Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1. De Commissie verwijt de Franse Republiek de krachtens richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: vogelrichtlijn") op haar rustende verplichtingen niet te zijn nagekomen.
Zij baseert haar beroep op vier middelen, te weten dat geen uitvoering is gegeven aan het in de richtlijn neergelegde beginsel van volledige bescherming", dat die richtlijn is geschonden door het vaststellen van bepaalde openings- en sluitingsdata voor de vogeljacht en dat is verzuimd om de data mee te delen van het jachtseizoen in de departementen Bas-Rhin, Haut-Rhin en Moselle, waarvoor een bijzondere administratieve regeling geldt.
2. Jagen is een activiteit van buitengewoon belang, niet alleen voor de beoefenaars ervan, maar ook omdat het raakt aan het eigendomsrecht, de veiligheid van personen en het behoud van het milieu en diersoorten, zaken die als een gemeenschappelijk patrimonium worden beschouwd, dat moet worden bewaard en gedeeld met de toekomstige generaties.
Volgens de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset ligt de passie voor de jacht juist besloten in het bestaan van de mens en is deze in het diepste van diens wezen geworteld", en zet de passie van jongeren voor de jacht in samenhang met het amoureuze gedachtegoed het gehele proces van wat men beschaving is gaan noemen in beweging".
Doordat bij het jagen uiteenlopende belangen op elkaar botsen, worden onvermijdelijk conflicten veroorzaakt, die het recht tracht op te lossen.
3. Het jachtrecht heeft in Frankrijk een historische en politieke dimensie, waardoor het een bijzondere betekenis heeft. Het was trouwens al het voorwerp van discussie tijdens de revolutie aan het eind van de achttiende eeuw. Personen als Mirabeau stelden dat het jachtrecht uitsluitend toekwam aan de eigenaar van het terrein waarop het wild bejaagd werd, waarbij zij zich baseerden op de opvatting onder het ancien régime dat de jacht een voorrecht van de adel was. Anderen, aangevoerd door Robespierre, wilden dat dit recht toekwam aan iedere burger die dit dan overal kon doen gelden.
4. Het aantal jagers is overigens in Frankrijk zo groot dat iedere maatregel die hen raakt van invloed kan zijn op verkiezingsuitslagen. Hoe gevoelig deze kwestie ligt, blijkt nog eens te meer als in aanmerking wordt genomen dat Frankrijk het langste jachtseizoen van de hele Europese Unie heeft, namelijk zeven en een halve maand per jaar, in vergelijking met de vijf en een halve maand die is toegestaan in België, de vier en een halve maand in Italië en de vier maanden in Spanje.
Richtlijn 79/409
5. Richtlijn 79/409 heeft rechtstreeks de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten" tot voorwerp (artikel 1, lid 1). De richtlijn is vastgesteld op de grondslag van het oude artikel 235 EG-Verdrag (thans artikel 308 EG), als reactie op de, in bepaalde gevallen zeer snelle achteruitgang van de populatie van een groot aantal vogelsoorten. Deze achteruitgang vormt een groot gevaar voor het behoud van het natuurlijk milieu en het biologisch evenwicht (tweede overweging van de considerans).
6. De richtlijn ziet dus duidelijk op het behoud van de vogelsoorten door inzonderheid het vernielen en verontreinigen van hun biotopen, het vangen en doden van vogels alsook de handel die aanleiding geeft tot dergelijke praktijken, te verbieden (artikelen 5 en 6).
Het zijn echter geen absolute verboden: de richtlijn streeft naar behoud van wat genoemd wordt het natuurlijke evenwicht van de soorten binnen de grenzen van hetgeen redelijkerwijze mogelijk is" (achtste overweging van de considerans) en wil de instandhoudingsmaatregelen aanpassen aan de situatie van de verschillende soorten" (zevende overweging) en aan de specifieke omstandigheden die in de verschillende gebieden heersen" (tiende overweging), zij het dat een zekere toelaatbare vorm van exploitatie" van sommige soorten is toegestaan, voor zover deze in overeenstemming is met het handhaven van de populatie van deze soorten op een bevredigend niveau" (elfde overweging).
