Conclusie van de advocaat generaal
I Inleiding
1. De onderhavige prejudiciële procedure, die is ingeleid door het Oberste Gerichtshof te Wenen (Oostenrijk), betreft de vraag of het gemeenschapsrecht in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een kind dat recht heeft op een onderhoudsbijdrage en dat van een onderhoudsplichtige ouder geen betaling ontvangt, alleen aanspraak kan maken op een onderhoudsvoorschot van de staat wanneer het Oostenrijks staatsburger of staatloos is.
II Feiten en procesverloop
2. Verzoekers in het hoofdgeding zijn minderjarig en hebben, net als hun ouders, de Duitse nationaliteit. De familie woont sinds 1987 in Oostenrijk. De echtscheiding van de ouders werd op 1 februari 1995 uitgesproken en de kinderen werden bij uitsluiting aan de moeder toegewezen. Op 17 januari 1996 verbond de vader zich in het kader van een gerechtelijke dading ertoe, voor elk van beide kinderen een onderhoudsbijdrage van 3 500 ATS per maand te betalen. De kinderen wonen, evenals hun ouders, in Oostenrijk.
3. De ouders zijn als zelfstandigen werkzaam in Oostenrijk. De moeder exploiteert een kinderboekhandel, de vader is zelfstandig handelsvertegenwoordiger in bouwmaterialen.
4. Op 1 september 1998 verzochten de kinderen om toekenning van maandelijkse onderhoudsvoorschotten ten bedrage van 3 500 ATS per kind, op grond dat hun vader sinds februari 1998 geen onderhoudsbijdrage meer had betaald. Zij hadden geprobeerd de executoriale onderhoudstitel te executeren tegen hun vader; dit had geen resultaat opgeleverd omdat de onderhoudsplichtige geen loonvordering meer had.
5. Het verzoek werd in eerste aanleg afgewezen wegens de Duitse nationaliteit van de minderjarigen. De appelrechter bevestigde deze beslissing, doch stond een gewoon beroep in Revision" toe. De bevoegde kamer van het Oberste Gerichtshof (hierna: verwijzende rechter") achtte een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie noodzakelijk.
6. De Oostenrijkse regering en de Commissie hebben bij het Hof van Justitie schriftelijke opmerkingen ingediend. De Zweedse regering heeft ter terechtzitting geïntervenieerd. Op de argumenten van de partijen in het geding kom ik later terug.
III De prejudiciële vraag
7. De verwijzende rechter wijst op de door de Oostenrijkse wetgever aangevoerde gronden, volgens welke het Unterhaltsvorschussgesetz (Oostenrijkse wet inzake de toekenning van voorschotten op het onderhoud van kinderen) een middel vormt van de staat om zorg te dragen voor zijn jeugd". Het wetsontwerp was een beslissende stap [...] om het onderhoud van minderjarige kinderen te verzekeren". In de voorstukken neemt een wetgever het op voor de moeders die na echtscheiding, of omdat zij door hun man verlaten zijn dan wel onwettige kinderen hebben van wie de vader niets wil weten, er met hun minderjarige kinderen alleen voor staan" en die zich naast de zware last om hen op te voeden, tevens voor de moeilijke taak zien gesteld om van de vader een bijdrage in hun onderhoud te verkrijgen". Daarom moet de staat in de plaats treden van nalatige onderhoudsplichtigen, onderhoudsbedragen betalen in de vorm van voorschotten en deze op de onderhoudsplichtigen verhalen.
8. Volgens de wetgever moet de toekenning van voorschotten worden beschouwd als een sociale voorziening die berust op een materieelrechtelijke onderhoudsaanspraak jegens de onderhoudsplichtige, krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht, ongeacht of er reeds een executoriale titel bestaat of dat er om bepaalde redenen nog geen is verkregen.
9. De voorschotten, die worden uitbetaald aan de ouder in wiens huishouden het betrokken kind wordt verzorgd, hebben echter, zoals blijkt uit de door de wetgever aangevoerde gronden, tevens tot doel de gezinslasten te compenseren die de verzorgende ouder bij gebreke van voorschotten alleen moet dragen. Dat is niet de minst belangrijke reden waarom de onderhoudsvoorschotten worden gefinancierd uit de middelen van het Familienausgleichfonds (compensatiefonds voor gezinslasten). Het is kennelijk ook de bedoeling dat de voorschotten de materiële problemen van de verzorgende ouder wegnemen, zodat deze zich meer met de opvoeding van het minderjarige kind kan bezighouden en minder onder druk staat om de voor het onderhoud benodigde middelen te verschaffen.
10. Gelet op de voorwaarden en het doel van de onderhoudsvoorschotten zou het Hof van Justitie kunnen concluderen dat deze voorschotten moeten worden beschouwd als socialezekerheidsuitkeringen die, als gezinsbijslagen, binnen de werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71 vallen. Een dergelijke conclusie zou evenwel in strijd zijn met de rechtspraak van het Hof, volgens welke een socialezekerheidsuitkering die een bepaald bestaansminimum garandeert, een sociaal voordeel vormt in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68. Toch is het volgens de verwijzende rechter niet uitgesloten dat het gemeenschapsrecht hier een oplossing biedt wanneer de onderhoudsvoorschotten naar Oostenrijks recht tegelijkertijd als gezinsbijslagen in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71 en als sociale voordelen in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 worden gekwalificeerd.
11. De ouders van verzoekers zijn evenwel geen werknemers maar zelfstandigen. De sociale voordelen van verordening nr. 1612/68 zijn alleen bestemd voor werknemers en hun familieleden, en dus niet voor verzoekers, die kinderen van zelfstandigen zijn. Artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) geldt daarentegen als een bijzondere uitdrukking van artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) dat, als lex specialis, voorrang heeft boven het algemeen verbod van discriminatie. Artikel 52 EG-Verdrag verbiedt niet alleen wettelijke discriminatie op grond van nationaliteit die rechtstreeks invloed heeft op de uitoefening van werkzaamheden als zelfstandige, maar ook regelingen die personen ervan weerhouden zich in de betrokken lidstaat te vestigen, zoals discriminerende voorschriften op het gebied van sociale uitkeringen.
12. Ten slotte kan het recht op toekenning van onderhoudsvoorschotten naar Oostenrijks recht, ook wanneer de inmiddels in het EG-Verdrag vastgelegde vrijheden, met name de vrijheid van vestiging hierop niet van toepassing zijn, niettemin binnen de ruime beschermingsomvang van artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag vallen, dat ook van toepassing is op zaken die enkel op enigerlei wijze betrekking hebben op situaties die onder het gemeenschapsrecht vallen".
13. Derhalve legt de verwijzende rechter het Hof de volgende prejudiciële vragen voor:
1) Zijn onderhoudsvoorschotten voor minderjarige kinderen van zelfstandigen die krachtens het Oostenrijkse Bundesgesetz über die Gewährung von Vorschüssen auf den Unterhalt von Kindern (Unterhaltsvorschussgesetz 1985 UVG BGBl. 451, in de geldende versie federale wet inzake de toekenning van voorschotten op het onderhoud van kinderen), gezinsbijslagen in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, en zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989, en geldt dus in een dergelijk geval ook artikel 3 van de verordening, betreffende de gelijkheid van behandeling?
2) Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
Worden minderjarige kinderen die, net als hun in de Republiek Oostenrijk anders dan in loondienst werkzame ouders, de Duitse nationaliteit bezitten maar hun gewone verblijfplaats in de Republiek Oostenrijk hebben, en die om toekenning van een onderhoudsvoorschot verzoeken op grond van het Oostenrijkse Bundesgesetz über die Gewährung van Vorschüssen auf den Unterhalt von Kindern (Unterhaltsvorschussgesetz 1985 UVG BGBl. 451, in de geldende versie), in strijd met artikel 52 EG-Verdrag of met artikel 6, eerste alinea, van datzelfde verdrag, als gezinsleden gediscrimineerd doordat hun op grond van § 2, lid 1, UVG de toekenning van een dergelijk voorschot wordt geweigerd wegens hun Duitse nationaliteit?"
IV Rechtskader
A Bepalingen van gemeenschapsrecht
Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (hierna: verordening nr. 1408/71")
14. De toepasselijke bepalingen van deze verordening luiden als volgt:
Artikel 1 (10) (15)
Definities
Voor de toepassing van deze verordening:
a) tot en met e) [...]
f) i) wordt onder ,gezinslid verstaan iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend of, in de gevallen bedoeld in artikel 22, lid 1, sub a, en artikel 39, in de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, als gezinslid wordt aangemerkt of erkend, of als huisgenoot wordt aangeduid; indien deze wetgevingen echter uitsluitend als gezinslid of huisgenoot beschouwen degene die bij de werknemer inwoont, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan, wanneer de betrokkene in hoofdzaak op kosten van bedoelde werknemer wordt onderhouden; [...]
g) tot en met t) [...]
u) i) worden onder ,gezinsbijslagen verstaan, alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h, bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage I vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte; [...]
v) [...]
Artikel 2
Personele werkingssfeer
1. Deze verordening is van toepassing op werknemers op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.
2. tot en met 3. [...]
Artikel 3
Gelijkheid van behandeling
1. Personen die op het grondgebied van een der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.
[...]
Artikel 4 (10)
Materiële werkingssfeer
1. Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
a) tot en met g) [...]
h) gezinsbijslagen.
2. en 3. [...]
4. Deze verordening is noch op de sociale en medische bijstand, noch op de regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan, noch op de bijzondere regelingen voor personen in overheidsdienst of met hen gelijkgestelden van toepassing.
Artikel 5 (10)
Verklaringen van de lidstaten betreffende de werkingssfeer van deze verordening
De lidstaten vermelden de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde wettelijke regelingen en stelsels, [...] de in artikel 50 bedoelde minimumuitkeringen, alsmede de in de artikelen 77 en 78 bedoelde bijslagen in verklaringen, waarvan overeenkomstig artikel 97 kennisgeving en bekendmaking plaatsvindt."
B Nationale bepalingen
Unterhaltsvorschussgesetz 1985 UVG BGBl. 451, in de geldende versie (hierna: UVG")
15. § 2, lid 1, eerste zin, en § 3 UVG, onder de titel Voorwaarden", bepalen:
§ 2, lid 1. Recht op voorschotten hebben minderjarige kinderen die hun gewone verblijfplaats in Oostenrijk hebben en ofwel de Oostenrijkse nationaliteit bezitten, ofwel staatloos zijn.
[...]"
§ 3. Voorschotten worden toegekend wanneer
1. er naar nationaal recht een executoriale titel voor de wettelijke onderhoudsbijdrage bestaat en
2. een tenuitvoerlegging inzake lopende onderhoudsverplichtingen [...] of, voorzover de onderhoudsplichtige kennelijk geen inkomen heeft noch over andere regelmatige inkomsten beschikt, een tenuitvoerlegging [...] in de laatste zes maanden vóór indiening van het verzoek tot toekenning van voorschotten zelfs niet één opeisbaar geworden bedrag van de onderhoudsbijdrage volledig heeft gedekt; daarbij worden de voldane achterstanden toegerekend op de lopende onderhoudsschuld."
16. § 4 UVG bepaalt dat de voorschotten in nader bepaalde omstandigheden zelfs worden toegekend wanneer de tenuitvoerlegging geen kans van slagen lijkt te hebben of wanneer bijvoorbeeld het recht op een onderhoudsbijdrage niet is vastgesteld.
17. Volgens § 30 en § 31 UVG worden de onderhoudsrechten van het kind waarvoor voorschotten zijn betaald, aan de overheid overgedragen. Wanneer de onderhoudsplichtige geen enkele betaling verricht, worden de vorderingen geëxecuteerd.
V De eerste vraag
Argumenten van partijen
18. Volgens de Oostenrijkse regering dient in het kader van de eerste vraag te worden nagegaan of de onderhavige uitkering een gezinsbijslag in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71 is. In dit verband verklaart zij, dat de uitkering is gebaseerd op een regeling die onder het onderhoudsrecht valt, waarvoor de behoefte aan sociale bijstand niet maatgevend is. De onderhoudsvoorschotten in de zin van het UVG berusten op een materieelrechtelijke aanspraak van het minderjarige kind jegens de onderhoudsplichtige ouder. Het UVG voorziet in de betaling van voorschotten op de op grond van deze wettelijke verplichting verschuldigde onderhoudsbijdrage, ongeacht de vraag of er reeds een executoriale onderhoudstitel tegen de onderhoudsplichtige bestaat of dat deze, om bepaalde redenen, (nog) niet is verkregen. De regeling beoogt te verzekeren dat, ook wanneer de onderhoudsplichtige persoon in gebreke blijft, het kind toch de volledige onderhoudsbijdrage krijgt uitgekeerd. Hoewel de desbetreffende uitkeringen door de overheid worden betaald, gaat het hierbij geenszins om sociale uitkeringen. Wanneer de Oostenrijkse federale staat deze uitkeringen verstrekt, wordt hij wettelijk gesubrogeerd in het onderhoudsrecht, dat onder het familierecht valt. Het onderhoud van het kind wordt dus voorgefinancierd, waarbij de staat enkel medewerking verleent bij de tenuitvoerlegging van het recht. Daarom zijn de onderhoudsvoorschotten waarin het Unterhaltsvorschussgesetz voorziet, geen gezinsbijslagen in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71 en vindt artikel 3 ervan dus geen toepassing.
19. De Commissie buigt zich allereerst over de vraag naar de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71. Zij wijst erop dat van de litigieuze uitkeringen geen kennisgeving conform artikel 5 van deze verordening heeft plaatsgevonden en dat zij daardoor buiten de werkingssfeer van de verordening vallen. Desondanks kunnen deze uitkeringen, wanneer zij aan de vereiste criteria voldoen, worden beschouwd als socialezekerheidsuitkeringen. Volgens de rechtspraak van het Hof berust de kwalificatie van een uitkering volledig op de constitutieve elementen van de betrokken uitkering, met name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden waaronder zij wordt toegekend. Zij moet aan de rechthebbenden worden toegekend zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften aan de rechthebbenden, op grond van een door de wet vastgelegde positie, en verband houden met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten. In zoverre kunnen de gezinsbijslagen in het onderhavige geval tot de specifieke tak van sociale uitkeringen worden gerekend, aangezien er vanuit kan worden gegaan dat het hier niet om een uitkering met het karakter van een sociale bijstandsuitkering gaat.
20. Het UVG berust daarentegen op een civielrechtelijke onderhoudsaanspraak. In zoverre heeft de uitkering niet tot doel de gezinslasten te verminderen, zoals dit bij gezinsbijslagen het geval is. De kosten voor het onderhouden van een kind worden door het onderhoudsvoorschot noch verminderd, noch gecompenseerd. Daarom kan de litigieuze uitkering niet worden beschouwd als een gezinsbijslag in de zin van verordening nr. 1408/71, en vindt artikel 3 ervan dus geen toepassing.
21. Ter terechtzitting verklaarde de Zweedse regering, zonder gedetailleerd op de vraag in te gaan, dat de litigieuze uitkeringen van onderhoudsvoorschotten niet kunnen worden aangemerkt als gezinsbijslagen in de zin van verordening nr. 1408/71.
Beoordeling
a) De materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71
22. De eerste prejudiciële vraag komt uiteindelijk neer op de vraag naar de materiële werkingssfeer van de verordening. Artikel 4 van verordening nr. 1408/71, dat de materiële werkingssfeer ervan definieert, bepaalt dat deze verordening van toepassing is op alle wettelijke regelingen betreffende de in dit artikel vermelde takken van sociale zekerheid, inclusief de onder h genoemde gezinsbijslagen.
Er dient dus te worden nagegaan of de uitkeringen krachtens het Oostenrijkse Unterhaltsvorschussgesetz gezinsbijslagen zijn in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71.
23. Ingevolge artikel 5 van de verordening vermelden de lidstaten in verklaringen waarvan overeenkomstig artikel 97 kennisgeving en bekendmaking plaatsvindt, onder meer de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde wettelijke regelingen en stelsels, aangezien zij een hierin genoemd type uitkering betreffen. Niet betwist wordt, dat de Oostenrijkse autoriteiten de uitkering waarin het UVG voorziet niet als een dergelijk type uitkering kwalificeren. Dit hoeft echter nog niet te betekenen dat die wet daarom in geen geval binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt.
24. In zijn arrest van 29 november 1977 in de zaak Beerens verklaarde het Hof reeds:
overwegende dat, zo de omstandigheid dat een nationale wet of regeling niet is vermeld in de in artikel 5 der verordening bedoelde verklaringen, op zichzelf niet vermag te doen vaststaan dat deze wet of regeling niet onder het toepassingsgebied der verordening valt".
Immers, ook wanneer een nationale wettelijke regeling niet in de verklaring van een lidstaat is genoemd, kan zij toch binnen de werkingssfeer van de verordening vallen", zoals het Hof bevestigde in zijn arrest van 27 januari 1981 in de zaak Vigier. De vermelding van deze nationale bepalingen in een verklaring conform artikel 5 van verordening nr. 1408/71 heeft alleen in positieve zin bindende werking.
25. Derhalve moet worden nagegaan of de toekenning van onderhoudsvoorschotten krachtens het UVG voldoet aan de criteria die erop kunnen duiden dat zij als een sociale zekerheidsuitkering in de zin van verordening nr. 1408/71 moeten worden aangemerkt. Artikel 1, sub u, i, definieert het begrip gezinsbijslagen" als alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten".
26. Volgens vaste rechtspraak berust het onderscheid tussen prestaties die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen, en die welke daarvan zijn uitgesloten, voornamelijk op de constitutieve elementen van elke uitkering, met name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden waaronder zij wordt toegekend; het doet niet ter zake of een uitkering door een nationale wetgeving al dan niet als een socialezekerheidsuitkering wordt aangemerkt. Zo kan een uitkering als een socialezekerheidsuitkering worden beschouwd, wanneer zij, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten.
27. Deze benadering vindt steun in het feit dat sociale bijstand, die slechts kan worden toegekend na een beoordeling van de behoeftigheid, op grond van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 is uitgesloten van de werkingssfeer van deze verordening.
28. Onderhoudsvoorschotten krachtens het UVG worden ontegenzeglijk op grond van een wettelijk omschreven positie toegekend, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften. Zodra wordt voldaan aan de in § 3 UVG neergelegde voorwaarde, ontstaat het recht op betaling van voorschotten. De vraag is echter, of de onderhoudsvoorschotten, gezien hun doel en de voorwaarden voor hun toekenning, kunnen worden beschouwd als een uitkering die samenhangt met de eventualiteit gezinsbijslagen".
29. Letterlijk uitgelegd omvat het begrip gezinslasten" mede het onderhoud van kinderen. Economisch gezien behoort het waarborgen van het onderhoud van de kinderen tot de primaire ouderlijke zorgtaken.
30. Abstract beschouwd kan de ouderlijke zorg worden omschreven als de persoonlijke zorg voor het kind in de vorm van verschillende typen van aandacht en bevrediging van materiële behoeften, die ook in een geldbedrag kunnen worden uitgedrukt.
31. Binnen het klassieke gezinsmodel, waarbij ouders en kinderen onder één dak leven, is het niet altijd duidelijk wie van de ouders in welke mate voor welke aspecten verantwoordelijk is. Anders ligt het in de gezinssituaties die aanleiding hebben gegeven tot de litigieuze regeling, waarin de ouders van een kind gescheiden leven en het kind aan één van de ouders is toegewezen. In een dergelijk geval neemt de ouder aan wie het kind is toegewezen in hoge mate als enige de persoonlijke zorg voor het kind op zich, en levert de andere onderhoudsplichtige ouder door middel van betaling van de onderhoudsbijdrage een wezenlijke bijdrage aan het onderhoud van het kind.
32. Er dient derhalve van te worden uitgegaan dat het financiële onderhoud van het kind als een echte gezinslast moet worden beschouwd. Het financiële onderhoud van kinderen is naar zijn aard tijdgebonden. Dit aspect komt in de rechtsstelsels van de lidstaten tot uitdrukking door de bijzondere voorwaarden van gerechtelijke invordering van onbetaalde vorderingen wegens onderhoud, die vaak afwijken van de algemene regels voor het innen van geldvorderingen. Dit kan verband houden met het feit dat onderhoudsbijdragen systematisch zijn te beschouwen als vervanging van een prestatie in natura. Deze kwalificatie is hier echter niet relevant. Niettemin zij erop gewezen dat een recht op onderhoud op zich niet volstaat om dit onderhoud daadwerkelijk te garanderen. Een door de staat gefinancierd voorschot op de onderhoudsbijdrage in die gevallen waarin de onderhoudsplichtige ouder in gebreke blijft, is dan ook zeker geschikt om de gezinslasten te compenseren.
33. De ondersteuning door de staat, die direct door de ten laste komende kinderen en indirect door de ouder aan wie het kind is toegewezen wordt ontvangen door middel van de onderhoudsvoorschotten, voltrekt zich op meerdere niveaus. Allereerst is er het procedurele aspect van de executie van de onderhoudstitel, eventueel voorafgegaan door de verkrijging van een dergelijke titel. Dit procedurele aspect moet niet worden onderschat. De invordering van uitstaande betalingen van een onwillige of insolvente onderhoudsplichtige kan veel tijd en moeite kosten. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte stukken blijkt, dat de wetgever uitdrukkelijk steun heeft willen bieden aan moeders bij het innen van onderhoudsbijdragen voor hun kinderen, die in de regel aan hen zijn toegewezen. Een dergelijke materiële ondersteuning door de staat zou zelfs als een prestatie in natura kunnen worden beschouwd.
34. Anderzijds kent de uitkering van onderhoudsvoorschotten ook een niet onbelangrijk economisch aspect. De voorschotbetalingen maken dat financiële middelen tijdig beschikbaar zijn, dat wil zeggen op het moment waarop er behoefte aan is. Bovendien draagt de staat het insolventierisico. Het is het Hof bekend, dat meer dan de helft van de voorschotbetalingen niet bij de eigenlijke onderhoudsplichtige kunnen worden ingevorderd. Het zou dan ook te simpel zijn de voorschotregeling af te doen als een louter procedurele hulpmaatregel, of de nadruk te leggen op het voorlopige aspect van de voorfinanciering van opeisbare onderhoudsbetalingen.
35. Uit de beschrijving van de inhoud en het doel van de gezinsbijslagen leidt het Hof af dat ze zijn bedoeld om de werknemers met gezinslasten een sociale handreiking te bieden, door de samenleving in die lasten te doen delen".
36. Terwijl de toekenning van bijdragen voor kinderonderhoud zoals hiervoor reeds uiteengezet tot de echte gezinslasten behoort, is de invordering van opeisbare onderhoudsbijdragen niet noodzakelijkerwijs een typische gezinslast, maar veeleer een typische last die voortvloeit uit de bijzondere gezinssituatie van gescheiden levende ouders. Door de wisselwerking van de bepalingen inzake het onderhoudsvoorschot draagt de staat, en daarmee de maatschappij, bij aan de lasten, enerzijds door de procedurele invordering van de onderhoudsbijdrage, en anderzijds door garant te staan voor de betaling ervan. Voor beide aspecten worden openbare middelen ingezet, zodat hoe dan ook kan worden geconcludeerd dat de maatschappij bijdraagt aan de door de specifieke gezinssituatie ontstane lasten. Bovendien hebben kinderen die in deze bijzondere gezinssituatie leven, speciale bijstand van de gemeenschap nodig, waarin de wetgever in de vorm van het UVG heeft voorzien.
37. De Commissie brengt hiertegen in, dat de voorschotten bedoeld zijn om het levensonderhoud van minderjarige kinderen te waarborgen, zonder de hiermee gepaard gaande onderhoudslasten, die onveranderd even hoog blijven, te verminderen of te compenseren. Bij een abstracte beschouwing van de onderhoudsplicht mag deze bewering juist zijn, maar bij een concrete beschouwing is dit zeer de vraag.
38. De onderhoudslasten die moeten worden opgebracht door de ouder aan wie het kind is toegewezen, worden bij het uitblijven van de door de onderhoudsplichtige ouder verschuldigde bijdragen wezenlijk verhoogd. De onderhoudsvoorschotten verminderen en compenseren deze lastenverhoging op het juiste moment op de juiste plaats. Bovendien draagt de staat het risico van insolventie, zodat bij niet-invorderbare onderhoudsverplichtingen zelfs kan worden gesproken van een nettobijdrage van de staat aan de gezinslasten.
39. Doel van de regels betreffende de onderhoudsvoorschotten is dus het compenseren van de gezinslasten zoals die hiervoor zijn gedefinieerd. Deze benadering vindt steun in het feit dat de onderhoudsvoorschotten worden gefinancierd uit de middelen van het Familienausgleichfonds. De partijen hebben gewezen op het arrest Hughes, en daaruit de volgende passage geciteerd: de wijze van financiering van een uitkering is immers irrelevant voor de kwalificatie ervan als socialezekerheidsuitkering", maar daarin had het Hof dit argument slechts aangevoerd ter weerlegging van het in die zaak gemaakte bezwaar dat de uitkering in kwestie geen socialezekerheidsuitkering was, aangezien zij niet afhankelijk was van de betaling van een bijdrage.
40. De financiering van een uitkering uit het Familienausgleichfonds kan dus wel degelijk worden beschouwd als een aanwijzing voor de kwalificatie van het onderhoudsvoorschot als een gezinsbijslag. Het arrest Hughes staat hieraan niet in de weg.
41. Laat ik thans enkele structurele aspecten van de uitkering bekijken, om na te gaan of zij de kwalificatie van het onderhoudsvoorschot als een gezinsbijslag ondersteunen, respectievelijk ondermijnen.
42. In de eerste plaats moet ervan uit worden gegaan, dat de onderhoudsvoorschotten niet worden toegekend aan de als werknemer of zelfstandige werkzaam zijnde ouder, doch aan het ten laste komende kind. De onderhoudsvoorschotten zijn echter bestemd voor het huishouden waarin het kind leeft, en deze bedragen kunnen dus wel degelijk worden beschouwd als uitkeringen aan de ouder aan wie het kind is toegewezen. Bovendien heeft het Hof in zijn arrest in de gevoegde zaken Hoever en Zachow geoordeeld dat het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten in beginsel niet van toepassing is op gezinsbijslagen. Het feit dat het kind de ontvanger is van de uitkering, staat dus niet in de weg aan de kwalificatie ervan als gezinsbijslag.
43. Voorts is aangevoerd dat het recht dat het voorwerp vormt van het voorschot, van civielrechtelijke aard is. Dit aspect is ook maatgevend voor de ondersteuning door de staat. Volgens de rechtspraak van het Hof kan een civielrechtelijke verplichting waarin een andere persoon wordt gesubrogeerd niet worden beschouwd als een verplichting die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt. Ter ondersteuning van dit argument wordt verwezen naar het arrest Mouthaan, waarin het Hof heeft geoordeeld dat betalingen door de bevoegde bedrijfsvereniging van de vanwege het faillissement van de werkgever onbetaalde loonvorderingen, niet onder de werkloosheidsuitkeringen vallen. De subrogatie in de verplichtingen van de werkgever heeft niets uitstaande met werkloosheidsuitkeringen als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71.
44. Deze beslissing is evenwel niet van invloed op de kwalificatie van de hier aan de orde zijnde uitkering. In de zaak Mouthaan ging het om rechten die direct voortvloeiden uit een arbeidscontract, waarbij de subrogatie van de bedrijfsvereniging in de verplichtingen van de werkgever als werkloosheidsuitkering moest worden aangemerkt om verordening nr. 1408/71 van toepassing te kunnen verklaren. Aanknopingspunt voor de uitkeringen in die zaak was echter niet de werkloosheid van verzoeker, doch het faillissement van de werkgever. In casu ligt de situatie echter fundamenteel anders.
45. De oorspronkelijke aanspraak op onderhoud van het kind jegens zijn ouders is op het familierecht gebaseerd, ook al valt deze onder het burgerlijk recht. Deze aanspraak enkel indelen bij het burgerlijk recht zou een veel te formalistische beperking opleveren en onvoldoende recht doen aan zijn familierechtelijke betekenis, en bijgevolg ook aan het karakter van de onderhoudsbijdrage als klassieke zij het binnen het gezin plaatsvindende betaling ter compensatie van gezinslasten. Daarom heeft het ten laste komende kind ook al valt het onderhoudsrecht onder het burgerlijk recht indien niet aan de onderhoudsvordering wordt voldaan, op grond van het UVG een eigen recht jegens de staat. Ten gevolge van de toekenning van het onderhoudsvoorschot gaat het oorspronkelijke vorderingsrecht van het kind jegens de in gebreke blijvende schuldenaar door wettelijke subrogatie over op de staat, die de onderhoudsplichtige uit hoofde van deze vordering kan aanspreken. Het past in het systeem om dit instaan van de staat voor een familierechtelijke vordering als een gezinsbijslag te kwalificeren.
46. Ook wijs ik op de arresten van het Hof in de gevoegde zaken Hoever en Zachow en in de zaak Kuusijärvi. Hierin heeft het Hof de Duitse en Zweedse ouderschapsuitkeringen gekwalificeerd als uitkeringen die moeten worden gelijkgesteld met gezinsbijslagen in de zin van verordening nr. 1408/71. Het ging hier volgens het Hof om uitkeringen ter compensatie van gezinslasten. Bovendien is de ouderschapsuitkering bedoeld om een van de ouders in staat te stellen de opvoeding van een jong kind op zich te nemen. De uitkering dient ter vergoeding van het opvoeden van het kind, ter compensatie van de overige kosten van verzorging en opvoeding en eventueel ter leniging van de financiële nadelen die verbonden zijn aan het feit dat men afziet van het inkomen uit een voltijdse werkkring.
47. Het kan niet worden uitgesloten dat de uitkering van het onderhoudsvoorschot er ook toe dient, de ouder aan wie het kind is toegewezen een zekere mate van vrijheid te verschaffen om een kind op te voeden. Ook vanuit dit oogpunt lijkt de kwalificatie van onderhoudsvoorschotten als gezinsbijslagen terecht.
48. Derhalve moeten onderhoudsvoorschotten worden beschouwd als gezinsbijslagen in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71.
b) De personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71
49. De personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 is vastgelegd in artikel 2 ervan. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat deze verordening van toepassing is op werknemers en zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen.
50. Het begrip gezinslid" wordt in artikel 1, sub f-i, gedefinieerd als iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend, als gezinslid wordt aangemerkt of erkend, of als huisgenoot wordt aangeduid.
51. In zijn arrest Kermaschek maakt het Hof onderscheid tussen twee categorieën van personen waarnaar artikel 2 van verordening nr. 1408/71 verwijst, namelijk tussen werknemers enerzijds, en gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen anderzijds. Terwijl de tot de eerste categorie behorende personen de in de verordening bedoelde rechten kunnen inroepen, [kunnen] degenen die tot de tweede categorie behoren alleen maar aanspraak [...] maken op afgeleide rechten, verkregen in de hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking van een werknemer, dat wil zeggen iemand die tot de eerste categorie behoort."
52. Op grond van van dit onderscheid zou een kind dat uit hoofde van een eigen recht aanspraak maakt op een onderhoudsvoorschot waarschijnlijk niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen.
53. Het in het arrest Kermaschek vastgelegde en aanvankelijk in vaste rechtspraak overgenomen onderscheid werd echter in het arrest Cabanis-Issarte uitdrukkelijk beperkt tot situaties zoals die welke ten grondslag lagen aan het arrest Kermaschek. Het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten kan tot gevolg [...] hebben, dat afbreuk wordt gedaan aan een fundamenteel vereiste van de communautaire rechtsorde, te weten de eenvormige toepassing van haar voorschriften, doordat het de toepasselijkheid van die voorschriften op particulieren laat afhangen van de vraag, of de toepasselijke nationale wetgeving de in geding zijnde uitkeringen als eigen recht of als afgeleid recht kwalificeert, afhankelijk van de bijzonderheden van het nationale stelsel van sociale zekerheid".
54. Bovendien heeft het Hof zoals hierboven reeds uiteengezet in de zaak Hoever en Zachow voor het bijzondere geval van gezinsbijslagen uitgemaakt, dat het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten in beginsel niet van toepassing is.
55. Of ten laste komende kinderen binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen, hangt alleen af van de vraag of zij hun positie van een van hun ouders kunnen afleiden.
56. In de onderhavige zaak is de moeder van de kinderen, met wie zij onder één dak leeft, werkzaam als zelfstandige. Als zelfstandige valt zij onder een tak van sociale zekerheid in de zin van artikel 4, en daarmee binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 en dit geldt dus ook voor haar kinderen.
57. Wellicht moet ook worden stilgestaan bij het feit dat de onderhoudsplichtige, als zelfstandige werkzame vader de rechtspositie van de kinderen in het leven roept. In het onderhavige geval kan evenwel niet met zekerheid worden vastgesteld of de vader van de kinderen sociaal verzekerd is en zo ja tegen welk risico. Het is aan de nationale rechter om dit soort feiten vast te stellen.
58. Gelet op het een en ander moet worden geconcludeerd, dat de aan de orde zijnde feiten zowel op het materiële als op het personele vlak binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen. Ten laste komende kinderen kunnen derhalve op grond van artikel 3 van verordening nr. 1408/71 een recht op gelijke behandeling doen gelden.
VI De tweede vraag
Argumenten van partijen
59. De Oostenrijkse regering stelt voorop dat de verhouding tussen artikel 6 en artikel 52 van het Verdrag op grond van de rechtspraak van het Hof aldus moet worden uitgelegd dat artikel 52 ertoe strekt het beginsel van gelijke behandeling uit te breiden tot de zelfstandige beroepsbeoefenaren. Daarom heeft artikel 52 in deze gevallen voorrang boven artikel 6.
60. Vervolgens stelt zij vast dat artikel 52 volgens de rechtspraak van het Hof niet alleen betrekking heeft op de specifieke bepalingen inzake de uitoefening van de beroepswerkzaamheden, maar ook op de bepalingen inzake algemene voorzieningen die dienstig zijn voor de uitoefening van werkzaamheden, zoals de aanspraak op sociale huisvesting en het recht om onroerende zaken te kopen. Dit is echter bij de hier aan de orde zijnde regeling niet het geval. Deze houdt geen enkel verband met beroepswerkzaamheden. Uiteindelijk is het het kind dat recht heeft op onderhoud, en niet de persoon die zich op de vrijheid van vestiging beroept.
61. De Commissie betoogt dat het onderhoudsvoorschot een sociaal voordeel is in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68. Met de betaling van voorschotten neemt de staat het risico over dat de verschuldigde, doch niet betaalde, onderhoudsvordering niet kan worden ingevorderd. Het feit dat verordening nr. 1612/68, gelet op haar bewoordingen, alleen van toepassing is op werknemers, terwijl de ouders van de verzoekende kinderen in het hoofdgeding als zelfstandigen werkzaam zijn, is niet van belang. De artikelen 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG) en 52 van het Verdrag bieden immers volgens de rechtspraak dezelfde rechtsbescherming tegen discriminatie bij de toekenning van sociale voordelen, zodat de kwalificatie van de betrokken economische activiteiten niet van belang is.
62. Het stellen van een discriminerende voorwaarde, zoals het bezit van een bepaalde nationaliteit, levert een schending op van artikel 52 van het Verdrag. Dit verbod heeft niet alleen betrekking op specifieke regels betreffende de uitoefening van beroepswerkzaamheden, maar ook op iedere belemmering van de uitoefening van zelfstandige beroepen door onderdanen van andere lidstaten in de vorm van een verschillende behandeling van onderdanen van andere lidstaten in vergelijking met nationale onderdanen die in een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling is opgenomen.
63. Een nationale regeling die onderhoudsvoorschotten enkel toekent aan kinderen die hetzij de Oostenrijkse nationaliteit bezitten, hetzij staatloos zijn, en die de minderjarige kinderen van Duitse ouders die in Oostenrijk als zelfstandigen werkzaam zijn, uitsluit van het recht op dergelijke uitkeringen, is in strijd met de artikelen 6 en 52 van het Verdrag.
64. De Zweedse regering voerde ter terechtzitting aan, dat de Oostenrijkse regeling stellig discriminatie oplevert van een ten laste komend kind dat geen Oostenrijks onderdaan is. Het is echter minder duidelijk of er sprake is van discriminatie van de ouder aan wie het kind is toegewezen. De niet-betaling door de onderhoudsplichtige ouder treft evenwel de ouder aan wie het kind is toegewezen, aangezien deze de ontbrekende onderhoudsbijdrage zelf moet opbrengen. De nationaliteitsvoorwaarde treft in de praktijk de ouders van buitenlandse afkomst, aangezien hun kinderen in de regel een buitenlandse nationaliteit bezitten. In zoverre is hier dus sprake van een indirecte discriminatie.
65. Ten aanzien van de vraag of deze discriminatie binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt, verwijst de Zweedse regering naar artikel 52 EG-Verdrag, dat discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt. Het verbod heeft niet alleen betrekking op regels betreffende de uitoefening van beroepswerkzaamheden, maar op alle belemmeringen van de uitoefening van zelfstandige beroepswerkzaamheden door onderdanen van andere lidstaten en betekent, dat zij niet anders mogen worden behandeld dan de onderdanen van de betrokken lidstaat zelf. De bepaling verbiedt de ongelijke behandeling van kinderen van zelfstandigen die te hunnen laste komen. Dit volgt ook uit het arrest in de zaak Meeusen. De nationaliteitsvoorwaarde schendt derhalve de vrijheid van vestiging.
Beoordeling
66. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de nationaliteitsvoorwaarde in § 2, lid 1, UVG een verboden discriminatie in de zin van artikel 52 of artikel 6 van het Verdrag is.
67. Zoals ook door de Commissie is gesteld, moet ervan worden uitgegaan dat de litigieuze onderhoudsvoorschotregeling een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 is. Op grond hiervan kan worden aangenomen dat wanneer de onderhoudsplichtige ouder aan wie het kind is toegewezen een werknemer in de zin van artikel 48 is, aan artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 een recht op gelijke behandeling kan worden ontleend.
68. De kwalificatie van de betaling als gezinsbijslag vormt geen belemmering om deze tegelijkertijd als sociaal voordeel aan te merken, aangezien in de rechtspraak wordt erkend dat op het gebied van de sociale uitkeringen zeer wel mengvormen kunnen voorkomen, die tegelijkertijd als sociale zekerheidsuitkering in de zin van verordening nr. 1408/71 en als sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 kunnen worden beschouwd, al naar gelang de concrete omstandigheden van het geval en de toekenning ervan.
69. De kwalificatie van het onderhoudsvoorschot als sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, is echter voor de oplossing van het onderhavige geval slechts tot op zekere hoogte van belang. Aangezien de ouders van de ten laste komende kinderen werkzaam zijn als zelfstandigen, kan geen rechtstreeks beroep worden gedaan op artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68. Daarentegen lijkt de toepassing van de artikelen 52 en 6 van het Verdrag zoals de verwijzende rechter reeds suggereerde meer voor de hand te liggen, aangezien de moeder aan wie de ten laste komende kinderen zijn toegewezen als zelfstandige werkzaam is.
70. Zoals door partijen reeds werd uiteengezet, en in vaste rechtspraak is uitgemaakt, kan artikel 6 slechts autonoom toepassing vinden in situaties waarin het gemeenschapsrecht wel geldt, maar waarvoor het Verdrag geen bijzondere discriminatieverboden bevat. Aangezien het in artikel 52 in wezen gaat om de uitvoering van het in artikel 6 neergelegde beginsel van gelijke behandeling, op het gebied van werkzaamheden anders dan in loondienst, heeft deze bepaling in het onderhavige geval voorrang. Een regeling die onverenigbaar is met deze bepaling, is bijgevolg ook onverenigbaar met artikel 6.
71. Met betrekking tot de inhoud en de strekking van artikel 52 overwoog het Hof:
Artikel 52 van het Verdrag verzekert, dat onderdanen van een lidstaat die in een andere lidstaat een zelfstandig beroep wensen uit te oefenen, behandeld worden als eigen onderdanen van laatstbedoelde lidstaat; het verbiedt iedere discriminatie op grond van nationaliteit, die de toegang tot of het uitoefenen van dat beroep belemmert."
72. Zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld, heeft dit verbod niet alleen betrekking op de specifieke regels betreffende de uitoefening van beroepswerkzaamheden, maar ook, zoals voortvloeit uit het programma ter afschaffing van de beperkingen van vrijheid van vestiging [...] op iedere belemmering van de uitoefening van zelfstandige beroepen door onderdanen van andere lidstaten in de vorm van een verschillende behandeling van onderdanen van andere lidstaten in vergelijking met nationale onderdanen, die in een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling is opgenomen of die uit de toepassing van deze bepaling of uit de bestuursrechtelijke praktijk voortvloeit".
73. Zoals de Zweedse regering duidelijk heeft uiteengezet, levert de directe discriminatie van de kinderen een indirecte discriminatie op van de ouder aan wie het kind is toegewezen. De ouders van kinderen met een buitenlandse nationaliteit zijn immers veel vaker onderdaan van een andere lidstaat dan de ouders van Oostenrijkse kinderen.
74. De Oostenrijkse regering werpt tegen dat de onderhoudsvoorschotregeling geen verband houdt met de beroepswerkzaamheden van de ouders, en dus niet onder artikel 52 kan vallen.
75. Een rechtstreeks verband is er kennelijk niet. Toch kan de bijkomende financiële last die bij niet-betaling door de onderhoudsplichtige ouder drukt op de ouder aan wie het kind is toegewezen, een uitwerking hebben op de zelfstandige beroepswerkzaamheden van laatstgenoemde ouder. De ontbrekende financiële middelen moeten immers op een of andere manier uit de beroepswerkzaamheden worden opgebracht. Dit betekent dat er hetzij minder winst wordt gemaakt, hetzij moet worden ingeteerd op het ondernemingsvermogen, hetzij meer moet worden gewerkt. Alleen al een vermindering van de winst betekent dat deze middelen niet langer beschikbaar zijn voor een eventuele herinvestering in het bedrijf, hetzij om materiaal aan te schaffen, hetzij om reserves te vormen, hetzij om personeelskosten te dekken. Diverse situaties zijn denkbaar.
76. In ieder geval kan ervan worden uitgegaan dat de uitsluiting van de aanspraak op de onderhoudsvoorschotten wel degelijk negatieve gevolgen kan hebben voor de beroepswerkzaamheden van de ouder aan wie het kind is toegewezen. In dit opzicht wordt de moeder aan wie in het onderhavige geval het kind is toegewezen, gediscrimineerd.
77. Aangezien het hier een geval van indirecte discriminatie betreft, moet worden nagegaan of de ongelijke behandeling kan worden gerechtvaardigd. In dit verband kan niet worden volstaan met louter economische overwegingen. De wens van de staat tot terugdringing van de overheidsuitgaven vormt een onvoldoende rechtvaardiging voor discriminatie. Gevraagd naar mogelijke rechtvaardigingsgronden, verklaarde de vertegenwoordiger van de Oostenrijkse regering ter terechtzitting dat het recht op de litigieuze uitkering onder het familierecht valt en geen enkel verband houdt met de vrijheid van vestiging. Bovendien wordt het recht toegekend aan het kind, en niet aan de ouder die gebruik maakt van de vrijheid van vestiging.
78. Ook deze argumenten moeten worden verworpen. Dat de directe discriminatie van het ten laste komende kind een indirecte discriminatie oplevert van de ouder aan wie het kind is toegewezen, is reeds uiteengezet. Maar ook het structurele argument is niet overtuigend, aangezien het hier gaat om een steunmaatregel van de staat die gevolgen kan hebben voor de ouder aan wie het kind is toegewezen. Aangezien er bovendien geen factoren zijn aangevoerd die als dwingende redenen van algemeen belang kunnen gelden, moet worden geconcludeerd dat hier sprake is van een door artikel 52 van het Verdrag verboden discriminatie.
79. In het arrest Meeusen overweegt het Hof overigens uitdrukkelijk:
Het aldus geformuleerde beginsel van gelijke behandeling heeft eveneens tot doel, discriminatie van bloedverwanten in de neergaande lijn, die ten laste van de zelfstandige komen, te verhinderen."
Ook om deze reden moet de litigieuze onderhoudsvoorschotregeling, voorzover zij een directe discriminatie oplevert van ten laste komende kinderen, als strijdig met het gemeenschapsrecht worden aangemerkt.
VII Conclusie
80. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van de nationale rechter als volgt te beantwoorden:
1) Artikel 4, lid 1, sub h, van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet aldus worden uitgelegd dat onderhoudsvoorschotten aan minderjarige kinderen krachtens het Oostenrijkse Bundesgesetz über die Gewährung von Vorschüssen auf den Unterhalt von Kindern, daaronder vallen, zodat in een dergelijk geval artikel 3 van verordening nr. 1408/71, waarin het beginsel van gelijke behandeling is neergelegd, van toepassing is.
Subsidiair:
2) Artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12, eerste alinea EG), moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een situatie waarin minderjarige kinderen die, net als hun ouders die als zelfstandigen werkzaam zijn in Oostenrijk de Duitse nationaliteit hebben, maar hun gewone verblijfplaats in de Republiek Oostenrijk hebben en verzoeken om toekenning van een onderhoudsvoorschot krachtens het Oostenrijkse Unterhaltsvorschussgesetz, als gezinsleden worden gediscrimineerd doordat hun de toekenning van een dergelijk voorschot wordt geweigerd wegens hun Duitse nationaliteit."
Full & Egal Universal Law Academy