CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 13 april 2000 ( *1 )
1.
Met dit beroep wegens niet-nakoming beoogt de Commissie te doen vaststellen, dat de Franse Republiek de krachtens artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door op basis van de Code de la propriété intellectuelle (wetboek van de intellectuele eigendom) procedures inzake het vasthouden door de douane toe te passen ten aanzien van goederen die in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig zijn vervaardigd en bestemd zijn om, na doorvoer over Frans grondgebied, op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat waar zij rechtmatig kunnen worden verhandeld.
2.
Om de betogen van de partijen beter te kunnen doorgronden, wil ik beginnen met de volgende punten, die wij bij de bespreking van sommige van hun argumenten goed voor ogen moeten houden.
3.
Zo moet ik erop wijzen, dat het beroep van de Commissie geen betrekking heeft op maatregelen van de Franse autoriteiten om te verhinderen dat producten die met schending van aan de Franse wetgeving ontleende industriële- en commerciële eigendomsrechten zijn vervaardigd, op de Franse markt worden gebracht.
4.
De door de Commissie gestelde niet-nakoming betreft uitsluitend goederen die vervaardigd zijn in een lidstaat waar zij, anders dan in Frankrijk, niet door een uitsluitend recht worden beschermd, en die via Frankrijk worden vervoerd naar een andere lidstaat waar zij evenmin beschermd zijn.
5.
Evenals de partijen zal ik dat tijdelijk binnenbrengen van goederen op het grondgebied van een lidstaat aanduiden met de term „doorvoer”, waarbij het uiteraard niet gaat om doorvoer in de juridische zin die die term bijvoorbeeld in het Communautair douanewetboek ( 1 ) heeft, maar om „doorvoer” in fysieke zin.
6.
Het gaat hier dus niet om het geval waarop de bestaande rechtspraak van het Hof hoofdzakelijk betrekking heeft, te weten dat de goederen bestemd zijn om te worden ingevoerd, dat wil zeggen op de markt te worden gebracht, in een lidstaat waar de wetgeving het mogelijk maakt een uitsluitend recht te verkrijgen.
7.
Het beroep betreft derhalve ook niet het onder zich hebben van goederen in Frankrijk met het oog op hun verhandeling in dat land, of het onder zich hebben van goederen die in strijd met de toepasselijke nationale wetgeving in Frankrijk zijn vervaardigd.
8.
In de situatie waarop het beroep betrekking heeft, heeft de vervoerder de goederen uitsluitend onder zich met het oog op hun vervoer naar een andere lidstaat, waar zij in de handel moeten worden gebracht.
9.
Voorts maak ik erop opmerkzaam, dat de door de Commissie gewraakte feiten verschillen van die in diverse door de partijen aangehaalde zaken.
10.
In het bijzonder tracht verweerster de onderhavige zaak voor te stellen als een hoofdstuk van, wat zij noemt, een „saga” waarvan ook de zaken CICRA en Maxicar ( 2 ) en Renault ( 3 ) deel zouden uitmaken, die eveneens auto-onderdelen voor reparatiedoeleinden betroffen.
11.
Ik moet echter vaststellen, dat die zaken fundamenteel van de onderhavige verschillen.
12.
In de eerste immers ging het om de mogelijkheid van de houder van een recht van intellectuele eigendom in een lidstaat zich te verzetten tegen de invoer van de betrokken goederen in die staat. Doch zoals wij zagen, betreft het beroep van de Commissie producten die bestemd zijn om in de handel te worden gebracht in een andere lidstaat dan die waar het intellectueleeigendomsrecht geldt.
13.
Ook de tweede zaak betreft de mogelijkheid van de gerechtigde zich te verzetten tegen de vervaardiging, verkoop of uitvoer van de door zijn recht beschermde voorwerpen, en niet op de enkele doorvoer ervan over het grondgebied waar het intellectuele-eigendomsrecht geldt.
14.
Na deze opmerkingen vooraf kunnen wij de diverse elementen van het geschil gaan onderzoeken.
Is er sprake van belemmering van de intracommunautaire handel?
15.
Daar het beroep ertoe strekt, te doen vaststellen dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen zijn geschonden, dienen wij in de eerste plaats vast te stellen, of de in geding zijnde nationale bepalingen het intracommunautaire handelsverkeer kunnen belemmeren.
16.
Zowel de Commissie als verweerster meent, dat dat het geval is. De door de Commissie genoemde nationale bepalingen machtigen de douane immers, op verzoek van de gerechtigde tot het intellectueleeigendomsrecht goederen vast te houden, wanneer die gerechtigde meent dat zij inbreuk maken op zijn recht.
17.
Dit vasthouden kan maximaal tien dagen duren. Deze termijn kan worden verlengd, indien de gerechtigde vóór afloop ervan de zaak bij de rechter aanhangig maakt. De gerechtelijke procedure die op de vasthouding volgt, kan leiden tot inbeslagneming van de goederen.
18.
De Commissie en verweerster verwijzen hiervoor beiden naar een arrest van de Franse Cour de cassation van 26 april 1990, volgens hetwelk, in de zin van de hier toepasselijke Franse bepalingen, de enkele aanwezigheid in Frankrijk van in een andere lidstaat vervaardigde en voor verhandeling in een derde lidstaat bestemde goederen namaak oplevert, met als sanctie, onder meer, inbeslagneming.
19.
Verweerster haalt verscheidene andere uitspraken aan die die rechtspraak bevestigen, met name een arrest van de Cour de cassation van 17 februari 1999.
20.
Ik meen daarom mij te moeten aansluiten bij het standpunt van partijen, dat de door de Commissie gewraakte vasthoudingsprocedures inderdaad een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking zijn, omdat zij minimaal tot gevolg hebben, dat de doorvoer van goederen wordt vertraagd, en maximaal een noodzakelijke eerste stap kunnen zijn tot een verbod de goederen door te voeren, of zelfs tot hun inbeslagneming.
21.
Wat echter de juiste aard van de betrokken maatregel betreft, lopen de opvatting van de Commissie en die van verweerster sterk uiteen.
22.
Volgens de Commissie vindt het vasthouden door de douane plaats bij grensoverschrijding. De maatregel zou dus enkel ingevoerde goederen betreffen en derhalve „met onderscheid van toepassing” zijn. Hieruit volgt, dat zij slechts kan worden gerechtvaardigd op de in artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) genoemde gronden, zonder dat daarbij een beroep kan worden gedaan op een „dwingend vereiste” in de zin van het arrest „Cassis de Dijon”. ( 4 )
23.
Daartegenover verklaart verweerster, dat de douane overal op Frans grondgebied tot vasthouding kan overgaan en dat die maatregel in geen geval ter zake van grensoverschrijding wordt genomen.
24.
Zij voegt daaraan toe, dat naast de douane ook andere bestuursdiensten bevoegd zijn goederen vast te houden, en dat elk verdacht goed, ook wanneer het van binnenlandse oorsprong is, kan worden vastgehouden.
25.
De Commissie brengt daartegen in, dat verweerster geen enkel concreet geval noemt waarin de vastgehouden goederen in Frankrijk waren vervaardigd, maar uitsluitend een geval waarin dat het geval had kunnen zijn.
26.
Ik moet evenwel vaststellen, dat de Commissie geen enkele bepaling weet te noemen waaruit zou volgen, dat enkel ingevoerde goederen vastgehouden kunnen worden, of dat vasthouding uitsluitend bij grensoverschrijding mogelijk is.
27.
Evenmin is gesteld, dat de maatregel in geding enkel dient ter bescherming van de Franse autofabrikanten, aangezien de Commissie dat punt in de loop van de precontentieuze procedure heeft laten vallen.
28.
Mijns inziens is dus niet onweerlegbaar aangetoond, dat de betrokken nationale maatregel niet zonder onderscheid van toepassing is.
29.
Deze vaststelling heeft hier hoe dan ook slechts betrekkelijk belang, want zoals de Commissie in haar memorie van repliek heeft opgemerkt, heeft verweerster zich in haar verweerschrift niet meer beroepen op de „dwingende vereisten” waarnaar zij tijdens de precontentieuze procedure had verwezen.
De mogelijke rechtvaardiging van de belemmering
30.
Het geschil betreft dus enkel de mogelijkheid de maatregelen in geding te rechtvaardigen op basis van artikel 36 van het Verdrag, want er bestaat op dit gebied geen afgeleid recht waarin een oplossing voor het probleem gevonden zou kunnen worden.
31.
Het is immers duidelijk, en tussen partijen onbetwist, dat richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen ( 5 ), geen oplossing biedt.
32.
Met betrekking tot de bescherming van onderdelen voor de reparatie van automobielen bepaalt artikel 14 van die richtlijn:
„ Overgangsbepaling
Zolang deze richtlijn niet overeenkomstig artikel 18 op voorstel van de Commissie is gewijzigd, handhaven de lidstaten hun bestaande wettelijke regelingen inzake het gebruik van het model van een onderdeel voor het repareren van een samengesteld voortbrengsel met de bedoeling het zijn oorspronkelijke vorm terug te geven, en wijzigen zij die bepalingen alleen als daarmee een liberalisering van de markt voor dergelijke onderdelen wordt beoogd.”
33.
Hieruit blijkt, dat richtlijn 98/71 geen volledige harmonisatie tot stand brengt, want voor het bijzondere geval van de in deze zaak bedoelde onderdelen verwijst zij naar het nationale recht. Het is dus het Verdrag waaraan wij de verenigbaarheid van de bepalingen in geding met het gemeenschapsrecht moeten toetsen. ( 6 )
34.
Het aangehaalde artikel 14, waarop verweerster zich beroept, impliceert natuurlijk niet, dat elke maatregel die door een lidstaat wordt gehandhaafd, automatisch verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, want die bepaling ontslaat de nationale instanties niet van hun verplichting het Verdrag te eerbiedigen.
35.
De Franse regering voert nog twee andere argumenten aan die aan handelingen van afgeleid recht zijn ontleend.
36.
In de eerste plaats wijst zij op de omvang van de prerogatieven op het gebied van de controle, die het gemeenschapsrecht de lidstaten verleent, of het nu gaat om een nationale dan wel om een communautaire regeling. Een voorbeeld daarvan is volgens de Franse regering beschikking nr. 3052/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1995 tot vaststelling van een procedure voor uitwisseling van informatie over nationale maatregelen waarbij wordt afgeweken van het beginsel van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap. ( 7 )
37.
Verweerster geeft toe dat, zoals ook de Commissie beklemtoont, de mededeling van een maatregel in het kader van die procedure geenszins een vermoeden van geldigheid van die maatregel doet ontstaan. Uit die beschikking blijkt volgens haar echter wel, dat een nationale controlemaatregel niet bij voorbaat in strijd is met het gemeenschapsrecht.
38.
Zelfs als die conclusie juist zou zijn, volgt er toch niet uit, dat een dergelijke maatregel nooit in strijd met het gemeenschapsrecht kan zijn. Elk geval moet apart worden bezien in het licht van de verdragsbepalingen en de rechtspraak van het Hof.
39.
In de tweede plaats verwijst de Franse regering naar verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden. ( 8 )
40.
Zij verklaart, dat de gewraakte vasthoudingsmaatregelen verenigbaar zijn met de bepalingen van die verordening, die de lidstaten ruime bevoegdheden toekennen ter verzekering van de rechtsbescherming van houders van intellectuele-eigendomsrechten tegen namaak uit derde landen.
41.
In het bijzonder kan de rechthebbende krachtens verordening nr. 3295/94 de douane schriftelijk verzoeken in te grijpen, wanneer de nagemaakte goederen worden aangegeven voor toelating tot het vrije verkeer, voor uitvoer of wederuitvoer of bij gelegenheid van een controle worden ontdekt.
42.
Verweerster citeert voorts de conclusie van de advocaatgeneraal in de zaak Polo/Lauren ( 9 ), volgens welke verordening nr. 3295/94 de lidstaten toestaat de doorvoer over hun grondgebied van nagemaakte goederen uit een derde land, die bestemd zijn voor wederuitvoer naar een ander derde land, te beletten.
43.
De Franse regering accepteert evenwel het betoog van de Commissie, dat verordening nr. 3295/94 slechts van toepassing is op goederen uit derde landen, waarvoor, anders dan voor goederen die rechtmatig in een lidstaat zijn vervaardigd, de vrijheid van goederenverkeer niet geldt.
44.
Zij meent echter, dat zonder de door de Commissie bekritiseerde maatregelen de doelstelling van verordening nr. 3295/94 ernstig in gevaar zou komen. Het volstaat dan dat „rekkelijke” lidstaten de goederen op hun grondgebied in het vrije verkeer brengen, om te bewerkstelligen dat zij niet meer onderschept kunnen worden door een meer op de bescherming van de industriële en commerciële eigendom bedachte lidstaat, die enkel land van doorvoer is.
45.
Dat men met meer ijver dan de door verweerster als „rekkelijk” („laxiste”) bestempelde lidstaten een bepaling van afgeleid recht wil toepassen, kan geen rechtvaardiging zijn voor een schending van het Verdrag.
46.
Het is bovendien vaste rechtspraak, dat wanneer een lidstaat meent dat een andere lidstaat zijn verplichtingen krachtens het gemeenschapsrecht niet is nagekomen, hij die situatie niet mag rechtzetten met behulp van nationale maatregelen, maar gebruik moet maken van de middelen die het gemeenschapsrecht hem daartoe biedt.
47.
De Franse regering nuanceert vervolgens haar betoog met erop te wijzen, dat het slechts tot het in verordening nr. 3295/94 bedoelde douaneoptreden komt, wanneer de inbreuk op het recht plaatsvindt in de lidstaat waarin om ingrijpen van de autoriteiten wordt verzocht. Niets belet derhalve een handelaar uit een derde land, in een andere lidstaat toelating tot het vrije verkeer te verkrijgen van goederen die volgens Frans recht namaakgoederen zijn. Die krijgen dan de status van communautaire goederen en moeten in de opvatting van de Commissie vrij het Franse grondgebied kunnen passeren. Dit nu zou de verwezenlijking van de doelstellingen van verordening nr. 3295/94 in gevaar brengen.
48.
Om te beginnen merk ik op, dat de door de Commissie gewraakte maatregelen niet verenigbaar lijken met de bepalingen van verordening nr. 3295/94.
49.
Deze bepaalt immers in artikel 3, dat het bij de douane ingediende verzoek betrekking moet hebben op producten uit derde landen. Verweerster nu stelt niet, dat hetzelfde geldt voor de in het Franse recht geregelde vasthoudingsmaatregel.
50.
In de tweede plaats moet het verzoek verband houden met welbepaalde situaties, te weten situaties waarin de betrokken goederen worden aangegeven voor toelating tot het vrije verkeer, voor uitvoer of wederuitvoer, of worden ontdekt bij een controle van goederen die onder een schorsingsregeling zijn geplaatst, in de zin van het Communautair douanewetboek.
51.
Tussen partijen staat echter vast, dat de mogelijkheid om goederen vast te houden, naar Frans recht niet van het bestaan van een van die situaties afhangt.
52.
Ik moet dus vaststellen, dat de door de Commissie gewraakte vasthoudingsmaatregelen een veel ruimer toepassingsgebied hebben dan de in verordening nr. 3295/94 bedoelde maatregelen en hun rechtvaardiging dus niet in de doelstelling van deze verordening kunnen vinden.
53.
Voorts moet ik eraan herinneren, dat een lidstaat een schending van het Verdrag in geen geval kan rechtvaardigen met te stellen, dat een maatregel in overeenstemming is met de doelstelling van een handeling van afgeleid recht. Een handeling van afgeleid recht kan immers niet afdoen aan de omvang van de verplichtingen die krachtens het Verdrag op een lidstaat rusten.
54.
Wat die verplichtingen betreft, voert de Commissie de volgende argumenten aan om het bestaan van een schending van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen aan te tonen.
55.
Met betrekking tot de bescherming van de industriële eigendom merkt zij op, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof die afwijkingsgrond slechts kan worden aanvaard, indien de betrokken nationale maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn voor de bescherming van de rechten die het specifieke voorwerp van de beschermde industriële eigendom vormen.
56.
Op dat punt is het beroep van de Franse autoriteiten op 's Hofs rechtspraak inzake het merkenrecht niet direct ter zake dienend, daar de betrokken onderdelen niet van nagemaakte merken waren voorzien.
57.
Met betrekking tot de bescherming van tekeningen en modellen, en met name de bescherming van auto-onderdelen, verwijst de Commissie naar het eerder genoemde arrest CICRA en Maxicar. Als verdragsconform beoordeelde het Hof daarin een nationale wettelijke regeling volgens welke een autofabrikant, die houder is van een recht op siermodellen voor vervangingsonderdelen van door hem vervaardigde auto's, derden kan verbieden de beschermde onderdelen te vervaardigen voor verkoop op de interne markt of voor uitvoer, en de invoer uit andere lidstaten van aldaar zonder zijn toestemming vervaardigde onderdelen kan beletten. Het Hof beklemtoonde, dat een dergelijke wettelijke regeling strekt tot bescherming van het wezen van het aan de fabrikant verleende uitsluitend recht en dus niet in strijd is met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag.
58.
Het aan de houder van het modelrecht verleende uitsluitend recht, zo vervolgt de Commissie, betreft de vervaardiging en het in de handel brengen op het nationale grondgebied, maar biedt wegens de territorialiteit van het industriële-eigendomsrecht geen bescherming op andere markten. Dit heeft het Hof met name bevestigd in zijn arrest IHT Internationale Heiztechnik en Danziger. ( 10 ) De producten waarom het in casu gaat, worden niet in Frankrijk vervaardigd en zijn ook niet bestemd om daar in de handel te worden gebracht. Het vasthouden ervan door de Franse autoriteiten kan dus niet dienen ter bescherming van het specifieke voorwerp van het recht, zoals door het Hof omschreven.
59.
In het arrest CICRA en Maxicar heeft het Hof weliswaar geoordeeld, dat niet slechts een invoerverbod, maar ook een uitvoerverbod voor de goederen die inbreuk maakten op het uitsluitend recht, gerechtvaardigd was, maar uit het arrest blijkt, dat het de vervaardiging op het nationale grondgebied van die goederen is die rechtmatig kan worden verboden, ongeacht of die vervaardiging plaatsvindt voor verkoop in het binnenland dan wel voor uitvoer.
60.
Door de enkele doorvoer over Frans grondgebied wordt geen inbreuk gemaakt op het uitsluitend recht dat de Franse wetgeving aan de houder van het modelrecht toekent.
61.
Wanneer men in een geval als het onderhavige het vasthouden door de Franse douane van zich in doorvoer bevindende communautaire goederen zou billijken, betekent dat in feite, dat de Franse wettelijke regeling ook in andere lidstaten van toepassing is, en dit druist in tegen het door het Hof bevestigde beginsel, dat iedere nationale wetgever moet bepalen welke producten beschermd zijn. Die extraterritoriale werking zou nog worden versterkt door de centrale ligging van Frankrijk in de Europese Gemeenschap. Zo zou de bescherming die een marktdeelnemer in Frankrijk geniet, volstaan om hem in de hele Gemeenschap uitsluitende rechten te verzekeren, ten nadele van producten die in Spanje en Portugal rechtmatig zijn vervaardigd.
62.
Uit deze voorbeelden blijkt, dat het evenwicht dat tussen de bescherming van de industriële eigendom en het beginsel van verkeersvrijheid moet bestaan, zoals uit-eengezet in het arrest Keurkoop ( 11 ), duidelijk ten koste van die vrijheid zou worden doorbroken.
63.
De bescherming van de industriële eigendom, zo besluit de Commissie, kan dus geen rechtvaardiging zijn voor het vasthouden door de douane van via Frankrijk vervoerde communautaire goederen die zich in het vrije verkeer bevinden.
64.
Met betrekking tot artikel 36 beklemtoont de Franse regering, dat de bescherming van de industriële en commerciële eigendom een van de gronden is waarop van het beginsel van vrij goederenverkeer kan worden afgeweken. Het vasthouden voor controle past daarbij. Aan het evenredigheidscriterium wordt voldaan door de beperkte duur van het vasthouden en doordat aan de goederen geen schade wordt toegebracht.
65.
In het kader van de industriële eigendom heeft het Hof een evenwicht gevonden tussen de vrije goederenverkeer en de legitieme bescherming van rechten op geestelijke eigendom. Het heeft verklaard, dat iedere maatregel evenredig en dus geoorloofd is, indien zij tot doel heeft de bescherming van het specifieke voorwerp van die eigendom te verzekeren.
66.
Op het gebied van modellen is het arrest Keurkoop (reeds aangehaald) de voornaamste referentie. In die zaak omschreef de advocaatgeneraal, naar het voorbeeld van de Commissie in haar opmerkingen, het specifieke voorwerp als het uitsluitend recht van de gerechtigde om een product met een bepaalde vorm in de handel te brengen. De door de rechthebbende genomen maatregelen behoren dus tot het specifieke voorwerp van de eigendom op het model, wanneer zij zijn uitsluitende rechten beogen te beschermen.
67.
In het arrest Keurkoop besliste het Hof, dat de houder van een krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat verkregen modelrecht zich kan verzetten tegen de invoer van producten uit een andere lidstaat, die hetzelfde uiterlijk hebben als het gedeponeerde model. De Franse regering is van mening, dat wanneer men deze rechtspraak op de onderhavige zaak toepast, men tot de conclusie kan komen, dat bij doorvoer van slaafse kopieën van autoonderdelen en indien die kopieën zonder toestemming van de rechthebbende in het verkeer zijn gebracht, elke actie die ertoe strekt de invoer, uitvoer, doorvoer of eerste verkoop van die goederen op het nationale grondgebied te beletten, niet meer is dan een rechtmatige uitoefening van industri-ele-eigendomsrechten.
68.
Tot staving van deze analyse haalt de Franse regering een passage aan uit de opmerkingen van de Commissie in zaak C-38/98 (Renault, reeds aangehaald), die nauw aansluit bij het dictum van 's Hofs arrest CICRA en Maxicar (reeds aangehaald): „Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht moeten de artikelen 30 en 36 van het Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling volgens welke de houder van bijzondere rechten van intellectuele eigendom op losse onderdelen die tezamen de carrosserie van een reeds op de markt gebrachte auto vormen, die uitsluitende rechten kan uitoefenen door derden te verbieden niet originele vervangingen voor die losse onderdelen te vervaardigen, te verkopen, in te voeren of uit te voeren, en door een beroep te doen op de hem toekomende rechtsbescherming om die verboden te handhaven.”
69.
Tot slot betoogt de Franse regering, dat controles ter verzekering van de bescherming van modellen van auto-onderdelen volgens modaliteiten die op gemeenschapsniveau niet zijn geharmoniseerd, niet noodzakelijk binnen de werkingssfeer van artikel 30 vallen en in voorkomend geval worden gedekt door de in artikel 36 van het Verdrag bedoelde afwijking ter zake van beperkingen die uit hoofde van bescherming van industriële eigendom gerechtvaardigd zijn.
70.
Wat te denken van deze argumenten?
71.
Met verweersters analyse van de door haar aangehaalde rechtspraak kan ik het niet eens zijn.
72.
Immers, de zaak CICRA en Maxicar betreft een situatie waarin de rechthebbende de vervaardiging van het beschermde voortbrengsel wil verhinderen, en, zoals de Commissie opmerkt, kan men de vervaardiging op het grondgebied waarvoor het recht geldt, niet zomaar op één lijn stellen met eenvoudige doorvoer over dat grondgebied.
73.
Dat het Hof heeft beslist, dat het recht de vervaardiging te beletten, tot het wezen van het recht van intellectuele eigendom behoort, kan dus niet betekenen, dat hetzelfde geldt voor het recht eenvoudige doorvoer te beletten.
74.
Om gelijke redenen ben ik niet overtuigd door verweersters betoog met betrekking tot het arrest Keurkoop. Daar besliste het Hof, dat het recht zich te verzetten tegen het in de handel brengen van een ingevoerd voortbrengsel met hetzelfde uiterlijk als het door het modelrecht beschermde voortbrengsel, in beginsel tot het wezen van het recht van industriële en commerciële eigendom behoort. Het arrest zegt daarentegen niets over doorvoer — een heel andere vraag, die in die zaak niet aan de orde was.
75.
De redenen waarom het arrest CICRA en Maxicar in casu slechts beperkt toepasselijk is, beletten ons ook verweerster te volgen in haar overeenkomstige, op het arrest Keurkoop gebaseerde redenering.
76.
De Commissie wijst erop, dat volgens vaste rechtspraak de in artikel 36 van het Verdrag vermelde afwijking van het fundamentele beginsel van verkeersvrij heid enkel geldt voor maatregelen die de bescherming beogen te verzekeren van de uitsluitende rechten die het specifieke voorwerp van het intellectuele-eigendomsrecht zijn. ( 12 )
Het specifieke voorwerp van het modelrecht
77.
Evenals partijen zal ik mijn bespreking richten op de bescherming van het modelrecht, want uit het dossier blijkt, dat de onderdelen waarop de klachten betrekking hadden die tot het beroep van de Commissie hebben geleid, niet van een nagemaakt merk waren voorzien en onder de bescherming van een modelrecht vielen.
78.
Een eerste aanwijzing vinden wij in richtlijn 98/71 zelf. ( 13 ) Artikel 12 daarvan bepaalt onder het opschrift „Inhoud van het modelrecht”:
„De inschrijving van een model verleent aan de houder ervan het exclusieve recht om het te gebruiken en om derden aan wie hij daartoe geen toestemming heeft verleend, te beletten het te gebruiken. Onder dit gebruik wordt met name verstaan het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken van een voortbrengsel waarin het model is verwerkt of waarop het is toegepast, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van dat voortbrengsel.”
79.
In deze — blijkens het gebruik van de woorden „met name” weliswaar niet uitputtende — opsomming zoekt men tevergeefs een verwijzing naar het enkele vervoer van het voortbrengsel.
80.
In ieder geval blijkt er ontegenzeglijk uit, dat het specifieke voorwerp van het recht gelegen is in de mogelijkheid het „gebruik” van het voortbrengsel te beletten. Wat moet onder dit gebruik worden verstaan?
81.
Het is duidelijk, dat het vervaardigen van een product dat, al is het maar uiterlijk, identiek is aan het beschermde product, het „gebruik” van het model impliceert. Die vervaardiging onderstelt immers, dat het uiterlijk van het product wordt nagebootst, en juist dit uiterlijk is het kenmerk waarom het bij het modelrecht gaat.
82.
Hetzelfde geldt voor het in de handel brengen van producten die het uiterlijk van het beschermde product nabootsen. Dat uiterlijk is immers doorslaggevend voor de gebruiker die een product koopt waarop een modelrecht rust, anders zou er ook geen belang bij bestaan, het door middel van een uitsluitend recht te beschermen. Het succes van het in de handel brengen hangt dus in het bijzonder af van het uiterlijk van het te koop aangebodene.
83.
Daarentegen kan men niet zeggen, dat de vervoerder het product „gebruikt” op een wijze als waarvan in de twee bovenbedoelde omstandigheden sprake is. Voor de vervoerprestatie doet het er immers niet toe, hoe het product eruit ziet, en voor de beloning die de vervoerder voor zijn dienst ontvangt, is het evenmin van belang. Het succes van de vervaardiging en het in de handel brengen hangt echter ten nauwste samen met het uiterlijk van het product, en het is dit wat het recht beoogt te beschermen.
84.
Het is derhalve volstrekt logisch, dat de modelrechthebbende betaling van royalty's kan verkrijgen van degenen die het product met zijn toestemming vervaardigen of verhandelen. Men kan zich echter moeilijk voorstellen, dat een vervoerder bereid zou zijn royalty's te betalen voor de eer de beschermde producten te mogen vervoeren. ( 14 )
85.
Er is dus een groot verschil tussen het enkele vervoer enerzijds en de vervaardiging of verhandeling anderzijds.
86.
Bovendien verzet de rechthebbende zich niet tegen het vervoer op zich beschouwd. Zijn belang bestaat erin, te beletten dat de onderdelen belanden bij een gebruiker die ze kan kopen zonder dat de rechthebbende de uit zijn intellectueleeigendomsrecht voortvloeiende beloning heeft kunnen verkrijgen. De enige reden waarom de rechthebbende zich zou willen verzetten tegen het vervoer op zich van de litigieuze onderdelen, is dus de omstandigheid dat die onderdelen aan het einde van het vervoer in de handel worden gebracht, en het is dit wat de rechthebbende in werkelijkheid wil beletten.
87.
Enkel in samenhang met het in de handel brengen kan het vervoer dus schadelijk zijn voor de belangen van de rechthebbende. Op zich beschouwd is het echter neutraal ten opzichte van die belangen en kan het derhalve, in tegenstelling tot de vervaardiging of het in de handel brengen, niet tot het beschermde specifieke voorwerp van het recht behoren.
88.
Deze analyse wordt bevestigd door heel de rechtspraak van het Hof betreffende de intellectuele eigendom. Immers, ongeacht om welk recht het ging ( 15 ), het Hof heeft bij de omschrijving van het specifieke voorwerp ervan steeds uitdrukkelijk naar het in de handel brengen verwezen.
89.
Hetzelfde geldt met betrekking tot de rechten van intellectuele eigendom die door de gemeenschapswetgever reeds zijn geharmoniseerd. ( 16 )
90.
Ik zie niet in, waarom men hier van al die precedenten zou moeten afwijken en het model een ruimere bescherming zou moeten geven dan aan het auteursrecht of het octrooirecht toekomt, vooral omdat ook in de richtlijn inzake modellen het accent op de vervaardiging en het in de handel brengen ligt.
91.
Hieruit volgt, dat nationale maatregelen die niet tot doel hebben het uitsluitend recht van de rechthebbende te beschermen om het beschermde voortbrengsel te vervaardigen of in de handel te brengen, maar die de enkele doorvoer van het voortbrengsel over het grondgebied waar het recht geldt, beogen te beletten, niet gerechtvaardigd kunnen worden uit hoofde van bescherming van het specifieke voorwerp van het intellectuele-eigendomsrecht.
92.
Men zou natuurlijk kunnen zeggen, dat de litigieuze maatregelen er niettemin toe strekken het specifieke voorwerp van het recht te beschermen, omdat de rechthebbende met behulp van die maatregelen kan beletten dat de betrokken goederen een andere lidstaat bereiken waar zij op de markt zouden worden gebracht.
93.
Dit argument ziet echter over het hoofd, dat in de concrete situatie waarop het beroep van de Commissie betrekking heeft, het recht van de lidstaat waarvoor de goederen bestemd zijn, toelaat dat zij in de handel worden gebracht.
94.
Maakte men dat argument tot het zijne, dan zou men in feite de gelding van het in Frankrijk bestaande verbod tot het grondgebied van die andere lidstaat uitbreiden. Daarmee zou, zoals de Commissie uiteenzet, het Franse recht extraterritoriale werking krijgen, wat in strijd is met het beginsel van territorialiteit van het intellectuele-eigendomsrecht. Die territorialiteit is echter een wezenlijk aspect van het recht, want volgens de rechtspraak van het Hof is dit recht te beschouwen als een monopolie op het grondgebied waarvoor het geldt. ( 17 )
95.
Het zou voorts paradoxaal zijn, indien een marktdeelnemer het vervoer via een lidstaat kon beletten — en, als uitvloeisel daarvan, de rechtmatige verhandeling in een andere lidstaat —, terwijl de vervoerdienst slechts een accessoir is ten opzichte van die verhandeling. Dat zou erop neerkomen, dat de hoofdzaak de bijzaak volgt in plaats van andersom.
96.
Verweerster betoogt nog, dat de vasthoudingsmaatregel de bescherming van het specifieke voorwerp van het intellectueleeigendomsrecht dient, omdat dit in elk geval inhoudt, dat de rechthebbende het recht heeft het beschermde voortbrengsel voor het eerst in het verkeer te brengen.
97.
In casu nu worden de in geding zijnde onderdelen in Frankrijk voor het eerst „in het verkeer gebracht”. Het Verdrag staat er derhalve niet aan in de weg, dat de Franse wettelijke regeling de modelrechthebbende de mogelijkheid geeft, dat „in het verkeer brengen” te beletten.
98.
Dit argument haalt, lijkt mij, twee dingen door elkaar: „in het verkeer brengen” in de zuiver fysieke betekenis van de term en „in het verkeer brengen” in de betekenis die het gemeenschapsrecht eraan hecht.
99.
Wanneer immers in 's Hofs rechtspraak betreffende het vrije „verkeer” van goederen gesproken wordt van het „in het verkeer brengen in een andere lidstaat”, dan gaat het niet om de simpele verplaatsing van de goederen met een of ander voertuig, maar om het in de handel brengen ervan.
100.
Wanneer dus, zoals in het geval waarop het beroep van de Commissie doelt, goederen fysiek via het grondgebied van een lidstaat worden verplaatst om vervolgens in een andere lidstaat in de handel te worden gebracht, dan komen zij, anders dan verweerster betoogt, in laatstbedoelde lidstaat voor het eerst „in het verkeer”.
101.
Dat het hanteren van een zuiver fysiek criterium niet bepaald onproblematisch is, blijkt ook wel uit de omstandigheden van de onderhavige zaak. In de zin van dat criterium zijn de litigieuze onderdelen ook niet in Frankrijk voor het eerst in het verkeer gebracht, maar in Spanje, want zij zijn in die staat vervaardigd en dus noodzakelijkerwijs daar bij het vertrek uit de fabriek in het „verkeer” gekomen.
Is een doorvoerverbod noodzakelijk?
102.
Verweerster betoogt nog, dat de door de Commissie bekritiseerde vasthoudingsmaatregelen voor een doeltreffende bestrijding van namaak noodzakelijk zijn. Dat deze bestrijding legitiem is, blijkt uit de in het kader van de Gemeenschap en in de context van de derde zuil gestelde prioriteiten.
103.
Het beroep van de Commissie doet dus ernstig afbreuk aan de doelstellingen van de Gemeenschap.
104.
Meer in het bijzonder zet de Franse regering uiteen, dat de vasthoudingsmaatregelen, tezamen met het eventueel eruit voortvloeiende verbod, noodzakelijk zijn om te voorkomen, dat de in een andere lidstaat vervaardigde onderdelen niet naar de opgegeven bestemming in een andere lidstaat worden gebracht, doch heimelijk in Frankrijk worden verkocht.
105.
Met andere woorden, men moet de maatregelen in geding niet zien als een middel om doorvoer onder het specifieke voorwerp van het intellectuele-eigendomsrecht te brengen, maar als een middel om de eerbiediging te verzekeren van de rechten die de rechthebbende aan het gemeenschapsrecht ontleent, namelijk het uitsluitend recht om het beschermde voortbrengsel te vervaardigen en in de handel te brengen.
106.
Het vasthouden, dat een prealabel is voor een volstrekt doorvoerverbod, is dus noodzakelijk, want als men de doorvoer door Frankrijk van in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigde onderdelen, die bestemd zijn om in een derde lidstaat rechtmatig te worden verhandeld, toestaat, is het risico maar al te groot, dat het bij die „doorvoer” om clandestiene invoer blijkt te gaan, en daarmee zou ontegenzeglijk inbreuk worden gemaakt op de rechten van de houder van het intellectuele-eigendomsrecht.
107.
Stellig is het juist, dat vasthoudingsmaatregelen waarmee uitsluitend wordt beoogd de verhandeling in Frankrijk van zonder toestemming van de rechthebbende vervaardigde onderdelen te beletten, strekken tot bescherming van het specifieke voorwerp van het intellectuele-eigendomsrecht, want dat bestaat in het uitsluitend recht van de rechthebbende — waarover deze natuurlijk via het verlenen van licenties kan beschikken — om het beschermde voortbrengsel te vervaardigen en in de handel te brengen op het grondgebied waarvoor het recht geldt.
108.
Het is echter vaste rechtspraak van het Hof, dat het voor een maatregel die een fundamentele verdragsvrijheid beperkt, niet voldoende is dat zij onder een van de afwijkingsgronden van artikel 36 van het Verdrag valt: zij moet ook evenredig zijn aan het te bereiken doel. ( 18 )
109.
In het bijzondere geval van controlemaatregelen overwoog het Hof, dat een nationale controleprocedure slechts gerechtvaardigd is in de zin van artikel 36 van het Verdrag, wanneer het beoogde doel niet even goed kan worden bereikt met maatregelen die de intracommunautaire handel minder beperken. Die procedure mag dus geen onredelijke kosten of vertragingen veroorzaken. ( 19 )
110.
Men kan niet zeggen, dat maatregelen als hier in geding, die bedoeld zijn om te voorkomen dat goederen die zogenaamd voor de markt van een andere lidstaat zijn bestemd, in Frankrijk op de markt worden gebracht, en waaraan men ook niet kan ontkomen wanneer vaststaat dat de goederen voor een andere lidstaat zijn bestemd, aan het evenredigheidsbeginsel voldoen.
111.
In het arrest Monsees ( 20 ) heeft het Hof overigens beklemtoond, welk een ernstige zaak maatregelen zijn die op een volstrekt doorvoerverbod uitlopen.
112.
Een dergelijk verbod vormt een diepe ingreep in de handelsstromen op een markt die ongedeeld zou moeten zijn. Het dient dus een uiterste redmiddel te zijn en niet, zoals in het onderhavige geval, een routinemaatregel.
113.
Ten onrechte, zo meen ik, betoogt verweerster, dat de Commissie geen andere maatregelen heeft genoemd om het gestelde risico tegen te gaan, die minder beperkend voor het handelsverkeer zijn.
114.
Zo heeft de Commissie erop gewezen, dat een eenvoudige controle van de vrachtpapieren zou volstaan om zekerheid te krijgen, dat de gecontroleerde lading daadwerkelijk uit een andere lidstaat afkomstig is en voor een derde lidstaat is bestemd. Ik deel deze mening.
115.
In de eerste plaats merk ik op, dat het Hof in tal van gevallen heeft geoordeeld, dat invoerverboden excessief waren in verhouding tot het beoogde doel en dat etiketteringsmaatregelen als toereikend moesten worden beschouwd. ( 21 ) Dit heeft dus zeker te gelden voor een doorvoerverbod.
116.
Ik kan mij immers maar heel moeilijk voorstellen, dat een controle op basis van de papieren die de lading vergezellen, daarvoor niet voldoende zou zijn, en het lijkt mij duidelijk, dat een dergelijke controle minder restrictief is dan de door de Commissie gewraakte vasthoudingsmaatregelen.
117.
Verweerster brengt daartegen in, dat Jiet vereiste om vrachtpapieren bij zich te hebben, op zich al een belemmering van het vrije goederenverkeer kan zijn.
118.
Dat is zeker het geval. Men kan dat bezwaar echter niet laten gelden, wanneer, zoals in casu, een controle van de papieren heel wat minder beperkend is dan de door de lidstaat toegepaste maatregel, en bovendien evenredig aan het beoogde doel, te weten de bescherming van het specifieke voorwerp van het intellectuele-eigendomsrecht.
119.
De Franse regering merkt nog op, dat de door de bevoegde diensten aangehouden vrachtauto's in vele gevallen geen enkel document kunnen tonen.
120.
Dit zou mij werkelijk verbazen. Weliswaar noemt de Commissie geen enkele algemene regeling die het bezit van vrachtpapieren verplicht stelt, maar ik moet er wel aan herinneren, dat de vervoerprestatie zich niet alleen in een bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke context afspeelt, maar ook op basis van contractuele afspraken waarvan men zich moeilijk kan voorstellen dat die geen enkele schriftelijke neerslag zouden hebben gevonden. Verweerster zelf wijst er in dit verband op, dat handelsovereenkomsten in de regel blijken uit documenten zoals bestelformulieren, contracten, leveringsbonnen of facturen.
121.
Zo blijkt uit het dossier, dat de marktdeelnemers wier goederen zijn vastgehouden en die bij de Commissie de klachten hebben ingediend die tot het onderhavige beroep hebben geleid, over facturen en andere documenten beschikten.
122.
En als er al eens een vervoerder wordt aangehouden die in het geheel geen documenten bij zich heeft, moet het in deze tijd van moderne communicatiemiddelen voor de bevoegde autoriteiten toch mogelijk zijn, zich die documenten in minder dan tien dagen te doen toezenden.
123.
Maar hoe dan ook, het argument mist elke relevantie. De omstandigheid dat bepaalde vervoerders ook indien zij daartoe verplicht waren, geen papieren bij zich zouden hebben, kan geen rechtvaardiging zijn om allen te verbieden een fundamentele verdragsvrijheid uit te oefenen. Er is immers niets wat de Franse autoriteiten belet om bij een controle op basis van papieren een vasthoudingsmaatregel te treffen jegens degenen die geen enkel document kunnen tonen.
124.
Ik ben derhalve van mening, dat de in geding zijnde vasthoudingsmaatregelen, zelfs indien men aanneemt, dat zij strekken tot bescherming van het specifieke voorwerp van het recht van intellectuele eigendom door uitsluiting van elk risico dat het bij de „doorvoer” om clandestiene invoer gaat, op grond van het gemeenschapsrecht moeten worden afgekeurd, omdat zij onevenredig zijn aan het ermee beoogde doel.
Vasthouding als tijdelijke maatregel?
125.
De Franse regering zinspeelt echter op de mogelijkheid, dat wanneer het werkelijk om doorvoer gaat, de goederen aan het einde van de vasthoudingsprocedure toch worden doorgelaten. De gewraakte vasthoudingsmaatregelen zouden in de praktijk dus niet tot een doorvoerverbod leiden, zoals in de zaak Monsees (reeds aangehaald) het geval was, doch enkel tot vertraging van de doorvoer.
126.
Deze stelling lijkt mij maar moeilijk verenigbaar met de door verweerster en overigens ook door de Commissie aangehaalde nationale rechtspraak.
127.
Volgens het dossier is het immers vaste rechtspraak van de Franse rechterlijke instanties, dat het enkele vervoer van in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigde en voor verhandeling in een derde lidstaat bestemde onderdelen het delict namaak oplevert, dat met diverse sancties, waaronder het doorvoerverbod, wordt bedreigd.
128.
Ik wil niettemin onderzoeken, of de door de Commissie gewraakte vasthoudingsmaatregelen verenigbaar zouden zijn met het gemeenschapsrecht, indien zij, in plaats van op een doorvoerverbod uit te lopen, uitsluitend een vertraging tot gevolg hadden van de doorvoer van in een lidstaat rechtmatig vervaardigde goederen, die bestemd zijn om in een andere lidstaat rechtmatig in de handel te worden gebracht, en die doorvoer werd toegestaan nadat de ware herkomst en bestemming van de vastgehouden goederen waren komen vast te staan.
129.
Volgens de toepasselijke regeling kunnen de goederen tien werkdagen lang worden vastgehouden. Een dergelijk tijdverlies zal de betrokken vervoerder veel geld kosten.
130.
De omstandigheid dat het vasthouden in de praktijk minder lang kan duren, is niet van belang, want volgens de rechtspraak kan een lidstaat zich niet op het bestaan van een met het gemeenschapsrecht conforme praktijk beroepen om een regeling te handhaven die dat niet is.
131.
Verder wijs ik erop, dat het bij de controle die de betrokken diensten zouden moeten verrichten, niet gaat om een ingewikkelde technische expertise, zoals in de zaak Commissie/Frankrijk ( 22 ), waarin het Hof een termijn van 21 dagen voor het onderzoek van ingevoerde wijnen niet uitdrukkelijk als in strijd met het Verdrag aanmerkte.
132.
De autoriteiten behoeven immers niet vast te stellen, of de betrokken onderdelen voldoen aan een nationale of communautaire technische norm. Op basis van de papieren moeten zij enkel hun herkomst en bestemming verifiëren, en dat zou eerder een kwestie van uren dan van dagen moeten zijn.
133.
Ik kom tot de slotsom, dat ook indien de vasthoudingsmaatregelen waartegen het beroep van de Commissie is gericht, niet zouden leiden tot een volstrekt doorvoerverbod voor in een lidstaat rechtmatig vervaardigde en voor verhandeling in een andere lidstaat bestemde goederen, en dus enkel een oponthoud bij de doorvoer van die goederen tot gevolg zouden hebben, zij niet aan de vereisten van het gemeenschapsrecht voldoen.
134.
Uit het voorgaande volgt, dat de in het beroep van de Commissie bedoelde vasthoudingsprocedures een belemmering vormen van het vrije verkeer van de betrokken goederen, wanneer deze in een lidstaat rechtmatig zijn vervaardigd en bestemd zijn om in een andere lidstaat rechtmatig in de handel te worden gebracht, en dat die belemmering niet op grond van artikel 36 van het Verdrag kan worden gerechtvaardigd.
Conclusie
135.
Ik geef derhalve in overweging het beroep van de Commissie toe te wijzen en
—
vast te stellen, dat de Franse Republiek de krachtens artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door op basis van de Code de la propriété intellectuelle procedures inzake het vasthouden door de douane toe te passen ten aanzien van goederen die in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig zijn vervaardigd en die bestemd zijn om, na doorvoer over Frans grondgebied, op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat waar zij rechtmatig kunnen worden verhandeld;
—
verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „Communautair douanewetboek”).
( 2 ) Arrest van 5 oktober 1988 (53/87, Jurispr. blz. 6039).
( 3 ) Arrest van 11 mei 2000 (C-38/98, Jurispr. blz. I-2973).
( 4 ) Arrest van 20 februari 1979, Rewe Zentral, bekend als „Cassis de Dijon” (120/78, Jurispr. blz. 649).
( 5 ) PB L 289, blz. 28.
( 6 ) Vaste rechtspraak; zie, onder vele andere, arrest van 10 juli 1984, Campus Oil e.a. (72/83, Jurispr. blz. 2727).
( 7 ) PB L 321, blz. 1.
( 8 ) PB L 341, blz. 8.
( 9 ) Conclusie van advocaatgeneraal R. Ruiz Jarabo Colomer van 16 december 1999 bij arrest van 6 april 2000 (C-383/98, Jurispr. blz. I-2519).
( 10 ) Arrest van 22 juni 1994 (C-9/93, Jurispr. blz. I-2789).
( 11 ) Arrest van 14 september 1982 (144/81, Jurispr. blz. 2853).
( 12 ) Arrest van 8 juni 1971, Deutsche Grammophon (78/70, Jurispr. blz. 487).
( 13 ) Zie punt 31 supra.
( 14 ) Het is natuurlijk wat anders indien, bijvoorbeeld, de modelrechthebbende tevens een merkrecht heeft en de transporteur toestaat dat merk voor reclamedoeleinden te gebruiken. Bijvoorbeeld: onderneming X, exclusief vervoerder voor fabrikant Y.
( 15 ) Voor het octrooirecht, arrest van 31 oktober 1974, Sterling Drug (15/74, Jurispr. blz. 1147); voor het kwekersrecht, arrest van 8 juni 1982, Nungesser en Eisele/Commissie (258/78, Jurispr. blz. 2015); voor het auteursrecht, arrest Deutsche Grammophon, reeds aangehaald; voor het merkrecht, arrest van 31 oktober 1974, Winthrop (16/74, Jurispr. blz. 1183).
( 16 ) Zie, bijvoorbeeld, artikel 5 van de Eerste richtlijn, 89/104/ EEG, van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1); artikel 13 van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB L 227, blz. 1); artikel 5 van richtlijn 87/54/EEG van de Raad van 16 december 1986 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderproducten (PB 1987, L 24, blz. 36); artikel 25 van het Akkoord betreffende de gemeenschapsoctrooien — gedaan te Luxemburg op 15 december 1989 (PB L 401, blz. 1), en artikel 20 van het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot onderlinge aanpassing van het recht inzake gebruiksmodellen [COM(99) 309 def.].
( 17 ) Zie arrest IHT Internationale Heiztechnik en Danziger, reeds aangehaald.
( 18 ) Arresten van 20 mei 1976, De Peijper (104/75, Jurispr. blz. 613), en Campus Oil e.a., reeds aangehaald.
( 19 ) Arrest van 11 juni 1987, Gofette en Gilliard (406/85, Jurispr. blz. 2525, punt 10).
( 20 ) Arrest van 11 mei 1999 (C-350/97, Jurispr. blz. I-2921).
( 21 ) Arresten van 10 november 1982, Rau (261/81, Jurispr. blz. 3961), en 14 juli 1988, 3 Glocken en Kritzinger (407/85, Jurispr. blz. 4233).
( 22 ) Arrest van 22 maart 1983 (42/82, Jurispr. blz. 1013).
Full & Egal Universal Law Academy