Conclusie van de advocaat generaal
1. Met deze prejudiciële verwijzing verzoekt het Landesarbeitsgericht Düsseldorf (Duitsland) om uitlegging van een handeling die tot dusver nog niet voor het Hof aan de orde is geweest, namelijk richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (hierna: richtlijn"). De prejudiciële vragen houden in, of het hoofdbestuur van de onderneming verplicht is om reeds voor de formele opening van de in de richtlijn vastgelegde procedure tot instelling van een ondernemingsraad informatie en stukken ter beschikking te stellen aan de organen van de interne werknemersvertegenwoordiging, wanneer de aanvraag daartoe in verband staat met de uitvoering van die procedure binnen het concern waarvan de onderneming deel uitmaakt.
Alvorens de prejudiciële vragen te bespreken, wil ik de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht en nationaal recht in herinnering brengen.
Toepasselijke bepalingen van gemeenschaps- en nationaal recht
2. Volgens artikel 1 beoogt de richtlijn de verbetering van het recht op informatie en raadpleging van de werknemers in ondernemingen in de Gemeenschap. Te dien einde regelt zij onder andere de wijze van instelling van een werknemersraad in de ondernemingen of concerns met communautaire dimensie.
Artikel 2, lid 1, legt de grenzen van de personele werkingssfeer van de richtlijn vast en geeft aan, in welke ondernemingen een Europese ondernemingsraad moet worden opgericht, en welke personen aan de procedure deelnemen. Deze bepaling luidt als volgt: In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ,onderneming met een communautaire dimensie: een onderneming met ten minste 1 000 werknemers in de lidstaten en, in ten minste twee lidstaten, elk ten minste 150 werknemers;
b) ,concern: een groep bestaande uit een onderneming die zeggenschap uitoefent en de ondernemingen waarover zeggenschap wordt uitgeoefend;
c) ,concern met een communautaire dimensie: een concern dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
het heeft ten minste 1 000 werknemers in de lidstaten,
het bestaat uit ten minste twee ondernemingen die deel uitmaken van het concern, in verschillende lidstaten, en
ten minste één onderneming van het concern heeft ten minste 150 werknemers in een lidstaat, en ten minste een andere onderneming van het concern heeft ten minste 150 werknemers in een andere lidstaat;
d) ,werknemersvertegenwoordigers: de vertegenwoordigers van de werknemers volgens de wetgeving en/of de gebruiken van de lidstaten;
e) ,hoofdbestuur: het hoofdbestuur van de onderneming met een communautaire dimensie of, in het geval van een concern met een communautaire dimensie, van de onderneming die zeggenschap uitoefent."
Artikel 3 omschrijft het in artikel 2, lid 1, sub b, aangehaalde begrip zeggenschap uitoefenende onderneming" als een onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op een andere onderneming (,de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend), bijvoorbeeld door eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften" (lid 1). Dit wordt als volgt verduidelijkt: Onverminderd het bewijs van het tegendeel, wordt het geacht vast te staan dat een overheersende invloed kan worden uitgeoefend wanneer een onderneming, direct of indirect, ten opzichte van een andere onderneming:
a) de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de onderneming bezit, of
b) beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn aan de door de onderneming uitgegeven aandelen, of
c) meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de onderneming kan benoemen."
Ingevolge artikel 4, lid 1, is het hoofdbestuur van een onderneming met communautaire dimensie of van de zeggenschap uitoefenende onderneming van een concern met communautaire dimensie ervoor verantwoordelijk de voorwaarden te scheppen en in middelen te voorzien die nodig zijn voor de instelling van de (...) Europese ondernemingsraad".
Gesprekspartner van het hoofdbestuur is de bijzondere onderhandelingsgroep", die bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeventien werknemers uit de verschillende lidstaten waar de vestigingen van de onderneming met communautaire dimensie of de ondernemingen van het concern zich bevinden (artikel 5, leden 1 en 2).
Krachtens artikel 11 ten slotte ziet elke lidstaat erop toe, dat het bestuur van de vestigingen van een onderneming met communautaire dimensie en het bestuur van de ondernemingen van een concern die op zijn grondgebied zijn gevestigd, en hun werknemersvertegenwoordigers of, in voorkomend geval, hun werknemers de in deze richtlijn omschreven verplichtingen naleven, ongeacht of het hoofdbestuur al dan niet op zijn grondgebied is gevestigd" (lid 1). De lidstaten zorgen ervoor, dat de gegevens over het in artikel 2, lid 1, sub a en c, bedoelde aantal werknemers door de ondernemingen beschikbaar worden gesteld op verzoek van de partijen die belang hebben bij de toepassing van deze richtlijn" (lid 2).
3. Richtlijn 94/45 is bij het Gesetz über Europäische Betriebsräte van 28 oktober 1996 (hierna: EBRG") in het Duitse recht omgezet.
§ 2, lid 1, beperkt de werkingssfeer van het EBRG tot ondernemingen met een communautaire dimensie die in Duitsland zijn gevestigd, en tot concerns met communautaire dimensie waarvan de zeggenschap uitoefenende onderneming in Duitsland is gevestigd. § 6, lid 2, neemt de in artikel 3, lid 2, van de richtlijn opgesomde voorwaarden over, op grond waarvan de overheersende invloed van een onderneming binnen een concern met communautaire dimensie kan geacht worden vast te staan.
§ 5 EBRG geeft uitvoering aan artikel 11 van de richtlijn en voorziet uitdrukkelijk in een informatieplicht:
1. Het hoofdbestuur verstrekt de werknemersvertegenwoordiging op verzoek informatie over het gemiddelde totale aantal werknemers en hun spreiding over de lidstaten, de ondernemingen en de vestigingen, alsook over de structuur van de onderneming of het concern.
2. Een ondernemingsraad of centrale ondernemingsraad kan het in lid 1 verleende recht tegenover het plaatselijk bestuur van de vestiging of onderneming geldend maken; dit bestuur is verplicht, de voor de gevraagde inlichtingen nodige informatie en stukken bij het hoofdbestuur op te vragen."
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
4. De verwerende partij in de appelprocedure die aanleiding was tot de prejudiciële vraag, is de ondernemingsraad van de vestiging van bofrost* Josef H. Boquoi Deutschland West GmbH & Co. KG te Straelen (Duitsland). Deze had de stuurgroep van de onderneming krachtens § 5 EBRG herhaaldelijk om informatie over werknemersaantallen en structuur van de ondernemingen van het concern verzocht. De stuurgroep was hier niet op ingegaan en had bij brief van 9 januari 1997 definitief geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken.
5. Op 3 maart 1998 verzocht de ondernemingsraad het Arbeitsgericht verweerster te gelasten, hem door inzage en overhandiging van stukken" te informeren over a) de band tussen de Duitse onderneming bofrost* door deelnemingen van haarzelf of van haar vennoten en andere Europese ondernemingen, meer bepaald bofrost* J. H. Boquoi Deutschland Ost GmbH & Co. KG, bofrost* Dienstleistungs GmbH & Co. KG, spedbo Speditions GmbH & Co. KG, bofrost* Italië, bofrost* Spanje, bofrost* Oostenrijk, bofrost* Frankrijk, bofrost* Nederland, bofrost* Griekenland en bofrost* Engeland; b) het aantal werknemers dat gemiddeld in die ondernemingen werkzaam is; c) de rechtsvorm van de onderneming, met vermelding van de zetel en het bevoegde handelsregister; d) het rechtsstelsel waaronder deze vennootschappen vallen, en e) de toezichthoudende organen en de tot benoeming bevoegde personen.
De ondernemingsraad betoogde, dat in casu de voorwaarden van § 5, lid 1, EBRG vervuld waren, omdat de Duitse onderneming bofrost* de zeggenschap uitoefenende onderneming in de zin van § 2, lid 1, EBRG is. Als voorzitter van de adviesraad van vennoten, waarin de ondernemingen van het bofrost*-concern zijn vertegenwoordigd, oefent Josef Boquoi een overheersende invloed uit op de Europese stuurgroep, die is samengesteld uit de leden van de nationale bestuursorganen van de ondernemingen van het concern. Verder bezit Boquoi een meerderheidsbelang in de Duitse ondernemingen.
De onderneming van haar kant stelde, dat haar overheersende invloed op de bofrost*-ondernemingen in de andere lidstaten niet is aangetoond en vooral, dat een overheersende invloed in de zin van § 6, lid 2, EBRG niet mag worden vermoed, aangezien het bofrost*-concern een Gleichordnungskonzern" is, waarin de verschillende ondernemingen op gelijke voet ten opzichte van elkaar staan en er dus niet een bepaalde overheersende onderneming is. Josef Boquoi is ook bij geen van de bofrost*-ondernemingen vennoot van de betrokken vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, doch enkel commanditair vennoot.
6. Bij beschikking van 5 augustus 1998 heeft het Arbeitsgericht het informatierecht van de ondernemingsraad krachtens § 5 EBRG erkend, daar het de invloed en derhalve de zeggenschap van de Duitse onderneming over de andere ondernemingen van het concern in het buitenland bewezen achtte.
7. Op 23 november 1998 heeft bofrost* bij het Landesarbeitsgericht Düsseldorf hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. In de beroepsprocedure hebben partijen hun in eerste aanleg aangevoerde argumenten herhaald. De kamer heeft de vraag bezien, of het informatierecht van de interne werknemersvertegenwoordiging ook bestaat indien de communautaire dimensie van het concern en de overheersende invloed van de onderneming binnen het concern niet vaststaan. Zij heeft zich tevens afgevraagd, op welke wijze de informatie ter beoordeling van de verhouding tussen de Duitse onderneming en de andere ondernemingen van het bofrost*-concern moet worden verstrekt.
8. Het Landesarbeitsgericht heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Moet artikel 11, leden 1 en 2, van richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 aldus worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde recht op informatie reeds bestaat, wanneer (nog) niet vaststaat of er binnen het concern als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub b, van deze richtlijn een zeggenschap uitoefende onderneming in de zin van artikel 3 van de richtlijn is?
2) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt:
Houdt het recht op informatie van artikel 11, lid 2, van richtlijn 94/45/EG ook in, dat de ondernemingsraad van de om informatie verzochte onderneming gegevens kan verlangen die aan het vermoeden van artikel 3, lid 2, van richtlijn 94/45/EG ten grondslag liggen?
3) Omvat artikel 11, leden 1 en 2, van richtlijn 94/45/EG mede het recht voor de ondernemingsraad om van de onderneming overlegging van stukken te verlangen die de informatie preciseren en verduidelijken?"
Juridische beoordeling
9. Om te beginnen wenst de verwijzende rechter met deze drie vragen te vernemen of artikel 11, leden 1 en 2, aldus moet worden uitgelegd, dat een onderneming de organen van de interne werknemersvertegenwoordiging informatie over haar eigen structuur en interne organisatie en over die van het concern moet meedelen, ook indien nog niet vaststaat of de om informatie gevraagde onderneming binnen een concern met communautaire dimensie een overheersende invloed uitoefent als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub b, en artikel 3 van de richtlijn (eerste vraag). Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het bestuur van de aangesproken onderneming ook verplicht is informatie over de positie van de onderneming binnen het concern mee te delen (tweede vraag) en stukken met betrekking tot de gevraagde informatie over te leggen (derde vraag).
10. Zoals uiteengezet, is in het hoofdgeding omstreden, of de ondernemingsraad van de vestiging van bofrost* in Straelen het recht heeft om van het bestuur van deze vestiging informatie en stukken te vorderen met betrekking tot a) de verhouding tussen het Duitse bofrost* en de ondernemingen van het concern in andere lidstaten; b) het aantal werknemers van deze ondernemingen en de soort arbeidsovereenkomsten die zijn gesloten; c) het op de interne relaties in deze vennootschappen toepasselijke nationale recht; d) de organen die deze ondernemingen tegenover derden vertegenwoordigen, en ten slotte e) de interne toezichthoudende organen.
In deze zaak worden twee problemen aan de orde gesteld, te weten of de richtlijn in casu van toepassing is, en, zo ja, welke rechten de werknemersvertegenwoordigingen volgens de richtlijn hebben.
