Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In de onderhavige prejudiciële procedure gaat het om de vraag of de regels inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten, volgens welke onder meer de richtprijs voor melk wordt vastgesteld, zich verzetten tegen een nationale bepaling die de sluiting van bedrijfstakovereenkomsten inzake de minimumprijs van melk tussen de producenten en de verwerkende bedrijven of verkoopondernemingen moet bevorderen (deze prijs kan soms hoger zijn dan de door de Gemeenschap vastgestelde prijs).
II - Feiten en prejudiciële vraag
2. Blijkens de verwijzingsbeschikking zijn de feiten in het hoofdgeding als volgt. Bertinetto (hierna: verzoeker") is veehouder en melkproducent. Hij sloot met Biraghi SpA (hierna: verweerster"), een bedrijf dat zuivelproducten vervaardigt, een overeenkomst voor de levering van melk voor de periode van april 1991 tot en met maart 1992. De prijs was geen bestanddeel van de overeenkomst waarover door verweerster met elke individuele leverancier was onderhandeld, en was dus niet afzonderlijk voorgesteld en aanvaard. Voor alle leveranciers gold dezelfde prijs, naargelang de evolutie van de markt. Van april 1991 tot en met maart 1992 ontving verzoeker per liter melk verschillende prijzen, die soms overeenkwamen met de door de Gemeenschap vastgestelde richtprijs. Soms waren de betaalde prijzen echter ook lager dan die welke waren vastgesteld bij de overeenkomstig de Italiaanse wet nr. 88 van 16 maart 1988 (hierna: wet 88/88") gesloten bedrijfstakovereenkomst tussen Unalat (als vertegenwoordiger van de verenigingen van melkproducenten) en Assolatte (als vertegenwoordiger van de verwerkende bedrijven, waaronder ook verweerster).
3. In het hoofdgeding betoogde verzoeker dat de in de bedrijfstakovereenkomst vastgestelde prijs bindend is voor alle bij Assolatte aangesloten bedrijven. In geen geval mocht aan de producenten een lagere prijs worden betaald. Verweerster moest dus worden veroordeeld tot betaling van het verschil.
4. Verweerster antwoordde hierop dat de overeenkomstig wet nr. 88/88 gesloten bedrijfstakovereenkomsten niet bindend zijn. De wet verwijst enkel naar de privaatrechtelijke regels inzake de lastgevingsovereenkomst. De in de bedrijfstakovereenkomsten vastgestelde prijs is zelfs voor de leden niet bindend. Verzoeksters vordering moest dus worden afgewezen.
5. Volgens de verwijzende rechter moest de vordering bijgevolg, onder voorbehoud van de toepasselijkheid van de regels inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten, worden toegewezen wanneer de bedrijfstakovereenkomst de verwerkende industrie verplichtte de door haar bedrijfstakvereniging overeengekomen prijs te betalen. Daarentegen moest verweerster in het gelijk worden gesteld wanneer de bedrijfstakovereenkomst enkel richtsnoeren bevatte, waarvan de afzonderlijke leden van de verenigingen konden afwijken. Om in de ene of de andere zin te kunnen beslissen, onderzocht de verwijzende rechter wet nr. 88/88, waarbij deze bedrijfstakovereenkomsten waren ingesteld en geregeld. Zijns inziens bleek uit verschillende bepalingen dat de overeenkomsten bindend zijn. Zo is in artikel 2, lid 1, sub d, bepaald, dat de bedrijfstakovereenkomsten ertoe strekken (...) de prijzen van de producten vooraf te bepalen (...)". Ingevolge artikel 8, lid 3, is de wederpartij ertoe gehouden de op basis van de overeenkomsten bepaalde prijs te betalen". De inhoud van de bedrijfstakovereenkomst is dus bindend voor de leden van de verenigingen, zonder dat een verdere wilsuiting hunnerzijds nodig is. De bindende kracht vloeit voort uit de wet, en het volstaat dat de koper lid is van de vereniging die de overeenkomst heeft gesloten.
6. De verwijzende rechter kwam uiteindelijk tot de conclusie dat de onderhavige zaak met name binnen de werkingssfeer van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 804/68 zou kunnen vallen, dat de vaststelling van de richtprijs regelt voor de totale hoeveelheid melk die door de producenten tijdens een melkprijsjaar wordt verkocht.
