Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In de onderhavige prejudiciële procedure heeft de Franse Cour de cassation het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd op het terrein van de gemeenschappelijke marktordening in de sector groenten en fruit. In het kader van deze marktordening kan een lidstaat productie- en commercialisatieregels van een telersvereniging of een groepering van dergelijke verenigingen verbindend verklaren voor niet bij een telersvereniging aangesloten producenten. Wanneer een lidstaat van deze mogelijkheid gebruikt maakt, kan hij bovendien besluiten dat de niet-aangesloten telers aan de vereniging respectievelijk groepering geheel of gedeeltelijk de bijdragen dienen te betalen als door de aangesloten telers worden afgedragen. In het onderhavige geval gaat het om de vraag of een lidstaat, wanneer hij van deze beide mogelijkheden gebruik maakt, de bijdrageplicht op alle telers van een bepaald product - in casu gaat het om bloemkool - dient toe te passen, ongeacht of zij voor de markt van verse producten of voor industriële verwerking produceren, of dat hij telers die voor industriële verwerking produceren, van de bijdrageplicht mag uitsluiten.
II - Het juridische kader
1. Het gemeenschapsrecht
Verordening (EEG) nr. 3284/83 van de Raad van 14 november 1983 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1035/72 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit
2. Bij artikel 4 van deze verordening is een nieuw artikel 15 ter in verordening nr. 1035/72 ingelast, dat enerzijds de mogelijkheid biedt productie- en commercialisatieregels van een telersvereniging algemeen verbindend te verklaren, derhalve uit te breiden tot niet-aangesloten telers, en anderzijds bepaalt dat van niet-aangesloten telers bijdragen ter dekking van bepaalde kosten kunnen worden gevraagd. Het nieuwe artikel 15 ter luidt als volgt:
Artikel 15 ter
1. Ingeval
- een telersvereniging of
- een groepering van telersverenigingen met dezelfde regels,
die in een bepaalde economische regio werkzaam is, voor een bepaald product wordt beschouwd als representatief voor de productie en voor de telers van die regio, kan de betrokken lidstaat, op verzoek van die vereniging of groepering (...) voor de in deze regio gevestigde telers die niet bij een van de vorengenoemde verenigingen zijn aangesloten, de hierna volgende regels verplicht stellen:
a) de regels inzake het verstrekken van gegevens betreffende de productie (...),
b) de regels ten aanzien van de productie (...),
c) de regels ten aanzien van de commercialisatie (...),
d) voor de in bijlage II bedoelde producten, de door de vereniging of de groepering vastgestelde regels inzake het uit de markt nemen (...),
op voorwaarde dat de betrokken regels sedert ten minste één jaar van toepassing zijn.
(...)
8. Wanneer lid 1 wordt toegepast, kan de betrokken lidstaat besluiten dat niet-aangesloten telers aan de vereniging of in voorkomend geval aan de groepering het volledige bedrag of een deel ervan verschuldigd zijn van de door de aangesloten telers betaalde bijdragen, voor zover deze bestemd zijn voor de financiering van:
- de administratiekosten in verband met de toepassing van de in lid 1 bedoelde regeling;
- de kosten voor acties inzake onderzoek, marktstudie en verkoopbevordering die door de vereniging of groepering worden ondernomen en die aan de gehele productie van de regio ten goede komen.
(...)"
2. De nationale regeling
3. Frankrijk heeft gebruik gemaakt van deze in artikel 15 ter, lid 1, van verordening nr. 1035/72 gegeven mogelijkheid tot algemeenverbindendverklaring van telersregels voor de niet-aangesloten producenten en heeft bij ministerieel besluit van 18 juni 1992 de regels van Cerafel, een groepering van telersverenigingen in Bretagne, algemeen verbindend verklaard. In dat besluit is verder bepaald, dat Cerafel van de niet-aangesloten telers bijdragen mag heffen, die niet hoger mogen zijn dan die voor de aangesloten telers; het bedrag ervan wordt jaarlijks bij besluit bepaald.
4. Bij ministerieel besluit van 5 juli 1993 zijn de bijdragen vastgesteld voor bloemkool winter/voorjaar 1993, uitgezonderd bloemkool die specifiek bestemd is voor de verwerkende industrie. Voor het oogstjaar 1994/1995 bepaalde een ministerieel besluit van 24 juni 1994 slechts de bijdragen voor bloemkool bestemd voor de markt van verse groenten.
III - De feiten
5. Le Bars (hierna: eiser"), een producent van voor industriële verwerking bestemde bloemkool, werd door Cerafel (hierna: gedaagde") gedagvaard tot betaling van de bijdragen die hij volgens haar voor 1994 verschuldigd was. Unilet (Union nationale interprofessionnelle des légumes transformés) werd toegelaten tot interventie aan de zijde van Le Bars. Laatstgenoemde is van mening, dat de besluiten van juli 1993 en juni 1994 hem als producent van voor industriële verwerking bestemde bloemkool uitdrukkelijk hebben uitgezonderd van de bijdrageplicht. De rechtbank van eerste aanleg heeft de besluiten evenwel buiten toepassing gelaten, omdat zij niet verenigbaar zouden zijn met het ministeriële besluit inzake de algemeenverbindendverklaring van 18 juni 1992 en met verordening nr. 1035/72 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit.
6. Met hun cassatieberoep bij de Cour de Cassation keerden Unilet en eiser zich tegen deze rechtsopvatting van de rechter in eerste aanleg, die in strijd zou zijn met artikel 15 ter, lid 8, van verordening nr. 1035/72 en met de besluiten van juni 1992, juli 1993 en juni 1994.
7. Wat de algemeenverbindendverklaring van de regels en de uitbreiding van de bijdrageplicht betreft, zet de verwijzende rechter uiteen, dat verordening nr. 1035/72 zowel op verse producten als op producten voor de verwerkende industrie van toepassing is, ook wanneer deze, zoals uit artikel 2, lid 1, van de verordening blijkt, onder andere kwaliteitsnormen vallen. In dat verband verwijst hij naar het arrest van het Hof van 22 september 1988 in de zaak Unilec. De verwijzende rechter heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
Moet artikel 15 ter, lid 8, van verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat, wanneer hij lid 1 van deze bepaling heeft toegepast, dat wil zeggen wanneer hij bepaalde door een telersvereniging vastgestelde regels inzake de productie en de commercialisatie verplicht heeft gesteld voor de in de regio gevestigde telers die niet bij deze vereniging zijn aangesloten, bepaalde niet-aangesloten telers voor hetzelfde product mag vrijstellen van de bijdrageplicht, voor zover hun productie niet voor de markt van verse producten, maar voor industriële verwerking bestemd is?"
IV - Opmerkingen van partijen
8. Unilet wijst er om te beginnen op, dat de in artikel 15 ter van verordening nr. 1035/72 voorziene mogelijkheid om regels van telersverenigingen tevens voor niet-aangesloten producenten verbindend te verklaren, beperkt van aard is. Uit de formulering blijkt, dat een lidstaat hiertoe slechts bevoegd is als aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
9. Binnen deze grenzen beschikt de lidstaat evenwel over een zeer ruime beoordelingsmarge, aangezien de betrokken regelingen facultatief zijn geformuleerd.
10. Ook wanneer een lidstaat heeft besloten om de regels van telersverenigingen algemeen verbindend te verklaren, behoeft hij nog niet de bijdragebetaling verplicht te stellen. Aangezien hij dienaangaande over een ruime beoordelingsmarge beschikt, wordt het gemeenschapsrecht enkel dan geschonden, wanneer de getroffen maatregel strijdig is met een bepaling van de gemeenschappelijke marktordening, de doelstellingen daarvan of een basisbeginsel van het gemeenschapsrecht, zoals het beginsel van non-discriminatie.
11. De gemeenschappelijke marktordening kent evenwel geen enkele bepaling die uitdrukkelijk verbiedt om onderscheid te maken tussen producten die voor de markt van verse producten en producten die voor industriële verwerking zijn bestemd. Met betrekking tot de vraag of de doelstellingen van de marktordening gevaar lopen, merkt Unilet om te beginnen op dat de verbindverklaring voor niet bij telersverenigingen aangesloten producenten is bedoeld om verstoring van de markt te voorkomen. De producten die voor industriële verwerking zijn bestemd, zijn evenwel in het geheel niet geschikt voor verhandeling op dezelfde markt als verse producten.
12. Vervolgens zet Unilet uitgebreid uiteen, waarom de markt voor verse producten en die voor producten bestemd voor industriële verwerking twee volledig verschillende markten vormen. Laatstgenoemde wordt gekenmerkt door een nauwe samenwerking tussen teler en verwerker, die reeds vóór het zaaien een teeltcontract voor een bepaald product met elkaar sluiten. Op deze markt is het de verwerker en niet, zoals op de markt voor verse producten, de teler die marktonderzoek verricht. Afhankelijk van de vraag sluit de verwerker contracten met de producenten, waarin bijvoorbeeld bepaalde specificaties ten behoeve van een bijzondere verwerkingswijze als het invriezen worden vastgelegd. Ook de hoeveelheid, het areaal, de technische normen waaraan moet worden voldaan, alsmede de leveringstermijn worden in deze contracten vastgelegd. Hierdoor heeft de verwerker de mogelijkheid om reeds op voorhand met zijn klanten te onderhandelen. Op grond van deze vooraf tot stand gekomen contracten beschikt de producent al voor het zaaien over een afnamegarantie en een vaste prijs. Daarom overschrijdt hij met zijn productievolume ook niet de gegarandeerde afnamehoeveelheid. De producten voor de industriële verwerking die al voor het zaaien verkocht zijn, zijn derhalve niet op de markt voor verse producten beschikbaar.
13. De situatie op de markt voor verse producten is een heel andere. Op die markt produceren de telers zonder voorafgaande beperking, en de telersverenigingen respectievelijk de groepering van telersverenigingen, waaraan de volledige oogst wordt afgeleverd, hebben de taak de producten op de markt te brengen. Op deze markt worden ook de marktonderzoeken door verenigingen als Cerafel uitgevoerd. Er is derhalve sprake van twee volledig verschillende markten die andersoortige eisen aan de producten stellen. Zoals uit artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1035/72 blijkt, zijn de kwaliteitsnormen voor producten voor industriële verwerking, als die al bestaan, niet dezelfde als voor verse producten. Alleen al om die reden hebben de maatregelen van de gemeenschappelijke marktordening zoals interventiemaatregelen geen betekenis voor producten bestemd voor industriële verwerking. De regels van de gemeenschappelijke marktordening zijn derhalve eenvoudigweg niet van belang voor deze producten.
14. Zelfs wanneer de telers die voor de markt van verse producten produceren, anders behandeld zouden worden dan de telers die voor industriële verwerking produceren, zou het non-discriminatiebeginsel niet worden geschonden, aangezien het - zoals gezegd - gaat om twee verschillende producten en twee verschillende markten. Aangezien de producenten voor industriële verwerking niet hoeven te voldoen aan dezelfde kwaliteitsnormen als de telers voor de markt van verse producten, is reeds door de communautaire wetgever een onderscheid gemaakt. Dat onderscheid was enkel mogelijk, omdat het daadwerkelijk een afzonderlijke markt betreft. Doel van de invoering van gemeenschappelijke kwaliteitsnormen is nu juist om producten die niet aan deze kwaliteitseisen voldoen, van de markt te weren. Er zou juist sprake zijn van een schending van het non-discriminatiebeginsel wanneer deze van elkaar verschillende producten en markten aan dezelfde regels werden onderworpen.
15. Unilet verwijst voorts naar de nieuwe marktregeling van verordening (EG) nr. 2200/96, die bepaalt: De regels die verbindend worden verklaard voor alle telers van een bepaalde economische regio: (...) b) gelden (...) niet voor producten die in het kader van een vóór het begin van het verkoopseizoen gesloten contract voor verwerking worden geleverd, tenzij de regels speciaal daarvoor zijn vastgesteld".
Ware de situatie in de beide productiesectoren niet fundamenteel verschillend, dan had een dergelijke regeling nooit getroffen kunnen worden zonder schending van het non-discriminatiebeginsel.
16. Tot slot wijst Unilet op het arrest van het Hof van 22 september 1988 in de zaak Unilec. Uit dat arrest kan volgens Unilet niet worden afgeleid, dat een lidstaat verplicht is producten voor industriële verwerking op dezelfde wijze te behandelen als verse producten en daarop dezelfde regels en maatregelen toe te passen. Bovendien ging het in dat arrest om de voorwaarden waaronder Unilec zijn eigen regels algemeen verbindend kon verklaren.
17. Gedaagde wijst er om te beginnen op, dat de door Unilet en eiser aangevoerde besluiten van 5 juli 1993 en van 24 juni 1994 geen invloed kunnen hebben op het principe van algemeenverbindendverklaring of de aard van de eronder vallende producten, aangezien deze punten door het ministerieel besluit tot algemeenverbindendverklaring worden beheerst. Dat besluit dient in overeenstemming met de verordening te zijn. Het betreffende besluit tot algemeenverbindendverklaring (arrêté d'extension) is op basis van verordening nr. 1035/72 vastgesteld en voorziet evenmin als de verordening in enigerlei beperkingen voor bloemkool die wordt diepgevroren.
18. Het arrest van het Hof in de zaak Unilec zou ook elk onderscheid tussen verse producten en voor industriële verwerking bestemde producten hebben uitgesloten. Gedaagde haalt in dat verband de overweging van het Hof in punt 13 aan, dat de basisverordening impliceert dat deze regeling na de oogst van de groenten en het fruit effect kan sorteren, ongeacht de bestemming van de producten".
19. Het feit dat zowel voor verse bloemkool als voor bloemkool die voor industriële verwerking bestemd is, dezelfde regelingen gelden, staat eraan in de weg dat een lidstaat bepalingen kan vaststellen die een bijdrageplicht voor telers van bloemkool voor industriële verwerking uitsluiten. Elke andere opvatting zou tot tegenstrijdigheden leiden. Voorts haalt gedaagde besluiten van de Commissie aan, waarin regels voor de commercialisatie van bloemkool algemeen verbindend zijn verklaard zonder dat een onderscheid naar de bestemming van de producten is gemaakt.
20. Volgens gedaagde kan het Hof verordening nr. 1035/72 derhalve enkel in die zin uitleggen, dat deze een lidstaat niet de bevoegdheid geeft om, wanneer hij krachtens artikel 15 ter van de verordening bepaalde productie- en commercialisatieregels algemeen verbindend heeft verklaard, bepaalde niet bij een telersvereniging aangesloten producenten van hetzelfde product niet aan de bijdrageplicht te onderwerpen, ingeval hun producten niet voor de markt van verse producten bestemd zijn.
21. De Franse regering merkt om te beginnen op, dat gedaagde - anders dan een soortgelijke vereniging uit Noord-Frankrijk - geen gedifferentieerde heffing voor bloemkool heeft voorgesteld, maar heeft gekozen voor een uniforme heffing, ongeacht de bestemming van het product (de markt voor verse producten of voor industriële verwerking). Aangezien gedaagde derhalve in haar voorstel er geen rekening mee heeft gehouden dat sommige van de commercialisatieregels voor de markt van verse producten niet van toepassing kunnen zijn op producten voor industriële verwerking, hebben de bevoegde Franse autoriteiten geen specifiek heffingspercentage voor deze producten kunnen vaststellen. Daarom bepaalde het eerste ministeriële besluit van december 1992, dat bij gebrek aan een geschikt voorstel een heffing van 0,00 FRF wordt vastgesteld". De besluiten van juli 1993 en juni 1994 hebben deze formulering in andere bewoordingen" overgenomen, dat wil zeggen dat producten voor industriële verwerking van hun toepassingsgebied zijn uitgezonderd.
22. De Franse regering is derhalve van mening, dat de prejudiciële vraag in zoverre moet worden gepreciseerd dat het Hof zich uitspreekt over het recht van een lidstaat om krachtens artikel 15 ter, lid 8, van verordening nr. 1035/72 bepaalde niet bij een vereniging aangesloten telers aan een andere bijdrageplicht voor het hetzelfde product te onderwerpen, wanneer deze producten niet voor de markt van verse groenten, maar - in het kader van een vóór het begin van het verkoopseizoen gesloten contract - voor industriële verwerking zijn bestemd, hetgeen bij gebreke van een geschikt voorstel ertoe kan leiden dat er in het geheel geen bijdrage wordt vastgesteld.
23. Volgens de Franse regering kan beantwoording van deze vraag door het Hof een nuttige aanvulling op het arrest Unilec betekenen. Het Hof heeft zich daarin namelijk niet uitgesproken over de vraag, of de bijdragen die van de producten naargelang hun bestemming worden geheven, gelijk moeten zijn. De Franse regering is van mening, dat deze vraag in die zin moet worden beantwoord, dat enerzijds de bepalingen van artikel 15 ter op alle producenten, ongeacht de bestemming van hun producten, van toepassing zijn en dat anderzijds de kosten van de maatregelen van de telersverenigingen onderling verschillen, afhankelijk van de vraag of de productie voor de markt van verse producten of voor industriële verwerking bestemd is.
24. Vervolgens staat de Franse regering stil bij de bijzonderheden van de productie van bloemkool voor industriële verwerking. Contracten worden hier vóór de aanvang van het verkoopseizoen gesloten, en de daarin opgenomen regels voor de productie van bloemkool verschillen van die voor de markt van verse groenten. Ook de commercialisatieregels verschillen al naargelang de bestemming van de producten. Bloemkool voor industriële verwerking vormt een aparte tak van productie en kan, wanneer een lidstaat dit geboden acht, worden uitgezonderd van de algemeen verbindend verklaarde regels en/of bijdragen. Bovendien behoren van deze producten geen bijdragen te worden geheven voor de bekostiging van maatregelen die uitsluitend aan producten voor de markt van verse producten ten goede komen.
25. De kosten die aanleiding kunnen zijn voor de heffing van bijdragen krachtens artikel 15 ter, lid 8, van verordening nr. 1035/72 verschillen afhankelijk van de tak van productie. Dat verschil betreft met name de kosten van onderzoek, marktstudie en verkoopbevordering. Producten die bestemd zijn voor industriële verwerking, behoeven niet aan dezelfde regels te beantwoorden als producten voor de markt van verse groenten. Dit geldt in het bijzonder voor de verpakking en de presentatie van de groenten. De reclamecampagnes voor verse groenten, ten slotte, komen in het geheel niet ten goede aan bloemkool die voor industriële verwerking bestemd is.
26. De Franse regering komt derhalve tot de slotsom, dat wat de twee in artikel 15 ter, lid 8, bedoelde soorten kosten betreft die dienen ter financiering van maatregelen die niet aan alle producten ten goede komen, een lidstaat enkel dan aan de voorwaarden van artikel 15 ter, lid 8 kan voldoen, wanneer hij bijdragen vaststelt die verschillen naar gelang van de bestemming van het product.
27. Vervolgens wijst de Franse regering op de nieuwe regeling van verordening nr. 2200/96, waarvan artikel 18, lid 6, sub b, bepaalt dat de regels voor elke van twee takken van productie algemeen verbindend kunnen worden verklaard.
28. Ook de Franse regering is van mening, dat bloemkool die voor industriële verwerking wordt geproduceerd, een aparte markt vormt. Wanneer een lidstaat dit geboden acht, kunnen voor deze markt geëigende regels en bijdragen worden ingevoerd. Er dienen evenwel geen bijdragen te worden betaald ter financiering van maatregelen die enkel ten goede komen aan de productie voor de markt van verse groenten. Op grond van de verschillen tussen de takken van productie, die in onderling verschillende kosten tot uitdrukking komen, lijken enkel gedifferentieerde bijdragen verenigbaar met artikel 15 ter van verordening nr. 1035/72. De bevoegdheid tot vaststelling van gedifferentieerde bijdragen kan, bij gebreke van geschikte voorstellen zoals in casu, leiden tot heffing van een bijdrage van 0 FRF.
29. Onder verwijzing naar de opmerkingen van de Commissie merkt de Franse regering tot slot op, dat een lidstaat zijn discretionaire bevoegdheid niet mag uitoefenen op een wijze die in strijd is met het non-discriminatiebeginsel. Aan deze eis is in casu voldaan. De verordening dient derhalve in die zin te worden uitgelegd, dat een lidstaat wat producten voor industriële verwerking betreft bevoegd is om een specifieke bijdrage vast te stellen, die, bij gebreke van een geschikt voorstel, ook gelijk aan nul kan zijn.
30. De Commissie wijst erop, dat de bepalingen van zowel lid 1 als lid 8 van artikel 15 ter facultatief van aard zijn. Wat lid 8 betreft, betekent dit dat een lidstaat krachtens lid 1 bepaalde telersregelingen algemeen verbindend kan verklaren, zonder van de niet-aangesloten telers betaling van bepaalde bedragen te eisen. Een lidstaat die besluit deze bepaling toe te passen, beschikt over een zekere beoordelingsmarge. Hij kan, aldus de Commissie, daarom ook minder eisen dan in het kader van deze discretionaire bevoegdheid eigenlijk mogelijk zou zijn. Er bestaat geen enkele verplichting voor die lidstaat om van alle producenten in de sector bepaalde bijdragen te verlangen. Hij mag derhalve slechts bepaalde categorieën niet-aangesloten producenten in aanmerking nemen, mits de algemene beginselen van gemeenschapsrecht dit toelaten.
31. Volgens de Commissie is het enige algemene beginsel dat in casu van belang is, dat van non-discriminatie tussen telers in de Gemeenschap, zoals opgenomen in artikel 40, lid 3, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 34, lid 2, EG). Zij is evenwel van mening, dat het met dat beginsel verenigbaar is om voor verwerking bestemde producten uit te sluiten van bijdragebetaling.
32. Deze producten hebben hun eigen marktordening en zijn derhalve onderworpen aan volstrekt andere mechanismen dan die van verordening nr. 1035/72. De Commissie verwijst op dit punt ook naar het arrest van het Hof in de zaak Unilec, hoewel er haars inziens niet uit volgt dat lidstaten alle verse groenten en fruit op dezelfde wijze dienen te behandelen, ongeacht hun bestemming.
33. De Commissie somt vervolgens de belangrijkste verschillen op tussen voor verwerking bestemde producten en producten die voor verse consumptie zijn bestemd. De verbouwde soorten zijn bijvoorbeeld vaak verschillend. Ook kunnen de methoden van aanbouw en oogst volledig verschillen en in sommige gevallen zijn bepaalde methoden, zoals het machinale oogsten, enkel bij voor verwerking bestemde producten mogelijk. Tot slot zijn de kwaliteitsnormen krachtens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1035/72 niet van toepassing op voor verwerking bestemde producten.
34. De Commissie acht het derhalve redelijk, dat voor verwerking bestemde bloemkool wordt uitgezonderd van de betaling van bepaalde bijdragen. Dit is volledig verenigbaar met het beginsel van non-discriminatie tussen telers.
V - Juridische analyse
35. Zoals reeds uit de formulering van artikel 15 ter, leden 1 en 8, blijkt, gaat het in het onderhavige geval om facultatieve bepalingen die het aan de lidstaten overlaten om regels van telersverenigingen al dan niet algemeen verbindend te verklaren. Wanneer zij zulks doen, beschikken de lidstaten krachtens lid 8 over een discretionaire bevoegdheid betreffende de vraag of van niet-aangesloten telers bijdragen moeten worden gevraagd. Dit punt wordt in casu overigens niet betwist. Het gaat hier veeleer om de vraag of een lidstaat gerechtigd is om, binnen de grenzen van deze discretionaire bevoegdheid, niet bij een telersvereniging aangesloten telers die voor industriële verwerking produceren, uit te zonderen van de bijdrageplicht, terwijl verder alle niet-aangesloten telers wel bijdragen dienen te betalen.
36. Gedaagde is van mening, dat reeds uit het arrest Unilec blijkt dat geen enkel verschil mag worden gemaakt tussen voor de markt van verse groenten bestemde producten en producten die voor industriële verwerking zijn bestemd en dat de bijdrageplicht ook moet gelden voor telers die produceren voor industriële verwerking.
37. Het bovengenoemde arrest laat een dergelijke conclusie evenwel niet toe. In die zaak ging het eveneens om de algemeenverbindendverklaring van regels - die van Unilec - en om de vraag of deze algemeenverbindendverklaring verenigbaar was met basisverordening nr. 1035/72. Unilec betoogde dat niet basisverordening nr. 1035/72, maar verordening (EEG) nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte producten, de toepasselijke regeling was.
38. Het Hof antwoordde hierop:
Voorts moet de uitlegging volgens welke een geoogst product dat bestemd is om aan een verwerker te worden verkocht, niet langer onder de regeling voor verse, maar onder die voor verwerkte producten valt, worden gezien als een miskenning van de door de betrokken bepalingen inzake het gemeenschappelijke landbouwbeleid ingevoerde regeling. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, impliceert de verwezenlijking van de door de basisverordening beoogde doelstellingen op het gebied van de marktordening voor verse landbouwproducten, dat deze regeling na de oogst van de groenten en het fruit effect kan sorteren, ongeacht de bestemming van de producten."
39. Het ging dus om de vraag of de algemeenverbindendverklaring van de regels betreffende deze producten - bestemd voor industriële verwerking - aan de basisverordening moest worden getoetst, hetgeen door het Hof uiteindelijk is bevestigd. Daarmee heeft het Hof evenwel niet beslist dat de producten, ongeacht hun bestemming, volledig gelijk moeten worden behandeld. Een dergelijke principieel gelijke behandeling is al uitgesloten op grond van verordening nr. 1035/72, waarvan artikel 3, lid 3, bepaalt dat de verplichting om aan de kwaliteitsnormen te voldoen niet geldt voor producten die naar de be- of verwerkende industrie worden verzonden, onder voorbehoud van eventuele vaststelling van kwaliteitsnormen voor producten die voor industriële be- of verwerking zijn bestemd.
40. Wat het onderhavige geval betreft, kan uit het arrest Unilec enkel worden afgeleid dat de in casu aan de orde zijnde algemeenverbindendverklaring van de regels van de telersvereniging betreffende bloemkool en de discretionaire bevoegdheid die in dat verband de betrokken lidstaat is gegeven, aan basisverordening nr. 1035/72 moeten worden getoetst. Aan de tegenwerping van gedaagde, dat een uitzondering van de bijdrageplicht ten gunste van telers die voor industriële verwerking produceren verboden zou zijn omdat de verordening geen onderscheid zou maken naargelang de bestemming van het product, kan derhalve zonder meer worden voorbijgegaan. In het navolgende wil ik juist nagaan, of de verordening een dergelijk onderscheid toelaat. Daarbij wijs ik erop dat de verordening - zoals gezegd - wel degelijk bepaalde verschillen maakt tussen producten bestemd voor de markt van verse groenten en bestemd voor industriële bewerking.
41. Ook de opmerking van gedaagde, dat het ministerieel besluit van juni 1992 tot algemeenverbindendverklaring niet in een dergelijk onderscheid voorziet, kan onbesproken blijven, aangezien toetsing en uitlegging van nationaal recht uitsluitend een zaak van de verwijzende rechter en niet van het Hof is.
42. Bij nadere beschouwing van de formulering van artikel 15 ter, lid 8, blijkt dat de lidstaat de vrijheid heeft om al dan niet een bijdrage van niet-aangesloten telers te eisen. Aangezien de lidstaat bovendien kan besluiten dat het volledige bedrag of een deel ervan" verschuldigd is, hoeft hij niet telkens het volledige bedrag te heffen, maar beschikt hij ook over een discretionaire bevoegdheid wat betreft de hoogte van het bedrag. De vraag is evenwel, of hij daarmee ook de mogelijkheid heeft om verschillende bedragen voor afzonderlijke groepen van telers vast te stellen, respectievelijk voor bepaalde producenten de bijdrage zelfs op nul te stellen. Volgens de Commissie is dat het geval. Een lidstaat die aan alle niet-aangesloten telers het volledige bedrag kan opleggen, zou ook de mogelijkheid hebben om, binnen de grenzen van deze discretionaire bevoegdheid, minder te eisen, voor zover dit niet leidt tot discriminatie van bepaalde telers.
43. Het gaat in casu evenwel niet alleen om het vragen van hogere of lagere bijdragen, hetgeen lid 8 uitdrukkelijk toelaat, maar om een onderscheid tussen afzonderlijke telers. De vraag is, of dit nog steeds een keuze voor minder" is in het kader van de mogelijkheden van de lidstaat. Op zijn minst dient - ook gezien het arrest in de zaak Unilec - te worden nagegaan, of een dergelijke maatregel niet in strijd is met de geest en doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening.
44. Krachtens artikel 15 ter, lid 8, kunnen de in het geding zijnde bijdragen enkel ter financiering van bepaalde kosten worden geheven, te weten de administratiekosten voortvloeiend uit de algemeenverbindendverklaring van de regeling en de kosten van acties inzake onderzoek, marktstudie en verkoopbevordering. Zoals uit de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 3284/83 blijkt, dienen de niet-aangesloten telers een financiële bijdrage aan de kosten te leveren, omdat de algemeenverbindendverklaring voor de desbetreffende groepering kosten met zich brengt. Hieruit volgt, dat de niet-aangesloten telers dienen bij te dragen aan de kosten die het gevolg zijn van het feit dat de regels van de telersvereniging voortaan ook op hen van toepassing zijn, of, bijvoorbeeld, omdat zij eveneens profiteren van in opdracht gegeven onderzoek.
45. Krachtens artikel 15 ter, lid 1, kunnen evenwel enkel de in artikel 13, lid 1, sub b, tweede en derde streepje, genoemde regels alsmede de regels inzake het uit de markt nemen van producten algemeen verbindend worden verklaard. De bepalingen die in casu van belang zijn, zijn die betreffende de verbetering van de kwaliteit van de producten en de aanpassing van de aangeboden hoeveelheden aan de eisen van de markt, alsmede die over het verstrekken van informatie over geoogste en beschikbare hoeveelheden.
46. De regels betreffende de verbetering van de kwaliteit van de producten zijn beslist niet van toepassing op telers waarvan de producten bestemd zijn voor industriële verwerking, aangezien deze - zoals ik reeds heb gezegd - overeenkomstig artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1035/72 niet zijn onderworpen aan de kwaliteitsnormen. Dit kan ook worden gezegd van de aanpassing van de aangeboden hoeveelheden, aangezien de bedoelde telers hun producten niet aan de telersvereniging, maar rechtstreeks aan de verwerkende industrie leveren op basis van vooraf gesloten contracten. De omvang van de productie of de aangeboden hoeveelheden onttrekken zich derhalve aan het toezicht van de telersvereniging.
47. Derhalve is ook het verstrekken van gegevens over geoogste en beschikbare hoeveelheden (artikel 13, lid 1, sub b, derde streepje,) niet van belang voor telers die voor industriële verwerking produceren. Evenmin valt hun productie onder de maatregelen inzake het uit de markt nemen van bepaald producten, waartoe de telersvereniging onder bepaalde omstandigheden kan besluiten. Er moet dus worden vastgesteld, dat de regels waarvan artikel 15 ter, lid 1, de eventuele algemeenverbindendverklaring voorziet, niet zijn geschreven voor telers die voor industriële verwerking produceren, respectievelijk niet aan hen ten goede komen, en dat door deze telers derhalve geen extra kosten worden veroorzaakt.
48. Gaat men ervan uit - zoals eisers doen, zonder hierin te zijn tegengesproken - dat de telers van voor industriële verwerking bestemde producten deze rechtstreeks aan de verwerkende industrie leveren overeenkomstig de vooraf gesloten contracten, dan voltrekken zich vraag en aanbod in deze sector onafhankelijk van de markt van verse producten. Marktstudies en promotie-acties van de telersvereniging voor de sector verse producten kunnen derhalve niet ten goede komen aan voor industriële verwerking producerende telers. Er zijn daarom ook geen redenen, waarom zij aan de daarmee gemoeide kosten zouden moeten bijdragen. Het lijkt derhalve redelijk en verenigbaar met het stelsel van de algemeenverbindendverklaring van regels van telersverenigingen om, zoals in het onderhavige geval, telers die voor industriële verwerking produceren uit te zonderen van de bijdrageplicht.
49. Een dergelijke uitzondering is evenmin in strijd met het bestaansrecht van telersverenigingen. Volgens artikel 13, lid 1, sub a, van verordening nr. 1035/72, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3284/83, hebben telersverenigingen in de zin van deze verordening tot doel om de concentratie van het aanbod en de regulering van de producentenprijzen te bevorderen" en om geschikte technische hulpmiddelen voor verpakking en commercialisatie van de betrokken producten ter beschikking van de aangesloten telers te stellen".
50. Aangezien - zoals ik heb uiteengezet - vraag en aanbod, en dus ook de prijzen, in het geval van producten voor industriële verwerking onafhankelijk van de markt voor verse producten tot stand komen en deze producten ook niet op de markt voor verse groenten terechtkomen, zijn zij voor de concentratie van het aanbod en de regulering van de prijzen van geen betekenis. Derhalve kan het niet onverenigbaar met het bestaansrecht van de vereniging zijn, wanneer deze producten niet aan de bijdrageplicht worden onderworpen. Een en ander geldt eveneens voor de verpakking en de commercialisatie, aangezien niet wordt betwist dat dienaangaande andere eisen gelden voor producten die voor industriële verwerking zijn bestemd.
51. Om die reden komen ook de geest en de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening uiteindelijk niet in het gedrang. Bij een van de maatregelen die in verband met de uitvoering van de gemeenschappelijke marktonderneming moeten worden getroffen - namelijk de vaststelling van gemeenschappelijke normen - voorziet verordening nr. 1035/72 zelfs uitdrukkelijk in een uitzondering voor producten die naar de be- of verwerkende industrie worden verzonden. Het is dus hoe dan ook niet in strijd met de geest en de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening en van de algemeenverbindendverklaring van de regels van de telersverenigingen voor niet-aangesloten telers, wanneer bepaalde producten, namelijk die bestemd voor industriële verwerking, van de bijdrageplicht worden uitgezonderd.
52. Op deze plaats zij tevens gewezen op verordening nr. 2200/96, ook al is deze niet van toepassing op de feiten van het hoofdgeding. Artikel 18, lid 4, sub b, van die verordening bepaalt, dat de regels die verbindend worden verklaard voor alle telers in een bepaalde economische regio, niet gelden voor producten die in het kader van een vóór het begin van het verkoopseizoen gesloten contract voor verwerking worden geleverd, tenzij de regels speciaal daarvoor zijn vastgesteld.
53. In de verordening voor de nieuwe gemeenschappelijke marktordening zijn producten die reeds vooraf verkocht en rechtstreeks aan de verwerkende industrie geleverd worden, niet alleen uitgesloten van de bijdrageplicht maar tevens van de algemeenverbindendverklaring van de regels van de telersvereniging. Deze regeling van latere datum bevestigt mijn in het voorgaande bereikte slotsom, dat het redelijk en verenigbaar met het stelsel van de algemeenverbindendverklaring is, wanneer producten die voor industriële verwerking zijn bestemd, worden uitgesloten van de bijdrageplicht.
54. Het feit dat producenten die niet bij een telersvereniging zijn aangesloten en die voor industriële verwerking produceren, niet worden onderworpen aan de bijdrageplicht, in tegenstelling tot andere niet-aangesloten producenten die voor de markt van verse producten produceren, leidt evenmin tot discriminatie. Zoals ik in het vorenstaande reeds heb uiteengezet, worden die producten niet op de markt voor verse groenten aangeboden, zijn zij niet onderworpen aan dezelfde kwaliteitsnormen en vallen zij buiten de acties van de telersvereniging op het gebied van concentratie van het aanbod en regulering van de prijzen, maar worden zij rechtstreeks aan de verwerkende industrie geleverd op basis van contracten die vóór de aanvang van het verkoopseizoen met de verwerkers zijn afgesloten. Derhalve is er in casu geen sprake van gelijke situaties die op dezelfde wijze zouden moeten worden behandeld. Op grond van het verschil tussen de producten en hun commercialisatie laat daarom ook verordening nr. 1035/72 een verschillende behandeling toe.
VI - Kosten
55. De kosten door de Franse regering en de Commissie wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
VII - Conclusie
56. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, de door de nationale rechter gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Artikel 15 ter, lid 8, van verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat, wanneer hij bepaalde door een telersvereniging vastgestelde productie- en commercialisatieregels krachtens artikel 15 ter, lid 1, van verordening nr. 1035/72 verplicht heeft gesteld voor de in de regio gevestigde telers die niet bij deze vereniging zijn aangesloten, niet-aangesloten telers voor hetzelfde product mag vrijstellen van de bijdrageplicht, voor zover hun productie niet voor de markt van verse producten, maar voor industriële verwerking bestemd is."
Full & Egal Universal Law Academy