Conclusie van de advocaat generaal
I Inleiding
1. In de beide hoofdgedingen (aanhangig sinds 1987) ging het in de eerste plaats om de hoogte van de gevorderde pensioenen wegens de toepassing van de in de nationale anticumulatiebepalingen vastgestelde verminderingsclausulen. Het hiervoor relevante artikel 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 is echter gewijzigd bij de op 1 juni 1992 in werking getreden verordening (EEG) nr. 1248/92, waardoor partijen er nu volgens de in de prejudiciële verwijzing gegeven aanwijzingen vanuit gaan, dat verzoeksters recht hebben op een onverkort pensioen. Punt van geschil blijft echter vooral, vanaf welk tijdstip verzoeksters dit recht hebben verkregen, omdat dit tijdstip afhankelijk kan zijn van de datum van indiening van het verzoek. De verwijzende rechter stelt de vraag, of een dergelijk verzoek tot verkrijging van een hoger pensioen alleen moet worden ingediend door pensioengerechtigden ten aanzien van wie op het moment van de inwerkingtreding van de wijziging van 1992 reeds een definitieve beschikking over de toekenning van het pensioen was gegeven, dan wel of een dergelijk verzoek eveneens moet worden ingediend door degenen die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen een beroep hadden ingesteld.
2. In het onderhavige geval gaat het om de uitlegging en de toepassing van de overgangsbepalingen van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, in de versie van verordening nr. 1248/92.
II Het rechtskader
3. De overgangsbepaling van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
1. Aan verordening (EEG) nr. 1248/92 kan geen enkel recht worden ontleend voor een tijdvak dat aan 1 juni 1992 voorafgaat.
2. Voor de bepaling van de aan verordening (EEG) nr. 1248/92 te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering of van wonen dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór 1 juni 1992 is vervuld.
3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 ontstaat krachtens verordening (EEG) nr. 1248/92 zelfs dan een recht, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke vóór 1 juni 1992 heeft plaatsgevonden.
4. De rechten van de betrokkenen wier pensioen vóór 1 juni 1992 werd vastgesteld, kunnen op hun verzoek met inachtneming van verordening (EEG) nr. 1248/92 worden herzien.
5. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek binnen twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de aan verordening (EEG) nr. 1248/92 te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat met betrekking tot het verval of de verjaring van rechten op de betrokkenen kunnen worden toegepast.
6. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek na afloop van de termijn van twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de niet vervallen of verjaarde rechten met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend verkregen, tenzij gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat van toepassing zijn."
III De feiten
1. Zaak C-52/99 (Camarotto)
4. In 1984 werd E. Sutto de in 1994 overleden echtgenoot van G. Camarotto, die de procedure voortzet officieel in kennis gesteld van een beschikking waarbij hem een Belgisch rustpensioen op basis van een verzekeringstijdvak van 37/45 werd toegekend. E. Sutto kwam op tegen deze beschikking en vorderde een Belgisch pensioen van 42/45 zonder vermindering. Hij kreeg in eerste aanleg gelijk. De Rijksdienst voor pensioenen, verweerder en appellant in het hoofdgeding (hierna: RVP"), stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het geding, dat in de eerste plaats de toepassing van nationale anticumulatiebepalingen betrof, werd geschorst in afwachting van de uitkomst van andere proefprocedures". De behandeling werd op 5 januari 1996 hervat.
5. In het hoofdgeding is nu de vraag aan de orde, of als gevolg van de wijziging van de rechtssituatie in 1992 de materiële bepalingen van verordening nr. 1248/92 op het tijdvak na 1 juni 1992 kunnen worden toegepast, of de toepassing daarvan mogelijkerwijs afhankelijk is van de indiening van een verzoek en zo ja, in welke vorm (artikel 95 bis, lid 4), en of een dergelijk verzoek ex tunc (artikel 95 bis, lid 5) of ex nunc (artikel 95 bis, lid 6) werkt.
