Conclusie van de advocaat generaal
1. J. Verdonck, R. Everaert en E. De Baedts zijn alle drie lid van de raad van bestuur van de Ter Beke NV, die heeft besloten de vennootschap Chilled Food Business, een afdeling van de Unilever NV, over te nemen. Zij worden in België strafrechtelijk vervolgd wegens misbruik van voorwetenschap. Hun wordt verweten, dat zij gebruik hebben gemaakt van voorwetenschap om beursorders voor de aankoop van aandelen van Ter Beke te plaatsen.
2. Volgens verdachten in de hoofdzaak is de Belgische wettelijke regeling inzake beurstransacties, waarop de tegen hen ingestelde strafvervolging is gebaseerd, niet in overeenstemming met richtlijn 89/592/EEG van de Raad van 13 november 1989 tot coördinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden.
3. Zij wijzen op artikel 6 van de richtlijn, volgens welke bepaling elke lidstaat strengere voorschriften dan die van de richtlijn kan vaststellen, mits deze van algemene toepassing zijn.
4. Volgens verdachten in de hoofdzaak is de Belgische wet strenger dan de richtlijn, waar zij niet vereist dat een oorzakelijk verband wordt aangetoond tussen het feit dat een ingewijde over voorwetenschap beschikt en de verrichting van een beurstransactie door die ingewijde. Anderzijds bevat de Belgische wet een uitzondering ten gunste van holdingmaatschappijen. Volgens verdachten in de hoofdzaak is de Belgische wet in strijd met het gemeenschapsrecht, daar zij hen onderwerpt aan een strengere regeling, welke strengere regeling echter niet geldt voor holdingmaatschappijen.
5. Het Hof wordt verzocht om uitlegging van artikel 6 van de richtlijn met het oog op de vraag, over welke beoordelingsvrijheid een lidstaat beschikt wanneer hij besluit een richtlijn om te zetten in strengere regels dan die van de richtlijn, terwijl hij soepeler regels vaststelt voor holdingmaatschappijen.
I Rechtskader
A Gemeenschapsrecht
6. Volgens de richtlijn is een gecoördineerde regelgeving op gemeenschapsniveau inzake transacties van ingewijden gerechtvaardigd door de noodzaak, het goed functioneren van de secundaire effectenmarkt te waarborgen. De markt moet de beleggers vertrouwen inboezemen omdat zij een belangrijke functie vervult bij de financiering van het bedrijfsleven. Dit vertrouwen berust onder meer op de aan de beleggers geboden waarborg dat zij op voet van gelijkheid verkeren en dat zij zullen worden beschermd tegen het ongeoorloofde gebruik van voorwetenschap".
7. Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van de richtlijn wordt onder voorwetenschap" verstaan: niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die betrekking heeft op een of meer emittenten van effecten of op een of meer effecten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, aanwijsbare invloed zou kunnen hebben op de koers van dat effect of van die effecten".
8. Artikel 2 van de richtlijn bepaalt:
1. Elke lidstaat verbiedt personen die:
vanwege hun hoedanigheid als lid van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van de emittent,
vanwege hun deelneming in het kapitaal van de emittent, of
omdat zij toegang hebben tot deze informatie vanwege de uitoefening van hun werk, hun beroep of hun functie,
over voorwetenschap beschikken, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk, effecten van de emittent of van de emittenten op wie deze voorwetenschap betrekking heeft, te verwerven of te vervreemden met gebruikmaking, welbewust, van deze voorwetenschap.
2. Indien de in lid 1 bedoelde personen vennootschappen of andere rechtspersonen zijn, is het in dat lid vervatte verbod eveneens van toepassing op de natuurlijke personen die meewerken aan de beslissing de transactie voor rekening van de rechtspersonen in kwestie uit te voeren."
9. De eerste volzin van artikel 6 van de richtlijn luidt als volgt:
Elke lidstaat kan strengere voorschriften dan die van deze richtlijn of aanvullende voorschriften vaststellen, mits deze van algemene toepassing zijn."
B Nationaal recht
10. De richtlijn is in Belgisch recht omgezet bij de artikelen 181 tot en met 189 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.
11. Artikel 181 van die wet geeft de volgende definitie van het begrip bevoorrechte informatie":
Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder bevoorrechte informatie: de bij het publiek niet bekende informatie die voldoende duidelijk is en betrekking heeft op één of meer emittenten van effecten of van andere financiële instrumenten of op één of meer effecten of andere financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van dit (deze) effect(en) of van andere financiële instrumenten.