7. Wet nr. 88/88 bevat namelijk bepalingen die, naargelang de uitlegging van het gemeenschapsrecht, hiermee in strijd zouden kunnen zijn:
a) de bedrijfstakovereenkomsten zijn bindend (artikelen 2, lid 1, sub d, en 8, lid 2);
b) de overeenkomsten moeten de minimumprijs of de criteria voor de bepaling ervan vaststellen (artikel 5, lid 1, sub b);
c) indien de overeenkomst niet op initiatief van de partijen wordt gesloten, dan worden de partijen, op verzoek van één hunner, ambtshalve opgeroepen door de Ministro dell'agricoltura e delle foreste (minister van Landbouw en Bosbouw) (artikel 4);
d) op dezelfde wijze moet de Assessore regionale all'agricoltura (regionaal landbouwafgevaardigde) de partijen, op verzoek van één hunner, oproepen om de sluiting van de in artikel 7 bedoelde overeenkomsten te bevorderen (artikel 7, lid 2);
e) de partijen bij deze overeenkomsten moeten de sluiting van contracten tot verkoop van de producten bevorderen en nagaan of de gesloten contracten in overeenstemming zijn met de overeenkomsten (artikel 8, lid 1);
f) de ondernemingen die conform de bedrijfstakovereenkomsten contracten hebben gesloten, genieten bij de toekenning van steun voor de modernisering en de herstructurering in de sector landbouwvoedingsmiddelen voorrang boven andere ondernemingen (artikel 12).
8. De verwijzende rechter heeft het Hof bijgevolg om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:
Verbiedt artikel 3 van verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 de Italiaanse Staat, bij wet de sluiting van bedrijfstakovereenkomsten te regelen die tot doel hebben, de melkprijzen vooraf te bepalen volgens de procedures en met de gevolgen van wet nr. 88 van 16 maart 1988?"
III - Toepasselijke bepalingen
1) Het gemeenschapsrecht
Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (hierna: verordening nr. 804/68")
9. Wat de vaststelling van de richtprijs voor melk betreft, bepaalt artikel 3:
1. Jaarlijks wordt voor de Gemeenschap vóór 1 augustus een richtprijs voor melk vastgesteld welke geldt voor het melkprijsjaar dat het daaropvolgende jaar aanvangt.
(...)
2. De richtprijs is de melkprijs welke wordt nagestreefd voor de totale hoeveelheid melk die door de producenten tijdens het melkprijsjaar wordt verkocht, in die mate waarin de afzetmogelijkheden op de markt van de Gemeenschap en op de markten daarbuiten dit toelaten.
3. (...)
4. (...)"
2) Het nationale recht
Wet van 16 maart 1988 houdende regeling van de bedrijfstakovereenkomsten en de teelt- en verkoopcontracten met betrekking tot landbouwproducten
Artikel 1
1. Deze wet tot regeling van de bedrijfstakovereenkomsten beoogt de ontwikkeling van de productie en de organisatie van de landbouwmarkt, overeenkomstig de hoofdlijnen en de doelstellingen van de nationale planning van de landbouwvoedingsmiddelen, te bevorderen.
(...)
Artikel 2
1. Bedrijfstakovereenkomsten strekken ertoe
a) de hoeveelheid landbouwproductie zodanig te regelen, dat wordt voldaan aan de vraag op de binnen- en buitenlandse markten en dat evenwicht en stabiliteit op de markt worden bereikt;
(...)
d) de prijzen van de producten of de criteria ter vaststelling daarvan vooraf te bepalen, als basisvoorwaarde voor de vaststelling van teeltprogramma's.
(...)
Artikel 5
1. Ter bereiking van de doelstellingen van deze wet wordt in de bedrijfstakovereenkomsten (...) met name bepaald:
(...)
b) de minimumprijs of, in geval van meerjarige overeenkomsten, de criteria ter bepaling van die prijs, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de productiekosten, de betalingstermijnen, de wijze van betaling en eventuele voorschotten;
(...)
Artikel 8
(...)
3. De wederpartij is gehouden
(...)
b) de op basis van de overeenkomsten bepaalde prijs te betalen.
Artikel 12
1. Ondernemingen die conform de bedrijfstakovereenkomsten teelt- en verkoopcontracten hebben gesloten, genieten voorrang bij de toekenning van steun voor de modernisering en de herstructurering van de verwerking en de distributie in de sector landbouwvoedingsmiddelen.
2. Landbouwproducenten die zijn aangesloten bij verenigingen die teelt- en verkoopcontracten conform de bedrijfstakovereenkomsten hebben gesloten, genieten, met inachtneming van de in de geldende wetgeving opgenomen prioriteiten, voorrang bij de toekenning van landbouwsteun."
