Conclusie van de advocaat generaal
I Inleiding
1. Met dit prejudiciële verzoek krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) heeft het Finanzgericht Bremen het Hof vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 75, 201, lid 1, sub a, en lid 2, 203, lid 1, en 204, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen op welk tijdstip de douaneschuld bij invoer ontstaat, welke maatregelen de douaneautoriteiten kunnen nemen om de situatie te regulariseren van goederen die niet konden worden vrijgegeven, en of zij een reeds aanvaarde douaneaangifte ongeldig kunnen maken of ambtshalve als ongeldig kunnen beschouwen. Bovendien vraagt hij in verband met de onttrekking" van aan invoerheffingen onderworpen goederen aan het douanetoezicht" om een uitspraak over verzuimen die zonder werkelijke gevolgen" voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of voor de betrokken douaneregeling zijn gebleven, en over de gevolgen van de indiening van certificaten van oorsprong die recht geven op een preferentiële behandeling bij het ontstaan van de douaneschuld.
II Rechtskader
2. Artikel 37 van het douanewetboek bepaalt:
1. De in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen zijn vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen. Zij kunnen overeenkomstig de geldende bepalingen door de douaneautoriteiten worden gecontroleerd.
2. Deze goederen blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en wanneer het niet-communautaire goederen betreft en onverminderd artikel 82, lid 1, tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd overeenkomstig artikel 182."
3. Artikel 40 van het douanewetboek bepaalt:
Goederen die overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder a, bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats aankomen, dienen bij de douane te worden aangebracht door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen belast nadat deze zijn binnengebracht."
4. Krachtens artikel 50 van het douanewetboek hebben de bij de douane aangebrachte goederen, zodra zij zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen, de status van goederen in tijdelijke opslag".
5. Bovendien bepaalt artikel 51 van het douanewetboek:
1. Goederen in tijdelijke opslag mogen alleen op door de douaneautoriteiten goedgekeurde plaatsen verblijven, onder de door deze autoriteiten vastgestelde voorwaarden.
2. De douaneautoriteiten kunnen van de persoon die houder van de goederen is, eisen dat deze een zekerheid stelt teneinde de betaling van iedere douaneschuld te waarborgen die uit hoofde van artikel 203 of 204 kan ontstaan."
6. Artikel 52 bepaalt:
Onverminderd artikel 42 mogen goederen in tijdelijke opslag geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk zijn om deze goederen in ongewijzigde staat te behouden, zonder dat de presentatie of de technische kenmerken ervan worden gewijzigd."
7. Artikel 62 van het douanewetboek bepaalt:
1. Schriftelijke aangiften moeten zijn gesteld op een formulier dat overeenkomt met het daartoe vastgestelde officiële model. Zij moeten zijn ondertekend en alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven.
2. Bij de aangifte moeten alle bescheiden worden gevoegd die moeten worden overgelegd om de toepassing mogelijk te maken van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven."
8. Artikel 63 luidt:
De aangiften die aan de voorwaarden van artikel 62 voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voorzover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht."
9. Artikel 66, lid 1, van het douanewetboek luidt als volgt:
Op verzoek van de aangever maken de douaneautoriteiten een reeds aanvaarde aangifte ongeldig wanneer de aangever aantoont dat de goederen bij vergissing voor de in deze aangifte genoemde douaneregeling zijn aangegeven of dat, ten gevolge van bijzondere omstandigheden, de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is.
Wanneer de douaneautoriteiten de aangever evenwel in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de aangifte slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden."
10. Artikel 67 van het douanewetboek preciseert:
Behoudens andersluidende specifieke bepalingen geldt de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten als datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven."
11. Artikel 68 van het douanewetboek bepaalt:
Teneinde de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften te verifiëren kunnen de douaneautoriteiten overgaan tot:
a) een controle van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten. De douaneautoriteiten kunnen van de aangever eisen dat nog andere documenten worden overgelegd met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aangifte voorkomende vermeldingen;
b) het onderzoek van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle."
12. Ingevolge artikel 71 van het douanewetboek geldt het volgende:
1. De resultaten van de verificatie van de aangifte dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.
2. Indien er geen verificatie van de aangifte wordt uitgevoerd, vindt de toepassing van de in lid 1 bedoelde bepalingen plaats aan de hand van de vermeldingen in de aangifte."
13. Volgens artikel 73, lid 1, eerste volzin, van het douanewetboek geven de douaneautoriteiten, wanneer voldaan is aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling en voorzover de goederen niet onder verbods- of beperkende maatregelen vallen, de goederen vrij zodra de vermeldingen op de aangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aangenomen, onverminderd het bepaalde in artikel 74.
14. Verder bepaalt artikel 74 van het douanewetboek:
1. Indien de aanvaarding van een douaneaangifte een douaneschuld doet ontstaan, kunnen de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft slechts worden vrijgegeven indien het bedrag van de douaneschuld is betaald of indien daarvoor een zekerheid is gesteld. Onverminderd lid 2 is deze bepaling evenwel niet van toepassing op de regeling voor tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer.
2. Indien de douaneautoriteiten op grond van de bepalingen inzake de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven, het stellen van een zekerheid eisen, kan de vrijgave van de goederen voor de betrokken douaneregeling slechts worden toegestaan nadat deze zekerheid is gesteld."
15. Artikel 75 van het douanewetboek bepaalt:
Alle nodige maatregelen, waaronder verbeurdverklaring en verkoop, worden genomen om de situatie te regelen van goederen die:
a) niet konden worden vrijgegeven:
hetzij omdat het onderzoek ervan niet binnen de door de douaneautoriteiten gestelde termijnen kon worden aangevangen of voortgezet om redenen die aan de aangever te wijten zijn;
hetzij omdat de bescheiden die vereist zijn voor de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor deze werden aangegeven, niet werden overgelegd;
hetzij omdat de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer, naar gelang van het geval, niet binnen de gestelde termijnen werden betaald of er binnen die termijnen geen zekerheid voor werd gesteld;
hetzij omdat zij onderworpen zijn aan verbods- of beperkende maatregelen.
b) [...]"
16. Artikel 79 van het douanewetboek bepaalt:
Niet-communautaire goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de douanestatus van communautaire goederen.
Het in het vrije verkeer brengen omvat de toepassing van de handelspolitieke maatregelen en het vervullen van de andere formaliteiten voor de invoer van goederen alsmede de toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten."
17. Artikel 201 van het douanewetboek bepaalt:
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht.
b) [...]
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard.
3. [...]"
18. Artikel 203 van het douanewetboek bepaalt:
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken."
19. Verder bepaalt artikel 204 van het douanewetboek:
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, of
b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.
2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is voldaan.
3. [...]"
20. Ten slotte bepaalt artikel 233 van het douanewetboek:
Onverminderd de geldende bepalingen inzake de verjaring van de douaneschuld alsmede inzake de niet-invordering van het bedrag van de douaneschuld in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat de douaneschuld teniet:
[...]
c) indien ten aanzien van goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van rechten inhoudt:
de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt overeenkomstig artikel 66.
[...]"
21. Artikel 218, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (hierna: uitvoeringsverordening"), bepaalt:
Bij de aangifte voor het vrije verkeer dienen de volgende stukken te worden gevoegd:
[...]
c) de documenten die vereist zijn voor de toepassing van een preferentiële tariefregeling of van iedere andere van de normale voorschriften afwijkende regeling die op de aangegeven goederen van toepassing is.
[...]"
22. Artikel 241 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
1. De aangever of degene die hij heeft aangewezen om bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn, verleent de douaneautoriteiten de nodige bijstand om hun taak te vergemakkelijken. Indien de verleende bijstand door de douaneautoriteiten niet toereikend wordt geacht, kunnen zij van de aangever eisen dat deze een persoon aanwijst die in staat is de vereiste bijstand te verlenen.
2. Wanneer de aangever weigert bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn of een persoon aan te wijzen die in staat is de door de douaneautoriteiten noodzakelijk geachte bijstand te verlenen, stellen deze autoriteiten een termijn vast waarbinnen de aangever aan deze eis dient te voldoen, tenzij zij menen van het onderzoek af te kunnen zien.
Indien na het verstrijken van de gestelde termijn de aangever geen gevolg heeft gegeven aan de eis van de douaneautoriteiten, gaan deze, met het oog op de toepassing van artikel 75, onder a, van het Wetboek, ambtshalve over tot het onderzoek van de goederen voor risico en op kosten van de aangever, waarbij zij, wanneer zij zulks nodig achten, een beroep doen op de diensten van een deskundige of van iedere andere volgens de geldende bepalingen aangewezen persoon.
3. De bevindingen van de douaneautoriteiten bij een onderzoek als bedoeld in lid 2, hebben dezelfde rechtskracht als wanneer het onderzoek in het bijzijn van de aangever zou zijn uitgevoerd.
4. De douaneautoriteiten kunnen, in plaats van over te gaan tot de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen, de aangifte buiten werking stellen, mits er geen vermoeden bestaat dat de weigering van de aangever bij het onderzoek aanwezig te zijn of een persoon aan te wijzen die de nodige bijstand kan verlenen ten doel of tot gevolg heeft dat de vaststelling wordt verhinderd van een inbreuk op de voorschriften betreffende de plaatsing van de goederen onder de betrokken douaneregeling of dat artikel 66, lid 1, of artikel 80, lid 2, van het Wetboek kan worden toegepast."
23. Artikel 243, lid 2, van de uitvoeringsverordening luidt:
Wanneer de aangever weigert bij de monsterneming aanwezig te zijn of hiertoe een persoon aan te wijzen of indien hij de douaneautoriteiten niet alle nodige bijstand verleent om hun taak te vergemakkelijken, is artikel 241, leden 1, 2 en 3, van toepassing."
24. Artikel 250, leden 1 en 2 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
1. Indien de goederen om een van de in artikel 75, onder a, tweede of derde streepje, van het Wetboek bedoelde redenen niet kunnen worden vrijgegeven, stellen de douaneautoriteiten een termijn vast waarbinnen de aangever de situatie van deze goederen dient te regelen.
2. Indien in de in artikel 75, onder a, tweede streepje, van het Wetboek bedoelde gevallen de aangever, na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn, de betrokken bescheiden niet heeft overgelegd, blijft de betrokken aangifte zonder gevolg en wordt zij door de douanedienst buiten werking gesteld. Artikel 66, lid 3, van het Wetboek is van toepassing."
25. Artikel 859 van de uitvoeringsverordening luidt:
De volgende vormen van verzuim worden beschouwd als zijnde zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling in de zin van artikel 204, lid 1, van het Wetboek, voorzover:
zij geen poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht inhouden,
zij geen duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, en
alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld:
[...]
5) het zonder toestemming wegvoeren van goederen in tijdelijke opslag of goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst, indien deze goederen desgevraagd bij de douaneautoriteiten kunnen worden aangeboden;
[...]"
26. Artikel 860 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
De douaneautoriteiten achten een douaneschuld als te zijn ontstaan in de zin van artikel 204, lid 1, van het Wetboek, tenzij de persoon die mogelijkerwijze de schuldenaar is, aantoont dat de in artikel 859 bedoelde voorwaarden zijn vervuld."
27. Verder bepaalt artikel 865 van de uitvoeringsverordening:
Als onttrekking van goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het Wetboek worden aangemerkt de douaneaangifte voor deze goederen, iedere andere handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft, alsmede de overlegging ter visering aan de bevoegde autoriteiten van een document, wanneer dit tot gevolg heeft dat aan deze goederen ten onrechte de douanestatus van communautaire goederen wordt toegekend."
28. Artikel 890 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
Indien ter staving van het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding een certificaat van oorsprong, een certificaat inzake goederenverkeer, een document inzake intern communautair douanevervoer, dan wel enig ander passend document wordt overgelegd waaruit blijkt dat de ingevoerde goederen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer in aanmerking hadden kunnen komen voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling, geeft de beschikkende douaneautoriteit aan dit verzoek slechts gevolg voorzover naar behoren is vastgesteld dat:
het aldus overgelegde document uitsluitend betrekking heeft op de desbetreffende goederen en alle voorwaarden voor de aanvaarding van dit document vervuld zijn;
aan alle overige voorwaarden voor het verlenen van de preferentiële tariefbehandeling is voldaan.
Terugbetaling of kwijtschelding vindt plaats mits de goederen worden aangeboden. Indien de goederen niet bij het uitvoerende douanekantoor kunnen worden aangeboden, staat dit kantoor de terugbetaling of de kwijtschelding slechts toe indien uit de controlegegevens waarover het beschikt, blijkt dat het achteraf overgelegde certificaat of document zonder enige twijfel betrekking heeft op de genoemde goederen."
29. Bij verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 (PB L 346, blz. 1) werd aan artikel 900, lid 1, van verordening nr. 2454/93 het volgende punt toegevoegd:
[Tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer wordt overgegaan wanneer:]
,o) de douaneschuld op een andere wijze is ontstaan dan op basis van artikel 201 van het Wetboek en de betrokkene een certificaat van oorsprong, een certificaat inzake goederenverkeer, een document inzake intern communautair douanevervoer, dan wel enig ander passend document kan overleggen, waaruit blijkt dat de ingevoerde goederen, indien zij voor het vrije verkeer waren aangegeven, voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen, mits aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 890 is voldaan."
III De feiten
30. D. Wandel GmbH (hierna: verzoekster") houdt zich bezig met het internationaal vervoer en de opslag van goederen. Op 12 juli 1994 nam zij in de hoedanigheid van toegelaten geadresseerde" een zending van 470 dozen televisieonderstellen, 24 dozen draaitafels en 29 dozen modules in ontvangst. Deze goederen waren bij het Hauptzollamt Hamburg-Waltershof met document T 1 VAB 1-1468 aangebracht onder de regeling extern communautair douanevervoer. Op 13 juli 1994 diende zij het voor het kantoor van bestemming bedoelde exemplaar van de aangifte in bij het daarvoor bevoegde douanekantoor Hohetor van het Hauptzollamt Bremen-Ost en deed zij tevens namens Schneider Rundfunkwerke AG Türkheim aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van de goederen.
31. Het douanekantoor van bestemming registreerde het krachtens artikel 183, lid 3, van de uitvoeringsverordening als summiere aangifte dienende vervoerdocument onder nummer GB I 665 en aanvaardde de onder nummer F 459 geregistreerde douaneaangifte. Tevens stelde de met de aanvaarding en het onderzoek van de douaneaangifte belaste douaneambtenaar verzoeksters bij de aangifte aanwezige vertegenwoordiger ervan in kennis dat de goederen op 14 juli 1994 op het krachtens artikel 51, lid 1, van het douanewetboek als opslagplaats dienende bedrijfsterrein van verzoekster aan een inspectie zouden worden onderworpen.
32. De inspectie kon echter niet plaatsvinden, omdat de goederen zich bij aankomst van de daarmee belaste douaneambtenaar niet meer in het bezit van verzoekster bevonden, maar reeds waren geleverd aan de in Zuid-Duitsland gevestigde onderneming namens welke de aangifte was ingediend.
33. Daarop werd door het Hauptzollamt op het originele exemplaar van het enig document nummer 0779 met rode inkt vermeld:
ongeldig gemaakt (artikel 66, lid 1, van het douanewetboek). Bij de poging de goederen te inspecteren, waren deze reeds verdwenen; met het oog op de opstelling van een aanslag overgedragen aan afdeling D, Wacker."
34. Het Hauptzollamt beschouwde de verwijdering van de goederen uit de opslag- en inspectieplaats als een onttrekking aan het douanetoezicht van tijdelijk opgeslagen niet-communautaire goederen. Daarom heeft het bij aanslag van 2 augustus 1994 van verzoekster als debitrice van de uit artikel 51 van het douanewetboek voortvloeiende verplichtingen voor de goederen in tijdelijke opslag krachtens artikel 203 van het douanewetboek betaling gevorderd van 34 534,13 DEM aan douanerechten bij invoer en 44 344,33 DEM aan omzetbelasting, in totaal dus 78 878,46 DEM. Op de televisieonderstellen paste het Hauptzollamt het douanetarief voor derde landen toe, stellende dat toepassing van een preferentieel tarief slechts mogelijk was voor goederen die op regelmatige wijze in het vrije verkeer waren gebracht.
35. In haar op 11 augustus 1994 ingediende bezwaarschrift erkende verzoekster, dat zij vóór de indiening van de douaneaangifte daadwerkelijk de beschikking over de ingevoerde goederen had gehad. Ook aanvaardde zij dat hierdoor op grond van artikel 203, leden 1 en 3, van het douanewetboek een douaneschuld bij invoer was ontstaan. Op de televisietoestellen (televisieonderstellen), waarvoor het Hauptzollamt beschikte over een samen met de douaneaangifte ingediend preferentiebewijs op formulier A, had volgens haar echter het preferentieel nultarief voor goederen van oorsprong uit Indonesië moeten worden toegepast. Vervolgens betoogde verzoekster dat het Hauptzollamt de douaneaangifte had aanvaard, namelijk niet afgewezen overeenkomstig § 7 van het Duitse Zollverwaltungsgesetz, zodat er sprake was van een geldige douaneaangifte. Volgens haar was het derhalve twijfelachtig of er een douaneschuld uit hoofde van artikel 203, leden 1 en 3, van het douanewetboek was ontstaan. Hooguit was een douaneschuld uit hoofde van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek denkbaar. Het was onwaarschijnlijk dat de voortijdige" onttrekking van de goederen aan de opslagprocedure van invloed kon zijn geweest op de juiste werking van de tijdelijke opslag, want de goederen waren bij de genoemde douaneaangifte voor het vrije verkeer aangebracht en aan hun identiteit kon, gelet op de overgelegde documenten, geen ernstige twijfel bestaan, aangezien zij in het kader van de opslagprocedure reeds waren geïnspecteerd.
36. Bij beschikking van 3 januari 1995 wees het Hauptzollamt het bezwaarschrift af op navolgende gronden. Verzoekster had vóór de indiening van de douaneaangifte over de betrokken niet-communautaire goederen beschikt. Op het tijdstip van indiening van de aangifte hadden de goederen zich niet meer op de door haar als toegelaten geadresseerde" aangewezen plaats bevonden en waren daarom op dat tijdstip niet aangebracht in de zin van artikel 63 van het douanewetboek. De door verzoekster namens Schneider Rundfunkwerke AG ingediende aangifte was dus zonder gevolg, omdat deze betrekking had op niet (meer) aangebrachte goederen. De aanvaarding te goeder trouw van de aangifte door het douanekantoor kon daaraan niets afdoen. De douaneschuld vloeide dus niet voort uit artikel 201 van het douanewetboek, maar uit artikel 203, lid 1, van het douanewetboek, en rustte dus krachtens artikel 203, lid 3, van het douanewetboek op verzoekster. Het door verzoekster gesuggereerde ontstaan van de douaneschuld uit hoofde van artikel 204 van het douanewetboek was op grond van de bewoordingen van die bepaling uitgesloten, en zou ook niet tot een ander resultaat leiden. Van toepassing van een preferentieel tarief kon geen sprake zijn wanneer de douaneschuld ontstond op een andere manier dan volgens artikel 201 van het douanewetboek. Ten aanzien van de hier in het geding zijnde preferentiële tariefbehandeling voor ontwikkelingslanden bleek dat ook uit artikel 87 van de uitvoeringsverordening. Op de televisietoestellen was daarom terecht het voor dergelijke goederen geldende normale tarief van 14 % van de waarde toegepast. De overige goederen (modules en draaitafels, die onder de GN-codes 8529 9070 en 8529 0990 vallen) konden zonder meer niet voor een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking komen, zodat daarvoor de douanerechten terecht op basis van het normale tarief van 7,2 % van de waarde waren vastgesteld.
37. Op 9 februari 1995 heeft verzoekster bij het Finanzgericht Bremen beroep ingesteld met het verzoek om de aanslag van 2 augustus 1994 in de versie van de beschikking op bezwaarschrift van 3 januari 1995, te wijzigen en het bedrag van de douanerechten te verminderen tot 2 093,73 DEM.
IV De prejudiciële vragen
38. Op 2 februari 1999 heeft het Finanzgericht Bremen (Tweede senat) besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Moet artikel 201, lid 1, sub a, juncto lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) aldus worden uitgelegd, dat een douaneschuld bij invoer reeds ontstaat, wanneer het bevoegde douanekantoor een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van niet-communautaire goederen in ontvangst neemt die aan de vereisten van artikel 62 van het douanewetboek voldoet, en de aanvaarding van de aangifte blijkt uit een aantekening van registratie door de douane?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet artikel 75 van het douanewetboek aldus worden uitgelegd, dat het douanekantoor dat een dergelijke douaneaangifte heeft aanvaard, het recht heeft de aangifte als zonder gevolg te beschouwen of zonder verzoek van de aangever buiten werking te stellen, zodat een overeenkomstig artikel 201, lid 1, sub a, van het douanewetboek ontstane douaneschuld als niet ontstaan is te beschouwen dan wel overeenkomstig artikel 233, sub c, eerste streepje, van het douanewetboek teniet is gegaan, wanneer de aangegeven goederen niet kunnen worden vrijgegeven omdat zij vóór de door de douaneautoriteiten gelaste inspectie uit de daartoe voorziene opslagplaats zijn verwijderd en naar een plaats buiten het territoriale bevoegdheidsgebied van het douanekantoor zijn gebracht?
3) Indien de eerste vraag ontkennend of de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet artikel 203, lid 1, van het douanewetboek aldus worden uitgelegd, dat er sprake is van onttrekking aan het douanetoezicht, wanneer voor het vrije verkeer aangegeven niet-communautaire goederen uit de aangewezen opslag- of inspectieplaats zijn verwijderd en vervoerd naar een plaats buiten het territoriale bevoegdheidsgebied van het betrokken douanekantoor, ofschoon het douanekantoor een inspectie heeft gelast?
4) Indien de derde vraag ontkennend wordt beantwoord:
Moet artikel 204, lid 1, van het douanewetboek aldus worden uitgelegd, dat de ongeoorloofde verwijdering van de goederen uit de opslagplaats ,zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag, indien de goederen na hun verwijdering op verzoek aan een ander douanekantoor hadden kunnen worden getoond?
5) Is het uitgesloten dat een douaneschuld bij invoer ontstaat
a) overeenkomstig artikel 201, lid 1, sub a, juncto lid 2, van het douanewetboek, alleen door de aanvaarding van de aangifte door het douanekantoor,
b) overeenkomstig artikel 203, lid 1, van dat wetboek, of
c) overeenkomstig artikel 204 van dat wetboek,
wanneer bij de door het douanekantoor aanvaarde douaneaangifte formeel niet te betwisten certificaten van oorsprong in de vorm van een formulier A zijn gevoegd en voor de onder de aangifte vallende goederen een preferentieel douanetarief houdende vrijstelling van rechten gold?"
V Beantwoording van de prejudiciële vragen
A De eerste vraag
39. Met zijn eerste prejudiciële vraag verzoekt het Finanzgericht Bremen het Hof vast te stellen of in het kader van de feiten van het hoofdgeding een douaneschuld bij invoer krachtens artikel 201, leden 1 en 2, van het douanewetboek reeds ontstaat bij ontvangst van een aangifte door het bevoegde douanekantoor, wanneer de aanvaarding ervan blijkt uit een aantekening van registratie door de douane.
40. Voor het ontstaan van een douaneschuld bij invoer is volgens artikel 201 van het douanewetboek een voorwaarde dat een goed in het vrije verkeer is gebracht (lid 1, sub a). Is dat het geval, dan geldt als tijdstip voor het ontstaan van deze douaneschuld het tijdstip waarop de desbetreffende aangifte is aanvaard (lid 2).
41. Op het eerste gezicht zou uit deze bepaling kunnen worden afgeleid, waartoe ook verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen komt, dat het tijdstip van formele aanvaarding van de aangifte als bedoeld in artikel 63 van het douanewetboek zowel het tijdstip is waarop de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, als waarop de douaneschuld bij invoer ontstaat.
42. Ik ben echter van mening dat deze lezing van de betwiste bepaling het evolutieve karakter van zowel het begrip in het vrije verkeer brengen als van het begrip ontstaan van de douaneschuld bij invoer niet volledig tot zijn recht laat komen. Daardoor wordt namelijk te veel nadruk gelegd op het formele aspect van de aanvaarding van de aangifte en op het belang van het tijdstip waarop deze formele aanvaarding plaatsvindt, wat de genoemde begrippen het karakter van een momentopname verleent en hun inhoud beperkt. Zoals ik straks zal aantonen, kunnen deze begrippen naar gelang van de concrete omstandigheden van het geval een verschillend tijdskarakter hebben (een momentopname dan wel een zekere duur).
43. Zowel het in het vrije verkeer brengen van een goed als de vaststelling van de douaneschuld bij invoer zijn juridische procedures die met de indiening (die tevens een verzoek vormt om de goederen in het vrije verkeer te brengen) en de formele aanvaarding van de douaneaangifte beginnen, zonder steeds daarmee te eindigen.
44. Ingevolge artikel 79 van het douanewetboek omvat het in het vrije verkeer brengen onder meer de vervulling van de formaliteiten voor de invoer van de goederen (waartoe logischerwijze ook het verrichten van de noodzakelijk geachte douane-inspecties behoort) en de heffing van de wettelijk verschuldigde rechten. Wanneer deze rechten niet definitief zijn vastgesteld en geheven, kan er dus geen sprake zijn van een definitief in het vrije verkeer brengen van de litigieuze goederen.
45. Bovendien blijkt uit de artikelen 68, 71 en 73, lid 1, van het douanewetboek dat de formele aanvaarding van een aangifte gepaard kan gaan met een verificatie van de aangifte door de douaneautoriteiten, zoals in casu ook is gebeurd. Deze verificatie kan de inspectie van de goederen en eventueel het nemen van monsters voor analyse en grondige controle omvatten.