Als bevoorrechte informatie wordt niet beschouwd de informatie waarover de holdingmaatschappijen beschikken naar aanleiding van de rol die zij spelen in het beheer van maatschappijen waarin zij een deelneming bezitten, op voorwaarde dat het niet gaat om informatie die openbaar moet worden gemaakt krachtens de wettelijke en verordeningsbepalingen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de toelating van effecten tot de officiële notering aan een Effectenbeurs."
12. Artikel 182, lid 1, van de Belgische wet luidt als volgt:
Aan personen die:
1° op grond van hun hoedanigheid van lid van de bestuurs-, directie- of toezichtsorganen van de emittent,
2° op grond van hun deelneming in het kapitaal van de emittent,
3° of omdat zij toegang hebben tot deze informatie in de uitoefening van hun werk, van hun beroep of van hun functies,
kennis hebben gekregen van informatie waarvan zij weten of redelijkerwijze moeten weten dat zij bevoorrecht is,
is het verboden voor eigen rekening of voor rekening van een derde, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, effecten of andere financiële instrumenten waarop deze informatie slaat, te kopen of te verkopen dan wel opdracht te geven om die te kopen of te verkopen."
13. Artikel 1 van koninklijk besluit nr. 64 van 10 november 1967 tot regeling van het statuut van de portefeuillemaatschappijen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 maart 1993, bevat de definitie van holdingmaatschappijen (portefeuillemaatschappijen).
14. Volgens die bepaling worden als holdingmaatschappijen beschouwd:
1° de vennootschappen naar Belgisch recht die participaties bezitten in een of meer Belgische of buitenlandse filialen waardoor ze, in rechte of in feite, de macht hebben om de activiteit van deze filialen te leiden, voorzover:
a) deze vennootschappen of alle dan wel sommige van hun filialen of subfilialen een beroep hebben gedaan op het publiek in België met het oog op de uitgifte of het plaatsen van hun aandelen of deelbewijzen;
b) de waarde van hun participaties in totaal ten minste vijfhonderd miljoen frank bedraagt of ten minste de helft vertegenwoordigt van hun eigen middelen;
2° de vennootschappen naar Belgisch recht die zelf of waarvan de filialen of subfilialen een beroep op het publiek in België hebben gedaan met het oog op de uitgifte of het plaatsen van hun aandelen of deelbewijzen en die filialen of subfilialen zijn van buitenlandse vennootschappen of buitenlandse instellingen welke, rechtstreeks of onrechtstreeks, in vennootschappen naar Belgisch recht participaties bezitten waarvan de waarde in totaal ten minste vijfhonderd miljoen bedraagt of ten minste de helft vertegenwoordigt van hun eigen middelen."
II Feiten van het hoofdgeding en procesverloop
15. Tijdens zijn vergaderingen van 22 augustus en 10 oktober 1995 onderzocht de raad van bestuur van Ter Beke de mogelijkheden van overname van Chilled Food Business. Op 19 december keurde de raad van bestuur een aanbod tot overname van die vennootschap goed.
16. Op 5 maart 1996 ondertekenden Ter Beke en Unilever een intentieverklaring, die diezelfde dag bekend werd gemaakt, waarin zij de wens te kennen gaven de aan de gang zijnde besprekingen op exclusieve wijze verder te zetten. Na die bekendmaking steeg de waarde van het aandeel Ter Beke op 18 maart 1996 met 15,3 %, van 2 800 BEF tot 3 230 BEF.
17. Op 14 mei 1996 ondertekenden Ter Beke en Unilever de koopovereenkomst betreffende Chilled Food Business.
18. Tussen 6 en 8 februari 1996 hadden verdachten in de hoofdzaak beursorders geplaatst, die leidden tot de aankoop van aandelen van Ter Beke tegen een koers van 2 590 BEF.
19. Het Openbaar Ministerie stelde tegen verdachten in de hoofdzaak strafvervolging in bij de Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), op grond dat zij, door vóór de bekendmaking van de intentieverklaring tussen Ter Beke en Unilever, aandelen van Ter Beke te kopen, misbruik hadden gemaakt van voorwetenschap en aldus de artikelen 181, 182, 183 en 189 van de wet van 1990 hadden geschonden.