10. Voor een samenvatting van de overige in casu relevante bepalingen van wet nr. 88/88 zij verwezen naar de uiteenzettingen van de verwijzende rechter (zie hierboven punten 5 en 7).
IV - Argumenten van partijen
11. Volgens verweerster verzet verordening nr. 804/68 zich tegen een nationale bepaling die ertoe strekt, een uniforme prijs voor melk vast te stellen, onverschillig op welke wijze dit geschiedt. Dit is evenwel juist wat de artikelen 4 en 7 van wet nr. 88/88 beogen, aangezien daarin wordt voorzien in een ambtshalve oproeping van de partijen met het oog op de sluiting van bedrijfstakovereenkomsten. In deze context moet ook artikel 12 van wet nr. 88/88 worden gesitueerd, dat voorziet in een voorkeursbehandeling van de ondertekenaars van bedrijfstakovereenkomsten bij de toekenning van moderniserings- en herstructureringssteun, teneinde de partijen aan te zetten tot het sluiten van bedrijfstakovereenkomsten en bijgevolg tot de vaststelling van een uniforme prijs.
12. De Italiaanse regering wijst erop dat wet nr. 88/88 niet voorziet in directe inmenging of prijsvaststelling door de overheid. Bovendien is er geen verband tussen een bedrijfstakovereenkomst in de zin van wet nr. 88/88 en de vaststelling van de richtprijs overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 804/68. De richtprijs kan niet als verkoopprijs worden aangemerkt die binnen de Gemeenschap dezelfde is, doch wel als een drempel waarboven de interventiemechanismen van de gemeenschappelijke ordening der markten in de betrokken sector in werking treden. De verkoopprijs daarentegen wordt bepaald door de ontwikkeling op de markt. Zo is uit onderzoeken gebleken dat de handelsprijs aanzienlijk varieert van lidstaat tot lidstaat. Wet nr. 88/88 is dus niet in strijd met verordening nr. 804/68.
13. De Commissie wijst er eerst op dat de lidstaten volgens de rechtspraak van het Hof de prijsvorming op productieniveau niet mogen bevorderen of begunstigen wanneer het gaat om producten waarvoor een gemeenschappelijke marktordening bestaat. De lidstaten schenden dus verordening nr. 804/68 wanneer zij zodanig ingrijpen in de prijsvorming, dat prijzen worden vastgesteld die afwijken van de binnen de Gemeenschap geldende richtprijs, aangezien dit uiteindelijk tot een verstoring van de gemeenschappelijke markt leidt. Bovendien kan elk ingrijpen van de staat in de prijsvorming de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt vervalsen. Nationale bepalingen die afspraken tussen ondernemingen begunstigen, zijn in strijd met de mededingingsregels van de Gemeenschap en vormen een schending van de artikelen 5 en 85 EG-Verdrag (thans de artikelen 10 EG en 81 EG).
V - Beoordeling
14. Aan het Hof werden reeds meermaals vragen voorgelegd over de verenigbaarheid van de regels van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten met bepalingen van nationaal recht inzake de prijsvaststelling voor melk. Meer bepaald werden meermaals de desbetreffende Italiaanse bepalingen onderzocht.
15. Hierbij heeft het Hof eerst de hoofdlijnen van de gemeenschapsregeling onderzocht. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 804/68 wordt voor de Gemeenschap jaarlijks een richtprijs voor melk vastgesteld. Deze richtprijs is volgens artikel 3, lid 2, de melkprijs welke wordt nagestreefd voor de totale hoeveelheid melk die door de producenten tijdens het melkprijsjaar wordt verkocht, in die mate waarin de afzetmogelijkheden op de markt van de Gemeenschap en op de markten daarbuiten dit toelaten.
16. Bij gebreke van rechtstreekse interventiemaatregelen voor melk tracht men de prijs van dat product op het beoogde niveau te houden onder meer door middel van een bij artikel 5 van verordening nr. 804/68 ingesteld stelsel van interventieprijzen voor bepaalde afgeleide producten. Die interventieprijzen hebben tot doel het bereiken van de richtprijs te verzekeren onder de in artikel 3 genoemde voorwaarden, dat wil voornamelijk zeggen door het vrije spel van vraag en aanbod te volgen.