Daarom bepaalt artikel 2, waarin is getracht de verschillende preoccupaties samen te brengen, dat de door de lidstaten te treffen beschermingsmaatregelen op een niveau" moeten liggen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen".
Concreet staat de richtlijn de jacht toe op de in bijlage II specifiek vermelde soorten (artikel 7, lid 1), op de in dat artikel gestelde voorwaarden. Daarvan dienen die in lid 4 te worden genoemd:
4. De lidstaten zien erop toe dat bij de beoefening van de jacht, eventueel met inbegrip van de valkenjacht, zoals deze voortvloeit uit de toepassing van de geldende nationale maatregelen, de principes van een verstandig gebruik en een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten in acht worden genomen, en dat deze beoefening wat de populatie van deze soorten, in het bijzonder van de trekvogels betreft, verenigbaar is met de uit artikel 2 voortvloeiende bepalingen. Zij zien er in het bijzonder op toe dat soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode. Ten aanzien van trekvogels zien zij er met name op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar hun nestplaatsen. De lidstaten zenden de Commissie alle nuttige gegevens betreffende de praktische toepassing van hun jachtwetgeving."
Het beroep van de Commissie is gebaseerd op de laatste drie zinnen van artikel 7, lid 4.
De rechtspraak van het Hof
7. Door als uitgangspunt te nemen dat de richtlijn duidelijk gericht is op de instandhouding der soorten en de jachtmogelijkheden een uitzondering vormen, heeft het Hof in zijn rechtspraak een bijzonder duidelijke lijn uitgezet. Relevant zijn in het bijzonder de twee hiernavolgende zaken.
8. In het door het voltallige Hof op 17 januari 1991 in de zaak Commissie/Italië gewezen arrest ging het om de vraag of de Italiaanse jachtwetgeving verenigbaar was met artikel 7, lid 4, tweede en derde volzin, van de richtlijn. Nagegaan moest worden of de Italiaanse Republiek bij de vaststelling van de openings- en sluitingsdata van de jacht haar verplichtingen krachtens de richtlijn was nagekomen.
Van de redenering op grond waarvan het Hof het beroep heeft toegewezen, wil ik attenderen op wat er in punt 14 van het arrest staat:
Artikel 7, lid 4, tweede en derde volzin, van de richtlijn beoogt een volledig stelsel van bescherming te garanderen gedurende de perioden waarin de in het wild levende vogels in het bijzonder in hun voortbestaan worden bedreigd. Derhalve kan de bescherming tegen jachtactiviteiten niet beperkt blijven tot een op basis van de gemiddelde reproductiecycli en migratiebewegingen vastgestelde meerderheid van de vogels van een bepaalde soort. Het zou indruisen tegen de doelstellingen van de richtlijn om, in situaties waarin de jongen langer op het nest blijven of de trek vroeger begint, een deel van de populatie van een soort niet deze bescherming te bieden."
9. In het arrest van 19 januari 1994, Association pour la protection des animaux sauvages e.a. (hierna: arrest APAS"), had het voltallige Hof opnieuw de gelegenheid, dit keer bij wijze van prejudiciële beslissing, zich uit te spreken over de draagwijdte van de verbodsbepalingen van artikel 7, lid 4, tweede en derde volzin, van de richtlijn.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenste het Tribunal administratif de Nantes te vernemen of bij de vaststelling van de sluitingsdatum van de jacht op trek- en watervogels rekening kon worden gehouden met het feit dat het begin van de voorjaarstrek van jaar tot jaar kan verschillen. Het Hof wees op de beginselen die in het arrest Commissie/Italië waren geformuleerd, en concludeerde dat:
de sluitingsdatum van de jacht op trekvogels en watervogels moet worden bepaald volgens een methode die een volledige bescherming van deze soorten gedurende de periode van de voorjaarstrek waarborgt, en dat bijgevolg methoden die erop gericht zijn of tot resultaat hebben dat een bepaald percentage vogels van een soort deze bescherming niet geniet, niet verenigbaar met deze bepaling zijn".