III De prejudiciële vragen
20. Van oordeel dat de uitkomst van het geding afhankelijk is van de uitlegging van de richtlijn, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent bij vonnis van 27 januari 1999 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:
1) Laat de bepaling van artikel 6 van richtlijn 89/592/EEG van 13 november 1989 tot coördinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden, luidend als volgt: ,Elke lidstaat kan strengere voorschriften dan die van deze richtlijn of aanvullende voorschriften vaststellen, mits deze van algemene toepassing zijn [...] toe, in de wetgeving van de lidstaat een strengere omschrijving te voorzien, doch voor een bepaalde categorie, namelijk portefeuillemaatschappijen, een specifieke uitzondering op deze strengere omschrijving te weerhouden?
2) Is de implementatie van richtlijn 89/592/EEG, in België omgezet in artikel 181 van de Wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, luidend als volgt:
,Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder bevoorrechte informatie: de bij het publiek niet bekende informatie die voldoende duidelijk is en betrekking heeft op een of meer emittenten van effecten of van andere financiële instrumenten of op een of meer effecten of andere financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van dit (deze) effect(en) of van andere financiële instrumenten.
Als bevoorrechte informatie wordt niet beschouwd de informatie waarover de holdingmaatschappijen beschikken naar aanleiding van de rol die ze spelen in het beheer van maatschappijen waarin ze een deelneming bezitten, op voorwaarde dat het niet gaat om informatie die openbaar moet worden gemaakt krachtens de wettelijke en verordeningsbepalingen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de toelating van effecten tot de officiële notering aan een Effectenbeurs.
De bepalingen van dit boek zijn van toepassing op effecten en andere financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1,
in overeenstemming met artikel 6 van deze richtlijn?
3) Indien de lidstaat richtlijn 89/592/EEG heeft omgezet zoals de Belgische wetgever in artikel 181 van de Wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, en deze omzetting strijdig zou zijn met de richtlijn, heeft dit voor gevolg dat de verzwaring geacht wordt niet ingeschreven te zijn in de nationale wetgeving, dan wel onverkort behouden blijft, ook voor de portefeuillemaatschappijen?"
IV Inleidende opmerkingen
21. De eerste en de tweede vraag hebben beide betrekking op de verenigbaarheid met de richtlijn van een nationale wettelijke regeling zoals de wet van 1990, die holdingmaatschappijen gedeeltelijk onttrekt aan het in de richtlijn neergelegde verbod van transacties van ingewijden, waar zij hen toestaat gebruik te maken van bepaalde informatie waarover zij wegens hun rol in het beheer van andere vennootschappen beschikken.
22. Beide vragen strekken tot de uitlegging van artikel 6 van de richtlijn, dat het recht om strengere uitvoeringsbepalingen dan die van de richtlijn vast te stellen, onderwerpt aan de voorwaarde dat deze bepalingen van algemene toepassing zijn. De nationale wetgever heeft gekozen voor een strenger voorschrift, voorzover artikel 182 van de wet van 1990 niet verlangt, dat een causaal verband wordt aangetoond tussen het beschikken over voorwetenschap en het optreden van de ingewijde op de markt van de effecten waarop die informatie betrekking heeft. De inbreuk kan daardoor gemakkelijker worden bewezen.
23. Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de uitzondering waardoor de holdingmaatschappijen in bepaalde gevallen ontsnappen aan het verbod van transacties van ingewijden, zoals dat op strengere wijze in het nationale recht is neergelegd, toelaatbaar is.
24. In zijn tweede vraag verwijst de verwijzende rechter, hoewel hij doelt op artikel 6 van de richtlijn, niet meer rechtstreeks naar de strengere definitie van transacties van ingewijden, waar deze vraag betrekking heeft op het wegvallen in het Belgische recht van de causaliteitsvereiste. Hij stelt het Hof een vraag over de definitie in het nationale recht van bevoorrechte informatie", een categorie waarvan bepaalde informatie waarover de holdingmaatschappijen beschikken, wordt uitgesloten, waardoor deze maatschappijen die informatie in hun voordeel kunnen aanwenden zonder dat zij zich de sancties op de hals halen die worden toegepast op de overtreders van de wettelijke regeling betreffende de financiële transacties en de financiële markten.
25. Dat de uitlegging van artikel 6 van de richtlijn noodzakelijk wordt geacht voor een antwoord op de tweede vraag, kan verrassend lijken. Artikel 181 van de wet bevat op het eerste gezicht geen strenger" voorschrift in de zin van dat artikel.
26. Bepaalde informatie waarover holdingmaatschappijen beschikken, wordt krachtens artikel 181 van de wet van 1990 niet als voorwetenschap aangemerkt, zodat deze maatschappijen, wanneer zij die informatie gebruiken, niet onder de werkingssfeer van het verbod op transacties van ingewijden vallen. De wet van 1990 lijkt dus eerder minder streng dan de richtlijn, aangezien zij een aantal transacties die door holdingmaatschappijen op de beurs worden verricht op basis van informatie die niet bestemd is om openbaar te worden gemaakt, aan het verbod op transacties van ingewijden onttrekt.
27. In werkelijkheid wordt bij lezing van de twee vragen in onderling verband duidelijk, dat de verwijzende rechter opheldering wenst over wat uiteindelijk slechts een en dezelfde vraag is: is de afwijking in de vorm van een specifieke definitie van het begrip bevoorrechte informatie" van het in het nationale recht inzake transacties van ingewijden neergelegde strengere verbod in overeenstemming met artikel 6 van de richtlijn?
28. De eerste twee vragen dienen bijgevolg tezamen te worden onderzocht.
V De eerste twee vragen
29. Vooraf zij opgemerkt, dat het volgens vaste rechtspraak niet aan het Hof staat, zich in het kader van artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht, doch dat het wel bevoegd is de nationale rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht te verschaffen die deze in staat kunnen stellen de verenigbaarheid van die wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht te beoordelen met het oog op een beslissing in de bij hem aanhangige zaak.
30. Bovendien dienen de prejudiciële vragen verder te worden toegelicht alvorens tot een oplossing kan worden gekomen. Artikel 181, tweede alinea, van de wet van 1990 maakt bij de informatie waarover holdingmaatschappijen beschikken een onderscheid tussen niet-bevoorrechte informatie en informatie die wel als bevoorrecht moet worden aangemerkt, omdat zij openbaar moet worden gemaakt krachtens de wettelijke en verordeningsbepalingen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de toelating van effecten tot de officiële notering aan een Effectenbeurs".
31. Met dit onderscheid geeft deze bepaling een definitie van niet-bevoorrechte informatie, die klaarblijkelijk niet alle informatie omvat waarover holdingmaatschappijen kunnen beschikken. Niet wordt gezegd, dat alle informatie betreffende de vennootschappen waarin holdingmaatschappijen deelnemingen hebben, alleen om die reden aan die kwalificatie ontkomt. Het zou derhalve een overhaaste conclusie zijn om in navolging van verdachten in de hoofdzaak te stellen, dat het enkele feit dat het om een holdingmaatschappij gaat, volstaat om de op die informatie toepasselijke regeling te bepalen.
32. Voor een nuttig antwoord op de prejudiciële vragen van de Belgische rechter zou bekend moeten zijn, wat precies moet worden verstaan onder bevoorrechte informatie" in de zin van artikel 181, tweede alinea, van de wet van 1990. Het verwijzingsvonnis gaat daar niet op in. De Belgische regering zegt daarentegen het volgende: Op het ogenblik van de aan de verdachten ten laste gelegde feiten waren de vennootschappen waarvan de effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs waren toegelaten, verplicht ,tot onmiddellijke bekendmaking [...] van alle feiten of beslissingen waarvan zij kennis hebben die, zo zij bekend werden, de koers van hun aandelen gevoelig zouden kunnen beïnvloeden'."
33. Er moet derhalve van worden uitgegaan, dat de in artikel 181, tweede alinea, van de wet van 1990 bedoelde informatie die openbaar moet worden gemaakt krachtens de wettelijke en verordeningsbepalingen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs, informatie is waarvan de bekendmaking de koers van de betrokken effecten merkbaar zou kunnen beïnvloeden. Volgens het nationale recht blijft die informatie bevoorrechte informatie".
34. De vragen kunnen nu bijgevolg nauwkeuriger worden geformuleerd. Zij moeten aldus worden begrepen, dat de nationale rechter wenst te vernemen, of artikel 6 van de richtlijn in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling zoals de in de hoofdzaak aan de orde zijnde, die strengere voorwaarden dan die van de richtlijn vaststelt, maar informatie waarover holdingmaatschappijen wegens hun rol in het beheer van hun dochtermaatschappijen beschikken, van haar toepassingsgebied uitsluit indien deze informatie de koers van de effecten niet kan beïnvloeden.
35. Bij lezing van artikel 181 van de wet van 1990 blijkt duidelijk, dat de uitzondering ten gunste van holdingmaatschappijen deze maatschappijen niet zozeer aan het strengere verbod van de wet van 1990 onttrekt, maar, meer in het algemeen, aan het in de richtlijn neergelegde verbod op welbewuste gebruikmaking van voorwetenschap. De wet van 1990 voorziet ten gunste van holdingmaatschappijen niet louter in een regeling waaronder de werkingssfeer van het verbod minder strikt is afgebakend, maar sluit eenvoudigweg bepaalde informatie waarover holdingmaatschappijen beschikken, uit van de definitie die zij geeft van bevoorrechte informatie", waarvan de richtlijn de gebruikmaking verbiedt. Op die manier voert de wet van 1990 een uitzondering in op het beginsel volgens hetwelk deze transacties verboden zijn, los van de manier waarop de nationale wetgever dit beginsel in zijn recht ten uitvoer heeft gelegd. De wet maakt dus geen onderscheid tussen een strengere principebepaling, krachtens welke sancties zouden kunnen worden opgelegd zonder dat een causaal verband hoeft te worden aangetoond, en een uitzondering ten gunste van de holdingmaatschappijen, waardoor deze aan dezelfde sancties zouden zijn blootgesteld, mits het causaal verband wordt aangetoond.
36. Om te bepalen of er, overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn, geen discriminatie bestaat tussen de verschillende marktdeelnemers, moet dus eerst worden onderzocht, of de richtlijn toestaat dat een categorie marktdeelnemers, zoals holdingmaatschappijen, van haar werkingssfeer wordt uitgesloten.
37. In dat geval zouden de lidstaten die strengere voorschriften vaststellen, niet handelen in strijd met het vereiste, dat de uitvoeringsbepaling van algemene toepassing moet zijn, aangezien de gemeenschapsnorm van meet af aan zou toestaan, dat bepaalde vennootschappen aan het toepassingsgebied ervan worden onttrokken. De strengere voorschriften van de nationale wet zouden moeten worden geacht van algemene toepassing te zijn, zoals bedoeld in artikel 6 van de richtlijn.
38. Was dit daarentegen niet het geval, dan zou de toelaatbaarheid van de uitzondering op de strengere definitie die het nationale recht van transacties van ingewijden geeft, in gedrang komen. Artikel 6 van de richtlijn zou zich vermoedelijk verzetten tegen een strengere wettelijke regeling die niet van toepassing is op marktdeelnemers die onder de richtlijn vallen, omdat de toepasselijke regeling discriminerend zou moeten worden geacht.
De werkingssfeer van de richtlijn: het recht van holdingmaatschappijen om bepaalde informatie op een effectenmarkt te gebruiken
39. Volgens artikel 1, lid 1, van de richtlijn omvat het begrip voorwetenschap" drie elementen. Om als voorwetenschap te kunnen worden gekwalificeerd, moet de informatie concreet en niet openbaar zijn en aanwijsbare invloed kunnen hebben op de koers van de effecten waarop zij betrekking heeft.
40. Een loutere veronderstelling kan geen voorwetenschap vormen omdat zij vaag en onzeker is. Een verbod om op de markt gebruik te maken van informatie waarvan de beleggers reeds op de hoogte zijn, heeft geen nut meer, aangezien de informatie door de openbaarmaking niet meer bevoorrecht is. De gelijkheid tussen de beleggers, die de richtlijn juist wil garanderen om het goed functioneren van de markt veilig te stellen, is verzekerd wanneer een ieder effecten kan kopen of verkopen op basis van dezelfde informatie.
41. Ten slotte kan, wanneer een marktdeelnemer over concrete en vertrouwelijke informatie beschikt, die informatie slechts als voorwetenschap" worden aangemerkt wanneer de marktdeelnemer voordeel kan halen uit het gebruik ervan. Het goed functioneren van de markt kan immers niet worden beïnvloed door het gebruik van informatie waarvan openbaarmaking geen aanwijsbare invloed heeft op de koersen. Een geheim met betrekking tot een concreet aspect van het leven van een vennootschap is nog geen wapen in handen van de belegger die van het geheim op de hoogte is. De economische beleidskeuzen van een ter beurze genoteerde vennootschap gaan bijvoorbeeld niet altijd gepaard met schommelingen op de effectenmarkt.
42. De richtlijn trekt aldus een grens tussen informatie die als neutraal kan worden aangemerkt en informatie waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat zij invloed zal hebben op de beoordeling van een onderneming door de beleggers en derhalve op de koers van haar effecten. Enkel deze laatste informatie vormt voorwetenschap" in de zin van artikel 1, punt 1, van de richtlijn, waarvan het gebruik ingevolge artikel 2 van de richtlijn verboden is.
43. De vergelijking van artikel 1, punt 1, van de richtlijn met artikel 181, tweede alinea, van de wet van 1990, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, 1° , van het koninklijk besluit van 18 september 1990, brengt een grote gelijkenis tussen de in die bepalingen neergelegde regels aan het licht.
44. Zoals gezegd, is de informatie die volgens artikel 181, tweede alinea, van de wet van 1990 bevoorrecht blijft hoewel zij in handen is van een holdingmaatschappij, de informatie die openbaar moet worden gemaakt krachtens de wettelijke en verordeningsbepalingen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs. Volgens artikel 4, lid 1, 1° , van het koninklijk besluit van 18 september 1990 gaat het hier om informatie betreffende feiten of beslissingen waarvan de ter beurze genoteerde maatschappijen kennis hebben en die, zo zij bekend werd, de koers van hun aandelen gevoelig zou kunnen beïnvloeden.
45. De voorwaarde betreffende de invloed van de informatie op de markt wordt in artikel 1, punt 1, van de richtlijn niet anders geformuleerd dan in artikel 181, tweede alinea, van de wet van 1990. In beide voorschriften is zij bepalend voor het bevoorrechte karakter van de informatie, zelfs indien de informatie in handen zou zijn van een holdingmaatschappij.
46. Bij lezing van de wet van 1990 en het koninklijk besluit van 1990 in onderling verband blijkt, dat bevoorrechte informatie wordt gedefinieerd als hetzij informatie die in handen is van ter beurze genoteerde vennootschappen zelf, hetzij informatie die op dergelijke vennootschappen betrekking heeft en waarover holdingmaatschappijen beschikken wegens hun rol bij het beheer van die vennootschappen. De Belgische regering preciseert, dat de informatie waarover een holdingmaatschappij met betrekking tot ter beurze genoteerde vennootschappen beschikt wegens de rol die zij speelt bij het beheer van deze vennootschappen, pas als bevoorrecht dient te worden beschouwd wanneer deze informatie bevoorrecht wordt vanuit het oogpunt van de vennootschap die tot de officiële notering is toegelaten.
Artikel 1, punt 1, van de richtlijn verzet zich niet tegen deze lezing, aangezien de daarin neergelegde definitie van voorwetenschap losstaat van de hoedanigheid van de houder van de informatie. Artikel 2 van de richtlijn vermeldt juist uitdrukkelijk de natuurlijke of rechtspersonen die, vanwege hun deelneming in het kapitaal van de emittent, over voorwetenschap beschikken. Maar het lijdt geen twijfel, dat holdingmaatschappijen onder deze definitie vallen en dat het verbod op transacties van ingewijden niet alleen geldt voor de emitterende vennootschap zelf of haar personeel.
47. De wijze waarop artikel 1 van de richtlijn in de nationale wettelijke regeling wordt gelezen en is omgezet, kan daarentegen twijfel oproepen. De verklaringen van de Belgische regering lijken erop te wijzen, dat volgens de Belgische wetgeving de effecten waarop de bevoorrechte informatie betrekking dient te hebben om als bevoorrecht te kunnen worden gekwalificeerd, aandelen moeten zijn. Deze beperking vindt geen steun in de richtlijn, die naar effecten in het algemeen verwijst, welk begrip overigens zeer ruim wordt gedefinieerd.
48. Een vollediger lezing van het nationale recht brengt evenwel aan het licht, dat het koninklijk besluit van 1990 met betrekking tot obligaties een bepaling bevat die vergelijkbaar is met artikel 4, lid 1, 1° , te weten artikel 12, 1° .
49. Het is hoe dan ook aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om zijn nationale recht uit te leggen, om uit te maken of de informatie waarover holdingmaatschappijen beschikken en die zij ingevolge artikel 181, tweede alinea, van de wet van 1990 openbaar moeten maken, volgens de ten tijde van de feiten van de hoofdzaak toepasselijke nationale wettelijke regeling de informatie omvat die een aanwijsbare invloed zou kunnen hebben op de beurskoers van alle effecten, zoals omschreven in artikel 1, punt 2, van de richtlijn.
50. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd, dat het begrip voorwetenschap" in de zin van artikel 1, punt 1, van de richtlijn niet de informatie omvat die wordt bedoeld in artikel 181 van de wet van 1990. Informatie waarover holdingmaatschappijen beschikken wegens de rol die zij spelen bij het beheer van vennootschappen waarin zij een deelneming hebben, kan derhalve informatie zijn die geen voorwetenschap vormt, wanneer deze informatie niet valt onder de categorie informatie die openbaar moet worden gemaakt omdat zij een aanwijsbare invloed kan hebben op de koers van de effecten.
Artikel 6 van de richtlijn: de algemene toepassing van strengere voorschriften
51. De redenen waarom de richtlijn zich niet verzet tegen een strengere wettelijke regeling, kunnen gemakkelijk worden afgeleid uit bovenstaande uiteenzettingen, aan de hand waarvan het toepassingsgebied van de richtlijn nader kon worden bepaald. Het gebruik door holdingmaatschappijen van informatie die geen invloed heeft op de koers van de effecten, valt derhalve niet onder het verbod op transacties van ingewijden.
52. Aangezien transacties in verband met dat soort informatie niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, ontkomen zij niet alleen aan de rechtsvoorschriften die de lidstaten dienen in te voeren, maar ook aan de strengere voorschriften die de lidstaten ter uitvoering van de richtlijn mogen vaststellen.
53. In casu vallen holdingmaatschappijen evenals andere vennootschappen onder de regelgeving inzake transacties van ingewijden, zoals die op strengere wijze in het nationale recht is vastgesteld: wanneer informatie waarover holdingmaatschappijen beschikken, als bevoorrecht" in de zin van het nationale recht wordt beschouwd, valt zij onder het verbod van artikel 182, lid 1, van de wet van 1990. Louter ten aanzien van de gebruikmaking van informatie door holdingmaatschappijen is derhalve van discriminatie geen sprake.
54. Voorzover informatie waarover die maatschappijen beschikken door de wet van 1990 niet als bevoorrechte informatie" wordt aangemerkt, is zij van het toepassingsgebied van de richtlijn uitgezonderd, met als gevolg dat zij zowel ontsnapt aan het verbod op transacties van ingewijden, zoals dat in de richtlijn is neergelegd als, a fortiori, aan de door de lidstaten krachtens artikel 6 van de richtlijn vastgestelde strengere voorschriften.
55. Bijgevolg moet op de eerste twee vragen worden geantwoord, dat het in artikel 6 van de richtlijn neergelegde recht om strengere voorschriften vast te stellen, mits deze van algemene toepassing zijn, er niet aan in de weg staat, dat een nationale wettelijke regeling informatie waarover holdingmaatschappijen beschikken van haar werkingssfeer uitsluit, indien deze informatie geen aanwijsbare invloed kan hebben op de koers van de effecten.
56. Gezien al deze elementen en gelet op de ter beschikking staande informatie over de toepasselijke nationale wettelijke regeling, behoeft de derde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Conclusie
57. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent te beantwoorden als volgt:
Artikel 6 van richtlijn 89/592/EEG van de Raad van 13 november 1989 tot coördinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden, verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling zoals de in de hoofdzaak aan de orde zijnde, die, wat de definitie van het verbod op transacties van ingewijden betreft, strengere voorschriften vaststelt dan die van de richtlijn, maar informatie waarover holdingmaatschappijen beschikken wegens de rol die zij spelen bij het beheer van vennootschappen waarin zij een deelneming hebben, van haar toepassingsgebied uitsluit wanneer die informatie geen aanwijsbare invloed kan hebben op de koers van de effecten."
Full & Egal Universal Law Academy