Conclusie van de advocaat generaal
1. Met het onderhavige beroep krachtens artikel 181 EG vordert de Commissie terugbetaling van een voorschot, vermeerderd met interessen, ten gevolge van de beëindiging van een contract dat is gesloten in het kader van het Thermie-programma. Het contract is door verzoekster opgezegd wegens het niet nakomen van contractverplichtingen door verweersters.
I - De inhoud van het contract
2. De Commissie sloot op 17 december 1992 een overeenkomst met Manuel Pereira Roldão e Filhos, Lda., gevestigd in Portugal (hierna: MPR"), het Instituto Superior Técnico, eveneens gevestigd in Portugal (hierna: IST"), en King, Tandevin & Gregson (Holdings) Ltd, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk (hierna: KTG"). De overeenkomst is gericht op een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor een project getiteld Low Emissions - Low Cost Melting Tank for Superior Lead Crystal" (Kostenefficiënte smeltoven voor hoogwaardig loodkristal, met geringe milieu belastende emissies) (hierna: contract"). Het contract, met nummer IN 90/91 PO/UK, is overeengekomen in het kader van de activiteiten op het gebied van de bevordering van de technologische ontwikkeling op energiegebied in Europa (Thermie-programma), voorzien in verordening (EEG) nr. 2008/90.
3. Twee bijlagen maken een integraal onderdeel uit van het contract. Bijlage I ziet op technische en financiële specificaties. Bijlage II bevat de general conditions" (hierna: algemene voorwaarden").
4. Volgens artikel 2, lid 1, van het contract bedraagt de duur van het project 36 maanden, ingaande op 1 januari 1993, en verbinden MPR, IST en KTG (hierna: contractanten") zich ertoe de in bijlage I bij het contract vermelde werkzaamheden volgens het daar omschreven tijdschema te verrichten.
5. MPR is als coördinator van het project aangewezen. De coördinator is volgens artikel 1, lid 4, van het contract verantwoordelijkheid voor de contacten tussen de Commissie en de contractanten. Hij is onder meer verplicht namens de contractanten nader gespecificeerde documenten aan de Commissie te overleggen. Zo dient de coördinator op grond van artikel 5, lid 1, van het contract bij de Commissie halfjaarlijkse verslagen over de voortgang van de werkzaamheden in te dienen om te rapporteren over de technische en financiële stand van zaken. Deze verplichting wordt in artikel 6, lid 1, sub a, van de algemene voorwaarden verder uitgewerkt.
6. De Commissie is krachtens artikel 4, lid 1, van het contract ertoe gehouden het project te financieren volgens een schema dat onder meer voorziet in de betaling van een voorschot van 357 813 ECU.
7. De Commissie verricht overeenkomstig artikel 4, lid 3, eerste zin, van het contract alle betalingen aan de coördinator, die verantwoordelijk is voor het direct overmaken van de desbetreffende bedragen aan elke contractant. Deze bepaling bevat voorts in de tweede zin de clausule dat de Commissie op geen enkele wijze verantwoordelijk kan worden gehouden voor enig verzuim van de coördinator bij het voldoen aan deze verplichting.
8. Artikel 17, lid 2, sub a, eerste zin, van de algemene voorwaarden bepaalt dat de Commissie het voorschot betaalt binnen twee maanden nadat alle partijen het contract hebben ondertekend. Het voorschot dient volgens artikel 17, lid 2, sub a, tweede zin, te worden aangewend in het kader van het contract.
9. Het contract bevat een aantal informatieverplichtingen voor de contractanten. Krachtens artikel 2, lid 2, eerste zin, zal de Commissie van elke vertraging in de uitvoering van het contract op de hoogte worden gesteld. Luidens artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden berichten de contractanten de Commissie, middels de coördinator, over het begin van de uitvoering van het project volgens het contract en informeren zij de Commissie zonder vertraging over de voltooiing of het staken van het werk, of over enige gebeurtenis of omstandigheid die de uitvoering van het contract belangrijk kan beïnvloeden.
10. Volgens artikel 2, lid 2, tweede zin, van het contract kan de Commissie het contract beëindigen op basis van de in artikel 8 van de algemene voorwaarden vermelde omstandigheden. Artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden bepaalt onder meer dat wanneer een contractant een op hem rustende verplichting niet is nagekomen, de Commissie, na de nalatige partij schriftelijk te hebben uitgenodigd zich ervan te kwijten, de overeenkomst als ontbonden kan beschouwen indien de niet-nakoming een maand na de ingebrekestelling nog voortduurt en die niet-nakoming niet door redelijke technische of economische redenen wordt gerechtvaardigd.
11. Volgens artikel 2, eerste zin, van de algemene voorwaarden zijn de drie contractanten ten opzichte van de Commissie gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor enig verzuim van elk van hen om aan zijn verplichtingen te voldoen. De laatste volzin van deze bepaling stelt evenwel dat een contractant ten opzichte van een in gebreke gebleven contractant niet aansprakelijk is voor de terugbetaling in de zin van artikel 8, lid 4, van de algemene voorwaarden indien hij naar redelijke tevredenheid van de Commissie kan aantonen dat hij niet heeft bijgedragen aan het in gebreke blijven en voorts heeft voldaan aan de vereisten van artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden.
12. Ingeval het contract wordt ontbonden op grond van artikel 8, lid 2, sub d, verleent artikel 8, lid 4, van de algemene voorwaarden de Commissie de bevoegdheid om de financiële bijdragen terug te vorderen die zij heeft uitgekeerd in het kader van het ontbonden contract. De Commissie kan ook interessen eisen vanaf de datum waarop de financiële bijdrage door de contractant is ontvangen.
13. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het contract is Portugees recht erop van toepassing. Het Hof van Justitie is ingevolge artikel 12 van de algemene voorwaarden aangewezen als enige bevoegde rechter bij elk geschil dat het contract betreft.
II - De feiten
14. Het contract werd op 17 december 1992 ondertekend door MPR, op 21 december 1992 door IST en op 8 januari 1993 door KTG.
15. Op 22 februari 1993 betaalde de Commissie een voorschot van 357 813 ECU aan MPR, als coördinator van het project. Dit bedrag werd gestort op bankrekeningnummer 2702410/000/001 (Banco Fonsecas & Burnay te Leira).
