Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Italiaanse Republiek om volledige of gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2815/98. Italië voert slechts nog twee van de oorspronkelijke vier middelen aan. Een van deze middelen kritiseert vooral het in verordening nr. 2815/98 gehanteerde criterium ter bepaling van het geografische gebied van oorsprong van de olijfolie op basis van de plaats van persing. Dit is volgens haar een ondeugdelijk criterium, omdat die plaats niets zegt over de herkomst van de olijven. Als gevolg van de verwijzing naar de regelingen van het douanewetboek kan ook misbruik worden gemaakt van oorsprongsbenamingen. In het kader van het tweede middel kritiseert Italië, dat verordening nr. 2815/98 tijdens een overgangstijd tussen de bekendmaking van de verordening en een voor de indiening van een aanvraag tot merkregistratie gestelde uiterste datum de mogelijkheid schept beschermde oorsprongsbenamingen met misbruik van recht te registreren.
II - Rechtskader, in het bijzonder de litigieuze verordening nr. 2815/98
A - Opmerkingen vooraf
2. De in de onderhavige zaak vaak aangehaalde rechtshandelingen worden hierna geciteerd als volgt:
- Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten;
- Richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake daarvoor gemaakte reclame;
- Verordening (EEG) nr. 2392/89 van de Raad van 24 juli 1989 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivenmost;
- Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen;
- Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: douanewetboek");
- Verordening (EG) nr. 2815/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende de handelsnormen voor olijfolie.
B - De litigieuze verordening nr. 2815/98
1) Algemene opmerkingen over de verordening
a) Rechtsgrondslag
3. Krachtens artikel 35 bis, lid 1, van verordening nr. 136/66 van de Raad kan de Commissie - onder meer voor olijfolie - handelsnormen voor oliën en vetten vaststellen; deze normen kunnen met name betrekking hebben op de kwaliteitsindeling, de verpakking en de aanbiedingsvorm".
4. Dit artikel is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1915/87 van de Raad van 2 juli 1987 tot wijziging van verordening nr. 136/66. De desbetreffende overweging van de considerans van de wijzigingsverordening luidt als volgt:
Overwegende dat, om de afzet van de producten van de sector oliën en vetten te verbeteren en de rentabiliteit van die producten te verhogen, dient te worden bepaald dat handelsnormen voor die producten kunnen worden toegepast."
b) Motivering en overwegingen
5. De litigieuze verordening nr. 2815/98 is vastgesteld op basis van artikel 35 bis van verordening nr. 136/66. Zij regelt de oorsprongsbenamingen van bij de eerste persing verkregen olijfolie voor consumptie. In de considerans van verordening nr. 2815/98 heet het, dat direct verhandelbare bij de eerste persing verkregen olijfolie voor consumptie vanwege de landbouwpraktijken of de plaatselijke extractie- of versnijdingsmethoden, in kwaliteit en smaak aanzienlijk kan verschillen naar gelang van de geografische oorsprong, terwijl er binnen de andere categorieën olijfolie voor consumptie geen wezenlijke verschillen bestaan die verband houden met de oorsprong. Verordening nr. 2815/98 regelt de criteria voor het gebruik van de oorsprongsbenamingen voor olijfolie verkregen bij de eerste persing en verbiedt in beginsel andere olijfoliën voor consumptie met een oorsprongsaanduiding te verkopen.
6. De derde overweging van de considerans luidt als volgt:
Overwegende dat voor ingevoerde olijfolie de bepalingen inzake niet-preferentiële oorsprong die zijn opgenomen in verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (...) in acht moeten worden genomen."