11. Zoals bekend is de richtlijn pas goedgekeurd na lange en moeizame onderhandelingen wegens de weerstand van een aantal lidstaten tegen gemeenschapshandelingen die kunnen conflicteren met nationale voorschriften over de rechten van vakverenigingen en meer in het algemeen over de vertegenwoordiging van werknemers. Vanwege die weerstand is de normatieve inhoud van de richtlijn eerder beperkt. Zoals de titel aangeeft, regelt zij enkel de instelling van een informatieprocedure voor de werknemers en de oprichting van Europese ondernemingsraden volgens een systeem van werknemersvertegenwoordiging dat reeds in het rechtsstelsel van verschillende lidstaten bestaat; bovendien geldt dit enkel voor multinationale ondernemingen, dat wil zeggen ondernemingen die in meerdere lidstaten vestigingen van een zekere omvang hebben, en voor concerns met ondernemingen in meerdere lidstaten. Voor het overige legt de richtlijn nog de procedure tot instelling van de ondernemingsraden vast, maar niet hun werking, ook al worden in de negentiende overweging van de considerans en in de punten 2 en 3 van de in de bijlage bij de richtlijn opgenomen subsidiaire voorschriften in algemene termen de rechten van de ondernemingsraad opgesomd, onder meer een informatierecht en een recht op gedeeltelijke deelname aan de besluitvorming over de interne organisatie en de ondernemingsstrategie.
Bij het doorlezen van de richtlijn valt onmiddellijk op, dat zij de rechtsverhoudingen regelt tussen het hoofdbestuur" als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub e, zijnde de bestuursorganen van de onderneming of het concern met communautaire dimensie, en de bijzondere onderhandelingsgroepen" van de werknemers van de onderneming of het concern. Zoals gezegd, regelt de richtlijn niet de verhouding tussen het bestuur en de werknemersvertegenwoordigers binnen dezelfde onderneming.
12. In deze zaak is het probleem, of werknemers ondanks het ontbreken van een regeling van de verhoudingen tussen bestuur en werknemersvertegenwoordigers krachtens de richtlijn toch aanspraak hebben op het verstrekken van informatie en de overlegging van stukken, wanneer de door de werknemersvertegenwoordigers genomen stappen de oprichting van een Europese ondernemingsraad tot doel hebben.
De ondernemingsraad betoogt zowel in het hoofdgeding als in zijn opmerkingen voor het Hof, dat de werknemers zonder de gevraagde informatie onmogelijk de procedure tot oprichting van een Europese ondernemingsraad kunnen aanvatten.
Met deze stelling kan ik het slechts ten dele eens zijn, en wel om de volgende redenen.
13. Volgens artikel 5, lid 1, van de richtlijn opent het hoofdbestuur van de onderneming of het concern met communautaire dimensie de onderhandelingen met het oog op de instelling van een Europese ondernemingsraad", en wel op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van ten minste honderd werknemers of hun vertegenwoordigers afkomstig uit ten minste twee ondernemingen of vestigingen in ten minste twee verschillende lidstaten". De start van deze procedure berust dan ook op een andere handeling dan die waar het in casu om gaat, die de interne verhoudingen van de bofrost*-vestiging te Straelen betreft. Bovendien kent de procedure tot oprichting van een Europese ondernemingsraad, zodra de voorwaarden daarvoor vervuld zijn, slechts twee partijen: enerzijds het hoofdbestuur van de onderneming of het concern met communautaire dimensie, dat ingevolge artikel 4, lid 1, van de richtlijn ervoor verantwoordelijk [is] de voorwaarden te scheppen en in middelen te voorzien voor de instelling van de (...) ondernemingsraad", en anderzijds de bijzondere onderhandelingsgroep", bestaande uit ten minste drie en ten hoogste zeventien vertegenwoordigers van de werknemers uit de verschillende lidstaten waar de onderneming met communautaire dimensie vestigingen heeft, respectievelijk het concern met communautaire dimensie ondernemingen heeft (artikel 5, lid 2, sub b en c).
14. Niettegenstaande de beperkte werkingssfeer van de richtlijn en het geringe aantal rechtssubjecten dat bij de onderhavige procedure betrokken is, meen ik, dat een uitlegging van de richtlijn die de werknemersvertegenwoordigers van alle in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen niet het recht toekent om informatie in te winnen teneinde de procedure tot instelling van de Europese ondernemingsraad te kunnen beginnen, afbreuk doet aan het nuttig effect van de richtlijn en bovendien in strijd is met haar doel. Indien een eigen initiatief van het bestuur uitblijft en nog geen formeel verzoek is ingediend door een groep werknemers van verschillende vestigingen of ondernemingen in meerdere lidstaten, kan een initiatief van de werknemers van één vestiging niet zonder belang zijn voor de toepassing van de richtlijn: dit zou immers neerkomen op een algemeen verbod op het inwinnen van informatie, wat het door de richtlijn aan de werknemers verleende recht tot instelling van een Europese ondernemingsraad zou uithollen. De werknemers dit recht ontzeggen zou met andere woorden gelijkstaan met het verbieden van de toegang tot informatie van welke aard ook, wat kennelijk in strijd is met het doel van de richtlijn, aangezien hierdoor het nieuwe instrument van de Europese sociale politiek volledig zou worden ontwricht. Dit is immers gebaseerd op het recht van de werknemers op toegang tot de informatie die zij nodig hebben om te kunnen deelnemen aan het ondernemingsgebeuren.
15. Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 11 van de richtlijn, juist de bepaling waarover de verwijzende rechter het Hof om uitlegging heeft gevraagd. Krachtens artikel 11, lid 2, dienen de lidstaten ervoor te zorgen, dat de gegevens over het in artikel 2, lid 1, sub a en c, bedoelde aantal werknemers door de ondernemingen beschikbaar worden gesteld op verzoek van de partijen die belang hebben bij de toepassing van deze richtlijn". Uitgaande van de formulering van deze bepaling, waarin de adressaten van deze regeling in algemene zin worden genoemd, en van het reeds vermelde doel van de richtlijn, lijdt het geen twijfel dat het begrip partijen die belang hebben bij de toepassing van deze richtlijn" enerzijds de bestuursorganen van alle ondernemingen omvat, en dus niet enkel de in artikel 2, sub e, van de richtlijn vermelde hoofdbesturen, en anderzijds de vertegenwoordigende organen van de werknemers, en dus niet enkel de in artikel 2, sub h, van de richtlijn vermelde bijzondere onderhandelingsgroepen. Hieruit volgt, dat de onderneming reeds in de aan de procedure van artikel 4 en volgende van de richtlijn voorafgaande voorbereidende fase een algemene informatieplicht heeft.
Deze conclusie wordt eveneens bevestigd door artikel 11, lid 1, dat in algemene bewoordingen de plicht tot naleving van de in de richtlijn omschreven verplichtingen oplegt aan alle besturen van ondernemingen met communautaire dimensie en aan alle besturen van ondernemingen van een concern met communautaire dimensie, alsook aan alle werknemersvertegenwoordigers en/of werknemers van deze vestigingen of ondernemingen. De personele werkingssfeer van de richtlijn kan dus niet worden beperkt tot de partijen bij de procedure tot instelling van de ondernemingsraad.
16. In antwoord op de eerste prejudiciële vraag meen ik dan ook dat de richtlijn, en inzonderheid artikel 11, lid 2, de werknemersvertegenwoordigers een informatierecht toekent en de ondernemingen een samenwerkingsverplichting oplegt. Deze verplichting kan niet worden beperkt tot de ondernemingen of concerns met communautaire dimensie als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a, b en c. Hieruit volgt, dat wanneer de om informatie gevraagde onderneming de voorwaarden vervult op grond waarvan zij kan worden vermoed een overheersende invloed binnen het concern uit te oefenen, zoals in casu het geval is, die onderneming a fortiori verplicht is de organen van de interne werknemersvertegenwoordiging de voor de instelling van een Europese ondernemingsraad vereiste informatie te verstrekken.
17. Tot welke informatie kan een werknemersvertegenwoordiging die weliswaar op nationaal niveau is erkend, maar niet actief deelneemt aan de procedure tot instelling van de Europese ondernemingsraad, toegang krijgen? Is de onderneming met andere woorden verplicht vertrouwelijke informatie of stukken ter beschikking te stellen in de aan de formele opening van de instellingsprocedure voorafgaande fase? Dit is de kern van de tweede en de derde prejudiciële vraag.
18. Is de gevraagde informatie openbaar of althans toegankelijk voor vertegenwoordigers van de vakvereniging, dan is er geen twijfel dat de onderneming deze informatie ter beschikking van de werknemersvertegenwoordigers moet stellen. Het probleem doet zich dus voor bij informatie die in zekere zin vertrouwelijk is.
Aangezien de eerste contacten tussen bestuur en werknemers van een onderneming zoals in het hoofdgeding buiten de door de richtlijn geregelde procedure vallen, is de onderneming mijns inziens in deze fase enkel verplicht de volgens nationaal recht niet als vertrouwelijk beschouwde informatie te verstrekken, dat wil zeggen openbare informatie of informatie waarvoor men zich volgens de nationale wetgeving niet op geheimhouding kan beroepen. Artikel 11, lid 2, verduidelijkt, dat aan belanghebbenden enkel de gegevens over het in artikel 2, lid 1, sub a en c, bedoelde aantal werknemers door de ondernemingen beschikbaar worden gesteld", dat wil zeggen de vermoedelijk openbaar zijnde gegevens over werknemersaantallen op grond waarvan de communautaire dimensie van de onderneming of het concern kan worden beoordeeld. Wat de concerns betreft, is niet duidelijk in hoeverre de verwijzing naar het totale aantal werknemers van alle ondernemingen van het concern noodzakelijk betekent, dat deze werknemers aanspraak hebben op informatie over de bindingen tussen de verschillende ondernemingen. Het verzoek om informatie dat de ondernemingsraad van de vennootschap bofrost* in casu heeft ingediend, betreft juist deze gegevens. Aan de hand van de systematiek van de richtlijn kan worden uitgemaakt welke algemene gegevens, ook wat de mogelijk vertrouwelijke informatie betreft, het bestuur aan de initiatiefnemers moet verstrekken.
19. In de aan de instellingsprocedure voorafgaande fase omvat deze plicht enkel de voor de instelling van de Europese ondernemingsraad strikt noodzakelijke informatie, met andere woorden enkel informatie om na te gaan, of de onderneming zelf of zoals in casu het concern waarvan zij deel uitmaakt de voorwaarden vervult om als onderneming of concern met communautaire dimensie te worden aangemerkt. Artikel 2, lid 1, sub a, b en c, vermeldt als voorwaarden voor de ondernemingen: een groot aantal werknemers en vestigingen in meerdere lidstaten; voor de concerns: een band tussen de ondernemingen, twee of meer ondernemingen van het concern in verschillende lidstaten en een groot aantal werknemers, alsook de aanduiding van de zeggenschap uitoefenende onderneming als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn.
Informatie over werknemersaantallen en plaats van vestiging is over het algemeen openbaar of toch toegankelijk. De enige informatie waarover twijfel in verband met de vertrouwelijkheid kan rijzen, betreft de verhouding tussen ondernemingen, inzonderheid de aard van de uitgeoefende invloed of van de band tussen de ondernemingen, en de zeggenschapspositie" van een ervan ten opzichte van de andere ondernemingen van het concern; deze gegevens kunnen volgens nationaal recht vertrouwelijk zijn.
Gelet op hetgeen ik hierboven in verband met het doel van de richtlijn heb gezegd, meen ik dat zij, en inzonderheid artikel 11, lid 2, aldus moet worden uitgelegd, dat het bestuur van de ondernemingen reeds bij dit voorbereidende contact tussen bestuursorganen en werknemersvertegenwoordiging zijn medewerking moet verlenen om van een volledige uitvoering van de richtlijn te kunnen spreken. Het bestuur moet alle gegevens verstrekken die nuttig en nodig zijn om de procedure tot instelling van de Europese ondernemingsraad te kunnen beginnen. Ook indien het vertrouwelijk karakter van gegevens over de activiteit van de onderneming naar nationaal recht moet worden gewaarborgd, behoort het bestuur de werknemers echter niettemin algemene informatie te verstrekken over de banden tussen de ondernemingen van het concern en de eventuele zeggenschapspositie van een onderneming binnen het concern. De onderneming heeft dus de plicht de voor de inleiding van de procedure tot instelling van de ondernemingsraad vereiste informatie te verstrekken, maar hoeft geen verdere en nauwkeuriger gegevens over de verschillende bindingen tussen de leden van het concern openbaar te maken. Met andere woorden: als het bestuur zich ertoe beperkt op te geven, dat met verschillende ondernemingen een band in de zin van artikel 2, lid 1, van de richtlijn bestaat, en de zeggenschap uitoefenende onderneming aanduidt, volstaat dit om de werknemers van de betrokken ondernemingen in staat te stellen gezamenlijk een aanvang te maken met de instelling van de ondernemingsraad.