16. De Commissie verrichtte op 20 september 1993 een technisch verificatieonderzoek bij MPR.
17. Op 20 oktober 1993 stuurde de Commissie een brief aan MPR met afschrift aan IST en KTG. In de brief werd geconstateerd dat MPR haar contractuele verplichtingen niet was nagekomen. Op grond van het onderzoek van 20 september 1993 stelde de Commissie vast dat nog geen begin was gemaakt met de uitvoering van het project. MPR had bovendien de Commissie niet overeenkomstig artikel 2, lid 2, van het contract gemeld dat er vertraging in de uitvoering was opgetreden. Daarnaast merkte de Commissie op dat in het licht van artikel 17, lid 2, sub a, van de algemene voorwaarden, het voorschot was uitgegeven aan andere doelen dan waarvoor het volgens bijlage I van het contract was bestemd. Daar MPR niet zou hebben voldaan aan de contractuele verplichtingen, bevatte de brief de in artikel 8 van de algemene voorwaarden bedoelde kennisgeving om het contract te ontbinden. Indien MPR binnen twee maanden het betaalde voorschot niet zou hebben teruggestort op het banknummer van de Banco Fonsecas & Burnay te Leira, kondigde de Commissie aan zonder verdere formaliteit het contract te ontbinden.
18. MPR zond daarop een brief aan de Commissie, die op 7 december 1993 werd ontvangen. MPR bestreed daarin dat nog geen begin zou zijn gemaakt met de uitvoering van het contract, aangezien IST en KTG reeds werkzaamheden in het kader van het project zouden hebben verricht. Indien er vertragingen waren ontstaan, zouden deze te wijten zijn geweest aan de vertraging in de financiering door de Commissie, alsmede aan omstandigheden van overmacht waarover de Commissie, aldus MPR, uitgebreid zou zijn ingelicht. De coördinator gaf evenwel aan ervoor open te staan alternatieve mogelijkheden te onderzoeken om de voortzetting van het contract in het kader van een herziene planning te verzekeren. MPR was bereid daarover met de Commissie in Brussel van gedachten te wisselen.
19. In een brief gedateerd 11 januari 1994, waarvan een afschrift is gericht aan IST en KTG, stemde de Commissie ermee in de verdere voortgang te bespreken, onder de voorwaarde dat MPR een bankcertificaat zou overleggen waaruit de beschikbaarheid van het betaalde voorschot op de eerder genoemde bankrekening zou blijken.
20. Uit een brief van 16 mei 1994 die was gericht aan de drie contractanten, volgde dat de Commissie op dat moment nog geen bankcertificaat had ontvangen waaruit zou blijken dat het betaalde voorschot teruggestort was op de genoemde bankrekening. De Commissie gunde de drie contractanten een laatste uitstel van een maand in verband met het terugstorten van het voorschot. Indien binnen die termijn geen bankcertificaat zou worden overgelegd, stelde de Commissie in deze brief vast dat artikel 8 van het contract met onmiddellijke ingang van toepassing zou zijn.
21. Bij brief van 14 juni 1994 verzocht MPR, in verband met een aantal bijzondere omstandigheden, de Commissie om uitstel van de in de brief van 16 mei 1994 aangekondigde beslissing. MPR gaf aan van plan te zijn het project uit te voeren in samenhang met een herstructurering van de Cristalware Portuguese Industry", die een maand later zou plaatsvinden. MPR meldde verder dat zij ook zelf in een herstructureringsfase zat. Daarnaast verklaarde MPR dat KTG inmiddels failliet was gegaan, waardoor een nieuwe partner gezocht moest worden.
22. Bij brief van 7 juli 1994, gericht aan MPR en IST, constateerde de Commissie tot haar spijt dat de contractanten niet in staat waren gebleken het op 16 mei 1994 verzochte bankcertificaat te overleggen. In verband met de financiële perspectieven die de herstructurering van het project zou kunnen bieden, alsmede de inbreng van een mogelijke nieuwe partner, stemde de Commissie, bij uitzondering, niettemin in met opschorting van het eerdere besluit om het contract te ontbinden op basis van artikel 8 van het contract. Het nadere uitstel werd verleend tot 31 december 1994. In de tussentijd waren partijen verplicht de Commissie te voorzien van alle informatie in verband met de bestaande problemen. De Commissie verklaarde dat indien de verdere uitvoering van het project niet zou kunnen worden gegarandeerd na 31 december 1994, het contract alsnog met onmiddellijke ingang zou worden ontbonden.
23. Daarop hebben MPR en IST volgens de Commissie geen enkel gevolg gegeven aan de brief van 7 juli 1994.
24. Op 7 juni 1995 deelde de Commissie per brief aan MPR en IST mede dat zij had besloten het contract te ontbinden, zoals zij reeds had aangekondigd in haar brief van 7 juli 1994. Daarbij nam de Commissie in overweging dat i) het voorschot niet beschikbaar was op de betrokken bankrekening, ii) er nog geen begin van uitvoering van het project was gemaakt, en iii) er geen informatie en garantie bestond betreffende de uitvoering van het project. De Commissie verklaarde de beslissing twee maanden na ontvangst van de brief van kracht.
25. Op 11 november 1995 stuurde de Commissie aan MPR een invorderingsopdracht met het verzoek het voorschot van 357 813 ECU terug te betalen. Aangezien het bedoelde bedrag op 17 oktober 1996 nog niet was overgemaakt, verzond de Commissie die dag aan MPR een rappelbrief waarin deze werd gesommeerd het betaalde voorschot onmiddellijk terug te betalen.
26. Op 10 maart 1997 was het bedrag nog steeds niet overgeboekt. Bij schriftelijke ingebrekestelling verzocht de Commissie om betaling binnen vijftien dagen vanaf de dag van ontvangst van de brief. Vanaf die datum, zo berichtte de Commissie, zouden ook interessen worden gevorderd. Zij kondigde juridische stappen aan indien MPR in gebreke zou blijven. De per aangetekende post verzonden brief werd door MPR ontvangen op 18 maart 1997. Op 4 juli 1997 reclameerde de Commissie bij brief wederom de betaling van het voorschot. De Commissie meldde in deze brief dat zij in rechte de invordering van het bedrag zou eisen.
27. Op 16 februari 1999 had de Commissie nog niets van de contractanten terugontvangen.
III - De procedure en de conclusies van partijen
28. Het verzoekschrift van de Commissie is bij het Hof binnengekomen op 22 februari 1999.
29. De Commissie concludeert in haar verzoekschrift dat het den Hove behage:
a) verweersters te veroordelen tot terugbetaling aan verzoeksters van een bedrag van 357 813 ECU, vermeerderd met 185 833,78 ECU aan interessen tot 1 januari 1999, alsmede met de tot de datum van volledige terugbetaling verschuldigde interessen;
b) verweersters in de proceskosten te veroordelen.