7. De vijfde overweging van de considerans luidt als volgt:
Overwegende dat, wanneer als oorsprong van bij de eerste persing verkregen olijfolie de Europese Gemeenschap wordt aangegeven of een geografisch gebied dat een gehele lidstaat bestrijkt, er in de praktijk geen verwarring is met BOB's of BGA's; dat de extractiemethoden en -technieken vooral bij de productie van olijfolie de kwaliteit en de smaak van de bij eerste persing verkregen olie beïnvloeden; dat zeer weinig olijven van een land naar een ander land worden vervoerd, met name omdat door dat vervoer de kwaliteit van de verkregen olie sterk afneemt; dat er dus van moet worden uitgegaan dat de geproduceerde olie van oorsprong is uit het land waar de extractie heeft plaatsgehad, mede met het oog op de controleproblemen en met het feit dat in het internationale handelsverkeer door de extractie de indeling van het product verandert."
8. De zevende overweging van de considerans bevat de volgende passage:
(...) dat bestaande merken die in het verleden officieel zijn geregistreerd overeenkomstig Eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, gewijzigd bij beschikking 92/10/EEG, evenwel verder mogen worden gebruikt".
2) De relevante artikelen van verordening nr. 2815/98
9. De in casu toepasselijke artikelen van verordening nr. 2815/98 luiden als volgt:
Artikel 1
De aanduiding van de oorsprong van de in punt 1, onder a en b, van de bijlage bij verordening nr. 136/66/EEG bedoelde extra olijfolie verkregen bij de eerste persing en olijfolie verkregen bij de eerste persing op voor de consumenten in de lidstaten bestemde verpakkingen of op etiketten op die verpakkingen is facultatief; de oorsprong mag door de marktdeelnemer uitsluitend overeenkomstig deze verordening worden aangeduid.
Aanduiding van de oorsprong van andere olijfolie en olie uit afvallen van olijven in de zin van de bijlage bij bovengenoemde verordening op voor de consumenten in de lidstaten bestemde verpakkingen of op etiketten op die verpakkingen is niet toegestaan.
Artikel 2
1. In de oorsprongsaanduiding in de zin van deze verordening, mag alleen worden verwezen naar een geografisch gebied en wel uitsluitend:
a) een geografisch gebied waarvan de benaming geregistreerd is als beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding overeenkomstig verordening (EEG) nr. 2081/92;
en/of
b) in de zin van deze verordening:
- een lidstaat,
- de Europese Gemeenschap,
- een derde land.
2. Voor de etikettering en de presentatie van de oorsprongsaanduiding voor de eindverbruiker gelden, onverminderd de op grond van richtlijn 79/112/EEG vastgestelde nationale voorschriften, de bepalingen van dit lid.
De oorsprongsaanduiding moet op een voor de eindverbruiker begrijpelijke wijze worden aangegeven op de verpakking of op het etiket in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 79/112/EEG.
Verwijzingen op de verpakking of op het etiket van de verpakking naar een geografisch gebied worden beschouwd als een oorsprongsaanduiding waarop deze verordening van toepassing is, behalve als het gaat om:
- de merknaam of de bedrijfsnaam waarvoor de registratieaanvraag vóór 1 januari 1999 is ingediend overeenkomstig richtlijn 89/104/EEG,
- de aanduiding op grond van verordening (EEG) nr. 2081/92.
Artikel 3
1. Voor olijfolie met beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding moet de oorsprongsaanduiding in overeenstemming zijn met verordening (EEG) nr. 2081/92.
2. In andere dan de in lid 1 bedoelde gevallen moet in de oorsprongsaanduiding op het niveau van een lidstaat of de Europese Gemeenschap het geografische gebied worden vermeld waarin de ,extra olijfolie verkregen bij de eerste persing of de ,olijfolie verkregen bij de eerste persing is verkregen.
(...)
In de zin van de eerste alinea wordt extra olijfolie verkregen bij de eerste persing of olijfolie verkregen bij de eerste persing alleen dan geacht in een geografisch gebied te zijn verkregen als de fabriek waar de olie is geproduceerd zich in het betrokken gebied bevindt.
3. De oorsprongsaanduiding voor uit een derde land ingevoerde extra olijfolie verkregen bij de eerste persing of uit een derde land ingevoerde olijfolie verkregen bij de eerste persing wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen inzake niet-preferentiële oorsprong die zijn opgenomen in de artikelen 22 tot en met 26 van verordening (EEG) nr. 2913/92.
Artikel 4
1. ,Extra olijfolie verkregen bij de eerste persing en ,olijfolie verkregen bij de eerste persing waarvan de oorsprong is aangeduid overeenkomstig artikel 3, lid 2, worden verpakt in een hiertoe door de betrokken lidstaat erkend bedrijf. De erkenning wordt toegekend door de lidstaat waarin de verpakkingsinstallaties gevestigd zijn.
2. De erkenning en een alfanumerieke identificatie worden toegekend aan elk bedrijf dat hierom verzoekt en dat:
- beschikt over een verpakkingsinstallatie,
- zich ertoe verbindt een zodanige aparte registratie en opslag van de olie toe te passen dat de betrokken lidstaat de herkomst van de olie met oorsprongsaanduiding en, in voorkomend geval, de herkomst van de bestanddelen van de versneden olijfolie met oorsprongsaanduiding kan controleren,
- zich akkoord verklaart met de in het kader van de toepassing van deze verordening vastgestelde controles.
3. Op de verpakking of op het etiket van de verpakking moet de alfanumerieke identificatie van het erkende verpakkingsbedrijf vermeld zijn.
Artikel 5
1. De lidstaten verrichten controles op de oorsprongsaanduidingen in de betrokken verpakkingsbedrijven om na te gaan of de oorsprongsaanduidingen van bij de eerste persing verkregen olijfolie die het bedrijf verlaat overeenstemmen met die van de hoeveelheden bij de eerste persing verkregen olijfolie die zijn gebruikt.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd en stellen daartoe met name een systeem van financiële sancties vast. Zij stellen de Commissie in kennis van de genomen maatregelen."
C - Verordening nr. 2081/92
10. Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2081/92 luidt als volgt:
In deze verordening wordt verstaan onder:
a) ,oorsprongsbenaming: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
- dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
- waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden.
b) (...)"
D - Bepalingen van het douanewetboek
11. De artikelen van het douanewetboek waarnaar artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2815/98 verwijst, luiden als volgt:
Artikel 22
In de artikelen 23 tot en met 26 is de niet-preferentiële oorsprong van de goederen omschreven met het oog op:
(...)
c) de opstelling en de afgifte van oorsprongscertificaten."
Artikel 24
Goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt."
III - Feiten, procesverloop en conclusies van partijen
12. Italië heeft nationale regelingen betreffende de benamingen en aanduidingen van oorsprong van olijfolie. Deze regelingen gaan met name uit van de plaats van de olijfboomgaarden, waarvan de olijven voor de vervaardiging van de betrokken olie zijn gebruikt. Nadat de bevoegde commissie van het Italiaans parlement sterke kritiek had geuit op de bepalingen van verordening nr. 2815/98, stelde de Italiaanse regering het onderhavige beroep in. In de loop van de schriftelijke procedure heeft zij twee middelen ingetrokken.
13. De Italiaanse Republiek concludeert dat het het Hof behage:
- verordening nr. 2815/98 of in elk geval artikel 1, artikel 2, lid 1 en lid 2, derde alinea, alsook artikel 3, lid 2, derde alinea, en lid 3, nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
14. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
IV - Beoordeling rechtens
A - De bepaling van het gebied van oorsprong op basis van de plaats van persing van de olijven
Argumenten van partijen
15. Volgens de Italiaanse Republiek is artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2815/98 in strijd met de rechtsgrondslag ervan - verordening nr. 136/66 - die de olijfteelt en niet alleen de persing ervan betreft, die om het even waar kan plaatsvinden. Derhalve moet de volledige cyclus van de productie van olijfolie - van de teelt tot de persing - aan de oorsprongsbenaming ten grondslag liggen. Dit volgt volgens haar ook uit richtlijn 79/112 en verordening nr. 2081/92, volgens welke geografische oorsprongsbenamingen aan het productiegebied zijn gebonden. Een soortgelijk uitgangspunt is te vinden in verordening nr. 2392/89 voor wijn.
16. Ook de considerans van verordening nr. 2815/98 is volgens haar tegenstrijdig en onlogisch. De algemene ervaring wijst uit, dat zowel de plaats van de olijfteelt als de plaats en de aldaar gebruikte methode van persing beslissend zijn voor de kwaliteit die kan rechtvaardigen, dat olijfolie naar oorsprong wordt onderscheiden. In de eerste overweging van de considerans van de richtlijn geeft de Commissie zelfs toe, dat olijfolie vanwege de landbouwpraktijken" verschilt. De Commissie kan niet negeren, dat genetische factoren en het milieu - in het bijzonder de weersomstandigheden - de eigenschappen van de producten bepalen. Zo beïnvloeden zij het aandeel aan vetzuur en polyfenol in olijfolie. De persing is weliswaar belangrijk, doch kan gebrekkige teeltfactoren niet compenseren.
17. Weliswaar neemt de kwaliteit van olijven af bij transport ervan over langere afstand, doch niet valt uit te sluiten, dat technische ontwikkelingen het mogelijk zullen maken olijfolie verkregen bij de eerste persing of extra olijfolie verkregen bij de eerste persing uit ingevoerde olijven te produceren. Verordening nr. 2815/98 zet de producenten ertoe aan een kwaliteitsverlies te aanvaarden om een oorsprongsbenaming te kunnen gebruiken. Deze stimulans is in strijd met de vaststelling, dat de kwaliteit bij transport afneemt. Door deze stimulans zal overigens niet meer kunnen worden gewezen op de geringe ingevoerde kwantiteiten vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2815/98 om toename ervan in de toekomst uit te sluiten.
18. Overigens kan deze regeling tot een verhoging van de daadwerkelijke invoer van olijven uit derde landen in de Gemeenschap leiden, zodat daaruit geperste olie alleen wegens de persing als in de Gemeenschap geproduceerd wordt beschouwd.
19. Met het criterium van de plaats van de oliepers bevoordeelt de Commissie eenzijdig de belangen van de industriële oliepersen ten nadele van de landbouwproductie.
20. In de eerste plaats wijst de Commissie erop, dat de instellingen op het gebied van het landbouwbeleid een verregaande discretionaire bevoegdheid hebben. Bij de toetsing van de rechtmatigheid van deze bevoegdheid mag de gemeenschapsrechter de beoordeling van de bevoegde instellingen niet vervangen door zijn eigen beoordeling, doch moet zich ertoe beperken na te gaan, of bij deze beoordeling geen kennelijke dwaling of misbruik is begaan.
21. De Commissie wijst erop, dat het door verzoekster betwiste criterium van het litigieuze artikel 3, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 2815/98 - de plaats van de oliepers - alleen de aanduiding van een lidstaat of de Europese Gemeenschap als oorsprongsgebied betreft.
22. Verordening nr. 136/66 bevat geen uitdrukkelijke of ongeschreven regeling over de oorsprong van olijfolie. Voorts is verordening nr. 2815/98 niet van lagere orde dan richtlijn 79/112 en verordening nr. 2081/92. Als bijzondere regeling van latere datum kan zij uitzonderingen op de daarin vastgestelde regelingen stellen.
23. Subsidiair betwist de Commissie, dat verordening nr. 2815/98 in strijd is met richtlijn 79/112 en verordening nr. 2081/92. Uit de algemene regelingen van deze twee handelingen blijkt alleen, dat een oorsprongsbenaming gebonden is aan de plaats van productie. Krachtens artikel 3, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 2815/98 is deze plaats de plaats van persing.
24. Met dit middel kritiseert Italië dus alleen de uitoefening door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheid. Dit middel kan slechts slagen, wanneer wordt aangetoond dat de Commissie bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid een zware fout of een misbruik van bevoegdheid in de daaraan door het gemeenschapsrecht gegeven enge zin heeft begaan, dan wel haar bevoegdheid heeft overschreden.
25. De Commissie betwist niet, dat het teeltgebied van de olijven de kwaliteit van de olijfolie beïnvloedt. De aanduiding van een dergelijk gebied bij olijfolie is evenwel uitvoerig - met inbegrip van de herkomst van de olijven - geregeld in verordening nr. 2081/92. Daarentegen volgen uit het feit dat olijven in een lidstaat of in de gehele Europese Gemeenschap worden geteeld, nog geen bijzondere kwaliteitskenmerken, aangezien de verschillen tussen de verschillende mogelijke teeltgebieden te groot zijn. De consument krijgt geen nuttige informatie, wanneer hem alleen wordt gezegd, dat de gebruikte olijven in een bepaalde lidstaat zijn geteeld.
26. De bepalingen van verordening nr. 2081/92 kunnen op grond van dit verschil tussen de betrokken oorsprongsaanduidingen evenmin in strijd zijn met verordening nr. 2815/98.
27. Praktische verschillen tussen de criteria van de plaats van de oliepers en de herkomst van de olijven zijn alleen denkbaar bij minderwaardige geraffineerde olijfolie, die volgens verordening nr. 2815/98 evenwel niet met een oorsprongsaanduiding mag worden verkocht. Olijven moeten binnen enkele dagen worden verwerkt, omdat de geperste olie anders niet meer de kwaliteit van uit eerste persing verkregen olijfolie heeft. In de regel kan bij transport van de olijven dus alleen geraffineerde olijfolie worden geproduceerd, die niet mag worden voorzien van een oorsprongsbenaming. Met transportmethoden die de kwaliteit van de olijven bewaren (vermoedelijk door gebruik van koelkasten en dergelijke middelen), gaan zeer hoge kosten gepaard.
28. Bovendien bedraagt het gewicht van de gewonnen olie slechts ongeveer 20 % van het gewicht van de gebruikte olijven. De transportkosten voor te persen olijven zouden bijgevolg ook nog wegens het gewicht hoger zijn dan de transportkosten voor de overeenkomstige hoeveelheid olijfolie.
29. Tot bewijs daarvan legt de Commissie statistieken over, volgens welke de handel in olijven met het doel olijfolie te produceren te verwaarlozen is. Olijfolie is hoe dan ook gemakkelijker te transporteren dan olijven.
30. Daarin onderscheidt olijfolie zich fundamenteel van wijn. De vergelijking met verordening nr. 2392/89 die de oorsprongsbenamingen van wijn en druivenmost regelt, is dus volkomen irrelevant.
31. Indien het transport van olijven in de toekomst sterk toeneemt, dan kan de Commissie daarop met een overeenkomstige aanpassing van verordening nr. 2815/98 zonder moeilijkheden passend reageren.
32. Verzoeksters bezwaren kunnen dus hooguit op het politieke niveau van betekenis zijn, doch niet dienen tot staving van een beroep tot nietigverklaring, aangezien de Commissie inzake landbouwbeleid een ruime bevoegdheid heeft.
33. Ter aanvulling wijst de Commissie erop, dat de controle op de praktische toepassing van het door haar gekozen criterium stukken eenvoudiger is, daar er heel wat minder olijfpersen dan olijfboeren zijn. Op olijfpersen wordt reeds enige controle uitgeoefend. Ook valt de herkomst van de olijven, die voor Italiaanse olijfolie" uit geheel Italië kunnen komen, door analyse van de olie nauwelijks vast te stellen. Wegens de kostenbesparing is het criterium van de plaats van de oliepers van verordening nr. 2815/98 ook evenrediger dan het door Italië gestelde criterium van de plaats van de olijfboomgaarden.
Analyse
34. Dit middel van de Italiaanse Republiek is gebaseerd op de opvatting, dat de Commissie bij de vaststelling van de regeling betreffende de aanduiding van een lidstaat als gebied van oorsprong van uit eerste persing verkregen olijfolie het gemeenschapsrecht heeft geschonden. Gelet op de aangevoerde argumenten kan het daarbij alleen om schending van de rechtsgrondslag van verordening nr. 2815/98 - artikel 35 bis, lid 1, van verordening nr. 136/66 - gaan. Krachtens dit artikel kan de Commissie onder meer voor bij eerste persing verkregen olijfolie handelsnormen vaststellen om de afzet te verbeteren. Onbetwist stelt verordening nr. 2815/98 handelsnormen vast.
35. De rechtsgrondslag kan dus slechts geschonden zijn, wanneer de Commissie de haar toegekende wettelijke bevoegdheden - haar beoordelingsvrijheid - heeft overschreden. Uit niets blijkt evenwel, dat de Commissie het kader van die rechtsgrondslag en de haar daarbij gegeven beoordelingsvrijheid heeft overschreden.
36. De rechtsgrondslag beperkt de beoordelingsvrijheid van de Commissie niet uitdrukkelijk. Noch artikel 35 bis van verordening nr. 136/66 noch andere artikelen van deze verordening geven aan hoe het gebied van oorsprong van olijfolie moet worden bepaald.
37. Uit de andere door de Italiaanse Republiek aangehaalde regelingen zijn zeker theoretische aanwijzingen voor de uitlegging van verordening nr. 136/66 af te leiden. Enerzijds zijn er evenwel geen aanknopingspunten voor een dergelijke uitlegging gelet op de bepaling van het oorsprongsgebied in verordening nr. 136/66. Anderzijds regelen verordening nr. 2081/92 en verordening nr. 2392/89 materies die verschillen van de hier te beantwoorden vragen, namelijk enerzijds de algemene bepalingen over de aanduiding van bepaalde oorsprongsgebieden en anderzijds de bijzondere bepalingen over de aanduiding van gebieden van oorsprong van wijn en druivenmost. Wat verordening nr. 2081/92 betreft, is de aanduiding van bepaalde gebieden als oorsprongsgebied van aanzienlijk groter belang voor de kwaliteit van olijfolie dan de aanduiding van een gehele lidstaat. Ook de herkomst van olijven uit bepaalde gebieden is stukken gemakkelijker te controleren dan de herkomst uit een gehele lidstaat. Met wijn en druivenmost die in verordening nr. 2392/89 worden geregeld, is olijfolie wegens de specifieke productieomstandigheden hoe dan ook niet vergelijkbaar.
38. De derde door de Italiaanse Republiek genoemde regeling - richtlijn 79/112 - bevat geen enkele inhoudelijke regeling over de wijze waarop het gebied van oorsprong van olijfolie is te bepalen.
39. Bijgevolg heeft de Commissie - zoals ook de vertegenwoordiger van de Italiaanse Republiek ter terechtzitting toegaf - bij de uitoefening van haar bevoegdheid krachtens artikel 35 bis van verordening nr. 136/66 een ruime beoordelingsvrijheid.
40. Voor de controle op die beoordelingsvrijheid heeft het Hof bijvoorbeeld in het arrest Italië/Commissie de volgende algemene beginselen geformuleerd:
Nu het om de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie gaat, zij er allereerst aan herinnerd dat wanneer de Commissie (...) over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, volgens de rechtspraak van het Hof de gemeenschapsrechter bij de toetsing van de rechtmatige uitoefening van die vrijheid zijn oordeel niet in de plaats mag stellen van dat van het bevoegde gezagsorgaan, doch enkel heeft te onderzoeken of het oordeel van het gezagsorgaan niet kennelijk onjuist is dan wel misbruik van bevoegdheid oplevert."
41. Bij de regeling van de handelsnormen moet de Commissie een ingewikkelde economische situatie beoordelen. Die beoordeling betreft vooral de vraag of een regeling betreffende de aanduiding van lidstaten als gebied van oorsprong van olijfolie wegens de kenmerken van de markt en van het betrokken product noodzakelijk is en hoe die regeling in voorkomend geval toepassing moet krijgen. Bijgevolg is de rechterlijke controle in voormelde zin beperkt.
42. In casu wijst niets erop, dat het kennelijk onjuist is of misbruik van bevoegdheid oplevert uit te gaan van de plaats van de oliepers om de lidstaat te bepalen, die als gebied van oorsprong van bij de eerste persing verkregen olijfolie mag worden aangeduid. Beide partijen stellen, dat bij de huidige stand van de techniek en van de markt voor olijfolie de volledige productiecyclus van bij de eerste persing verkregen olijfolie in beginsel plaatsvindt in de lidstaat waar de oliepers zich bevindt, alwaar de olijfolie wordt geperst. Volgens de twee partijen leidt het transport van olijven over langere afstand met het oog op persing tot kwaliteitsverlies. Onbetwist is dat tot dusver ook om deze reden het transport van olijven tussen lidstaten of van derde landen naar de Gemeenschap met het oog op persing te verwaarlozen is. Bovendien is het stukken gemakkelijker een oliepers te controleren dan de olijfteelt. Deze overwegingen zijn reeds te vinden in de motivering van verordening nr. 2815/98. Het risico van meer grensoverschrijdend transport van olijven in de toekomst, indien het door persing mogelijk wordt bepaalde oorsprongsbenamingen te gebruiken, kon de Italiaanse Republiek niet overtuigend aantonen. Derhalve lijkt de plaats van de oliepers een geschikt criterium om aan te geven, dat de olie van oorsprong is uit een lidstaat.
43. Uit niets blijkt dat er sprake is van een kennelijke vergissing. Derhalve moet dit bezwaar worden verworpen.
B - De verwijzing naar de artikelen 22 en 24 van het douanewetboek
Argumenten van partijen
44. Volgens de Italiaanse Republiek verwijst artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2815/98 ten onrechte naar de artikelen 22 en 24 van het douanewetboek. Aan het daarin bepaalde dat het oorsprongsgebied op basis van de laatste verwerking van een product wordt vastgesteld, kunnen alleen op gebied van douane gevolgen worden gehecht. Anders is te vrezen, dat alleen doordat oliën van verschillende oorsprong in een bepaalde lidstaat worden gemengd, dit mengsel een oorsprongsbenaming van deze lidstaat kan krijgen zonder ook maar een centiliter inheemse olie te bevatten.
45. Daartegen brengt de Commissie in, dat Italië artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2815/98 onjuist uitlegt. Voor olijfolie uit een derde land kan overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub b, derde streepje, van verordening nr. 2815/98 alleen dit derde land als oorsprongsgebied worden aangeduid. Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2815/98 verleent dus niet het recht om een oorsprongsgebied aan te geven dat binnen de Gemeenschap ligt, doch regelt alleen welke plaats buiten de Gemeenschap moet worden beschouwd als gebied van oorsprong van olijfolie uit derde landen. Dat blijkt duidelijk uit de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2815/98. Om te kunnen verwijzen naar een oorsprongsgebied binnen de Gemeenschap moet de olijfolie daarentegen voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2815/98.
Beoordeling
46. Er is geen reden om verordening nr. 2815/98 anders uit te leggen dan de Commissie voorstelt. Bijgevolg biedt artikel 3, lid 3, niet de mogelijkheid om aan in derde landen geperste olijfolie wegens vermenging in een lidstaat de oorsprongsbenaming van die lidstaat te geven. Bijgevolg moet dit bezwaar worden afgewezen.
C - Schending van richtlijn 89/104/EEG
Argumenten van partijen
47. Volgens de Italiaanse Republiek voorziet artikel 2, lid 2, derde alinea, eerste streepje, van verordening nr. 2815/98 blijkbaar conform richtlijn 89/104/EEG in een uitzondering voor de vóór 1 januari 1999 ingediende aanvragen tot merkregistratie. Anders dan de richtlijn bevat verordening nr. 2815/98 evenwel geen verwijzing naar goede trouw, doch schept juist de mogelijkheid aanvragen tot registratie tussen het tijdstip van de bekendmaking van verordening nr. 2815/98 op 24 december 1998 en 1 januari 1999 in te dienen waardoor werkelijke en eventuele misbruiken kunnen worden gelegitimeerd.
48. Volgens de Commissie is het praktisch uitgesloten, dat in dit korte tijdsbestek een registratie kan plaatsvinden. Verordening nr. 2815/98 bevat overigens geen uitdrukkelijke of impliciete afwijking van richtlijn 89/104. Registratie te kwader trouw van een merk vóór 1 januari 1999 met het oog op omzeiling van de regeling van verordening nr. 2815/98 is bijgevolg krachtens artikel 3 van deze richtlijn ongeoorloofd. Verordening nr. 2815/98 werkt geen misbruik van merken in de hand, doch biedt meer mogelijkheden om misbruiken te bestrijden, ook wat eerder ingediende aanvragen tot merkregistratie betreft. Volgens artikel 3, lid 1, sub g, van de richtlijn zijn merken die tot misleiding van de consument kunnen leiden, ongeoorloofd. Krachtens lid 2 van dit artikel kunnen de lidstaten te kwader trouw geregistreerde merken verbieden. Verordening nr. 2815/98 doet niets af aan deze bevoegdheden.
Beoordeling
49. Volgens artikel 2, lid 2, derde alinea, eerste streepje, van verordening nr. 2815/98 worden verwijzingen op de verpakking of op het etiket van de verpakking van olijfolie naar een geografisch gebied beschouwd als een oorsprongsaanduiding. Zij moeten dus in beginsel voldoen aan de vereisten van verordening nr. 2815/98 behalve als het gaat om een merknaam of een bedrijfsnaam waarvoor de registratieaanvraag vóór 1 januari 1999 is ingediend overeenkomstig richtlijn 89/104.
50. Blijkens de zevende overweging van de considerans strekt dit voorschrift er alleen toe, dat merken die tot de inwerkingtreding van verordening nr. 2815/98 zijn geregistreerd, verder mogen worden gebruikt. Uit verordening nr. 2815/98 volgt daarentegen impliciet, dat aan later geregistreerde merken geen rechtvaardiging meer kan worden ontleend om een oorsprongsbenaming voor olijfolie te gebruiken.
51. Toegegeven, nu verordening nr. 2815/98 op 24 december 1998 is bekendgemaakt, schept de vaststelling van 1 januari 1999 als uiterste datum voor de registratie van een merk een mogelijkheid de regelingen van verordening nr. 2815/98 te omzeilen door een merkregistratie aan te vragen.
52. Aangaande dit bezwaar moet de Italiaanse Republiek evenwel een kennelijke vergissing of misbruik van bevoegdheid door de Commissie aantonen om in het gelijk te worden gesteld. Het risico van een onrechtmatige merkregistratie in de periode van iets langer dan een week tussen de bekendmaking van verordening nr. 2815/98 en het verstrijken van de termijn blijkt evenwel zeer theoretisch, vooral nu de kerstvakantie in die periode viel, zodat er slechts weinig werkdagen restten om die registratie te bewerkstelligen. Gelet op de sindsdien verlopen tijd moet de Italiaanse Republiek om in het gelijk te worden gesteld, afdoende bewijzen dat dit risico zich in de praktijk heeft gerealiseerd.
53. Mitsdien moet ook dit middel worden afgewezen.
V - Kosten
54. Ingevolge artikel 69, lid 2, eerste zin, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen.
VI - Conclusie
55. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep te verwerpen;
2) de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy