situatie zoals door de verwijzende rechter beschreven.
48. Bij zijn beoordeling van de vordering tot nietigverklaring van de negatieve beschikking van de Luxemburgse autoriteiten moet de verwijzende rechter dus rekening te houden met het feit, dat artikel 19 van de richtlijn zich er niet tegen verzet, dat een lidstaat waarin de werkzaamheid van medisch specialist gereglementeerd is, aan een van zijn onderdanen die in een andere lidstaat een titel van specialist heeft verworven, toestemming weigert de beroepstitel van de ontvangende lidstaat te voeren, wanneer de titel van de lidstaat van herkomst niet met een van de in artikel 7 van de richtlijn vermelde benamingen overeenkomt.
49. Om volledig te zijn, dienen wij echter de juiste omvang te bepalen van de verplichtingen van de lidstaat, wanneer deze verzocht wordt om toestemming tot het voeren van een beroepstitel, ofschoon de erkenning van die titel ingevolge de richtlijn niet mogelijk is. Men kan zich immers de vraag stellen, of artikel 19 in een dergelijk geval niettemin toelaat aan het verzoek te voldoen na een vergelijking van de bekwaamheid.
De omvang van de verplichtingen der lidstaten met betrekking tot het vergelijken van de bekwaamheid
50. De Finse regering meent, dat de rechtspraak Vlassopoulou in de onderhavige zaak van toepassing is, en betoogt, dat de lidstaten verplicht zijn de kennis en kwalificaties van de betrokkene te vergelijken.
Hoewel zij erkent dat aan de voorwaarden van artikel 19 niet is voldaan, aangezien de specialisatie cardiologie in artikel 7 voor Oostenrijk niet wordt genoemd en uit het dossier niet blijkt, dat Erpelding een gelijkwaardigheidsverklaring in de zin van artikel 9, lid 5, heeft overgelegd, is de Finse regering niettemin van oordeel, dat de ontvangende lidstaat het verzoek niet kan afwijzen zonder te onderzoeken, of de uit de titel van de verzoeker blijkende kennis en bekwaamheid aan de vereisten van die staat beantwoorden.
Volgens de Finse regering laat dat vereiste zich baseren op de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van vestiging en op de rechtspraak van het Hof, met name die welke is voortgekomen uit het arrest Vlassopoulou (reeds aangehaald).
51. In die zaak had de verzoekster in het hoofdgeding, een Griekse die als advocaat bij de balie van Athene was ingeschreven, verzocht om toelating tot de balie van Mannheim in Duitsland. Dat was geweigerd op grond dat zij niet voldeed aan de voorwaarde van geschiktheid voor het uitoefenen van rechterlijke functies, wat noodzakelijk was om tot het beroep van advocaat te worden toegelaten.
52. Naast haar Griekse diploma's bezat Vlassopoulou een diploma van doctor in de rechtsgeleerdheid van een Duitse universiteit, terwijl zij vijf jaar als juridisch adviseur in Duitsland had gewerkt.
53. Het Hof kreeg de vraag voorgelegd, of de autoriteiten die over een verzoek om toestemming tot het uitoefenen van het beroep van advocaat moesten beslissen, ingevolge artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) niet verplicht waren, de in een andere lidstaat verkregen titels en de beroepservaring van de betrokkene in aanmerking te nemen.
54. Na te hebben overwogen, dat bij gebreke van harmonisatie van de voorwaarden voor de toegang tot een beroep, [de lidstaten] mogen vaststellen welke kennis en bekwaamheden voor de uitoefening van dat beroep vereist zijn, en de overlegging mogen verlangen van een diploma waaruit het bezit van die kennis en bekwaamheden blijkt", stelde het Hof vast, dat ook wanneer de nationale kwalificatievereisten zonder discriminatie op grond van nationaliteit worden toegepast, zij afbreuk kunnen doen aan de vrijheid van vestiging, indien er geen rekening wordt gehouden met de in een andere lidstaat verworven kennis en bekwaamheden.
55. Het Hof concludeerde hieruit, dat een lidstaat die moet beslissen op een verzoek om toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, rekening moet houden met de diploma's, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere lidstaat heeft verworven, door de uit die diploma's blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde kennis en kwalificaties".
56. De in een andere lidstaat door een andere opleidingswijze of door de uitoefening van een beroep verworven bekwaamheden kunnen dus niet als irrelevant terzijde worden geschoven.
57. De vraag is dus, of dat vereiste ook geldt in de omstandigheden van de onderhavige zaak en of de ontvangende lidstaat dus rekening moet houden met de titel van Erpelding.
58. Naar mijn mening bestaat die verplichting niet, wanneer de voorwaarden voor toegang tot een beroep met het oog op de onderlinge erkenning van diploma's zijn geharmoniseerd.
59. Het arrest Vlassopoulou en de daarop gevolgde arresten zijn gewezen in situaties waarin de onderlinge erkenning van de voor de uitoefening van het betrokken beroep vereiste diploma's nog niet was geregeld.
60. Het ligt voor de hand, dat na de invoering van een dergelijk systeem de lidstaten niet meer verplicht zijn de in andere lidstaten verworven titels en ervaring te vergelijken, want de sectoriële harmonisatierichtlijnen en de algemene stelsels van onderlinge erkenning beogen nu juist volgens hun eigen methoden vergelijkingen te maken, teneinde die equivalenties te definiëren.
61. Wat de rechtspraak Vlassopoulou aan de lidstaten voorschrijft - bestaande in voor alle geldende algemene richtsnoeren, met een zekere vrijheid van beoordeling bij de modaliteiten van de omschrijving van equivalenties -, is in de op basis van artikel 57 van het Verdrag vastgestelde richtlijnen geharmoniseerd, gepreciseerd en gecodificeerd. Het voornaamste kenmerk van zo een gecodificeerde tekst is dat de lidstaten thans verplicht zijn, behoudens uitzondering, elke titel te erkennen die aan geharmoniseerde opleidingsvoorwaarden in een bepaalde sector beantwoordt.
Zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, beantwoordt artikel 8 van de richtlijn overigens al aan de vereisten van de rechtspraak Vlassopoulou. Volgens lid 2 van dat artikel moet de ontvangende lidstaat bij een verzoek van een gemeenschapsonderdaan die niet in het bezit is van een onder de voorwaarden van artikel 6 verkregen opleidingstitel van specialist, geheel of gedeeltelijk rekening houden met de door de betrokkene vervulde opleidingsperioden waarvoor hij een door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong of herkomst afgegeven opleidingstitel heeft ontvangen, wanneer die perioden overeenkomen met die welke in de ontvangende lidstaat voor de desbetreffende gespecialiseerde opleiding worden vereist. Volgens artikel 8, lid 3, kan de ontvangende lidstaat dan een aanvullende opleiding voorschrijven.
62. Indien, ondanks deze bepalingen van de richtlijn, de lidstaten nog steeds verplicht waren verzoeken tot het uitoefenen van het beroep en het voeren van de beroepstitel overeenkomstig de rechtspraak Vlassopoulou te onderzoeken in gevallen waarin de richtlijn niet tot het inwilligen van die verzoeken noopt, zou dat de unificerende strekking van de regeling van de richtlijn en het bereikte coördinatieniveau kunnen aantasten. De minimumopleidingsvoorwaarden zouden wellicht genegeerd worden, en dit bovendien in elke staat weer op een andere manier. Die distorsies zouden bovendien afdoen aan de leesbaarheid van de toepasselijke gemeenschapsregeling en, ten slotte, het belang van de gemeenschapsonderdanen schaden, in zoverre deze door de vele verschillende beoordelingscriteria in de diverse lidstaten objectief veel meer zouden blootstaan aan het risico van inbreuken op het gelijkheidsbeginsel.
63. Dit alles pleit ertegen, dat een lidstaat verplicht zou zijn verzoeken om toelating tot een onder een harmonisatierichtlijn vallend beroep aan andere criteria te toetsen, wanneer die verzoeken buiten de in de richtlijn omschreven voorwaarden vallen. Het staat er eveneens aan in de weg, dat een lidstaat spontaan besluit die verzoeken in te willigen. Hieruit volgt, dat verzoeken die onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen, niet langs andere weg kunnen worden ingewilligd dan in de richtlijn is geregeld.
V - De tweede prejudiciële vraag
64. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, wat de betekenis is van artikel 10 van de richtlijn wanneer krachtens artikel 19 het voeren van de in een andere lidstaat verkregen beroepstitel in de ontvangende lidstaat niet wordt toegestaan.
65. Hij vraagt, of artikel 10 in dat geval aldus moet worden uitgelegd, dat de houder van een in een andere lidstaat verkregen opleidingstitel deze titel slechts mag gebruiken in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst, of dat hij daarentegen die titel in de taal van de ontvangende lidstaat of ook de gelijkwaardige opleidingstitel van de ontvangende lidstaat mag gebruiken.
66. Het antwoord op deze vraag is te vinden in artikel 10, lid 1, gelezen in het licht van de negende overweging van de considerans van de richtlijn.
67. Artikel 10, lid 1, bevestigt, zoals wij zagen, het recht van onderdanen van de lidstaten, die aan de in artikel 6 gestelde voorwaarden voldoen, gebruik te maken van hun wettelijke opleidingstitel, van de lidstaat van oorsprong of herkomst, en eventueel van de afkorting daarvan, in de taal van deze lidstaat".
68. Met deze formulering schept deze bepaling een recht voor in andere lidstaten opgeleide artsen en een verplichting voor de ontvangende lidstaten om de eerbiediging van dat recht te verzekeren.
69. Met de precisering dat het voeren van de opleidingstitel uitsluitend in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst dient te worden toegestaan", beperkt de negende overweging van de considerans echter de draagwijdte van de bepaling. De beperking van het recht tot het voeren van de titel in de oorspronkelijke taal wordt aldus gemotiveerd: (...) een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's [brengt] niet noodzakelijkerwijs de materiële gelijkwaardigheid [mee] van de opleidingen waarop deze diploma's betrekking hebben".
70. Met andere woorden, ofschoon de vrijheid van vestiging van artsen kan worden bereikt door de onderlinge erkenning van de beroepstitels, mogelijk gemaakt door een minimumcoördinatie van de opleidingsvoorwaarden, kan die opleiding - en dus de titel die er de bevestiging van vormt - in alle betrokken lidstaten hoe dan ook niet strikt gelijkwaardig zijn.
71. Deze situatie is anders dan die van de beroepstitel, waaruit blijkt van het recht om een beroep uit te oefenen.
Aangezien een in een lidstaat verkregen beroepstitel gelijke rechtsgevolgen op het grondgebied van een andere lidstaat moet hebben, is het normaal dat de arts wiens titel is erkend, het recht heeft de gelijkwaardige beroepstitel van de ontvangende lidstaat te gebruiken. Dat recht is een van de rechtsgevolgen van de aan zijn titel toegekende gelijkwaardigheid, want als hij dat recht niet had, zou de arts niet beschikken over alle hoedanigheden waaraan de reeds in de ontvangende lidstaat gevestigde artsen kunnen worden herkend. Wanneer hij een beroepstitel in een andere taal voert, zou er twijfel kunnen ontstaan, of hij wel het recht heeft het beroep van arts uit te oefenen, en dat zou een ernstige belemmering voor de vrijheid van vestiging zijn.
72. Uit het bezit van een opleidingstitel daarentegen blijkt, dat de betrokkene een bepaalde kennis en bepaalde kwalificaties heeft verworven door het volgen van een bijzondere opleiding die wel gedeeltelijk geharmoniseerd, maar tot nu toe niet volledig geüniformeerd is. Daarom kunnen die opleidingen niet anders worden aangeduid dan met hun oorspronkelijke benaming, om te voorkomen dat ten nadele van de patiënten en zonder dat dat in verband met de vereisten van de vrijheid van vestiging noodzakelijk is, achter eenzelfde benaming verschillende werkelijkheden zouden schuilgaan.
73. De verschillende opleidingen moeten dus worden onderscheiden en op hun eigen waarde worden beoordeeld. Dit verklaart waarom een lidstaat het recht heeft voor te schrijven, dat de betrokkene zijn opleidingstitel voert in een door de ontvangende lidstaat aangewezen passende vorm", om te voorkomen dat de opleidingstitel van de lidstaat van oorsprong of herkomst kan worden verward met een titel waarvoor in [de ontvangende lidstaat] een aanvullende opleiding is vereist die de begunstigde niet heeft gevolgd". Het rechtvaardigt ook, dat [d]e ontvangende lidstaat kan voorschrijven, dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend".
74. Een en ander verklaart, waarom een opleidingstitel slechts in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst mag worden gevoerd en waarom, a fortiori, het de betrokkene niet kan worden toegestaan, een andere dan juist die titel te voeren, bijvoorbeeld een gelijkwaardige titel van de ontvangende lidstaat.
75. Opgemerkt zij nog, dat terwijl de ontvangende lidstaat ingevolge artikel 10, lid 1, ervoor moet zorgen, dat onderdanen van andere lidstaten, die aan de voorwaarden van artikel 6 voldoen, gebruik kunnen maken van hun opleidingstitel, dezelfde bepaling zich mijns inziens niet ertegen verzet, dat de ontvangende lidstaat hun dat recht ook toekent wanneer zij niet aan de opleidingsvoorwaarden van artikel 6 voldoen.
76. Artikel 10, lid 1, bevat dus een verplichting voor de lidstaten, waarvan de omvang bepaald wordt door de voorwaarden waaraan de betrokken onderdanen moeten voldoen om hun opleidingstitel te mogen voeren. Anderzijds rechtvaardigen de vereisten van de vrijheid van vestiging, dat de lidstaten die dat wensen, de vrijheid hebben een arts die in een andere lidstaat een opleiding heeft gevolgd welke niet voldoet aan de voorwaarden voor erkenning van zijn beroepstitel, het gebruik van zijn academische titel toe te staan, zij het enkel in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst.
77. Het komt mij immers wenselijk voor, dat ook wanneer hij geen direct verband heeft met de beoefende specialisatie, de op het grondgebied van de Gemeenschap verkregen titel de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de betrokken arts zoveel mogelijk ondersteunt, doordat hij dient tot informatie van dat gedeelte van zijn patiënten dat in staat is de betekenis en draagwijdte ervan te begrijpen.
78. Zowel voor de patiënten van een arts als Erpelding, die specialist inwendige geneeskunde is, als voor hemzelf is het stellig niet zonder belang, dat hem wordt toegestaan die patiënten te informeren over het feit dat hij in het bezit is van een in een andere lidstaat verkregen academische titel op het gebied van de cardiologie. Hoe dit ook zij, waar de richtlijn over hun bevoegdheid ter zake zwijgt, kan die beslissing aan de beoordeling van de lidstaten worden overgelaten.
Conclusie
79. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de vragen van de Cour administrative te beantwoorden als volgt:
1) Artikel 19 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet in de weg staat aan het recht van een lidstaat waar de werkzaamheid van een medisch specialist gereglementeerd is, om aan een gemeenschapsonderdaan die in een andere lidstaat een met die werkzaamheid verband houdende titel van specialist heeft verkregen en die werkzaamheid in eerstbedoelde lidstaat wenst uit te oefenen, het voeren van de beroepstitel van laatstbedoelde staat te ontzeggen, wanneer de titel van de lidstaat van oorsprong of herkomst niet met een van de in artikel 7 van de richtlijn vermelde benamingen overeenkomt.
2) Artikel 10, lid 1, van richtlijn 93/16 moet aldus worden uitgelegd, dat ook wanneer hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 19, een specialist die in het bezit is van een in een andere lidstaat verkregen opleidingstitel, deze opleidingstitel in een ontvangende lidstaat slechts mag gebruiken in de taal van de lidstaat van oorsprong of herkomst. Het gebruik van die titel in de taal van de ontvangende lidstaat of het gebruik van een gelijkwaardige titel van de ontvangende lidstaat is dus uitgesloten."
Full & Egal Universal Law Academy