30. IST concludeert tot verwerping van het beroep en de veroordeling van de Commissie tot betaling van de volledige kosten.
31. MPR heeft geen verweer gevoerd. Bij brief van 25 juni 1999 heeft de Commissie ten aanzien van deze partij gevorderd, dat het Hof haar conclusies toewijst ingevolge de verstekprocedure van artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
32. Doordat de juiste adresgegevens ontbraken, is het niet mogelijk gebleken het verzoekschrift aan KTG te betekenen. Uit de processtukken kan worden afgeleid dat deze contractant inmiddels failliet is gegaan. De Commissie heeft bij brief van 26 april 1999 aangegeven dat zij de procedure uitsluitend ten aanzien van MPR en IST wenst voort te zetten.
33. Op 15 maart 2001 hebben de Commissie en IST hun zienswijze ter terechtzitting toegelicht.
IV - De middelen en voornaamste argumenten van partijen
34. De Commissie wijst erop dat MPR de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 2 van het contract heeft geschonden, door niet het tijdschema dat is uiteengezet in bijlage I van het contract te respecteren. De verlening van aanvullende termijnen, waartoe zij niet verplicht was, heeft daar geen verandering in gebracht. De Commissie stelt vast dat zij alle noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om het voorschot van 357 813 ECU terug te vorderen. Zij heeft daarnaast het contract ontbonden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 2 van het contract en artikel 8 van de algemene voorwaarden. Na afloop van de in haar brief van 4 juli 1997 gestelde termijn, is naar de mening van de Commissie het contract ontbonden.
35. De Commissie betoogt verder dat verweersters op grond van artikel 2 van de algemene voorwaarden hoofdelijk aansprakelijk zijn ten opzichte van de Commissie. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid zou ook in het Portugese recht worden erkend.
36. De Commissie herinnert voorts aan artikel 4, lid 3, van het contract. Volgens deze bepaling is de coördinator verantwoordelijk voor de overmaking van het desbetreffende deel van het voorschot aan de overige contractanten, en kan de Commissie op geen enkele wijze verantwoordelijk worden gehouden voor enig verzuim van de kant van de coördinator deze verplichting na te komen. Uit recente rechtspraak van het Hof zou overigens blijken dat wegens de hoofdelijke aansprakelijkheid van elke contractant, voor elk van hen een verplichting ontstaat het voorschot terug te betalen indien aan de als tegenprestatie aangegane verplichtingen niet is voldaan.
37. Het verweer van IST stoelt in wezen op twee argumenten.
38. In de eerste plaats betoogt IST niet op de hoogte te zijn geweest van het verzuim van MPR tot het moment waarop zij de kopie heeft ontvangen van de brief van de Commissie aan MPR van 20 oktober 1993, waarin deze werd gesommeerd het voorschot terug te storten op de oorspronkelijke bankrekening. IST beroept zich er bovendien op dat zij zowel in de periode voordat zij kennis heeft genomen van de onregelmatigheden bij MPR, als daarna, alle redelijke maatregelen heeft getroffen om het contract uit te voeren. Uit de door haar overgelegde documenten zouden duidelijk haar inspanningen en betrokkenheid blijken om haar contractuele verplichtingen na te komen.
39. De Commissie zou dan ook ten onrechte het verzoek om terugbetaling van het voorschot, met inbegrip van de interessen, hebben gericht tot IST. Zelfs indien de hoofdelijke aansprakelijkheid in het onderhavige geval zou worden aanvaard, kan IST niet voor betaling van deze bedragen verantwoordelijk worden gehouden, aangezien zij zou hebben voldaan aan de eisen van de exoneratieclausule van artikel 2 van de algemene voorwaarden. In het licht van deze voorwaarden betoogt IST dat de feiten ondubbelzinnig aantonen dat zij niet heeft bijgedragen aan de niet-nakoming van de contractverplichtingen door MPR. Zij zou de coördinator immers regelmatig hebben aangezet het contract uit te voeren. IST stelt overigens vast dat zij niet is gebonden aan de verplichtingen van artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden, omdat deze uitsluitend zijn bestemd voor de coördinator van het project, dat wil zeggen MPR. Zij zou bovendien de Commissie overeenkomstig artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden op de hoogte hebben gesteld van de vertragingen die als gevolg van de moeilijkheden bij MPR waren opgetreden.
40. IST beroept zich daarnaast op de goede trouw vanaf de precontractuele fase tot aan de ontbinding van het contract. Zij wijst erop dat zij reeds sinds lange tijd onderzoek verricht en dat zij reeds eerder financiële bijdragen heeft ontvangen van de Europese Unie.
41. In de tweede plaats, en tevens subsidiair, betoogt IST dat de Commissie zich in het onderhavige geval niet op de hoofdelijke aansprakelijkheid kan beroepen om van elk van de contractanten de volledige betaling te eisen. Dit middel steunt op een aantal artikelen in het Portugese Código Civil (burgerlijk wetboek; hierna: CC"). IST legt artikel 519, lid 1, CC zo uit dat, wanneer de schuldeiser alle mede-schuldenaren tegelijk aanspreekt, het toepasselijke regime niet meer dat van de hoofdelijke aansprakelijkheid is, maar van de gezamenlijke aansprakelijkheid. Artikel 519 CC bepaalt immers dat de schuldeiser in rechte van iedere hoofdelijke debiteur het gehele bedrag of van elke debiteur een deel kan vorderen, maar indien hij van een van de schuldenaren in rechte nakoming heeft gevorderd, kan hij de overige schuldenaren niet meer aanspreken voor hetgeen hij van de eerste schuldeiser heeft gevorderd, tenzij hij om een geldige reden van deze schuldenaar geen nakoming kan verkrijgen.
42. De Commissie heeft, aldus IST, door de vordering in te stellen tegen alle contractanten, voor de volledige som van de schuld, afstand gedaan van het recht op hoofdelijke vordering. Zij kan van de mede-schuldenaren dan ook niets vorderen dat uitgaat boven hun aandeel in de gemeenschap. De betaling van het voorschot is uitsluitend gedaan aan MPR en IST heeft van het voorschot niets ontvangen. MPR is dus de enige verweerster waarvan de Commissie terugbetaling van het voorschot, vermeerderd met de interessen, kan vorderen.
43. De Commissie betoogt in haar repliek dat in casu sprake is van een geldige reden, namelijk de onmogelijkheid het voorschot van MPR, dat inmiddels per 26 april 1999 insolvabel zou zijn geworden, terug te vorderen. IST bestrijdt dit argument; het zou te laat zijn ingebracht en derhalve niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
44. Ten slotte beroept IST zich betreffende de betaling van de interessen op artikel 520 CC. Volgens deze bepaling is alleen de hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar aan wie de niet-nakoming kan worden toegerekend, gehouden tot vergoeding van de schade. IST stelt vast dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de betaling van de schadevergoeding, bestaande uit de interessen, want het niet terugbetalen van het voorschot zou MPR volledig kunnen worden aangerekend.
45. Deze opvatting wordt door de Commissie bestreden. Zij beroept zich in het bijzonder op de tekst van artikel 8, lid 4, tweede alinea, van de algemene voorwaarden, volgens welke de Commissie interessen mag vorderen in verband met terug te betalen financiële bijdragen, en op recente rechtspraak waarin het Hof bij vorderingen betreffende de terugbetaling van voorschotten tendeert naar de plicht voor nalatige partijen om de interessen te vergoeden.
V - Beoordeling
46. Artikel 39 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het verzoekschrift aan de verwerende partij moet worden betekend. Het verzoekschrift van de Commissie is niet aan KTG betekend. Daardoor is niet voldaan aan het kenbaarheidsvereiste en kan het verzoekschrift voorzover het KTG aangaat niet ontvankelijk zijn. De Commissie heeft ook aangegeven haar verzoekschrift betreffende KTG te laten vallen en haar vorderingen uitsluitend ten aanzien van de contractanten MPR en IST te willen voortzetten. Ik zal mijn beoordeling dan ook beperken tot deze twee partijen.
47. De verschillende juridische en feitelijke omstandigheden rechtvaardigen in deze conclusie voor MPR en IST een afzonderlijke behandeling.
A - MPR
48. Uit de door de Commissie verstrekte gegevens blijkt dat het verzoekschrift conform de wettelijke regels aan MPR is betekend. Overeenkomstig artikel 39 van het Reglement voor de procesvoering is het verzoekschrift op 1 april 1999 aangetekend en met ontvangstbewijs bezorgd bij Carlos Manuel Bueri Alves Antero, de ondertekenaar van het contract namens MPR, in de functie van managing director". MPR heeft binnen de voorgeschreven termijnen in de zin van artikel 40, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering echter geen verweer ingediend. Het Hof zal dus ten aanzien van MPR uitspraak moeten doen bij verstek, in de betekenis van artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
49. Nu de ontvankelijkheid van het beroep betreffende MPR geen twijfel lijdt, moet krachtens artikel 94, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden onderzocht, of de conclusies van de Commissie ten opzichte van deze coördinerende partij gegrond voorkomen.
50. Vaststaat dat het voorschot daadwerkelijk aan MPR is uitgekeerd. De Commissie heeft een kopie verstrekt van een betalingsopdracht, gedateerd 22 februari 1993, voor een bedrag van 357 813 ECU ten gunste van MPR en op banknummer 2702410/000/001 (Banco Fonsecas & Burnay te Leira). Het voorschot is daarmee, overeenkomstig artikel 17, lid 2, sub a, van de algemene voorwaarden, overgemaakt binnen twee maanden nadat KTG het contract op 8 januari 1993 als laatste contractant had ondertekend.
51. Op basis van artikel 8, lid 2, van de algemene voorwaarden kan de Commissie eenzijdig het contract ontbinden indien aan één van de in die bepaling vermelde gronden wordt voldaan. In haar correspondentie met de contractanten heeft de Commissie niet nauwkeurig gespecificeerd op welke van de in artikel 8, lid 2, vermelde gronden zij zich beroept. Het kan op grond van de tekst van de brief echter redelijkerwijs niet worden betwist dat zij in haar oorspronkelijke aanmaningsbrief van 20 oktober 1993 doelt op de ontbindingsgrond van artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden.
52. Krachtens artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden kan de Commissie het contract ontbinden indien i) een contractant een op hem rustende verplichting niet is nagekomen, ii) de nalatige contractant schriftelijk is verzocht het gebrek te herstellen, iii) de niet-nakoming een maand na de schriftelijke ingebrekestelling nog voortduurt, en iv) de niet-nakoming niet door redelijke technische of economische redenen wordt gerechtvaardigd.
53. In casu is naar mijn oordeel aan de vier vereisten voldaan.
54. Wat betreft de nakoming van de contractverplichtingen noemt de Commissie in de brief van 20 oktober 1993 twee bepalingen die door MPR zouden zijn geschonden, te weten artikel 2, lid 2, van het contract en artikel 17, lid 2, sub a, van de algemene voorwaarden.
55. De Commissie stelt allereerst dat MPR heeft verzuimd de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 2, van het contract op de hoogte te stellen van de vertragingen in de uitvoering van het project. Deze bewering komt mij gefundeerd voor.
56. Volgens het tijdpad dat is weergegeven in tabel 1 van bijlage I bij het contract, zou in de periode januari 1993 tot en met september 1993 het projectonderdeel design and basic engineering" moeten worden verricht. Dit gedeelte zou ingevolge een tabel op bladzijde 3 van bijlage I mede uitgevoerd moeten worden op de locatie Marinha Grande, de vestigingsplaats van MPR. Daaruit volgt dat MPR al in de eerste fase van het project werkzaamheden verricht zou moeten hebben ter uitvoering van het contract.
57. MPR bestrijdt in haar brief die op 7 december 1993 door de Commissie is ontvangen dat in die periode nog geen uitvoering zou zijn gegeven aan het contract, omdat de contractanten IST en KTG reeds werkzaamheden zouden hebben verricht. MPR ontkent in de brief echter niet dat zijzelf nog niet is begonnen met de uitvoering van het project. Sterker, door te wijzen op omstandigheden van overmacht en door de Commissie aan te bieden gezamenlijk alternatieve mogelijkheden te onderzoeken om de voortzetting van het contract te verzekeren, geeft zij in wezen toe in gebreke te zijn gebleven.
58. Uit de processtukken kan overigens op geen enkele wijze worden afgeleid dat MPR, als coördinator, heeft voldaan aan haar verplichting ingevolge artikel 5, lid 1, van het contract juncto artikel 6, lid 1, van de algemene voorwaarden bij de Commissie halfjaarlijkse verslagen over de voortgang van de werkzaamheden in te dienen in het kader van de rapportage over de technische en financiële stand van zaken. Het dossier bevat ook geen enkel bewijsstuk waaruit zou blijken dat de Commissie op een andere wijze enige inhoudelijke informatie over de voortgang van het project van de coördinator heeft ontvangen. MPR heeft mijns inziens dan ook, behalve de informatieplicht van artikel 2, lid 2, van het contract, eveneens de rapportageplicht van artikel 5, lid 1, van het contract juncto artikel 6, lid 1, van de algemene voorwaarden geschonden.
59. Ten tweede beschuldigt de Commissie in de brief van 20 oktober 1993 MPR ervan, in strijd met artikel 17, lid 2, sub a, van de algemene voorwaarden, het door haar betaalde voorschot te hebben aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor het contractueel bestemd was. In de verdere correspondentie die MPR onderhield met de Commissie, in het bijzonder in de brieven van december 1993 en juni 1994, wordt dit gegeven niet betwist. Hoewel de Commissie MPR regelmatig heeft aangespoord het voorschot terug te storten op de oorspronkelijke bankrekening, heeft MPR aan dit verzoek geen gevolg gegeven. Hieruit volgt dat de beweerde schending van de genoemde bepaling mij eveneens deugdelijk voorkomt.
60. Betreffende de overige drie vereisten voor ontbinding kan met het volgende worden volstaan.
61. Ten eerste heeft de Commissie in de brieven van 11 januari 1994 en 7 juli 1994 MPR uitgebreid in de gelegenheid gesteld het contract alsnog uit te voeren. Voorzover uit de stukken valt af te leiden, heeft MPR van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
62. Ten tweede heeft de Commissie bovendien, door in haar brief aan de contractanten van 7 juni 1995 het ontbindingsbesluit twee maanden na ontvangst van de brief in werking te laten treden, de daarvoor geldende termijn van voorafgaande kennisgeving van een maand ruimschoots gerespecteerd.
63. Ten derde kunnen de tekortkomingen niet worden geacht gerechtvaardigd te zijn vanwege technische of economische redenen. Weliswaar heeft MPR in haar brief van 14 juni 1994 melding gemaakt van een interne herstructurering, maar op een dergelijke reden kan geen beroep worden gedaan, omdat zij betrekking heeft op de specifieke situatie van het betrokken bedrijf en niet op technische of economische problemen in verband met de uitvoering van het onderzoeksproject.
64. Derhalve leid ik uit de processtukken af dat de Commissie, bij brief van 7 juni 1995, met recht heeft kunnen besluiten het contract overeenkomstig artikel 8 van de algemene voorwaarden te ontbinden.
65. Volgens artikel 8, lid 4, tweede alinea, van de algemene voorwaarden kunnen interessen verschuldigd zijn vanaf de datum van ontvangst van het voorschot, tegen het door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking voor zijn handelingen in ecu toegepaste, op de eerste werkdag van iedere maand bekendgemaakt tarief, verhoogd met 2 %. De Commissie heeft in haar brief aan MPR van 10 maart 1997 aangegeven dat zij vanaf 15 dagen na ontvangst van de brief, op 18 maart 1997, interessen zou vorderen over het voorschot. Door de Commissie wordt thans een bedrag van 185 833,78 ECU aan interessen tot 1 januari 1999 gevorderd, vermeerderd met de tot de datum van volledige terugbetaling verschuldigde interessen. Zij heeft het vermelde bedrag van 185 833,78 ECU in een bijlage bij het verzoekschrift gespecificeerd. Het dossier bevat geen element dat de gegrondheid ervan in twijfel zou kunnen trekken.
66. Dientengevolge komen de conclusies van de Commissie gegrond voor en in overeenstemming met artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, waar het de vordering betreft tot betaling door MPR van het op 22 januari 1993 uitgekeerde voorschot van 357 813 ECU, vermeerderd met de interessen.
B - IST
67. De gegrondheid van het verzoek van de Commissie ten aanzien van contractant IST moet worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van het contract, de feitelijke gedragingen van IST en het regime betreffende de hoofdelijke aansprakelijkheid in het Portugese burgerlijk recht.
68. Het wordt niet betwist dat het contract de drie contractanten hoofdelijk aansprakelijkheid maakt voor de uitvoering ervan. Dit volgt ondubbelzinnig uit de tekst zelf. In de preambule is vastgelegd dat de contractanten gezamenlijk en hoofdelijk handelen zoals gespecificeerd in artikel 2 van de algemene voorwaarden. Volgens deze bepaling zijn de contractanten gezamenlijk en hoofdelijk ten opzichte van de Commissie aansprakelijk voor enig verzuim van de kant van eenieder van hen de contractverplichtingen na te komen.
69. Het staat dus zonder meer vast dat elke contractant zich er tegenover de Commissie toe heeft verbonden, de nakoming van elke contractverplichting te verzekeren. Op geheel vrijwillige basis is door de contractanten bij ondertekening van het contract het principe aanvaard dat het risico dat één van hen in gebreke blijft, om welke reden dan ook, niet aan de Commissie kan worden tegengeworpen.
70. Zoals hiervóór uiteengezet, heeft MPR mijns inziens als coördinator en als contractant niet voldaan aan de verplichtingen die voor haar uit het contract voortvloeien. Met name heeft MPR naar mijn oordeel de bepalingen van artikel 2, lid 2, en artikel 5, lid 1, van het contract en artikel 17, lid 2, sub a, van de algemene voorwaarden geschonden, waardoor de Commissie uit hoofde van artikel 8 van de algemene voorwaarden het contract heeft kunnen ontbinden. In dat geval staat vast dat de Commissie MPR en de overige contractanten hoofdelijk kan aanspreken voor het verzuim van MPR. De betaling van het voorschot aan MPR heeft ook voor IST de verplichting veroorzaakt dit voorschot terug te betalen ingeval aan de als tegenprestatie aangegane verplichtingen niet is voldaan.
71. Het verweer van IST dat zij tot oktober 1993 niet heeft geweten van de betaling van het voorschot, noch haar argument dat zij nooit een bedrag van het voorschot van MPR heeft ontvangen, doen hieraan af. Juist met betrekking tot het voorschot stelt artikel 4, lid 3, tweede zin, van het contract uitdrukkelijk dat de Commissie niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de nalatigheid van de coördinator om het ontvangen voorschot voor het desbetreffende deel over te maken naar de overige contractanten.
72. Het contract kent voor IST slechts één manier om wat betreft het teruggevorderde voorschot aan de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontkomen. Artikel 2 van de algemene voorwaarden bepaalt in de laatste zin dat een contractant niet aansprakelijk is voor de terugbetaling van door de Commissie uitgekeerde financiële bijdragen in de zin van artikel 8, lid 4, van de algemene voorwaarden, indien hij naar redelijke tevredenheid van de Commissie kan aantonen dat hij niet heeft bijgedragen aan het gebrek en voorts heeft voldaan aan de vereisten van artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden. Onderzocht moet worden of IST in casu aan deze condities voldoet.
73. Om aan de eerste voorwaarde te voldoen, heeft IST de Commissie er redelijkerwijs van moeten kunnen overtuigen dat het niet heeft bijgedragen aan de tekortkoming in de nakoming van het contract door MPR.
74. De Commissie verwijt IST dat het gedurende de eerste maanden na de ondertekening van het contract onzorgvuldig is geweest doordat het, als contractant, niet op de hoogte was van bepaalde voor het project belangrijke feiten en doordat het enige tijd duurde voordat de werkafspraken tussen de contractanten waren vastgelegd. Zij heeft ter terechtzitting echter toegegeven dat IST te goeder trouw is geweest ten tijde van de totstandkoming van het contract. Door de Commissie is ook niet bestreden dat IST groot belang heeft gehad bij de uitvoering van het project. Belangrijker vind ik het echter dat IST daarnaast diverse brieven en faxen heeft overgelegd, gedateerd respectievelijk 25 januari 1993, 19 februari 1993, 22 juni 1993 en 20 juli 1993, waaruit blijkt dat zij MPR regelmatig heeft aangespoord om voortgang te maken met de uitvoering van het project en het nakomen van de contractverplichtingen. Uit een schriftelijke mededeling van MPR aan IST, gedateerd 13 juni 1994, volgt bovendien dat IST ervan mocht uitgaan dat MPR in ieder geval tot dat tijdstip de intentie had het project voort te zetten.
75. Daarmee heeft IST naar mijn mening de Commissie er redelijkerwijs van kunnen overtuigen niet te hebben bijgedragen aan het verzuim van MPR.
76. De tweede voorwaarde van artikel 2, laatste zin, van de algemene voorwaarden, ziet op de notificatieplicht van artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden.
77. De stelling van IST dat zij niet geacht kan worden gebonden te zijn aan deze informatieverplichting omdat deze zich uitsluitend zou richten tot de coördinator, is mijns inziens gebaseerd op een foutieve interpretatie van deze bepaling. Het eerste deel van artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden legt aan de coördinator, namens de contractanten, de verplichting op om de Commissie in te lichten over het begin van de werkzaamheden van het project. Het tweede deel van deze clausule bepaalt evenwel dat elke contractant de Commissie onmiddellijk op de hoogte dient te stellen van de voltooiing of de staking van het werk, dan wel van elke gebeurtenis of omstandigheid die ertoe kan leiden dat de uitvoering van het contract in belangrijke mate wordt beïnvloed. Deze laatste verplichting uit hoofde van artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden geldt dus evenzeer voor contractant IST.
78. Ik ben van oordeel dat IST met de door haar aangevoerde gegevens niet het bewijs heeft geleverd dat zij aan deze verplichting heeft voldaan. Daarvoor had aangetoond moeten worden dat zij onmiddellijk de Commissie heeft ingelicht over de moeilijkheden die waren gerezen bij de uitvoering van het project.
79. In mijn ogen zijn in dit verband drie gebeurtenissen cruciaal geweest voor IST: de ontvangst van de twee brieven van de Commissie van 20 oktober 1993 en 7 juli 1994, en het verlopen van de door de Commissie in laatstgenoemde brief gestelde uiterste termijn voor uitvoering van het contract tot 31 december 1994.
80. Het eerste voorval was de ontvangst van de brief van de Commissie aan de contractanten van 20 oktober 1993, waarin de Commissie constateert dat de uitvoering van het project nog niet was begonnen en het verstrekte voorschot door MPR voor oneigenlijke doeleinden was aangewend.
81. IST bestrijdt niet dat zij in de periode van 1 januari 1993, de datum waarop de looptijd van het contract is ingegaan, tot de ontvangst van de brief van 20 oktober 1993, geen enkel initiatief heeft genomen om de Commissie in kennis te stellen van de vertraging die bij de uitvoering van het project was opgetreden. Naar eigen zeggen is zij tot dat tijdstip ook niet op de hoogte geweest van de problemen die zich bij MPR voordeden. Zij zou zich in deze periode hebben beperkt tot het aansporen van MPR het project naar behoren uit te voeren. Volgens IST heeft zij MPR in deze fase uitdrukkelijk gevraagd of het voorschot van de Commissie inmiddels was uitbetaald, waarop MPR ontkennend zou hebben geantwoord.
82. Naar mijn mening zou het voor de hand hebben gelegen dat IST reeds in deze periode onmiddellijk contact zou hebben opgenomen met de Commissie. Op grond van de eigen ervaringen met MPR had reeds duidelijk moeten zijn dat de uitvoering van het project vertraging zou oplopen. Tevens had IST twijfels kunnen hebben over de bewering van MPR dat de Commissie het contractuele voorschot nog niet had uitgekeerd. Was dat inderdaad het geval geweest, dan zou de Commissie immers haar verplichtingen op grond van artikel 17, lid 2, sub a, van de algemene voorwaarden niet zijn nagekomen.
83. Wat hier ook van zij, na ontvangst van de brief van 20 oktober 1993 was IST onomstotelijk op de hoogte van de verwijten van de Commissie jegens MPR en het tekortschieten in de nakoming van de contractverplichtingen door laatstgenoemde.
84. Het tweede belangrijke tijdstip voor IST acht ik het moment van ontvangst van de brief van de Commissie van 7 juli 1994, waarin de Commissie de contractanten MPR en IST in het licht van de bijzondere omstandigheden nog eenmaal een kans gaf uiterlijk 31 december 1994 aan hun contractuele verplichtingen te voldoen.
85. IST heeft getracht aan te tonen dat zij in de periode tussen de ontvangst van de brieven van 20 oktober 1993 en 7 juli 1994 de Commissie op een tweetal manieren heeft benaderd en op de hoogte heeft gesteld van de gerezen problemen.
86. Ten eerste stelt IST dat zij contacten heeft gehad met de gedelegeerde van DG XVII voor het Thermie-programma bij het directoraat-generaal Energie in Portugal, in de persoon van Virginia Correia. IST zou haar op de hoogte hebben gebracht van de door schuld van MPR opgelopen vertragingen, en haar hebben verzocht druk uit te oefenen op MPR om het voorschot terug te storten. Tevens zou IST met behulp van het directoraat-generaal Energie hebben gepoogd een nieuwe partner voor het project te vinden.
87. De Commissie heeft echter verklaard dat een dergelijke gedelegeerde van DG XVII" nooit heeft bestaan en dat Virginia Correia waarschijnlijk een nationale ambtenaar is die de Portugese republiek vertegenwoordigt in een comité dat is opgericht in het kader van het Thermie-programma. Volgens de Commissie heeft Virginia Correia op geen enkele wijze de Commissie kunnen vertegenwoordigen, noch in algemene zin, noch in verband met het contract. Ter terechtzitting is dit gegeven door IST niet bestreden, maar heeft zij aangevoerd dat zij ervan uitging dat Virginia Correia haar informatie zou doorgeven aan de verantwoordelijke functionarissen binnen de Commissie.
88. Dit betoog van IST komt, zo meen ik, ongeloofwaardig over en is volstrekt niet toereikend om te voldoen aan de informatieverplichting die het contract de contractanten jegens de Commissie oplegt bij gerezen problemen.
89. Ten tweede heeft IST een lijst overgelegd met de namen van vijf functionarissen die werkzaam zouden zijn bij DG XVII van de Commissie en met wie zij in genoemde periode telefonische contacten zou hebben gehad. Tijdens die gesprekken zou zij hebben aangegeven het project in Portugal te willen voortzetten, wanneer MPR de ontvangen bedragen zou hebben teruggestort.
90. Dit bewijs acht ik te mager. Door het ontbreken van aanvullende concrete gegevens is onzeker of de informatie die beweerdelijk is verstrekt wel voldoende duidelijk heeft gemaakt wat de precieze problemen zijn geweest bij de uitvoering van het project. IST heeft bovendien niet de opmerking van de Commissie betwist dat een van de vijf functionarissen indertijd niet meer werkzaam was bij DG XVII, hetgeen de geloofwaardigheid betreffende de beweerde contacten niet versterkt. Daarnaast zou het voor de hand hebben gelegen dat IST de gerezen problemen op schrift zou hebben gesteld en aangetekend per brief aan de Commissie zou hebben medegedeeld. De informatieplicht van artikel 2, lid 2, eerste zin, in samenhang met de exoneratieclausule en de hoofdelijke aansprakelijkheid van IST, dwingen tot deze formele zorgvuldigheid.
91. IST heeft derhalve niet overtuigend kunnen aantonen dat het in de periode eind oktober 1993 tot begin juli 1994 de Commissie heeft ingelicht over de ontstane problemen. In de brief van 7 juli 1994 geeft de Commissie de contractanten echter nog tot 31 december 1994 de kans om te voldoen aan hun verplichtingen.
92. In de periode begin juli 1994 tot eind december 1994 had het voor IST werkelijk helder moeten zijn dat het geduld van de Commissie betreffende de uitvoering van het contract was opgeraakt en dat 31 december 1994 de uiterste datum was voor het redden van het project. Ingeval dat niet mocht lukken, zou ontbinding van het contract onvermijdelijke zijn. Daarnaast had het voor IST volledig duidelijk moeten zijn dat MPR zowel een onbetrouwbare contractpartner als een onbetrouwbare coördinator van het project was geworden. Toezeggingen werden door MPR niet nagekomen en het door de Commissie betaalde voorschot werd niet besteed aan doeleinden in het kader van het contract. Waar in de voorgaande periode IST met het oog op de contractuele verplichtingen en in het bijzonder de regeling betreffende de hoofdelijke aansprakelijkheid de Commissie reeds schriftelijk en aangetekend per post had moeten inlichten over de gang van zaken omtrent de uitvoering van het contract, daar geldt dat zo mogelijk in deze fase nog meer. De Commissie heeft ook in haar brief van 7 juli 1994 de contractanten nog eens uitdrukkelijk opgedragen haar te informeren omtrent eventuele problemen.
93. IST heeft echter op geen enkele wijze aangetoond dat zij in de tweede helft van 1994 de Commissie op de hoogte heeft gesteld van de gerezen moeilijkheden. Daartoe is zelfs geen poging ondernomen.
94. Vervolgens ontving IST bij brief van 7 juni 1995 het bericht van de Commissie dat het contract definitief was ontbonden. Pas in een brief aan de Commissie die gedateerd is 17 juli 1995 heeft IST afstand genomen van de gedragingen van MPR. In deze brief attendeerde zij de Commissie op haar actieve bijdrage aan het project, laat zij weten nooit een financiële vergoeding van MPR te hebben ontvangen en legt zij de verantwoordelijkheid voor het falen van het project volledig bij MPR.
95. Ik concludeer op grond van het voorgaande dat IST in de periode oktober 1993 tot juli 1995 de Commissie niet krachtens artikel 2, laatste zin, van de algemene voorwaarden, juncto artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden, onmiddellijk op de hoogte heeft gebracht van de gerezen problemen bij de uitvoering van het project. IST heeft daardoor verzuimd gebruik te maken van de mogelijkheid zich tegenover de Commissie vrij te pleiten en aan de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontkomen door, zoals het heeft gedaan in de brief van 17 juli 1995, in een schriftelijke reactie duidelijk uiteen te zetten welke problemen zijn gerezen, waarom deze zijn ontstaan en op welke wijze IST al het redelijke heeft gedaan om de contractverplichtingen na te komen. Een dergelijke reactie had des te meer voor de hand gelegen nu IST zich erop beroept een professionele partij te zijn die reeds de nodige ervaring heeft opgedaan met projecten welke mede door de Europese Unie zijn gefinancierd.
96. Naar mijn oordeel faalt daarom het beroep van IST op de exoneratieclausule van artikel 2, laatste zin, van de algemene voorwaarden.
97. Subsidiair is door IST het verweer gevoerd dat de Commissie op grond van het Portugese recht in het onderhavige geval de hoofdelijke aansprakelijkheid van IST niet kan inroepen om haar veroordeeld te krijgen tot de betaling van de voorschotten inclusief de interessen.
98. Dienaangaande moet allereerst worden herinnerd aan artikel 8, lid 4, van de algemene voorwaarden, welke bepaling het - hoofdelijk - terug te vorderen bedrag niet beperkt tot de som van het voorschot, maar de Commissie ook bevoegd verklaart interessen te eisen vanaf de datum waarop het voorschot door MPR is ontvangen.
99. Vervolgens moet worden vastgesteld dat het Portugese recht zich als zodanig niet verzet tegen de hoofdelijke aansprakelijkheid van schuldenaren, zoals dat voor de contractanten in het bijzonder in artikel 2 van de algemene voorwaarden is vastgelegd.
100. Krachtens artikel 512, lid 1, CC is een verbintenis hoofdelijk wanneer elk der schuldenaren gehouden is tot nakoming voor het geheel en deze laatste alle schuldenaren bevrijdt. Overeenkomstig artikel 517, lid 1, CC belet de hoofdelijkheid niet, dat de hoofdelijke schuldenaren gezamenlijk door de schuldeiser worden gedagvaard. Artikel 519, lid 1, CC verklaart dat de schuldeiser het recht heeft om van elke schuldenaar de volledige nakoming te eisen of een deel daarvan, onafhankelijk van de vraag of het aandeel van de gedagvaarde schuldenaar evenredig is geweest. Indien hij evenwel van een van de schuldenaren in rechte nakoming voor het geheel of voor een deel heeft gevorderd, kan hij de overige schuldenaren niet aanspreken voor hetgeen hij van de eerste schuldenaar heeft gevorderd, behoudens insolventie of dreigende insolventie van de verweerder of indien hij om een andere reden van deze schuldenaar geen nakoming kan verkrijgen.
101. Het betoog van IST komt erop neer dat de Commissie, door de contractanten in het verzoekschrift gezamenlijk aan te spreken, afstand heeft gedaan van de mogelijkheid de contractanten elk hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor het gehele bedrag.
102. Deze opvatting berust mijns inziens op een verkeerde lezing van artikel 519, lid 1, CC. Volgens deze bepaling kan de schuldeiser immers van elke schuldenaar nakoming van de verbintenis vorderen, maar de schuldeiser doet slechts afstand van het recht de hoofdelijke aansprakelijkheid van de overige schuldenaar in te roepen, wanneer hij eerst in rechte de eerste schuldenaar heeft aangesproken. Daarvan is in casu geen sprake. De Commissie heeft aan MPR op 11 november 1995 een invorderingsbevel gezonden dat gezien moet worden als een opmaat voor het aanhangig maken van de zaak in rechte. Dat blijkt ook uit de door de Commissie aan MPR gezonden ingebrekestellingen van 10 maart 1997 en 4 juli 1997. In beide brieven kondigt zij aan over te zullen gaan tot juridische stappen indien het voorschot niet tijdig zou worden terugbetaald. Pas door de onderhavige procedure voor het Hof van Justitie is de zaak in de gerechtelijke fase beland.
103. Het Portugese recht verzet zich er derhalve niet tegen dat de Commissie volgens de bepalingen van het contract, als schuldeiser, ook nadat zij aanmaningen en ingebrekestellingen aan MPR heeft verstuurd, in het onderhavige verzoek hoofdelijk van de contractanten het voorschot terugvordert.
104. Ten slotte heeft IST zich beroepen op artikel 520 CC om zich te verschonen van de verplichting de verschuldigde interessen aan de Commissie te betalen.
105. Artikel 520 CC luidt als volgt: Indien de prestatie door een aan een der schuldenaren toerekenbare omstandigheid onmogelijk wordt, zijn alle schuldenaren hoofdelijk aansprakelijk voor de waarde ervan. Evenwel is alleen de schuldenaar aan wie de niet-nakoming kan worden toegerekend gehouden tot vergoeding van schade; in geval van pluraliteit zijn zij hoofdelijk verbonden."
106. IST stelt dat zij niet verantwoordelijk is voor de terugbetaling van de rente als schadevergoeding, aangezien zij niet zou hebben bijgedragen aan de niet-nakoming van het contract en ten opzichte van de Commissie zou hebben voldaan aan de informatieplicht in de betekenis van artikel 2 van de algemene voorwaarden.
107. Het staat buiten kijf dat de interessen die de Commissie vordert moeten worden beschouwd als schadevergoeding in de betekenis van artikel 520 CC.
108. Over het betoog van IST kan ik kort zijn. Uit het voorgaande blijkt dat ik van mening ben dat zowel MPR als IST verwijtbaar hebben bijgedragen aan de niet-nakoming en, uiteindelijk, de ontbinding van het contract. Wat betreft IST volstaat de vaststelling dat zij de verplichting ingevolge artikel 2, lid 2, van de algemene voorwaarden niet is nagekomen om de Commissie tijdig op de hoogte te stellen van vertragingen bij de tenuitvoerlegging van het project. IST kan ook worden verweten dat zij de hoogte van de interessen heeft doen oplopen. Zij moet immers reeds in een vroeg stadium op de hoogte zijn geweest van de problemen bij MPR en zij heeft in ieder geval vanaf augustus 1995, toen het contract door de Commissie definitief werd ontbonden, op grond van het contract moeten weten dat de Commissie het voorschot zou kunnen terugvorderen van elk van de contractanten, vermeerderd met de interessen.
109. Zelfs indien wordt aangenomen dat IST geen enkel voorschot heeft ontvangen, staat in dit verband, zoals de laatste zinsnede van artikel 520 CC voorschrijft, elk van de voor de wanprestatie verantwoordelijke contractant hoofdelijk in voor het geheel van de schadevergoeding. De omstandigheid dat MPR wellicht meer schuld heeft aan de niet-uitvoering van het contract dan IST, is daarbij wat betreft de rechtspositie ten opzichte van de Commissie niet van belang. De schuldvraag kan aan de orde komen in een procedure waarin de onderling overeengekomen verplichtingen van de contractanten centraal staan.
110. Krachtens artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro, moet de verwijzing naar de ecu worden vervangen door een verwijzing naar de euro, tegen een koers van een ecu voor een euro.
VI - Kosten
111. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien MPR en IST in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie hoofdelijk in de kosten worden verwezen.
VII - Conclusie
112. Ik geef het Hof in overweging als volgt te beslissen:
1) Manuel Pereira Roldão e Filhos, Lda., bij verstek te veroordelen tot hoofdelijke betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van een bedrag van 357 813 euro, vermeerderd met 185 833,78 euro aan interessen tot 1 januari 1999, alsmede de tot de datum van volledige betaling verschuldigde interessen.
2) Manuel Pereira Roldão e Filhos, Lda., bij verstek hoofdelijk in de proceskosten te verwijzen.
3) Instituto Superior Técnico te veroordelen tot hoofdelijke betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van een bedrag van 357 813 euro, vermeerderd met 185 833,78 euro aan interessen tot 1 januari 1999, alsmede de tot de datum van volledige betaling verschuldigde interessen.
4) Instituto Superior Técnico hoofdelijk in de proceskosten te verwijzen."
Full & Egal Universal Law Academy