46. Gegeven de formulering van de genoemde bepalingen en de noodzaak hun nuttige effect te verzekeren, lijkt het duidelijk dat niet slechts de douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de vermeldingen op de aangifte zonder verificatie worden aanvaard, maar dat ook het bedrag ervan definitief wordt. Vindt bij aanvaarding van de aangifte evenwel tevens verificatie van de vermeldingen in de aangifte plaats, ontstaat weliswaar de douaneschuld, maar wordt deze niet definitief, omdat tot het onderzoek van de goederen en de vaststelling van de juistheid van de vermeldingen in de aangifte het bedrag van de schuld niet definitief is vastgesteld en bevestigd. Derhalve moet worden aangenomen, dat in het tweede geval de wettelijk verschuldigde rechten tot de verificatie van de genoemde vermeldingen niet definitief zijn geheven, aangezien de litigieuze goederen nog niet definitief in het vrije verkeer zijn gebracht.
47. Met andere woorden, het definitief in het vrije verkeer brengen vereist een precieze vaststelling van de aard en het bedrag van de douaneschuld. Wanneer deze vaststelling is geschied onder het voorbehoud van verificatie van de aangifte en in het bijzonder van inspectie van de goederen, dient de ter verificatie van de aangifte bepaalde inspectie van de goederen eerst volledig te zijn verricht alvorens de goederen definitief in het vrije verkeer kunnen worden gebracht.
48. Dit standpunt is niet in strijd met de bewoordingen van artikel 201, lid 2, van het douanewetboek. Deze bepaling, volgens welke de douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard, betekent niet dat de erkenning en het opleggen van die schuld en dus ook het in het vrije verkeer brengen van de betrokken goederen steeds op hetzelfde tijdstip definitief worden. Gelet op artikel 67 van het douanewetboek moet die bepaling veeleer aldus worden uitgelegd, dat deze schuld om redenen van rechtszekerheid moet worden berekend op basis van de rechtstoestand die gold op het tijdstip van de formele aanvaarding van de aangifte, ongeacht de datum van de definitieve vaststelling van de schuld.
49. Er kan dus geen sprake zijn van definitieve erkenning van een douaneschuld zolang de inspectie van de goederen ter verificatie van de aangifte nog niet is voltooid. Deze definitieve erkenning vindt in wezen plaats onder de opschortende voorwaarde van deze inspectie. Zolang deze inspectie niet is uitgevoerd en voltooid, kan de aan deze voorwaarde gekoppelde voorlopige erkenning van de douaneschuld nog geen rechtsgevolgen hebben.
50. In het onderhavige geval maakte de bevoegde douaneautoriteit, die de aangifte middels een daarop aangebrachte vermelding van registratie had aanvaard, het voorbehoud dat de omstreden goederen op 14 juli 1994 werden geïnspecteerd op verzoeksters bedrijfsterrein, dat rechtens als opslagplaats voor de goederen gold. De omstandigheid dat deze inspectie niet meer mogelijk was omdat de goederen, die zich nog in tijdelijke opslag bevonden, door verzoekster zonder toestemming van het douanekantoor waren verwijderd, leidde ertoe dat de krachtens artikel 201 van het douanewetboek verschuldigde rechten niet definitief werden vastgesteld. De voorwaardelijke vaststelling van een douaneschuld krachtens artikel 201 van het douanewetboek kon dus geen rechtsgevolgen hebben, omdat niet was voldaan aan de feitelijk niet meer te vervullen voorwaarde van verificatie van de aangifte en van definitieve vaststelling van de aard en het bedrag van de schuld. Derhalve waren de goederen niet definitief in het vrije verkeer gebracht en konden evenmin worden vrijgegeven.
51. Het onvervuld blijven van de opschortende voorwaarde van inspectie van de goederen en verificatie van de vermeldingen in de aangifte of het feit dat vervulling in wezen onmogelijk is geworden in het bijzonder voorzover de aangever daarvoor verantwoordelijk is, moet dus tot de conclusie leiden dat de douaneschuld krachtens artikel 201, lid 1, van het douanewetboek, de erkenning waarvan aan de genoemde opschortende voorwaarde was gebonden, nooit is ontstaan. Dit resultaat vloeit voort uit de algemene regels betreffende de strekking en de rol van opschortende voorwaarden, die dikwijls aan de erkenning van rechten en verplichtingen zijn verbonden. Dit is begripsmatig iets anders dan de in artikel 66 van het douanewetboek bedoelde ongeldigmaking, die de geldigheid van de formele aanvaarding van de aangifte en niet de definitieve erkenning van de douaneschuld betreft, en ook dan het in de artikelen 233 en 234 van het douanewetboek geregelde tenietgaan van de douaneschuld, hetgeen onderstelt dat deze schuld definitief is vastgesteld.
52. Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 201, lid 1, sub a, juncto lid 2, aldus moet worden uitgelegd, dat geen douaneschuld bij invoer geacht kan worden te zijn ontstaan wanneer om redenen die aan de aangever zijn te wijten en erin bestaande dat de zich in tijdelijke opslag bevindende goederen zonder toestemming van het douanekantoor zijn verwijderd de opschortende voorwaarde van inspectie van de betrokken goederen die aan de aanvaarding van de aangifte door het bevoegde douanekantoor blijkend uit een aantekening van registratie verbonden was ten behoeve van een met artikel 62 van het douanewetboek overeenstemmende verificatie van de aangifte, die het in het vrije verkeer brengen van niet-communautaire goederen betrof, niet is vervuld of materieel niet meer te vervullen is.
B De tweede vraag
53. Met zijn tweede vraag wenst het Finanzgericht Bremen te vernemen of in geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag artikel 75 van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd, dat het douanekantoor dat een aangifte als die in het hoofdgeding heeft aanvaard, het recht heeft de aangifte als zonder gevolg te beschouwen of zonder verzoek van de aangever buiten werking te stellen, zodat een krachtens artikel 201, lid 1, sub a, van het douanewetboek ontstane douaneschuld geacht wordt niet te zijn ontstaan dan wel teniet te zijn gegaan overeenkomstig artikel 233, sub c, eerste streepje, van het douanewetboek, wanneer de aangegeven goederen niet kunnen worden vrijgegeven omdat zij vóór de door de douaneautoriteiten gelaste inspectie uit de daartoe voorziene opslagplaats zijn verwijderd en buiten het bevoegdheidsgebied van het douanekantoor zijn gebracht.
54. Ik zou vooraf twee opmerkingen willen maken.
In de eerste plaats zal bij het antwoord op de tweede prejudiciële vraag, die in wezen gaat over het algemene probleem van de bevoegdheid van de douaneautoriteiten om een reeds door hen aanvaarde aangifte ambtshalve ongeldig te maken, in elk geval rekening moeten worden gehouden met het antwoord op de eerste vraag, en wel ongeacht of dit onder de voorwaarden van de formulering van de vragen van de nationale rechter bevestigend of ontkennend luidt.
In de tweede plaats is, zoals de Commissie terecht opmerkt, het Hof in het kader van artikel 177 van het Verdrag niet bevoegd om het gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om aan de nationale rechter uitleggingsgegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht te verschaffen die voor hem van belang kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van een nationaalrechtelijke bepaling.
55. Artikel 75 van het douanewetboek maakt deel uit van titel IV, hoofdstuk 2, afdeling 1, deel A, en behoort in het bijzonder tot de bepalingen die de normale procedure" voor plaatsing van goederen onder een douaneregeling beheersen. Verder spreekt dit artikel van maatregelen", waaronder verbeurdverklaring en verkoop, die worden genomen om de situatie te regelen van goederen die zich nog steeds binnen het bevoegdheidsgebied van het douanekantoor bevinden, hetzij omdat zij niet konden worden vrijgegeven" (punt a) of omdat zij na vrijgave niet binnen een redelijke termijn zijn weggevoerd" (punt b).
56. Zoals de Finse regering terecht opmerkt, geldt dit artikel dus niet voor niet normale" gevallen, zoals het geval van verwijdering van de goederen uit de tijdelijke opslagplaats voordat zij zijn gecontroleerd. Ook geldt het artikel dus niet voor het nemen van maatregelen die niet rechtstreeks de goederen, maar de geldigheid van de desbetreffende douaneaangifte of het lot van de douaneschuld in het algemeen betreffen.
57. In dit verband moet erop worden gewezen, dat de douaneautoriteiten krachtens artikel 66 van het douanewetboek reeds formeel aanvaarde aangiften slechts om bepaalde redenen en onder bepaalde voorwaarden ongeldig kunnen maken. Een van die voorwaarden is, dat de aangever daarom verzoekt. Dit artikel voorziet dus niet in ambtshalve ongeldigverklaring of ongeldigmaking van de aangifte door de douaneautoriteiten. Bovendien betreft het artikel het geval van formele aanvaarding van de aangifte onder voorbehoud van verificatie van de daarin opgenomen vermeldingen en bepaalt het dat het verzoek tot ongeldigmaking van de aangifte slechts kan worden aanvaard wanneer de douaneautoriteiten de aangever [...] in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen [en] nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden".
58. Zoals in de verwijzingsbeschikking vermeld, werd door het bevoegde douanekantoor, nadat was gebleken dat de inspectie niet kon plaatsvinden omdat de aangegeven goederen zich bij aankomst van de daarmee belaste ambtenaar niet meer in verzoeksters opslagplaats bevonden, op het betrokken document de opmerking genoteerd: ongeldig gemaakt (artikel 66, lid 1, van het douanewetboek). Bij de poging om de goederen te inspecteren, waren deze reeds verdwenen; met het oog op de opstelling van een aanslag overgedragen aan afdeling D, Wacker."
59. Gelet op de genoemde voorwaarden voor toepassing van artikel 66 van het douanewetboek wordt duidelijk, dat het douanekantoor zich voor de ongeldigmaking ten onrechte op dit artikel heeft gebaseerd; nergens in de stukken blijkt dat de aangever een verzoek daartoe had ingediend, zoals dit artikel vereist.
60. Bovendien is duidelijk dat artikel 75 van het douanewetboek hoe dan ook geen rechtsgrondslag kan vormen voor ongeldigmaking van de aangifte, omdat niet is voldaan aan de algemene voorwaarden voor toepassing van dit artikel en in het bijzonder de ongeldigmaking van de aangifte in casu geen maatregel vormt om de situatie te regelen van goederen die zich nog in de daartoe voorziene opslagplaats bevinden.
61. In casu lijkt er evenmin plaats voor toepassing van artikel 233, sub c, eerste streepje, van het douanewetboek of de artikelen 241, lid 4, 243, lid 2, of 250, lid 2, van de uitvoeringsverordening.
62. Volgens artikel 233, sub c, eerste streepje, van het douanewetboek gaat de douaneschuld teniet, indien ten aanzien van goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van rechten inhoudt, de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt overeenkomstig artikel 66. Zoals reeds gezegd, bestaat in casu echter geen mogelijkheid om de aangifte op grond van artikel 66 ongeldig te maken.
63. Volgens artikel 241, lid 4, van de uitvoeringsverordening geldt het volgende: wanneer de aangever weigert bij het onderzoek aanwezig te zijn of een persoon aan te wijzen die de door het douanekantoor noodzakelijk geachte bijstand kan verlenen, kan het douanekantoor de aangifte buiten werking stellen wanneer zonder meer vaststaat dat de weigering van de aangever om bij het onderzoek aanwezig te zijn of een persoon aan te wijzen die de nodige bijstand kan verlenen ten doel of tot gevolg heeft dat de vaststelling wordt verhinderd van een inbreuk op de voorschriften betreffende de plaatsing van de goederen onder de betrokken douaneregeling of dat artikel 66, lid 1, of artikel 80, lid 2, van het douanewetboek kan worden toegepast. Van een dergelijk geval van weigering van de aangever om bij het onderzoek aanwezig te zijn of een daarvoor geschikte persoon te benoemen is in casu geen sprake, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van dit artikel van de uitvoeringsverordening.
64. Om dezelfde redenen kan er geen sprake zijn van toepassing van artikel 243, lid 2, van de uitvoeringsverordening, dat voorziet in soortgelijke bepalingen voor het geval de aangever de noodzakelijke bijstand bij de monsterneming door de douaneautoriteiten weigert.
65. Bovendien is duidelijk dat hier evenmin artikel 250, lid 2, van de uitvoeringsverordening van toepassing kan zijn, op grond waarvan de aangifte zonder gevolg blijft ingeval de aangever in de in artikel 75, sub a, tweede streepje, van het douanewetboek genoemde gevallen de vereiste bescheiden niet overlegt. Uit het dossier blijkt niet dat verzoekster de vereiste bescheiden niet zou hebben overgelegd.
66. Niettemin zou het paradoxaal zijn dat op grond van voormelde bepalingen een douaneaangifte reeds als zonder gevolg kan worden beschouwd of ongeldig kan worden gemaakt ingeval de aangever bij het onderzoek van de goederen alleen maar niet heeft meegewerkt of de noodzakelijke bescheiden niet heeft overgelegd, doch de aangifte niet kan worden aangetast wanneer de goederen zonder toestemming van het douanekantoor zijn verwijderd, wat het verrichten van het onderzoek onmogelijk maakt om redenen die aan de aangever zijn te wijten.
67. Zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, lijkt het namelijk twijfelachtig dat op basis van artikel 71, lid 2, van het douanewetboek reeds door de aanvaarding van de douaneaangifte de verplichting zou bestaan tot vaststelling van de rechten, hoewel ter controle van de preferentiële oorsprong van de goederen een inspectie is gelast die onmogelijk was om redenen die aan de aangever zijn te wijten.
68. Op het eerste gezicht zou kunnen worden gesteld, dat die opmerking van de verwijzende rechter het zou rechtvaardigen om de genoemde bepalingen op grond waarvan de formele aangifte ongeldig kan worden gemaakt of als zonder gevolg kan worden beschouwd, in het onderhavige geval naar analogie of, nauwkeuriger gezegd, a minori ad majus toe te passen. De technische aard van deze bepalingen maakt een dergelijke toepassing in de praktijk echter moeilijk, omdat zich verschillende specifieke problemen voordoen. Men kan zich bijvoorbeeld afvragen of de douaneautoriteiten ertoe verplicht zijn dan wel louter de bevoegdheid hebben om de aangifte ongeldig te maken, wanneer de gelaste inspectie en de verificatie van de aangifte onmogelijk zijn omdat de goederen door de aangever zonder toestemming van het douanekantoor zijn verwijderd. Verder is onduidelijk of de douaneautoriteiten, alvorens de aangifte ongeldig te maken, moeten gelasten dat de goederen weer worden teruggebracht. Het Hof kan deze vragen nauwelijks behandelen zonder als wetgever op te treden, wat niet in overeenstemming is met zijn rol als rechtsprekend orgaan.
69. Overigens lijkt analoge toepassing van de genoemde bepalingen op grond waarvan de aangifte ongeldig kan worden gemaakt of als zonder gevolg kan worden beschouwd, in het onderhavige geval niet absoluut noodzakelijk, aangezien dit geen onmisbare voorwaarde vormt voor de basis van een douaneschuld, die niet enkel krachtens artikel 201, lid 1, sub a, kan ontstaan, maar ook krachtens een andere bepaling van het douanewetboek, zoals bijvoorbeeld artikel 203, lid 1. In dit verband ben ik van mening dat de algemene theorie van de opschortende voorwaarde, die ik bij de behandeling van de eerste prejudiciële vraag heb genoemd, ook een passende grondslag voor het onderzoek van deze vraag kan vormen. Zoals reeds gezegd, leidt niet-vervulling of het feit dat vervulling in wezen onmogelijk is geworden van de voorwaarde van inspectie en verificatie van de formeel aanvaarde douaneaangifte ertoe dat de betrokken douaneschuld krachtens artikel 201, lid 1, sub a, van het douanewetboek niet definitief is geworden en dat deze schuld dus moet worden geacht nooit te zijn ontstaan. Dat heeft weer tot gevolg dat het ontstaan van een afzonderlijke douaneschuld op grond van een andere bepaling van het douanewetboek mogelijk wordt, zonder dat zich een ongeoorloofde cumulatie van twee verschillende douaneregelingen voor dezelfde goederen voordoet.
70. Uiteraard zou daartegenover kunnen worden gesteld dat het douanekantoor, alvorens de douaneschuld krachtens artikel 201, lid 1, sub a, van het douanewetboek als nooit ontstaan te beschouwen, maatregelen moet nemen die vervulling van de voorwaarde van inspectie theoretisch nog mogelijk kunnen maken. In dit verband voert verzoekster aan dat in het kader van de toepassing van artikel 75 van het douanewetboek de aangifte niet als zonder gevolg mag worden beschouwd, maar dat het juist zou zijn haar te gelasten de goederen onmiddellijk ter inspectie aan te bieden.
71. Deze tegenwerping kan mijns inziens niet slagen om de twee volgende redenen.
72. In de eerste plaats bestaat er geen specifieke bepaling of algemeen beginsel op grond waarvan de bevoegde douaneautoriteiten dienen te verhinderen dat de aangever niet voldoet aan de opschortende voorwaarde eigenlijk, de vervulling ervan onmogelijk maakt die voor de definitieve vaststelling van de douaneschuld krachtens artikel 201 van het douanewetboek is gesteld. Rekening houden met het uitgangspunt van deze bepaling of de eventuele analoge toepassing van de genoemde artikelen 241, lid 4, en artikel 250, leden 1 en 2, van de uitvoeringsverordening zou niet veel helpen omdat, hoewel artikel 250, leden 1 en 2, uitdrukkelijk bepaalt dat de douaneautoriteiten een termijn vaststellen waarbinnen de aangever zijn nalatigheid kan regulariseren alvorens de aangifte ongeldig te maken, in het kader van de regeling van artikel 241, lid 4, ongeldigmaking ook mogelijk is zonder een voorafgaande poging tot regularisering van de nalatigheid van de aangever.
73. In de tweede plaats kan niet worden aangenomen dat de douane verplicht of bevoegd is tot regularisering van handelingen of nalatigheden van de aangever die op grond van een andere bepaling van het douanewetboek of van andere regels specifieke rechtsgevolgen hebben. Wanneer de onttrekking van goederen zonder toestemming een geval vormt waarin een aan rechten bij invoer onderworpen goed aan het douanetoezicht wordt onttrokken" of het niet voldoen aan een van de verplichtingen [...] die voor een aan rechten bij invoer onderworpen goed uit de tijdelijke opslag voortvloeien", dan kunnen de bevoegde douaneautoriteiten geen maatregelen nemen die er wellicht toe kunnen bijdragen dat de toepassing van de regelingen van de artikelen 203 of 204 van het douanewetboek of van een andere regeling die aan de genoemde onttrekking rechtsgevolgen verbindt, wordt uitgesloten of vertraagd.
74. In het licht van het voorgaande moet op de tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord dat artikel 75 van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het douanekantoor dat een douaneaangifte heeft aanvaard, deze aangifte niet als zonder gevolg mag beschouwen of ongeldig mag maken wanneer zoals in het hoofdgeding de aangebrachte goederen niet kunnen worden vrijgegeven omdat zij vóór de door de douaneautoriteiten gelaste inspectie uit de daartoe voorziene opslagplaats zijn verwijderd en buiten het bevoegdheidsgebied van het betrokken douanekantoor zijn gebracht.
C De derde vraag
75. Met zijn derde vraag wenst het Finanzgericht Bremen te vernemen of, in geval geen douaneschuld is ontstaan krachtens artikel 201, lid 1, sub a, van het douanewetboek (of wanneer deze schuld is tenietgegaan), artikel 203, lid 1, van dit wetboek aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van onttrekking aan het douanetoezicht, wanneer voor het vrije verkeer aangegeven niet-communautaire goederen uit de aangewezen opslag- of inspectieplaats zijn verwijderd en buiten het bevoegdheidsgebied van het betrokken douanekantoor zijn gebracht, hoewel dit douanekantoor een inspectie heeft gelast. Verder wenst de verwijzende rechter te vernemen of de onttrekking van goederen aan het douanetoezicht volgens een objectieve maatstaf moet worden beoordeeld dan wel of er tevens sprake moet zijn van een daarop gerichte bedoeling.
76. Volgens artikel 37 van het douanewetboek zijn de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen, en blijven zij onder douanetoezicht tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd overeenkomstig artikel 182".
77. Bovendien hebben de aangebrachte goederen tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen, de status van goederen in tijdelijke opslag (artikel 50 van het douanewetboek). Volgens artikel 51 mogen deze goederen alleen op door de douaneautoriteiten goedgekeurde plaatsen verblijven, onder de door deze autoriteiten vastgestelde voorwaarden. Ten slotte mogen goederen in tijdelijke opslag volgens artikel 52 van het douanewetboek geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk zijn om deze goederen in ongewijzigde staat te behouden, zonder dat de presentatie of de technische kenmerken ervan worden gewijzigd, onverminderd echter artikel 42 dat bepaalt dat deze goederen met toestemming van de douaneautoriteiten kunnen worden onderzocht of bemonsterd met het doel de goederen een douanebestemming te geven.
78. Zoals wij bij de behandeling van de eerste vraag hebben gezien, waren de onderhavige goederen, aangezien de gelaste inspectie niet was verricht, niet definitief in het vrije verkeer gebracht, maar behielden zij de status van goederen in tijdelijke opslag. Verder stonden zij nog steeds onder douanetoezicht, omdat hun douanestatus niet definitief was gewijzigd.
79. Daarom is het in beginsel mogelijk om in casu artikel 203, lid 1, van het douanewetboek toe te passen, volgens hetwelk een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken, voorzover er inderdaad sprake is van onttrekking aan het douanetoezicht.
80. De toepasbaarheid van deze bepaling volgt ook uit artikel 51, lid 2, van het douanewetboek, op grond waarvan de douaneautoriteiten van de persoon die houder van de goederen is, kunnen eisen dat hij een zekerheid stelt teneinde de betaling van iedere douaneschuld te waarborgen die uit hoofde van de artikelen 203 of 204 kan ontstaan.
81. Een douaneschuld krachtens artikel 203, lid 1, van het douanewetboek is ook daarom in beginsel denkbaar zonder een risico van ongeoorloofde cumulatie van twee verschillende douaneregelingen voor dezelfde goederen, omdat de inspectie niet had plaatsgevonden vóór de verwijdering van de goederen uit de tijdelijke opslagplaats en de douaneschuld uit hoofde van artikel 201, lid 1, sub a, als nooit ontstaan kon worden beschouwd.
82. Rest nog te bezien of de verwijdering van de goederen uit een tijdelijke opslagplaats, zoals door verzoekster is gedaan, kan worden aangemerkt als een handeling waardoor aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken".
83. Wanneer is er echter sprake van een onttrekking" aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het douanewetboek?
84. Met de nationale rechter, de Commissie en verzoekster, die in dit verband verwijzen naar de doctrine en de rechtspraak van de lidstaten, ben ik van mening dat er sprake is van onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek, wanneer een handeling of een nalatigheid tot gevolg heeft dat de douaneautoriteiten geen toegang meer tot de goederen hebben, terwijl dat aanvankelijk mogelijk was, en daardoor reeds in gang gezette concrete controlemaatregelen niet volledig hebben kunnen verwezenlijken. Volgens de Commissie is een van de typische voorbeelden van onttrekking aan het douanetoezicht de verwijdering van de goederen uit de tijdelijke opslagplaats.
85. In dit verband moet ik echter erop wijzen dat artikel 865 van de uitvoeringsverordening het volgende bepaalt: Als onttrekking van goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het Wetboek worden aangemerkt de douaneaangifte voor deze goederen, iedere andere handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft, alsmede de overlegging ter visering aan de bevoegde autoriteiten van een document, wanneer dit tot gevolg heeft dat aan deze goederen ten onrechte de douanestatus van communautaire goederen wordt toegekend."
86. Deze bepaling lijkt het begrip onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek te beperken tot de gevallen waarin met documenten (douaneaangifte of iedere andere handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft, alsmede de overlegging ter visering aan de bevoegde autoriteiten van een document) wordt bewerkstelligd dat aan deze goederen ten onrechte de douanestatus van communautaire goederen wordt toegekend, zodat deze goederen bij voorbaat ontsnappen aan het voorziene douanetoezicht op in de Gemeenschap binnengebrachte niet-communautaire goederen.
87. Wel moet worden aangenomen dat artikel 865 van de uitvoeringsverordening geen uitputtende definitie van de inhoud van het begrip onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek bevat, maar slechts enkele specifieke voorbeelden van een dergelijke onttrekking noemt.
88. Deze gevallen als een uitputtende regeling beschouwen zou duidelijk in strijd met de bedoeling van de regeling in artikel 203, lid 1, van het douanewetboek zijn. Het lijdt namelijk geen enkele twijfel dat niet slechts de in artikel 865 van de uitvoeringsverordening genoemde onttrekkingshandelingen onder de werkingssfeer van deze regeling vallen, maar in beginsel elk handelen of nalaten dat ertoe leidt dat de douaneautoriteiten de toegang tot de omstreden goederen en in het bijzonder de afwerking van het douanetoezicht, dat reeds door concrete maatregelen is begonnen, wordt belet.
89. Ten slotte meen ik dat het begrip onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek niet een subjectieve wil vereist om zich aan de controlemaatregelen te onttrekken. Zoals de Finse regering terecht aanvoert, is het voornaamste doel van de douaneregels, dat de rechten op grond van objectieve criteria worden geheven. De persoonlijke bedoeling van de aangever die de goederen uit de tijdelijke opslagplaats heeft verwijderd, is voor het ontstaan van de douaneschuld niet van belang. Deze kan wel van belang zijn voor de berekening van een eventuele administratief- of strafrechtelijke sanctie.
90. Blijkens de verwijzingsbeschikking hadden de douaneautoriteiten in casu beslist dat de goederen, die nog steeds onder de regeling van het douanetoezicht en de tijdelijke opslag vielen, op een bepaalde dag (14 juli 1994) en op verzoeksters bedrijfsterrein werden geïnspecteerd.
91. De inspectie kon niet plaatsvinden, omdat de aangegeven goederen zich bij de aankomst van de douane-inspecteur niet meer in de tijdelijke opslagplaats bevonden, maar reeds waren geleverd aan het bedrijf in naam waarvan de douaneaangifte was gedaan. De verwijzende rechter gaat er evenwel niet van uit dat verzoekster de goederen opzettelijk uit de tijdelijke opslag heeft verwijderd.
92. Gelet op het voorgaande is in het hoofdgeding dus duidelijk sprake van onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek. Enerzijds gold voor de goederen reeds de douanetoezichtregeling in het kader waarvan een concrete maatregel, namelijk een inspectie was gelast, en anderzijds heeft de verwijdering van de goederen de toegang van de douaneautoriteiten tot die goederen en dus de voortzetting van het douanetoezicht door middel van de gelaste inspectie duidelijk onmogelijk gemaakt.
93. Op dit punt zou men kunnen stellen, zoals verzoekster, dat ook al zijn de goederen uit de daartoe voorziene opslagplaats verwijderd, er nochtans geen sprake is geweest van onttrekking aan het douanetoezicht omdat de goederen reeds formeel waren aangebracht en de douaneautoriteiten beschikten over alle betrokken documenten. Volgens verzoekster leidt de voortijdige verwijdering van de goederen er dus enkel toe dat een douanemaatregel niet kan worden uitgevoerd.
94. Deze voorstelling van zaken vind ik weinig overtuigend. Gezien het feit dat reeds een douaneaangifte voor de omstreden goederen was ingediend, kan inderdaad niet van een onttrekking bij voorbaat worden gesproken, doch dit sluit nog niet uit dat geen onttrekking mogelijk is. Bovendien is in casu niet slechts sprake van niet-nakoming van een algemene verplichting die uit de tijdelijke opslag van de goederen voortvloeit, wat onder bepaalde omstandigheden toepassing van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek zou kunnen rechtvaardigen, maar gaat het om onttrekking van de goederen, wat voor de douane elke mogelijkheid van toegang tot deze goederen uitsluit en het nuttig effect van elke vorm van douanetoezicht en in het bijzonder de uitvoering van een concreet gelaste controlemaatregel, in casu inspectie van de betrokken goederen, in ieder opzicht doorkruist.
95. Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 203, lid 1, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd, dat er sprake is van onttrekking aan het douanetoezicht wanneer voor het vrije verkeer aangebrachte niet-communautaire goederen door de aangever zonder toestemming van de bevoegde douaneautoriteiten uit de aangewezen opslag- of inspectieplaats zijn verwijderd en zijn geleverd aan het bedrijf in naam waarvan de aangifte is ingediend, en aldus buiten het bevoegdheidsgebied van het betrokken douanekantoor zijn gebracht, hoewel dit douanekantoor een inspectie had gelast.
D De vierde vraag
96. Met de vierde prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht om, ingeval de derde vraag ontkennend wordt beantwoord, te beslissen over de vraag of artikel 204, lid 1, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd, dat de ongeoorloofde verwijdering van de goederen uit de opslagplaats zonder werkelijke gevolgen is gebleven" voor de juiste werking van de tijdelijke opslag, indien de goederen na hun verwijdering desgevraagd aan een ander douanekantoor hadden kunnen worden getoond.
97. Gelet op het voorgestelde antwoord op de derde vraag en aangezien artikel 203 een speciale bepaling vormt die toepassing van artikel 204 uitsluit, is beantwoording van de vierde vraag overbodig. Voor het geval dat het Hof zou beslissen dat artikel 203, lid 1, van het douanewetboek niet moet worden toegepast, zou ik over de uitlegging van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek het volgende willen opmerken.
98. Volgens deze bepaling ontstaat een douaneschuld bij invoer, wanneer in andere dan de in artikel 203 van het douanewetboek genoemde gevallen niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen die ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag ervan of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.
99. Wanneer artikel 203, lid 1, van het douanewetboek niet van toepassing zou zijn, kan mijns inziens in dit geval niet worden betwijfeld dat aan de algemene voorwaarde voor toepassing van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek is voldaan. Dat verzoekster de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken houdt namelijk in elk geval in, dat niet is voldaan aan een van de verplichtingen die voortvloeien uit de tijdelijke opslag van aan rechten bij invoer onderworpen goederen, in concreto de verplichting om de goederen tot de vaststelling van hun douanebestemming in ongewijzigde staat ter beschikking van de voor het toezicht bevoegde douanekantoor te houden.
100. Thans moet dus nog slechts worden vastgesteld of dit verzuim zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag is gebleven.
101. Het Hof heeft in het arrest Söhl & Söhlke beslist, dat artikel 859 van de uitvoeringsverordening een regelmatig tot stand gekomen uitputtende regeling behelst inzake de verzuimen in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek die zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling".
102. Volgens artikel 859, punt 5, van de uitvoeringsverordening wordt het zonder toestemming wegvoeren van goederen in tijdelijke opslag of van goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek geacht zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling te zijn gebleven, indien deze goederen desgevraagd bij de douaneautoriteiten kunnen worden aangeboden en voorzover, zoals artikel 859, eerste streepje, bepaalt, het zonder toestemming wegvoeren van de goederen geen poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht betreft, er geen sprake is van duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende en alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld. Bovendien moet verzoekster ingevolge artikel 860 van de uitvoeringsverordening tegenover de douaneautoriteiten aantonen dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 859 van de uitvoeringsverordening zijn vervuld.
103. Met betrekking tot de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan, wil ik nog de volgende opmerkingen maken.
104. In de eerste plaats volgt uit de regeling in artikel 859, punt 5, van de uitvoeringsverordening niet uitdrukkelijk dat de goederen enkel kunnen worden aangeboden bij het douanekantoor van de plaats van tijdelijke opslag. In dit verband ben ik van mening dat het aanbieden van de goederen in beginsel ook bij een andere douanekantoor kan plaatsvinden, uiteraard voorzover daardoor het procedurele verzuim zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling ongedaan kan worden gemaakt. Deze voorwaarde moet in elk concreet geval worden beoordeeld door de nationale rechter, die in het licht van de omstandigheden van het hoofdgeding dient te beslissen of die juiste werking echt in gevaar komt.
105. Met betrekking tot de in artikel 859 gestelde voorwaarde dat het omstreden verzuim geen duidelijke nalatigheid van de belanghebbende inhoudt, heeft het Hof erop gewezen dat bij de beoordeling of er van een dergelijke nalatigheid sprake is, met name rekening moet worden gehouden met de precieze aard van de eventuele fout en met de beroepservaring en de zorgvuldigheid van de ondernemer in het concrete geval. Het staat aan de nationale rechter om op basis van deze criteria te beoordelen of er al dan niet sprake is van duidelijke nalatigheid van de ondernemer.
106. Hoewel de beoordeling van de vervulling van alle voorwaarden voor de toepassing van artikel 859, punt 5, van de uitvoeringsverordening een taak is van de nationale rechter, die de omstandigheden van de zaak beter kent, meen ik dat de verwijdering van de goederen uit de daartoe voorziene opslag- of inspectieplaats naar een plaats buiten het bevoegdheidsgebied van het betrokken douanekantoor en de levering ervan aan het bedrijf in naam waarvan de douaneaangifte was ingediend, hoewel het douanekantoor een inspectie had gelast, in casu duidelijk gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag heeft gehad. Om te beginnen werd, zoals reeds gezegd, door de goederen te verwijderen niet slechts afbreuk gedaan aan het doel van de opslag, namelijk de goederen in ongewijzigde staat in de opslagplaats ter beschikking van het voor de inspectie bevoegde douanekantoor houden totdat daaraan een douanebestemming is gegeven, maar werd ook een concrete uitdrukkelijk gelaste inspectie onmogelijk gemaakt. Mijns inziens is ook duidelijk dat verzoekster, gelet op haar beroepservaring, geen blijk heeft gegeven van de nodige zorgvuldigheid om te verhinderen dat de goederen niet werden verwijderd en dat de inspectie onmogelijk werd gemaakt. Tenslotte ben ik van mening dat, ook al zouden de goederen desgevraagd aan de douaneautoriteiten zijn aangeboden, het voor verzoekster objectief zeer moeilijk zou zijn om, na de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht en de levering ervan aan het bedrijf waarvoor zij waren aangebracht, te bewijzen dat de aangeboden goederen ook die waren waarvoor de inspectie was gelast.
E De vijfde vraag
107. Met de vijfde vraag wenst het Finanzgericht Bremen in wezen van het Hof te vernemen wat de reikwijdte is en welke gevolgen het voor het ontstaan van een douaneschuld overeenkomstig artikel 201, lid 1, sub a, juncto lid 2, of overeenkomstig artikel 203, lid 1, dan wel overeenkomstig artikel 204 van het douanewetboek heeft, wanneer bij de aanvaarde aangifte formeel niet te betwisten certificaten van oorsprong waren gevoegd en voor de onder de aangifte vallende goederen een preferentieel nultarief gold.
108. Om te beginnen zou ik erop willen wijzen dat het antwoord op deze vraag, gelet op de voorgestelde antwoorden op de vorige vragen, slechts van nut is voorzover het gaat om het ontstaan van een douaneschuld uit hoofde van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek. Voor de volledigheid zal ik de vraag echter bezien voor elk van de drie door de verwijzende rechter genoemde rechtsgrondslagen voor het ontstaan van een douaneschuld.
109. Wat in de eerste plaats het ontstaan van een douaneschuld ex artikel 201 van het douanewetboek betreft, volgt uit artikel 62, lid 2, van het douanewetboek juncto artikel 218, lid 1, sub b, van de uitvoeringsverordening dat bij de aangifte voor het vrije verkeer de bescheiden moeten worden gevoegd die nodig zijn voor het bewijs dat een preferentiële tariefregeling op de aangegeven goederen van toepassing is.
110. De overlegging van deze bewijzen dient samen met de douaneaangifte voor de toepassing van de gewenste douaneregeling en voor de vaststelling van de verschuldigde rechten. Daarom sluit deze overlegging de vaststelling en de bevestiging van de douaneschuld niet alleen niet uit, maar is uiteindelijk een hulpmiddel daarvoor.
111. In het kader van de toepassing van de artikelen 203 (in casu het meest van belang) en 204 van het douanewetboek, die de toepassing van artikel 201 van dat wetboek uitsluiten, raakt de overlegging van de genoemde bescheiden samen met de aangifte het ontstaan van de douaneschuld echter op geen enkele wijze, omdat het ontstaan ervan voortvloeit uit douanerechtelijke overtredingen (in casu de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht) en niet uit het feit dat door de ingediende en aanvaarde douaneaangifte een bijzondere tariefregeling van toepassing wordt.
112. Verzoekster voert in dit verband op basis van artikel 900, lid 1, sub o, van de uitvoeringsverordening aan, dat wanneer bij de hoe dan ook correcte aangifte een geldig bewijs voor toepassing van een preferentiële regeling is overgelegd, de preferentiële tariefbehandeling moet worden verleend, ook in geval van eventuele onjuistheden of overtredingen.
113. Wat dit beroep op artikel 900, lid 1, sub o, van de uitvoeringsverordening betreft, moet eraan worden herinnerd dat het in deze bepaling gaat om terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer in gevallen waarin de douaneschuld op andere wijze is ontstaan dan op grond van artikel 201 van het douanewetboek (in casu op grond van artikel 203 van het douanewetboek) en de betrokkene een certificaat van oorsprong, een certificaat inzake goederenverkeer, een document inzake intern communautair douanevervoer dan wel enig ander passend document kan overleggen waaruit blijkt dat de ingevoerde goederen, indien zij voor het vrije verkeer waren aangegeven, voor een communautaire behandeling of voor een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen, mits aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 890 is voldaan.
114. In het hoofdgeding gaat het echter niet om terugbetaling of kwijtschelding van geheven rechten en evenmin is het daartoe nodige verzoek gedaan. Derhalve is dit artikel hier niet van toepassing.
115. Verzoeksters argument, dat dit artikel in het onderhavige geval zou kunnen worden toegepast hoewel het de procedure voor terugbetaling of kwijtschelding van schulden betreft, is bovendien duidelijk ongegrond. De genoemde onjuistheden of overtredingen hebben in casu immers juist betrekking op het feit dat de douane-inspectie van de goederen ten behoeve van de vaststelling van een eventuele toepassing van de preferentiële regeling onmogelijk was. Zoals ook de verwijzende rechter beklemtoont, kan de overlegging van aangifteformulieren op zich niet tot toepassing van een preferentieregeling leiden, wanneer de inspectie als bedoeld in artikel 68, sub b, van het douanewetboek onmogelijk is geworden om aan de aangever te wijten redenen. Bovendien zou het absurd zijn wanneer de toepassing van deze regeling, wegens de genoemde onmogelijkheid om de goederen in het kader van artikel 201 van het douanewetboek te controleren, zou kunnen worden bewerkstelligd via artikel 900, lid 1, sub o, van de uitvoeringsverordening, dat verwijst naar artikel 890 van de uitvoeringsverordening op grond waarvan de terugbetaling of kwijtschelding van rechten in de eerste plaats onderstelt dat is voldaan aan alle voorwaarden voor het toekennen van de preferentiële tariefbehandeling, en in de tweede plaats dat de goederen worden aangeboden, althans dat wordt vastgesteld dat de gegevens in de certificaten zonder enige twijfel betrekking hebben op de betrokken goederen.
116. In die omstandigheden is dus duidelijk dat het feit dat bij de aangifte bewijsstukken zijn gevoegd ten behoeve van de toepassing van een preferentiële tariefregeling, het ontstaan van een douaneschuld bij invoer uit hoofde van één van de in de vijfde vraag genoemde bepalingen (artikel 201, lid 1, sub a, juncto lid 2, artikel 203, lid 1, en artikel 204 van het douanewetboek) niet kan uitsluiten.
117. Gelet op de voorgestelde antwoorden op de vorige vragen moet op de vijfde vraag dus worden geantwoord dat het ontstaan van een douaneschuld bij invoer krachtens artikel 203, lid 1, van het douanewetboek niet is uitgesloten, wanneer bij de door het douanekantoor aanvaarde douaneaangifte formeel niet te betwisten certificaten van oorsprong in de vorm van een formulier A waren gevoegd en voor de onder de aangifte vallende goederen een vrijstelling van douanerechten gold.
VI Conclusie
118. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het Finanzgericht Bremen te beantwoorden als volgt:
1) Artikel 201, lid 1, sub a, juncto lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het douanewetboek moet aldus worden uitgelegd, dat geen douaneschuld bij invoer geacht kan worden te zijn ontstaan wanneer om redenen die aan de aangever zijn te wijten en erin bestaande dat de zich in tijdelijke opslag bevindende goederen zonder toestemming van het douanekantoor zijn verwijderd de opschortende voorwaarde van inspectie van de betrokken goederen die aan de aanvaarding van de aangifte door het bevoegde douanekantoor blijkend uit een aantekening van registratie verbonden was ten behoeve van een met artikel 62 van het douanewetboek overeenstemmende verificatie van de aangifte, die het in het vrije verkeer brengen van niet-communautaire goederen betrof, niet is vervuld of materieel niet meer te vervullen is.
2) Artikel 75 van verordening nr. 2913/92 moet aldus worden uitgelegd, dat het douanekantoor dat een douaneaangifte heeft aanvaard, deze aangifte niet als zonder gevolg mag beschouwen of ongeldig mag maken wanneer zoals in het hoofdgeding, de aangebrachte goederen niet kunnen worden vrijgegeven omdat zij vóór de door de douaneautoriteiten gelaste inspectie uit de daartoe voorziene opslagplaats zijn verwijderd en buiten het bevoegdheidsgebied van het betrokken douanekantoor zijn gebracht.
3) Artikel 203, lid 1, van verordening nr. 2913/92 moet aldus worden uitgelegd, dat er sprake is van onttrekking aan het douanetoezicht wanneer voor het vrije verkeer aangebrachte niet-communautaire goederen door de aangever zonder toestemming van de bevoegde douaneautoriteiten uit de aangegeven opslag- of inspectieplaats zijn verwijderd, en zijn geleverd aan het bedrijf in naam waarvan de douaneaangifte is ingediend, en aldus buiten het bevoegdheidsgebied van het betrokken douanekantoor zijn gebracht, hoewel dit douanekantoor een inspectie had gelast.
4) Het ontstaan van een douaneschuld bij invoer krachtens artikel 203, lid 1, van verordening nr. 2913/92 is niet uitgesloten, wanneer bij de door het douanekantoor aanvaarde douaneaangifte formeel niet te betwisten certificaten van oorsprong in de vorm van een formulier A zijn gevoegd en voor de onder de aangifte vallende goederen een vrijstelling van douanerechten gold."
Full & Egal Universal Law Academy