17. Om dat doel te bereiken voorziet de verordening tevens in een bescherming aan de gemeenschapsgrens, onder meer in de vorm van heffingen die het verschil tussen de drempelprijs en de franco-grensprijs van een bepaald zuivelproduct moeten dekken. Voorts zij vermeld dat verordening nr. 804/68 de mogelijkheid biedt uitvoerrestituties toe te kennen waarvan het bedrag voor de gehele Gemeenschap even hoog is, maar die kunnen verschillen naar gelang van het derde land van bestemming.
18. Een van de belangrijkste doelstellingen van de ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten is dus de melkproducenten een aan de richtprijs georiënteerde prijs voor dat product te garanderen. De bij de verordening ingestelde mechanismen ter bereiking van dat doel blijven onder het uitsluitend toezicht van de Gemeenschap.
19. In de zaak Toffoli e.a. moest het Hof zich uitspreken over de verenigbaarheid van de Italiaanse wet nr. 306/75 - die later is vervangen door de aan de onderhavige zaak ten grondslag liggende wet nr. 88/88 - met verordening nr. 804/68. Destijds moest het Hof oordelen over de volgende rechtssituatie: ingevolge de toen geldende wet, die onder meer regels bevatte voor de vaststelling van de producentenprijs voor melk, waren de bij een vereniging aangesloten producenten gehouden de door de vereniging vastgestelde regels en programma's na te leven bij de productie en de verkoop van melk. De aangesloten producenten waren voorts gehouden de melk via hun vereniging te verkopen. De producentenprijs voor melk werd, ongeacht het gebruik waarvoor de melk was bestemd, voor ieder agrarisch jaar en voor iedere regio vastgesteld door middel van collectieve onderhandelingen waaraan de onderscheiden belanghebbende partijen deelnamen. De tussen partijen gesloten overeenkomsten werden bekendgemaakt en waren dan bindend voor partijen. Bereikten partijen niet binnen 30 dagen na aanvang van het agrarisch jaar een dergelijke overeenkomst, dan werd de producentenprijs voor melk vastgesteld door een commissie die werd benoemd bij besluit van de voorzitter van de regio. Het besluit van deze commissie werd eveneens bekendgemaakt en was bindend voor partijen.
20. Het Hof werd verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag of verordening nr. 804/68 belette, dat de Italiaanse staat zijn administratieve gezagsorganen bij wet bevoegd verklaarde de producentenprijs voor melk vast te stellen.
21. Op basis van de doelstellingen van de marktordening overwoog het Hof dienaangaande, dat [o]p de onder een gemeenschappelijke marktordening vallende gebieden, en met name indien die ordening op een gemeenschappelijke prijsregeling berust, (...) de lidstaten niet meer door middel van eenzijdig vastgestelde nationale bepalingen [kunnen] ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme, wanneer de prijzen, in dezelfde productie- of verhandelingsfase, door de gemeenschappelijke ordening worden geregeld. Een nationale wettelijke regeling die, onverschillig op welke wijze, de vaststelling van een uniforme producentenprijs van melk - middels een akkoord of van overheidswege - op nationaal of regionaal niveau moet bevorderen of begunstigen, behoort bijgevolg naar haar aard niet tot de aan de lidstaten voorbehouden bevoegdheden en is in strijd met het in verordening nr. 804/68, met name artikel 3, neergelegde beginsel, dat de producentenrichtprijs voor melk wordt nagestreefd voor de melk die door de communautaire producenten tijdens het melkprijsjaar wordt verkocht, in die mate waarin de afzetmogelijkheden op de markt van de Gemeenschap en op de markten daarbuiten dit toelaten."
22. Het Hof antwoordde bijgevolg op de destijds voorgelegde vraag, dat [d]e directe of indirecte vaststelling door een lidstaat van de producentenprijs van melk (...) onverenigbaar [is] met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten, tot stand gebracht bij verordening nr. 804/68 (...)".
23. Dit standpunt werd door het Hof bevestigd in zijn arrest van 7 februari 1984 in een niet-nakomingsprocedure tegen Italië - opnieuw met betrekking tot wet nr. 306/75. Volgens het Hof was er sprake van inbreuk op het gemeenschapsrecht, daar de Italiaanse wet voorzag in de vaststelling van een uniforme producentenprijs voor melk door een commissie benoemd bij besluit van de voorzitter van de betrokken regio. Het Hof overwoog voorts dat het gemeenschapsrecht in de weg staat aan elke wettelijke regeling die voorziet in de tussenkomst van een nationale of regionale overheidsinstantie om de totstandkoming van een uniforme producentenprijs voor melk bij overeenkomst te bevorderen of te begunstigen.
24. Hieruit moet dus worden geconcludeerd dat een nationale wettelijke regeling die, onverschillig op welke wijze, de vaststelling van een uniforme producentenprijs voor melk - middels een akkoord of van overheidswege - op nationaal of regionaal niveau moet bevorderen of begunstigen, onverenigbaar is met verordening nr. 804/68.
25. In casu betekent dit dat moet worden onderzocht of Italië de producentenprijs voor melk direct dan wel indirect heeft vastgesteld en daardoor verordening nr. 804/68 heeft geschonden.
26. In zijn verwijzingsbeschikking heeft de verwijzende rechter een reeks factoren opgesomd waaruit zijns inziens kan worden opgemaakt dat de overheid althans indirect de vaststelling van een uniforme producentenprijs heeft bevorderd of begunstigd. Zo wordt er met name op gewezen dat de litigieuze bedrijfstakovereenkomsten bindend zijn en de minimumprijs of de criteria voor de bepaling ervan vaststellen. Wordt de overeenkomst niet op initiatief van de partijen gesloten, dan is voorzien in een ambtshalve oproeping van de partijen, op verzoek van één hunner, door de Ministro dell'agricoltura e delle foreste. Op dezelfde wijze moet de Assessore regionale all'agricoltura de partijen, op verzoek van één hunner, oproepen om de sluiting van bedrijfstakovereenkomsten te bevorderen. De partijen bij deze bedrijfstakovereenkomsten moeten de sluiting van contracten tot verkoop van de producten bevorderen en nagaan of de gesloten contracten in overeenstemming zijn met de overeenkomsten. Tot slot hebben ondernemingen die conform de bedrijfstakovereenkomsten contracten hebben gesloten, bij de toekenning van steun voor de modernisering en de herstructurering in de sector van de landbouwvoedingsmiddelen voorrang boven andere ondernemingen.
27. Uit het samenspel van deze factoren blijkt dat de staat de producentenprijs voor melk weliswaar niet direct vaststelt, maar de sluiting van de desbetreffende bedrijfstakovereenkomsten althans bevordert. Door de sluiting van deze bedrijfstakovereenkomsten komen de partijen voordelen in de vorm van steun toe, die hun anders zouden worden geweigerd. Ook het bindende karakter van de bedrijfstakovereenkomsten, in samenhang met de oproeping van de partijen door de overheidsinstanties, pleit voor de stelling dat de staat indirect ingrijpt in de vaststelling van de producentenprijzen.
28. Aangezien evenwel elke vaststelling van deze prijzen - onverschillig op welke wijze - in strijd is met het in verordening nr. 804/68, met name artikel 3, neergelegde beginsel, volgens hetwelk voor de door de producenten verkochte melk een producentenrichtprijs voor melk wordt nagestreefd, in die mate waarin de afzetmogelijkheden op de markt van de Gemeenschap en op de markten daarbuiten dit toelaten, moet ervan worden uitgegaan dat een dergelijke nationale wettelijke regeling onverenigbaar is met de betrokken gemeenschappelijke marktordening.
29. Tot slot zij er nog op gewezen dat het aan de nationale rechter staat de feiten van de zaak vast te stellen, en na te gaan welke nationaalrechtelijke bepalingen van toepassing zijn op het concrete geval en deze met name uit te leggen.
30. Derhalve moet worden geconcludeerd dat nationale wettelijke bepalingen op grond waarvan een lidstaat de sluiting van bedrijfstakovereenkomsten bevordert of begunstigt die betrekking hebben op de vaststelling van producentenprijzen voor melk, onverenigbaar zijn met de bij verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 ingestelde gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten. Aangezien deze overeenkomsten op grond van wet nr. 88/88 bindend zijn voor de partijen en er bovendien is voorzien in een voorkeursbehandeling voor partijen bij de toekenning van steun, is niet meer van beslissend belang of de lidstaat zelf direct bij de vaststelling van de producentenprijs is betrokken.
VI - Kosten
31. De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
VII - Conclusie
32. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten, verzet zich tegen wettelijke bepalingen als die van (de Italiaanse) wet nr. 88 van 16 maart 1988, die de sluiting van bedrijfstakovereenkomsten regelen die tot doel hebben de melkprijzen vooraf te bepalen volgens een bij die wet vastgestelde procedure en met de uit die wet voortvloeiende rechtsgevolgen."
Full & Egal Universal Law Academy