20. Het kan echter voorkomen, dat de juistheid van de door het bestuur verstrekte informatie twijfelachtig is of dat de informatie zo algemeen is, dat van een onrechtmatige weigering kan worden gesproken. Het is ook mogelijk dat, zoals in de onderhavige zaak, de partijen een verschillende visie hebben over het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden voor instelling van de ondernemingsraad. In dat geval dienen de bevoegde nationale autoriteiten ervoor te zorgen, dat de onderneming zich niet aan haar verplichtingen onttrekt en de toepassing van de richtlijn verhindert. Artikel 11, lid 3, verplicht de lidstaten immers, passende (administratieve of gerechtelijke) maatregelen" te treffen voor het geval de gemeenschapsvoorschriften niet worden nageleefd.
21. Derhalve moet de nationale rechter in casu, ook indien de informatie vertrouwelijk is, de mogelijkheid hebben te controleren, of de voorwaarden tot instelling van een Europese ondernemingsraad vervuld zijn of dus de Duitse onderneming bofrost* de zeggenschap uitoefent binnen het concern waarvan zij deel uitmaakt , en wel ook wanneer de indieners van het verzoek, de personeelsvertegenwoordigers, onvoldoende gegevens hebben gekregen. De rechter moet dan beslissen over het vertrouwelijk karakter van de informatie en zo nodig een dienovereenkomstige behandeling ervan waarborgen.
22. In antwoord op de tweede prejudiciële vraag meen ik dan ook dat de richtlijn, en inzonderheid artikel 11, leden 1 en 2, aldus moet worden uitgelegd, dat een ondernemingsraad recht heeft op informatie over de positie van de onderneming binnen een concern met communautaire dimensie en dat het bestuur van deze onderneming verplicht is tot loyale samenwerking met de werknemersvertegenwoordigers. Het niet-meedelen van bepaalde gegevens over de positie van de onderneming binnen het concern is enkel gerechtvaardigd, indien het toepasselijke nationale recht deze gegevens als vertrouwelijk beschouwt, en uiteraard binnen de grenzen zoals hiervoor uiteengezet.
23. Deze overwegingen gelden te meer voor de overlegging van stukken, het voorwerp van de derde prejudiciële vraag. De werknemers hebben tijdens voorbereidende contacten, zoals in casu, weliswaar recht op inzage van niet-vertrouwelijke stukken, maar zij hebben geen aanspraak op de overlegging van geheime stukken. Het niet-meedelen van bepaalde gegevens uit deze stukken zal evenwel moeten worden gecompenseerd door de loyale samenwerking van het bestuur van de onderneming, binnen de hoger aangegeven grenzen.
In geval van onrechtmatige obstructie door het bestuur kunnen belanghebbende partijen zich altijd tot de rechter wenden en hem verzoeken de naleving en derhalve de correcte toepassing van de richtlijn te verzekeren. Het is aan de nationale rechter om het vertrouwelijk karakter van de stukken te controleren en een adequate behandeling te waarborgen.
Conclusie
24. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van het Landesarbeitsgericht Düsseldorf te beantwoorden als volgt:
1) Artikel 11, leden 1 en 2, van richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, moet aldus worden uitgelegd, dat de verplichting om de werknemersvertegenwoordigers de voor de instelling van de Europese ondernemingsraad vereiste informatie te verstrekken, niet enkel geldt voor ondernemingen waarvan is aangetoond dat ze de zeggenschap uitoefenende onderneming binnen een concern met communautaire dimensie zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, sub b, van de richtlijn zijn, maar voor alle binnen de Gemeenschap gevestigde ondernemingen.
2) Het door de richtlijn aan de werknemersvertegenwoordigers toegekende recht op informatie over de onderneming omvat mede de algemene gegevens die nodig zijn om te beoordelen, of voldaan is aan de voorwaarden om een onderneming als zeggenschap uitoefenende onderneming overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de richtlijn te beschouwen. Dit recht omvat evenwel niet de meer gedetailleerde informatie die volgens de wetgeving van de lidstaat van vestiging van de onderneming als vertrouwelijk wordt beschouwd.
3) Het bestuur van de onderneming moet de werknemersvertegenwoordigers bovendien de voor de procedure tot instelling van de Europese ondernemingsraad vereiste stukken ter beschikking stellen, tenzij deze krachtens de toepasselijke nationale wetgeving als vertrouwelijk worden beschouwd."
Full & Egal Universal Law Academy