10. Met zijn tweede vraag wilde de verwijzende rechter duidelijkheid verkrijgen of de nationale autoriteiten ingevolge de richtlijn bevoegd zijn per betrokken vogelsoort gespreide sluitingsdata van de jacht vast te stellen.
Volgens het Hof was in beginsel aangetoond dat het spreiden van de sluitingsdata van de jacht twee nadelen meebracht, te weten de door de jachtactiviteiten veroorzaakte storing van andere vogelsoorten waarvoor de jacht al gesloten was, en het gevaar dat de jagers de verschillende soorten verwarden. Derhalve antwoordde het dat:
de nationale autoriteiten ingevolge de richtlijn niet bevoegd zijn, per vogelsoort gespreide sluitingsdata voor de jacht te bepalen, behalve wanneer de betrokken lidstaat het bewijs kan leveren, gebaseerd op specifieke wetenschappelijke en technische gegevens met betrekking tot ieder bijzonder geval, dat een spreiding van de sluitingsdata van de jacht niet in de weg staat aan een volledige bescherming van de vogelsoorten die deze spreiding kan betreffen".
De derde aan het Hof gestelde prejudiciële vraag is voor de onderhavige zaak niet van belang.
11. Uit deze rechtspraak volgt, kort samengevat, dat methoden voor de vaststelling van de data van het jachtseizoen die een aanzienlijke, maar onvolledige waarborg bieden, onverenigbaar zijn met de richtlijn en afgewezen dienen te worden. Voorts moet voor elk systeem van spreiding van de data voor de jacht op de verschillende soorten het wetenschappelijk en technisch bewijs worden geleverd dat de door de richtlijn beoogde volledige bescherming niet wordt doorkruist.
De litigieuze Franse regeling
12. Krachtens artikel L.224-2, van de Code rural (Landbouwwet), zoals gewijzigd bij wet nr. 94-591 van 15 juli 1994 (hierna: wet van 1994"), waren de administratieve autoriteiten bevoegd de openings- en sluitingsdata voor de jacht op water- en trekvogels (deze categorie komt overeen met de in de richtlijn bedoelde trekvogels") vast te stellen, waarbij zij niet aan criteria of beperkingen waren gebonden. Het algemene jachtseizoen begon op een zondag in september, die kon verschillen al naargelang de streek (artikel R.224-4 van de Code rural), terwijl de specifieke jacht op trekvogels in beginsel niet vroeger mocht beginnen (artikel R.224-5 van de Code rural), tenzij de bevoegde minister anders besloot (artikel R.224-6 van de Code rural). Zo was bijvoorbeeld bij diverse besluiten van de minister van Milieu van 29 mei 1997 de jacht op watervogels in 68 departementen vervroegd geopend (hierna: ministeriële besluiten van 1997").
Dat artikel L.224-2 voorzag ook in een regeling van gespreide sluitingsdata voor de jacht, afhankelijk van de verschillende soorten. Zo liep het tijdschema voor sluiting van 31 januari voor de wilde eend tot en met de laatste dag van februari voor soorten die later trekken. Op bepaalde voorwaarden kon de administratieve autoriteit deze data vervroegen.
13. Bij wet nr. 98-549 van 3 juli 1998 (hierna: wet van 1998") werden belangrijke wijzigingen ingevoerd.
Wat de regeling van de openingsdata van het jachtseizoen betreft, bevat het nieuwe artikel L.224-2, tweede alinea, een tabel met de vervroegde openingsdata voor de jacht in 68 Franse departementen. Deze data vallen in het algemeen samen met de data genoemd in de ministeriële besluiten van 1997.
Wat de sluitingsdata van het jachtseizoen betreft, handhaaft de wet van 1998 in hoofdzaak het spreidingssysteem dat al van kracht was, maar zonder de mogelijkheid voor de administratie om deze data te vervroegen.
Het niet-nakomingsberoep
14. De Commissie heeft op 10 februari 1999 het onderhavige beroep ingesteld, nadat zij op 5 augustus 1998 een met redenen omkleed advies aan de Franse autoriteiten had uitgebracht en deze had gemaand de noodzakelijke maatregelen te treffen om de bepalingen van de richtlijn uit te voeren. Deze aanmaning is twee maanden later verstreken zonder dat de Franse autoriteiten hieraan naar genoegen van de Commissie gevolg hadden gegeven.
15. Het beroep steunt op vier middelen, te weten:
1) dat geen uitvoering is gegeven aan het beginsel van volledige bescherming;
2) dat te vroege openingsdata voor de jacht zijn vastgesteld;
3) dat te late sluitingsdata voor de jacht zijn vastgesteld;
4) dat is verzuimd de bepalingen met betrekking tot de departementen Bas-Rhin, Haut-Rhin en Moselle mede te delen.
16. Omwille van de duidelijkheid zal ik eerst het tweede en derde middel gezamenlijk onderzoeken, vervolgens het vierde en ten slotte het eerste middel.
De beoordeling van het beroep
- Te vroege opening en te late sluiting van jacht
17. De Commissie stelt dat de verschillende Franse regelingen inzake de openingsdatum van de jacht op trekvogels onverenigbaar zijn met de richtlijn omdat daarin geen rekening wordt gehouden met het in artikel 7, lid 4, neergelegde jachtverbod tijdens de nest- en broedperiode.
18. Ten aanzien van de bij de wet van 1994 ingevoerde regeling meent de Commissie dat de in de ministeriële besluiten van 1997 gekozen data op geen enkele wijze wetenschappelijk zijn onderbouwd en te vroeg in het seizoen liggen om een volledige bescherming van de soorten te kunnen verzekeren. Voor deze stelling haalt zij een door een officieel Frans orgaan, het Office national de la chasse (hierna: ONC"), in februari 1988 verrichtte studie aan, waaruit naar voren komt dat de jachtperioden voor de wilde eend en de meerkoet tijdens het seizoen 1997/1998 in belangrijke mate de nest- en broedperioden overlapten.
De Commissie haalt ook bepaalde uitspraken van de Franse Conseil d'État van 11 mei 1998 aan, waarbij verschillende ministeriële besluiten van 1997 nietig zijn verklaard op grond dat de opening van de jacht was toegestaan in een periode en op plaatsen waar de broedperiode van de verschillende soorten nog niet ten einde was en die besluiten derhalve in strijd waren met de doelstellingen van de richtlijn.
19. De regeling van de wet van 1998 heeft de gestelde schending alleen nog maar erger gemaakt omdat, hoewel materieel geen belangrijke wijziging is ingevoerd, een tijdelijke, aan de discretionaire bevoegdheid van de minister overgelaten maatregel is vervangen door een norm met rang van wet, die bindend en permanent is.
20. In haar verweerschrift stelt de Franse regering dat de wetgever zich voor de vaststelling van de openingsdata voor de jacht op watervogels heeft gebaseerd op een in samenwerking tussen het Muséum national d'histoire naturelle en het ONC ontwikkelde methode. Deze methode, die berust op gemiddelde data vastgesteld op grond van het gedrag van de vogels gedurende de laatste vijf jaar, maakte het mogelijk trekvogels te beschermen tegen iedere significante onttrekking aan de natuur".
21. Het verweer van de Franse regering moet worden verworpen. Uit haar eigen verklaringen volgt dat de zowel in de ministeriële besluiten van 1997 als ook in de wet van 1998 vastgestelde openingsdata van de jacht tot doel hebben de populatie van trekvogels te beschermen tegen iedere significante teruggang. Dat neemt niet weg dat, zoals het Hof heeft overwogen in het arrest Commissie/Italië, de bescherming tegen jachtactiviteiten niet beperkt [kan] blijven tot een (...) meerderheid van de vogels van een bepaalde soort". Begrippen als een significante onttrekking aan de natuur" komen in de richtlijn niet voor; de bescherming die zij beoogt te verzekeren is een volledige. Methoden waardoor een bepaald percentage vogels van een soort van die bescherming wordt uitgesloten, of die zulks tot gevolg hebben, zijn daarom in strijd met de doeleinden van de richtlijn.
22. Het middel inzake vaststelling van te vroege openingsdata voor de jacht, slaagt derhalve.
23. Hetzelfde geldt naar mijn mening voor de keuze van de sluitingsdata.
24. Volgens de Commissie maken de uitdrukkelijk in de wet van 1994 vermelde sluitingsdata voor 31 soorten overlapping mogelijk tussen de jachtperiode en de periode van trek naar de nestplaatsen, waarvan het begin wetenschappelijk is vastgesteld. Voor een twaalftal soorten is deze overlapping meer dan 20 dagen. De wet van 1998 bracht hierin geen wijziging van betekenis.
25. De Franse regering geeft van meet aan toe dat bepaalde sluitingsdata die overeenkomstig de wetten van 1994 en 1998 zijn vastgesteld, gezien artikel 7, lid 4, van de richtlijn discutabel zijn. Deze zijn echter gebaseerd op de ORNIS-methode, die in april 1993 is vastgesteld door het krachtens artikel 16 van de richtlijn ingestelde comité (hierna: ORNIS-Comité") en die door de Commissie op 24 november daaropvolgend is gepubliceerd. Volgens deze methode kunnen gespreide sluitingsdata worden vastgesteld op basis van twee criteria die in onderlinge samenhang worden toegepast, te weten de staat van instandhouding van het betrokken soort en zijn vroege of late trek. Volgens de Franse regering staat de ORNIS-methode een zekere mate van overlapping toe, op voorwaarde dat niet een belangrijk percentage vogels van een soort wordt geraakt.
26. Om de hierboven uiteengezette redenen moet dit betoog van de hand worden gewezen. Een methode die een bepaald percentage vogels van een soort uitsluit van volledige bescherming, is namelijk onverenigbaar met artikel 7, lid 4, van de richtlijn.
27. Bovendien is ook de spreiding van de sluitingsdata per soort moeilijk te verenigen met de gemeenschapswetgeving.
Zoals het Hof heeft verklaard in het arrest APAS, brengt de vaststelling van gespreide sluitingsdata voor de door de richtlijn beoogde instandhouding van de soorten twee ernstige gevaren mee, te weten de onvermijdelijke storing die de jachtactiviteiten veroorzaken voor andere vogelsoorten waarvoor de jacht al gesloten, is en het risico dat de jagers de verschillende soorten verwarren op het moment van het vuren. Gezien deze nadelen heeft het Hof verklaard dat een methode met de kenmerken van de Franse enkel verenigbaar is met de richtlijn wanneer de betrokken lidstaat het bewijs kan leveren, gebaseerd op specifieke wetenschappelijke en technische gegevens met betrekking tot ieder bijzonder geval, dat een spreiding van de sluitingsdata van de jacht niet in de weg staat aan een volledige bescherming van de vogelsoorten die deze spreiding kan betreffen".
Daar het door de Franse regering geleverde bewijs evenwel betrekking heeft op een bescherming die, zoals ik al vaststelde, niet volledig is, is het dus niet het bewijs dat het Hof in het arrest APAS eiste voor de uitzonderlijke situatie die daar aan de orde was.
28. Het middel inzake vaststelling van te late sluitingsdata van de jacht op trekvogels slaagt dan ook eveneens.
- Het verzuim om de data die gelden voor de jacht in de departementen Bas-Rhin, Haut-Rhin en Moselle mede te delen
29. De laatste volzin van artikel 7, lid 4, van de richtlijn legt alle lidstaten de verplichting op om de Commissie alle nuttige gegevens betreffende de praktische toepassing van hun jachtwetgeving toe te zenden.
De Commissie stelt geen enkele mededeling aangaande die drie Franse departementen te hebben ontvangen.
30. Ten aanzien van dit middel volstaat de opmerking dat de Franse regering zelf erkent dat zij de Commissie niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde antwoordtermijn de bepalingen heeft meegedeeld die gelden in de departementen Bas-Rhin, Haut-Rhin en Moselle, die volgens haar in de artikelen R.229-1 en volgende van de Code rural zijn te vinden.
31. Bijgevolg slaagt ook het derde middel.
- In het nationale recht is geen uitvoering gegeven aan het beginsel van volledige bescherming
32. In het bovenstaande ben ik tot de conclusie gekomen dat de Franse Republiek de krachtens artikel 7, lid 4, tweede en derde volzin, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat zij de jacht op trekvogels niet zodanig heeft geregeld dat deze een volledige bescherming wordt geboden gedurende periodes waarin zij bijzonder kwetsbaar zijn.
33. De Commissie stelt in een afzonderlijk middel dat de Franse Republiek de in die twee volzinnen van artikel 7 vervatte bepalingen niet in haar wetgeving heeft opgenomen.
34. De Franse regering betwist niet dat zij zulks heeft nagelaten.
35. Gesteld zou kunnen worden dat de werking van wat ik het beginsel van een volledige bescherming" heb genoemd, volledig is gewaarborgd wanneer de jacht wordt ingericht op een wijze die rekening houdt met de nest- en broedperiodes van de trekvogels, alsmede met de periode van de trek naar de nestplaatsen. Het is dan de vraag welk extra belang ermee wordt gediend om in het nationale recht een beginsel te formuleren waarvan de naleving in uitvoeringsbepalingen nader geregeld moet worden.
Dat nu stelt de Franse regering, die zich voor haar stelling beroept op de rechtspraak van het Hof, met name op het op 27 april 1988 gewezen arrest Commissie/Frankrijk, volgens hetwelk voor de omzetting van gemeenschapsrechtelijke bepalingen in nationaal recht niet noodzakelijkerwijs vereist is dat die bepalingen formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke, specifieke bepaling worden overgenomen, en (...) een algemene juridische context daartoe voldoende kan zijn, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert".
36. Ik ben er niet van overtuigd dat in dit geval de omzetting in Frans recht van een beginsel als dat van artikel 7, lid 4, van de richtlijn een puur formele zaak is. Met andere woorden, ik geloof niet dat de Franse wetgever de volledige toepassing van de richtlijn kan garanderen zonder het beginsel van volledige bescherming in zijn wetgeving te verwoorden.
37. Zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Italië heeft erkend: de migratiebewegingen van de vogels worden gekenmerkt door een zekere veranderlijkheid die vanwege de meteorologische omstandigheden in het bijzonder de perioden beïnvloedt tijdens welke deze fenomenen zich voordoen. Zo (...) komt het voor, dat verschillende trekvogels van een bepaalde soort vroeger dan de gemiddelde trek naar hun nestplaatsen terugkeren." Dit geldt te meer daar de betrokken soorten periodiek van en naar hun nestgebieden trekken, over soms zeer grote afstanden, waarbij zij meerdere grenzen overschrijden en over verschillende landen vliegen, en er van hetzelfde soort verschillende populaties kunnen worden aangetroffen die soms uiteenlopende routes afleggen in verschillende gebieden.
Zo veranderlijk het gedrag van de vogels is, zo veranderlijk, of liever gezegd evolutief, is ook het niveau van de wetenschappelijke kennis hieromtrent, zoals verzoekster en verweerster unaniem erkennen.
Het is dus wenselijk dat bij de wankelheid die kenmerkend is voor de vooronderstellingen die als richtsnoer moeten dienen voor de vaststelling van de data van de jachtperiode voor vogels, een flexibele regeling aansluit die zich kan aanpassen aan de verschillende feitelijke omstandigheden en de wetenschappelijke ontdekkingen, zeker als men graag het langste jachtseizoen van de Europese Unie wil houden. Alléén de wetgever lijkt dan op het juiste moment en voortvarend de noodzakelijke beschermingsmaatregelen te kunnen treffen. Deze wetgever of iedere andere autoriteit met een soortgelijke taak moet handelen binnen een duidelijk en nauwkeurig omschreven rechtskader dat is afgestemd op de eisen van de richtlijn. Daarom is volgens mij voor de volledige omzetting van de richtlijn in de nationale rechtsorde vereist, dat het in artikel 7, lid 4, tweede en derde volzin, van de richtlijn neergelegde beginsel wordt opgenomen in een norm met voldoende bindende kracht.
Verder strookt mijn zienswijze met de gedachtegang van het Hof, in wiens opvatting de nauwkeurigheid van de omzetting van een richtlijn van bijzonder belang [is] in een geval als het onderhavige, waarin het beheer van een gemeenschappelijk erfgoed voor hun respectieve grondgebied aan de lidstaten is toevertrouwd".
38. De verwerende regering verwijst daarentegen voor de doeltreffendheid van het beginsel van volledige bescherming in het nationale recht naar de discussie die in de rechtspraak in Frankrijk speelde naar aanleiding van de verenigbaarheid van de ministeriële besluiten van 1997 en de wet van 1998 met de bepalingen van de richtlijn.
39. Zonder in te gaan op de inhoud van die beslissingen, toont naar mijn mening alleen al het bestaan van die discussie - voor het onderhavige geval overigens irrelevant, daar de beslissingen gegeven zijn na afloop van de in casu door de aanmaning gestelde termijn - de rechtsonzekerheid in de Franse wetgeving aan, en wordt hierdoor juist nog eens de noodzaak bevestigd om de verplichtingen van artikel 7, lid 4, van de richtlijn uitdrukkelijk in het nationale recht te formuleren.
40. Hoe dan ook is het bemoedigend te constateren dat de Franse rechters zich trouw betonen aan het gemeenschapsrecht. In het bijzonder moeten de arresten van de Conseil d'Etat van 3 december 1999 en 21 april 2000, die de verwerende regering bij de stukken heeft gevoegd, verwelkomd worden. Volgens de hoogste administratieve rechter waren bijna alle bepalingen van artikel L.224-2, tweede alinea, van de Code rural, zoals gewijzigd bij de wet van 1998, onverenigbaar met de door de richtlijn nagestreefde doelstelling van de instandhouding der soorten.
41. Ten slotte stel ik met voldoening vast dat bij het wetsontwerp dat op 28 juni 2000 definitief door de Assemblée nationale is aangenomen, artikel L.224-2 wordt gewijzigd door invoeging van onder meer de volgende bepaling: Vogels mogen niet worden bejaagd zolang de jonge vogels hun nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode. Trekvogels mogen bovendien niet worden bejaagd tijdens de trek naar hun nestplaatsen."
Ook dient volgens de nieuwe wetgeving de wijze van uitvoering van verbodsbepalingen bij decreet te worden vastgesteld (décret en Conseil d'Etat).
42. Bijgevolg moet ook dit laatste middel worden aanvaard. Ik geef derhalve in overweging het beroep in zijn geheel toe te wijzen en verweerster overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
Conclusie
43. Om de hierboven vermelde redenen geef ik het Hof in overweging het beroep van de Commissie in zijn geheel toe te wijzen en vast te stellen dat de Franse Republiek, door artikel 7, lid 4, tweede en derde volzin, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand niet in nationaal recht om te zetten, door de data van het jachtseizoen voor de in de richtlijn bedoelde vogels niet in overeenstemming met die richtlijn vast te stellen en door de Commissie niet alle nuttige gegevens mede te delen betreffende de praktische toepassing van de jachtwetgeving in de departementen Bas-Rhin, Haut-Rhin en Moselle, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en voorts de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy