Conclusie van de advocaat generaal
1. De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen, dat de Italiaanse regering niet aan haar verplichtingen heeft voldaan door de vaststelling van de artikelen 1, lid 5, en 2 van de gecoördineerde tekst van decreetwet nr. 332 van 31 mei 1994, na wijziging omgezet in wet nr. 474 van 30 juli 1994, alsmede de decreten betreffende de bijzondere bevoegdheden" vastgelegd in het geval van de privatiseringen van ENI SpA en van Telecom Italia SpA.
2. Verweerster ontkent de niet-nakoming.
3. Zij betoogt evenwel, dat rekening moet worden gehouden met de vaststelling van het decreet van de president van de ministerraad van 4 mei 1999 houdende richtsnoeren voor de uitoefening van bijzondere bevoegdheden, voorzien in artikel 2 van decreetwet nr. 332 van 31 mei 1994.
4. Volgens verweerster voldoet het nieuwe decreet volkomen aan de vereisten die volgens de Commissie zelf voortvloeien uit het gemeenschapsrecht. Dit laatste zou voorschrijven, dat de bijzondere bevoegdheden" worden uitgeoefend op een wijze die strookt met die vereisten, dat wil zeggen, inzonderheid, in geval van dwingende redenen van algemeen belang en met inachtneming van het beginsel van non-discriminatie en het evenredigheidsbeginsel.
5. Volgens verweerster heeft de niet-nakoming sinds de vaststelling van voormeld decreet daar ook opgehouden te bestaan.
6. Er zij evenwel aan herinnerd, dat, zoals de Italiaanse regering overigens toegeeft, volgens vaste rechtspraak van het Hof het al dan niet bestaan van de niet-nakoming moet worden beoordeeld op de datum waarop de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn is verstreken.
7. In casu bedroeg die termijn twee maanden en is het met redenen omkleed advies op 10 augustus 1998 betekend. De termijn is dus verstreken lang voordat het decreet van de president van de ministerraad van 4 mei 1999 werd vastgesteld. Bovenvermeld argument kan door het Hof dus niet worden aanvaard. Daartoe hoeft niet eens het argument van de Commissie te worden onderzocht, dat de inhoud van dat decreet onvoldoende rechtszekerheid waarborgt.
8. De rechtspraak van het Hof impliceert ook, dat de Italiaanse regering vergeefs betoogt, dat de inhoud van het betrokken decreet is overgenomen in de financiële wet van 23 december 1999 en dat bijgevolg de rechtszekerheid volledig zou zijn gewaarborgd en aan de niet-nakoming stellig een einde zou zijn gekomen.
9. Dat argument faalt om dezelfde reden als het voorgaande.
10. Bijgevolg is de vraag of de betrokken bepalingen van bedoelde financiële wet, om aan de niet-nakoming een einde te maken, al dan niet moet worden aangevuld door een - overigens nog niet in werking getreden - uitvoeringsregeling, irrelevant en doet de omstandigheid dat partijen over deze vraag van mening verschillen, niet ter zake.
Conclusie
11. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, overeenkomstig de vordering van de Commissie vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door de vaststelling van de artikelen 1, lid 5, en 2 van de gecoördineerde tekst van decreetwet nr. 332 van 31 mei 1994, na wijziging omgezet in wet nr. 474 van 30 juli 1994, alsmede de decreten betreffende de bijzondere bevoegdheden" vastgelegd in het geval van de privatiseringen van ENI SpA en van Telecom Italia SpA, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten ingevolge:
- artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG);
- artikel 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG), en
- artikel 73 B EG-Verdrag (thans artikel 56 EG).
12. Dienovereenkomstig geef ik tevens in overweging, de Italiaanse regering in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy