Conclusie van de advocaat generaal
1. In haar op 16 februari 1999 neergelegd verzoekschrift verwijt de Commissie de Franse Republiek dat zij richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk(1) (hierna: "richtlijn") niet tijdig in de nationale rechtsorde heeft omgezet, subsidiair, dat zij de omzettingsmaatregelen niet heeft meegedeeld.
Relevante communautaire en nationale bepalingen
2. De richtlijn, die is vastgesteld op basis van artikel 118 A EG-Verdrag (de artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 tot en met 143 EG), bevat minimumvoorschriften om jongeren op het werk te beschermen. In artikel 17, lid 1, sub a en c, wordt bepaald dat de lidstaten "de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking [doen] treden om uiterlijk op 22 juni 1996 aan deze richtlijn te voldoen" of ervoor zorgen dat "uiterlijk op deze datum (...) de sociale partners via overeenkomsten de nodige maatregelen nemen" en dat zij "de Commissie daarvan onverwijld in kennis [stellen]". Artikel 17, lid 2, verplicht de lidstaten voorts om in de nationale omzettingsbepalingen te verwijzen naar de richtlijn.
3. Het geldende Franse arbeidsrecht bevat vele bepalingen op het gebied van de door de richtlijn geregelde materie. Met name de Code du travail (artikelen D 211, L 211 tot en met L 213, L 221, R 234 en R 241) betreft de door de richtlijn bestreken materies, terwijl wet nr. 97-1051(2) speciale voorschriften voor de maritieme sector bevat.
Feiten en procesverloop
4. Daar de Commissie van de Franse regering geen enkel bericht over de omzetting van de richtlijn had ontvangen verzocht zij haar bij brief van 16 januari 1997 krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) eventuele opmerkingen hierover kenbaar te maken. De Franse regering antwoordde bij nota van haar permanente vertegenwoordiger van 13 maart 1997, doch de Commissie achtte die nota onbevredigend. Daarom zond zij de Franse Republiek op 12 januari 1998 krachtens artikel 169 van het Verdrag een met redenen omkleed advies waarin zij stelde dat "de Franse Republiek, door niet de (...) bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan (de) richtlijn (...), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen" en haar verzocht om binnen twee maanden aan dit advies te voldoen. De Franse regering beantwoordde dit met redenen omkleed advies met een nota van haar permanente vertegenwoordiger van 13 maart 1998, die de Commissie eveneens onbevredigend achtte.
5. Daarom heeft de Commissie op 16 februari 1999 krachtens artikel 169, tweede alinea, van het Verdrag beroep ingesteld waarin zij concludeert dat het het Hof behaagt:
"a) vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en, subsidiair, aan haar mee te delen, welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk, de krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
b) de Franse Republiek te verwijzen in de kosten".
6. De Franse Republiek heeft in haar op 4 mei 1998 neergelegd verweerschrift geen bijzondere eisen geformuleerd, doch slechts gesteld dat "de Franse regering het Hof en de Commissie zo snel mogelijk een wetsontwerp over de arbeidstijd zal doen toekomen", dat door de bevoegde autoriteiten wordt uitgewerkt.
De vraag of er sprake is van niet-nakoming
7. Volgens de Commissie heeft de Franse Republiek de richtlijn niet volledig in haar nationale rechtsorde omgezet en heeft zij hiermee in strijd gehandeld met artikel 17, lid 1, sub a, van de richtlijn, dat 22 juni 1996 als uiterste omzettingsdatum noemt, en heeft zij in elk geval niet de vastgestelde omzettingsmaatregelen meegedeeld, hetgeen in strijd is met de verplichting die krachtens artikel 17, lid 1, sub c, op haar rust.
8. De Franse regering stelt dat het grootste deel van de bepalingen van de richtlijn reeds in de geldende nationale wetgeving is opgenomen(3) en dat deze dus slechts op enkele punten hoeft te worden gewijzigd, te weten alleen met betrekking tot de bepalingen van de richtlijn die in de nationale wetgeving geen tegenhanger hebben. Voorts stelt de Franse regering dat zij die wijzigingen binnenkort wil vaststellen en dat het daarop betrekking hebbende besluit zo spoedig mogelijk aan het Hof en de Commissie zal worden gezonden.
9. Ik ben van mening dat de inbreuk in casu vaststaat. De Franse regering geeft immers zonder meer toe dat drieënhalf jaar na het verstrijken van de voor omzetting van de richtlijn gestelde termijn, talrijke bepalingen van deze richtlijn geen equivalent hebben gevonden in de regelgeving die op het moment van inwerkingtreding van de richtlijn van kracht was. Blijkens de nota's van de Franse permanente vertegenwoordiger van 13 maart 1997 en 13 maart 1998 aan de Commissie gaat het om de arbeidsduur van jongeren tussen de veertien en zestien jaar die vakantiewerk verrichten, de vereiste dagelijkse minimumrusttijd voor jongeren tussen de veertien en zestien jaar en voor jongeren van zestien tot achttien jaar, de wekelijkse rusttijd van jonge werknemers, de verplichtstelling van een pauze van dertig minuten na vierenhalf uur werk en de toepassing van de richtlijn op jongeren die zonder arbeidsovereenkomst een opleiding of stage bij een onderneming volgen. Op basis van die gegevens kan men er mijns inziens van uitgaan dat sprake is van "duidelijke schendingen van de richtlijn"(4), in die zin dat een aantal onderdelen van de richtlijn niet in de vigerende Franse wetgeving is opgenomen en dat de Commissie in elk geval niet op de hoogte is gesteld van de vaststelling van de bepalingen die voor een omzetting op deze gebieden geschikt zijn.
Met betrekking tot de van kracht zijnde bepalingen die aan de voorschriften van de richtlijn zouden beantwoorden wil ik hieraan toevoegen dat het feit dat in de rechtsorde van een lidstaat reeds bepalingen bestaan die overeenkomen met de door een richtlijn gewenste bepalingen, deze lidstaat niet ontslaat van de verplichting om een rechtskader te scheppen dat - vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid - een volledige en doeltreffende omzetting van de betrokken richtlijn verzekert door middel van aanpassing van het gehele door deze richtlijn bestreken rechtsgebied(5), evenmin als van de verplichting om de Commissie de eventueel vastgestelde bepalingen mee te delen.
Bovendien verplicht de richtlijn de lidstaten in dit geval om in de omzettingsbepalingen uitdrukkelijk naar de richtlijn te verwijzen; volgens vaste rechtspraak(6) sluit een dergelijke verplichting op zich reeds uit, dat bestaande nationale wetgeving de omzetting van een richtlijn in de rechtsorde van een lidstaat vormt. Ook vanuit dat gezichtspunt wordt de niet-nakoming dus bevestigd.
Kosten
10. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Daarom stel ik voor de Franse Republiek overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te verwijzen.
Conclusie
11. Gelet op de voorgaande overwegingen, geef ik het Hof in overweging:
"1) vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2) De Franse Republiek te verwijzen in de kosten."
(1) - PB L 216, blz. 12.
(2) - Journal officiel de la République française van 18 november 1997, blz. 16723.
(3) - En in het bijzonder in de in punt 3 van deze conclusie genoemde bepalingen.
(4) - Arrest van 1 maart 1983, Commissie/België (301/81, Jurispr. blz. 467, punt 18).
(5) - "De bepalingen van een richtlijn moeten worden uitgevoerd met een onbetwistbare dwingende kracht en met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid, dat, in het geval dat een richtlijn voor particulieren rechten in het leven roept, verlangt dat de begunstigden hun rechten in volle omvang kunnen kennen" (arrest van 4 december 1997, Commissie/Italië, C-207/96, Jurispr. blz. I-6869, punt 26).
(6) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 27 november 1997, Commissie/Duitsland (C-137/96, Jurispr. blz. I-6749, punt 8).
Full & Egal Universal Law Academy