6. Er werd inderdaad een verzoek ingediend, doch dit bereikte de RVP pas op 12 november 1997, waardoor deze slechts bereid is de pensioensverhoging vanaf 1 december 1997 toe te kennen.
7. Ten slotte bestaat er een brief die de RVP op 22 september 1994 aan zijn eigen advocaat had gericht, maar die via omwegen ook bij de pensioenaanvraagster terecht is gekomen, waarin een berekening van dat pensioen op basis van de sinds 1 juni 1992 geldende bepalingen werd gemaakt. Het op die wijze berekende hogere pensioen is echter niet uitbetaald, omdat de RVP zich op het standpunt stelt, dat daarvoor een verzoek moest worden ingediend. De RVP heeft verzoekster en geïntimeerde echter niet op deze voorwaarde gewezen. Verzoekster betoogt, dat zij door deze brief is misleid.
2. Zaak C-53/99 (Vignone)
8. Het voorwerp en het verloop van de procedure C-53/99 wijken slechts in geringe mate af van die van de procedure C-52/99. In 1987 werd G. Vignone, weduwe Tammaro, officieel in kennis gesteld van een beschikking waarbij haar een Belgisch overlevingspensioen op basis van een verzekeringstijdvak van 27/30 werd toegekend. G. Vignone kwam op tegen deze beschikking en vorderde een Belgisch pensioen op basis van 30/30 zonder vermindering. De daaropvolgende procedure in rechte had hetzelfde verloop als die in zaak C-52/99. Op 13 november 1997 diende de betrokken partij een verzoek tot toekenning van een hoger pensioen bij de RVP in. Ook in het geval van G. Vignone bestaat er een brief van de RVP van 22 september 1994 met een berekening van het pensioen op basis van de vanaf 1 juni 1992 geldende bepalingen.
IV De prejudiciële vragen en de procedure
9. In de beide procedures stelt de verwijzende rechter identiek geformuleerde vragen aan het Hof:
1) Geldt artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, dat overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 1248/92 bevat, alleen voor de rechthebbenden op een pensioen dat is toegekend bij een beschikking die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wijziging definitief was, of geldt het ook voor de rechthebbenden op een pensioen die vóór de inwerkingtreding van de bij de nieuwe verordening aangebrachte wijzigingen, reeds juist met het oog op de verkrijging van het pensioenrecht bij een nationale rechterlijke instantie een beroep hadden ingesteld waarbij zij de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen betwistten, maar dat bij de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen nog niet definitief was beslecht?
2) Indien dit artikel 95 bis zonder onderscheid op alle rechthebbenden van toepassing is, moet het in lid 4 bedoelde verzoek dan bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan worden ingediend overeenkomstig de vormvoorschriften die naar nationaal recht voor de indiening van een verzoek tot herziening worden gesteld, of mag het verzoek volgens de toepasselijke procedurele regels bij de aangezochte rechter worden ingediend en moet in dit geval ook de in de leden 5 en 6 van dat artikel bedoelde termijn van twee jaar in acht worden genomen?"
10. De RVP, verzoeksters en geïntimeerden in het hoofdgeding, alsmede de Commissie zijn partij in de procedure. De argumenten van de partijen zullen hieronder worden behandeld.
11. Het Hof heeft de partijen vooraf een vraag gesteld over de betekenis van de brief van 22 september 1994 en hun verzocht hierop ter terechtzitting te antwoorden.
V De argumenten van de partijen
1. De RVP
12. De RVP gaat ervan uit, dat het Hof in zijn rechtspraak het beginsel heeft geformuleerd dat steeds het gunstigste stelsel hetzij het intern nationale, hetzij het gemeenschapsrechtelijke dient te worden toegepast. Verordening nr. 1248/92 brengt in zoverre een wezenlijke wijziging mee, dat de interne anticumulatiebepalingen niet meer worden toegepast. De op 1 juni 1992 in werking getreden verordening schept geen enkel recht voor tijdvakken vóór die datum. Artikel 95 bis, leden 4, 5 en 6, staat bovendien herziening van een pensioen slechts toe wanneer de rechthebbenden daartoe een verzoek hebben ingediend. Het wettelijke criterium is derhalve de vaststelling" van het pensioen, te weten de handeling waardoor het pensioen kan worden uitbetaald dus de berekening van het uit te betalen bedrag en het uitbetalen zelf , zonder onderscheid naargelang de administratieve beslissing definitief is of niet.
13. Onbetwistbaar is, dat een reeds vastgesteld pensioen alleen op verzoek kan worden herzien. De vorm van dat verzoek kan administratief of gerechtelijk zijn. In dit laatste geval kan het verzoek in de vorm van een beroepsschrift, een memorie van opmerkingen of een conclusie worden ingediend. In elk geval is de datum van indiening van het verzoek beslissend voor het verkrijgen van rechten. Een ambtshalve herziening zou in strijd zijn met de bewoordingen van de bepaling; een herziening zou immers ook een vermindering van het pensioen kunnen bewerkstelligen, met name in het geval van overlevingspensioenen. De verplichting een verzoek in te dienen met strikte naleving van de termijnen is derhalve een vereiste van rechtszekerheid. Hieruit volgt, dat een herziening alleen op verzoek kan gebeuren. Ten slotte kunnen aan de brief van 22 september 1994 geen subjectieve rechten worden ontleend. De herwaardering van het pensioen was van zuiver informatieve aard en was aan de eigen advocaat gericht.
2. Verzoeksters en geïntimeerden
14. Verzoeksters en geïntimeerden betogen, dat voor de beantwoording van de prejudiciële vragen zowel het gemeenschapsrecht als het nationale recht in aanmerking moeten worden genomen.
15. Op het tijdstip van de inwerkingtreding van verordening nr. 1248/92 was in beide gevallen een geding aanhangig, zodat de omstreden pensioenbeschikkingen niet definitief waren geworden. De rechter dient bij zijn beslissing, die de administratieve beslissing vervangt, rekening te houden met alle wijzigingen van de bepalingen die de aanleiding waren voor het geding. Voorzover artikel 95 bis, lid 6, bepaalt, dat in geval van indiening van een verzoek na het verstrijken van de termijn van twee jaar na 1 juni 1992 rechten worden verkregen vanaf de datum van indiening van het verzoek onder voorbehoud van gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat , moeten de artikelen 807 en 808 van het Belgische gerechtelijk wetboek (ingevoerd bij wet van 10 oktober 1967) in aanmerking worden genomen. Deze bepalingen staan partijen toe, gedurende de gehele procedure in rechte hun verzoeken uit te breiden of te wijzigen. De Belgische rechter zou derhalve zijn gehouden om op verzoek van de partijen de op 1 juni 1992 in werking getreden bepalingen toe te passen.
16. In het onderhavige geval hebben partijen het vereiste verzoek ingediend, zij het niet binnen de gestelde termijn van twee jaar. In het kader van de toepasselijkheid van de artikelen 807 en 808 kan de rechter dit verzoek terugwerkende kracht verlenen. De artikelen 807 en 808 van het gerechtelijk wetboek zijn overigens het voorwerp van verschillende arresten van het Hof van Cassatie geweest. In een arrest van 22 mei 1978 heeft het Hof van Cassatie vastgesteld, dat in een geding over op de wet gebaseerde rechten de bevoegde rechter niet alleen uitspraak kan doen over de rechten op het moment van indiening van het verzoek, maar ook sedert de omstreden administratieve beschikking veranderde omstandigheden in aanmerking kan nemen, voorzover die omstandigheden de rechten van de verzekerde uitbreiden.
17. In het onderhavige geval moet, gelet op artikel 95 bis, lid 4, ook in aanmerking worden genomen, dat vanwege de aanhangige procedure in rechte strikt genomen niet van een herziening" (révision de droits), maar eerder van een vaststelling van rechten" (fixation de droits) moet worden gesproken. De vervaltermijn zou derhalve niet van toepassing zijn.
18. Wat de toepassing in de tijd van de nieuwe communautaire bepalingen betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie,
dat het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procedurevoorschriften vast te stellen voor rechtsvorderingen ter verzekering van de bescherming van de rechten welke de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande evenwel dat deze regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen maken;
dat het gemeenschapsrecht zich verzet tegen toepassing van een nationale regel die de terugwerkende kracht van een op artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) gefundeerd verzoek tot twee jaar beperkt;
dat in elk geval degenen die een beroep in rechte hebben ingesteld of een vergelijkbare klacht hebben ingediend, met terugwerkende kracht een beroep kunnen doen op nieuwe bepalingen of op de werking van een uitleggingsarrest van het Hof van Justitie.
19. Verzoeksters en geïntimeerden stellen het volgende antwoord op het verzoek om een prejudiciële beslissing voor:
Artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat de in lid 5 bepaalde termijn van twee jaar niet geldt voor personen die een beroep hebben ingesteld en naar nationaal recht een beroep kunnen doen op toepassing met terugwerkende kracht tot 1 juni 1992 van de voor hen gunstigere bepalingen van verordening nr. 1248/92.
3. De Commissie
20. Volgens de Commissie gaat het in casu om een geval van toepassing van artikel 95 bis, lid 4. Die bepaling schept een recht op herziening voor al degenen ten aanzien van wie overeenkomstig verordening nr. 1408/71 een beschikking tot vaststelling van pensioenrechten was gegeven vóór de bij verordening nr. 1248/92 aangebrachte wijzigingen, daaronder begrepen degenen die vóór de inwerkingtreding van die verordening al een beroep hadden ingesteld.
21. Daar die bepalingen geen vormvoorschriften voor het verzoek tot herziening bevatten, staat het aan de nationale wetgever de procedurele regels voor de uitoefening van dat recht vast te stellen. Daarbij mag hij uiteraard de uitoefening van het recht op herziening in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Zo kunnen de nationale procedurele regels bepalen, dat het verzoek tot herziening ook kan worden ingediend bij de rechter bij wie de zaak aanhangig is.
22. Wat de in artikel 95 bis, leden 5 en 6, bepaalde termijn van twee jaar betreft, wijst de Commissie erop, dat de nationale rechtsorde geen kortere termijn, maar wel een langere termijn mag vaststellen.
23. Zoals blijkt uit het arrest Petroni en de daaropvolgende rechtspraak, moet artikel 95 bis aldus worden uitgelegd dat op de betrokken werknemers het gunstigste stelsel wordt toegepast. Daar alleen de rechthebbenden het initiatiefrecht hebben, kon in de omstandigheden van het onderhavige geval zeker de vraag naar de nuttige werking van de bepalingen worden gesteld. In elk geval staat het de nationale rechter vrij, telkens de gunstigste regels toe te passen.
24. De Commissie stelt voor, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
1. Artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat het niet alleen geldt voor de pensioengerechtigden wier pensioen op het tijdstip van de inwerkingtreding van verordening nr. 1248/92 reeds definitief was vastgesteld, maar ook voor de pensioengerechtigden die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1248/92 een beroep hadden ingesteld waarbij zij de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen betwistten, maar dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen nog niet definitief was beslecht.
2. Het staat aan de nationale wetgever de procedurele voorwaarden voor het verzoek tot herziening vast te stellen en met name te bepalen, of dat verzoek moet worden ingediend bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan of bij de rechter bij wie het geding aanhangig is, op voorwaarde dat de uitoefening van het recht in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.
In het laatste geval heeft het al dan niet naleven van de in de leden 5 en 6 van bovengenoemd artikel bepaalde termijn van twee jaar de aldaar genoemde gevolgen met betrekking tot het rechtsgeldig worden van de herziening.
VI Discussie
25. De wijziging van verordening nr. 1408/71 bij verordening nr. 1248/92 betrof de bepalingen die ten grondslag liggen aan de vaststelling en de berekening van de pensioenen". Zoals in de eerste overweging van de considerans van de wijzigingsverordening wordt aangegeven [houdt] een aantal van deze wijzigingen verband [...] met de rechtspraak van het Hof van Justitie ter zake". De zestiende overweging van de considerans van de wijzigingsverordening luidt als volgt:
Overwegende dat het, ter bescherming van de migrerende werknemers en hun nabestaanden tegen een te strikte toepassing van de nationale bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking, noodzakelijk is een bepaling in verordening (EEG) nr. 1408/71 op te nemen, op grond waarvan de toepassing van deze bepalingen aan strenge voorwaarden wordt onderworpen."
26. Men dient ervan uit te gaan, dat de toepassing van de nieuwe bepalingen gunstiger kan zijn voor de rechthebbenden op een pensioen. Dit is echter geenszins een dwingende gevolgtrekking. Het is heel goed denkbaar, dat er gevallen zijn waarin de toepassing van de nieuwe bepalingen voor de rechthebbende tot een ongunstiger resultaat leidt. Een dergelijke situatie lag ten grondslag aan de zaak Baldone. De vertegenwoordiger van de RVP heeft er ter terechtzitting overigens uitdrukkelijk op gewezen, dat vooral bij overlevingspensioenen met deze verminderende werking rekening dient te worden gehouden.
27. Het Hof van Justitie heeft derhalve de in het onderhavige geval in het geding zijnde overgangsbepaling van artikel 95 bis in het arrest Baldone als volgt uitgelegd:
[...] wanneer de invaliditeitsuitkering vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening is vastgesteld, [zijn] de leden 1 tot en met 3 van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd, niet van toepassing [...].
Dergelijke situaties vallen daarentegen onder de leden 4 tot en met 6 van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd."
28. Het Hof vervolgde:
De omstandigheid dat de bevoegde instanties van een lidstaat, na een onjuiste berekening van de verschuldigde uitkering, een uitkering herberekenen na de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening en het verschuldigde bedrag corrigeren, kan immers geen nieuw recht doen ontstaan, doch heeft enkel tot gevolg, dat het bedrag van de uitkering waarop voordien recht was verkregen, correct wordt vastgesteld."
29. Aangaande het uit artikel 95 bis, lid 4, voortvloeiende vereiste van een verzoek tot herziening overweegt het Hof:
Artikel 95 bis, lid 4, beoogt de betrokkene in staat te stellen, te verzoeken om herziening van de onder vigeur van de niet gewijzigde verordening vastgestelde uitkeringen wanneer de regels van de wijzigingsverordening gunstiger voor hem blijken te zijn, en in het genot te blijven van de uitkeringen die volgens de bepalingen van de niet gewijzigde verordening zijn toegekend, wanneer deze bepalingen voordeliger zijn dan die van de wijzigingsverordening.
Uit de termen en de systematiek van artikel 95 bis, lid 4, blijkt dus duidelijk, dat de toepassing van de bepalingen van de wijzigingsverordening op de vóór 1 juni 1992 ontstane pensioenrechten afhangt van een uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene. Het bevoegde orgaan kan zich dus niet in de plaats van de betrokkene stellen, in het bijzonder niet wanneer de herziening ambtshalve in diens nadeel uitvalt."
30. Uit deze formuleringen dient niet zonder meer te worden afgeleid, dat het absoluut noodzakelijk is een verzoek in de zin van artikel 95 bis, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, in te dienen, maar alleen dat het uitdrukkelijk verboden is om ten nadele van de belanghebbende af te zien van het vereiste van een verzoek.
31. De vraag rijst, of naar de bewoordingen en de zin van artikel 95 bis, lid 4, indiening van een verzoek een noodzakelijke voorwaarde is, daar de in de leden 5 en 6 van deze bepaling bedoelde termijnen en procedurele gevolgen immers aan het vereiste van indiening van een verzoek als zodanig zijn verbonden.
32. In de Duitse taalversie van de bepaling wordt over feststellen" van rechten gesproken. Dit kan heel goed worden opgevat als een definitieve vaststelling en zulks zowel in de administratieve procedure als in de procedure in rechte. In het geval van hangende procedures zou de bepaling dan mogelijkerwijs in het geheel niet van toepassing zijn. In de Franse taalversie is daarentegen sprake van liquidation d'une pension", waarop vooral de RVP nadrukkelijk heeft gewezen. Uit dat oogpunt is het tijdstip van uitbetaling van een pensioen bepalend. In de Engelse taalversie van de verordening is sprake van a pension was awarded". Daarbij ligt de nadruk op het toekennen van een pensioen.
33. Daar het Hof in het arrest Baldone evenwel is uitgegaan van het tijdstip van het ontstaan van de rechten, kunnen ook de gevallen van nog niet definitief vastgestelde pensioenen onder artikel 95 bis, lid 4, vallen. Deze opvatting verdient ook de voorkeur om de rechthebbende op een pensioen het initiatiefrecht niet te ontnemen, iets waarop vooral strikt moet worden gelet in de gevallen die mogelijkerwijs nadelig uitvallen.
34. Daarentegen mag niet eraan worden voorbijgegaan, dat de leden 4 tot en met 6 van artikel 95 bis zijn bedoeld om te worden toegepast op de vóór 1 juni 1992 vastgestelde pensioenen. Bij de uitlegging van deze bepalingen dient derhalve rekening te worden gehouden met de aard van hangende procedures en dus met de nog niet definitief vastgestelde pensioenen.
35. Dienaangaande mag allereerst niet uit het oog worden verloren, dat het bij de toepasselijke materiële regels gaat om bepalingen van een verordening, die zoals de gemachtigde van de Commissie ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft benadrukt naar hun aard rechtstreeks toepasselijk zijn. Het is derhalve volstrekt juist de vervaltermijn van artikel 95 bis, lid 5, niet toe te passen op hangende procedures. Deze vervaltermijn van twee jaar, die om redenen van rechtszekerheid is bepaald, is redelijk voorzover het om afgehandelde pensioendossiers gaat. In deze tijdspanne kan worden getoetst, of de op 1 juni 1992 in werking getreden regels een gunstigere berekening kunnen opleveren, en als dit het geval is, kan een verzoek tot herziening worden ingediend.
36. Dat de gemeenschapswetgever de termijn van twee jaren, gedurende welke een verzoek tot herziening met terugwerkende kracht kan worden ingediend, geenszins als absolute vervaltermijn heeft bedoeld, wordt bevestigd door artikel 95 bis, lid 6. Daarin wordt bepaald, dat wanneer het verzoek na afloop van de termijn van twee jaar vanaf 1 juni 1992 wordt ingediend, de niet vervallen of verjaarde rechten met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, worden verkregen. Die bepaling vormt enerzijds een uitdrukking van het rechtszekerheidsbeginsel en beoogt anderzijds het financiële evenwicht van de betrokken socialezekerheidsstelsels te handhaven. Toch geldt deze regel slechts, tenzij gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat van toepassing zijn".
37. Deze formulering brengt duidelijk het beginsel van de gunstigste behandeling tot uiting. In zoverre behoeft derhalve geen beroep te worden gedaan op de rechtspraak van het Hof, waarin dit beginsel is geformuleerd met betrekking tot de procedurele geldendmaking van de door het gemeenschapsrecht erkende rechten, daar deze regel van de gunstigste behandeling, uitdrukkelijk in artikel 95 bis, lid 6, is opgenomen.
38. Gelet op de rechtspraak van het Hof, dat het beginsel van de gunstigste behandeling zowel materieelrechtelijk als procedureelrechtelijk moet worden toegepast op rechtsverhoudingen, waarin door het gemeenschapsrecht verleende rechtsposities in het geding zijn, is het zelfs in hangende procedures denkbaar ambtshalve herziening te verrichten mits deze gunstig uitvalt voor de rechthebbende op het pensioen.
39. Dit punt is echter voor het onderhavige geval niet van belang, daar volgens de partijen in elk geval gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat" in de zin van artikel 95 bis, lid 6, van toepassing zijn. Ingevolge de artikelen 807 en 808 van het gerechtelijk wetboek kunnen de partijen immers tijdens een procedure in rechte hun verzoek uitbreiden of wijzigen. Dergelijke procedurele verzoeken krijgen dan terugwerkende kracht in het kader van de aanhangige procedure. In beide hoofdgedingen werd uitdrukkelijk een verzoek ingediend. Deze verzoeken dienen dus op grond van de artikelen 807 en 808 terugwerkende kracht te krijgen. Dienaangaande zij verwezen naar het door de advocaat van de partijen die om toekenning van een pensioen hebben verzocht, ter terechtzitting aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie van 22 mei 1978. Volgens dit arrest moet een rechterlijke instantie, wanneer daarom wordt verzocht, ook de omstandigheden in aanmerking nemen die na de administratieve beslissing zijn opgetreden, voorzover die van dien aard zijn dat zij de rechten van de rechthebbende kunnen uitbreiden.
40. Gelet op de concrete omstandigheden van het onderhavige geval, rijst bovendien de vraag, of de RVP geen misbruik van recht maakt door zich met de reeds genoemde gevolgen van artikel 95 bis, lid 6 strikt aan de datum van indiening van het verzoek te houden.
41. Men weet, dat de RVP in beide gevallen herwaarderingen (évaluations) van de pensioenbedragen op basis van de vanaf 1 juni 1992 geldende bepalingen heeft gemaakt. Uiterlijk op dat moment werd duidelijk, dat op basis van die herwaardering aanspraak op een hoger overlevingspensioen kon worden gemaakt. Die herwaardering was onderwerp van een brief van 22 september 1994 aan de advocaat van de RVP. Via omwegen kwam deze brief in handen van verzoeksters en geïntimeerden. Daarbij valt op, dat die brief werd geschreven op een tijdstip waarop de in artikel 95 bis, lid 5, bepaalde termijn van twee jaar reeds was verstreken. Bovendien is aan de rechthebbenden op geen enkel moment meegedeeld, dat zij het hogere pensioen alleen na indiening van een verzoek konden ontvangen.
42. Aangezien de RVP de moeite heeft genomen om een herwaardering te maken en deze berekening aan de rechthebbenden heeft doen toekomen, rijst de vraag, of de RVP op grond van de zorgplicht of van het zorgvuldigheidsbeginsel niet gehouden was om de pensioengerechtigden, vóór afloop van de termijn van twee jaar en onder verwijzing naar die termijn, te wijzen op de mogelijkheid om een verzoek tot herziening in te dienen. Dit klemt temeer in het geval van G. Camarotto, daar wegens het overlijden van haar echtgenoot op 28 januari 1994 met grote waarschijnlijkheid een herwaardering van het pensioen had plaatsgevonden; in het geval van overlijden wordt een ouderdomspensioen immers in een overlevingspensioen omgezet. Bovendien was de termijn van twee jaar van artikel 95 bis, lid 5, van verordening nr. 1408/71 op 28 januari 1994 nog niet verstreken. Het ligt voor de hand, dat in dergelijke omstandigheden een herwaardering van de pensioenen plaatsvindt en dat de rechthebbende in voorkomend geval wordt geïnformeerd over de mogelijkheden waarover hij beschikt, zoals overigens op een later tijdstip fragmentarisch is gebeurd.
43. Uiteindelijk zijn deze overwegingen in het onderhavige geval evenwel niet doorslaggevend, omdat volgens de hierboven verdedigde stelling aan het overeenkomstig de nationale procedurevoorschriften in het kader van de procedure in rechte ingediende verzoek tot herziening van het pensioen terugwerkende kracht kan worden verleend, zodat al vanaf 1 juni 1992 aanspraak kan worden gemaakt op het hogere overlevingspensioen.
44. Ter beantwoording van het verzoek om een prejudiciële beslissing moet met betrekking tot de eerste vraag worden aangenomen, dat overeenkomstig het arrest Baldone de overgangsbepaling van artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 in beginsel van toepassing is op alle vóór 1 juni 1992 ontstane rechten. Artikel 95 bis geldt derhalve niet alleen voor de rechthebbenden op een pensioen ten aanzien van wie de beschikking tot toekenning definitief was op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging, maar ook voor degenen die vóór de inwerkingtreding van de bij de nieuwe verordening aangebrachte wijzigingen reeds een beroep bij een nationale rechterlijke instantie hadden ingesteld. Dit alles geldt voorzover het beroep waarmee werd opgekomen tegen de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen, specifiek tot doel had het recht op pensioen te verkrijgen en op het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen nog niet definitief was beslecht.
45. De tweede vraag van de verwijzende rechter dient derhalve aldus te worden beantwoord, dat het gemeenschapsrecht niet voorziet in vormvoorschriften voor het in artikel 95 bis, lid 4, bedoelde verzoek. Derhalve staat het aan de nationale rechtsorden om de voorwaarden en procedures voor indiening van een verzoek tot herziening van pensioenrechten vast te stellen. Het is dus heel goed mogelijk, dat het verzoek niet alleen bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan kan worden ingediend, maar eveneens volgens de toepasselijke procedurele regels bij de rechter bij wie het geding aanhangig is. In het geval van een hangende procedure moet bij de uitlegging van artikel 95 bis, leden 5 en 6, rekening worden gehouden met deze bijzondere situatie. De termijn van twee jaar is in zoverre niet als absoluut aan te merken, dat een na het verstrijken van die termijn ingediend verzoek heel goed ook terugwerkende kracht kan hebben.
VII Conclusie
46. Gelet op de voorgaande overwegingen stel ik voor de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
1) Artikel 95 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992, is in beginsel van toepassing op alle vóór 1 juni 1992 ontstane rechten. Artikel 95 bis geldt derhalve niet alleen voor de rechthebbenden op een pensioen ten aanzien van wie de beschikking tot toekenning definitief was op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging, maar ook voor degenen die vóór de inwerkingtreding van de bij de nieuwe verordening aangebrachte wijzigingen reeds een beroep bij een nationale rechterlijke instantie hadden ingesteld dat specifiek de verkrijging van het pensioenrecht door betwisting van de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen tot doel had en op het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen nog niet definitief was beslecht.
2) Het staat aan de nationale rechtsorden om de voorwaarden en procedures voor indiening van het verzoek tot herziening van pensioenrechten bedoeld in artikel 95 bis, lid 4, vast te stellen. Het is dus heel goed mogelijk, dat het verzoek niet alleen bij het bevoegde socialezekerheidsorgaan kan worden ingediend, maar eveneens bij de rechter bij wie het geding aanhangig is. In het geval van een hangende procedure moet bij de uitlegging van artikel 95 bis, leden 5 en 6, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, rekening worden gehouden met deze bijzondere situatie. De termijn van twee jaar is in zoverre niet als absoluut aan te merken, dat een na het verstrijken van die termijn ingediend verzoek heel goed ook terugwerkende kracht kan hebben."
Full & Egal Universal Law Academy