Conclusie van de advocaat generaal
1. D, ambtenaar van de Raad van de Europese Unie, en het Koninkrijk Zweden hebben hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer) van 28 januari 1999, D/Raad (T-264/97, JurAmbt. blz. I-A-1 en II-1; hierna: bestreden arrest").
I De feiten en de procedure
2. D heeft de Zweedse nationaliteit en heeft een duurzame relatie met een andere Zweedse onderdaan in het kader van een op 23 juni 1995 geregistreerd partnerschap. Bij nota's van 16 en 24 september 1996 verzocht hij de Raad om zijn staat van geregistreerd partnerschap gelijk te stellen met het huwelijk teneinde de kostwinnerstoelage te ontvangen.
3. Het tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad wees dit verzoek bij nota van 29 november 1996 af op grond dat de betrokken bepaling van het Statuut niet toestaat om het geregistreerd partnerschap gelijk te stellen met de huwelijkse staat.
4. Een tegen dat besluit ingediende klacht werd op 30 juni 1997 eveneens afgewezen.
5. Om die reden verzocht de betrokken ambtenaar op 2 oktober 1997 het Gerecht om nietigverklaring van de afwijzing van zijn verzoek en om toekenning van alle voordelen waarop hij krachtens het Statuut op grond van zijn wettelijke staat van geregistreerd partnerschap recht heeft. Het beroep tot nietigverklaring is door de Zweedse regering ondersteund.
6. In het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van D verworpen. Zowel D als het Koninkrijk Zweden hebben op 13 respectievelijk 14 april 1999 hogere voorziening tegen dit arrest ingesteld.
7. Deze twee hogere voorzieningen, geregistreerd onder de nummers C-122/99 P en C-125/99 P, zijn voor de schriftelijke procedure en voor het arrest gevoegd.
II Het rechtskader
A Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen
8. Artikel 1, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") bepaalt:
2. De volgende ambtenaren hebben recht op de kostwinnerstoelage:
a) de gehuwde ambtenaar;
b) de ambtenaar die weduwnaar, van echt gescheiden, wettelijk gescheiden of ongehuwd is, en die een of meer te zijnen laste komende kinderen in de zin van artikel 2, leden 2 en 3, heeft;
c) krachtens een bijzonder en gemotiveerd besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen op grond van bewijsstukken, de ambtenaar die hoewel hij niet voldoet aan de sub a en b, gestelde voorwaarden, in feite gezinslasten draagt."
B De Zweedse wet betreffende het geregistreerd partnerschap
9. § 1 van afdeling 1 van de Lag (1994:1117) om registrerat partnerskap van 23 juni 1994 (Zweeds wet inzake het geregistreerd partnerschap), in werking getreden op 1 januari 1995, bepaalt:
Twee personen van hetzelfde geslacht kunnen verzoeken om registratie van hun partnerschap."
10. § 1 van afdeling 3 van dezelfde wet luidt:
Het geregistreerd partnerschap heeft dezelfde rechtsgevolgen als het huwelijk, onder voorbehoud van de in de artikelen 2 tot en met 4 vastgestelde uitzonderingen.
De wettelijke bepalingen betreffende het huwelijk en de echtgenoten zijn van overeenkomstige toepassing op geregistreerde partnerschappen en geregistreerde partners, tenzij anders bepaald bij de regels betreffende de in de artikelen 2 tot en met 4 vastgestelde uitzonderingen."
III De hogere voorziening
A Inleiding
11. In hun hogere voorzieningen betwisten D en het Koninkrijk Zweden, ondersteund door het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden, de afwijzing door het Gerecht, in het bestreden arrest, van hun middelen die er in wezen toe strekken om D te doen erkennen als een gehuwd ambtenaar" in de zin van artikel 1, lid 2, sub a, van bijlage VII bij het Statuut.
12. In zijn verzoekschrift voert D tot staving van zijn hogere voorziening vijf middelen aan:
gebrekkige motivering van het bestreden arrest;
schending van het attributiebeginsel;
schending van het beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat van gemeenschapsonderdaan";
schending van het vrije verkeer van werknemers, het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel, een middel dat is gesplitst in twee onderdelen, namelijk in de eerste plaats discriminatie op grond van seksuele geaardheid en in de tweede plaats discriminatie op grond van nationaliteit en belemmering van het vrije verkeer van werknemers;
schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM").
13. Het Koninkrijk Zweden is van mening dat het Gerecht bijlage VII bij het Statuut onjuist heeft uitgelegd door te menen dat ambtenaren met een geregistreerd partnerschap voor de toekenning van de kostwinnerstoelage niet moeten worden gelijkgesteld met gehuwde ambtenaren. Het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden nemen in wezen hetzelfde standpunt in.
14. Daartegenover is de Raad van mening dat het Gerecht bijlage VII bij het Statuut juist heeft uitgelegd en dat er geen sprake is van de door D genoemde gebreken en schendingen.
15. Ik zal de verschillende in hogere voorziening aangevoerde middelen onderzoeken in de door D gekozen volgorde. De argumenten van het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden kunnen immers bij het ene of het andere middel van D worden ondergebracht. Naar aanleiding van een opmerking van D moet echter vooraf iets worden gezegd over het voorwerp van het geding.
B Het voorwerp van het geding
16. Volgens D heeft het Gerecht het voorwerp van het geding onjuist begrensd.
17. Hij verwijt het Gerecht te hebben geoordeeld dat het verzoek om toekenning van de kostwinnerstoelage het enige voorwerp van de precontentieuze procedure was en dat het beroep dus alleen kon strekken tot nietigverklaring van de weigering om aan dit verzoek te voldoen.
18. Zijns inziens ging het in zijn verzoekschrift echter om de erkenning van zijn burgerlijke staat als geregistreerd partner met het oog op de vaststelling van zijn statutaire rechten in het algemeen. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door de strekking van het verzoek alleen tot de kostwinnerstoelage te beperken.
19. Daartegenover stelt de Raad dat uit de gevoerde correspondentie ondubbelzinnig blijkt dat de gelijkstelling van rekwirants staat met het huwelijk enkel is gevraagd met het oog op toekenning van de kostwinnerstoelage.
20. Derhalve moeten de in het stadium van het verzoek tussen D en de Raad uitgewisselde nota's worden onderzocht.
21. In zijn eerste handgeschreven nota van 16 september 1996 aan het tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad schreef D: Hierbij voeg ik de gevraagde bewijsstukken met het oog op de gelijkstelling van mijn burgerlijke staat als geregistreerd partner met een huwelijk." Die nota is meteen gevolgd door een tweede handgeschreven nota van 24 september 1996 die, wat de eigenlijke tekst betreft, luidt als volgt: Hierbij voeg ik het bewijsstuk van mijn huwelijk. Bij voorbaat dank voor een welwillende behandeling van het dossier."
22. In de door zijn advocaat ondertekende klacht heeft D gesteld dat de twee genoemde nota's de kostwinnerstoelage betroffen. Punt 3 van de klacht luidt immers als volgt: Bij nota's van 16 en 24 september 1996 heeft hij verzocht om toekenning van de kostwinnerstoelage" (onderstreept in de tekst van de klacht).
23. Weliswaar heeft rekwirant in een andere nota van 16 oktober 1996 geschreven: Mijn partner is van plan om begin november bij mij in Brussel te komen wonen en heeft in die hoedanigheid dus recht op toepassing van de bepaling van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten." Het voorwerp van deze nota was echter beschreven als verzoek om kostwinnerstoelage".
24. Hoewel de uitgewisselde nota's dus enigszins dubbelzinnig zijn, waarschijnlijk als gevolg van het feit dat rekwirant het Statuut nog niet goed kende, kan niettemin worden vastgesteld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door te menen dat het voorwerp van het geding de verkrijging van de kostwinnerstoelage was.
25. Ik voeg hier nog aan toe dat deze controverse mijns inziens tamelijk kunstmatig is, want de discussie tussen partijen ging al snel over het begrip gehuwde ambtenaar" in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut. De directeur Personeelszaken van de Raad heeft zelf in een nota van 29 november 1996, dus vóór de indiening van de klacht, als eerste verklaard dat aan het verzoek om toekenning van de kostwinnerstoelage slechts zou kunnen worden voldaan wanneer D als een gehuwde ambtenaar in de zin van die bepaling zou kunnen worden beschouwd.
26. Ook het Gerecht heeft in punt 26 van het bestreden arrest verklaard dat het probleem in het licht van die bepaling moest worden behandeld en heeft vervolgens hoofdzakelijk onderzocht of de staat van geregistreerd partnerschap al dan niet kon worden gelijkgesteld met een huwelijk.
27. Wanneer het Gerecht die vraag positief zou hebben beantwoord, zou rekwirant automatisch recht hebben gehad op de toekenning van niet alleen de kostwinnerstoelage, maar ook alle voordelen die het Statuut aan het huwelijk verbindt.
28. In feite is het verzoek van rekwirant dus behandeld op dezelfde wijze als wanneer het voorwerp van het geding de verkrijging van de status van gehuwde ambtenaar" in zijn volle omvang zou zijn geweest.
C De motivering van het arrest
29. In zijn eerste middel is D van mening dat in punt 36 van het bestreden arrest de afwijzing van zijn middel betreffende schending van het beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat niet voldoende is gemotiveerd. Het Gerecht heeft verklaard dat dit middel, gesteld dat het kan worden onderscheiden van het [middel betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het non-discriminatiebeginsel], in elk geval irrelevant is, omdat hij in het weigeringsbesluit slechts wordt beschouwd als ongehuwd in de zin van het Statuut, met als enig doel zijn recht op een aan gehuwde ambtenaren voorbehouden toelage te beoordelen".
30. Volgens D heeft het Gerecht de door hem in eerste aanleg aangevoerde middelen betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling respectievelijk schending van de unieke aard van de persoonlijke staat van personen in de Gemeenschap niet duidelijk beantwoord. Bovendien heeft het Gerecht dit laatste middel niet onderzocht.
31. Mijns inziens volgt uit punt 36 van het bestreden arrest dat het Gerecht het middel van D betreffende schending van de unieke aard van de persoonlijke staat wel duidelijk heeft beantwoord. In het bijzonder heeft het ten aanzien van dit laatste middel gemotiveerd (omdat [...]"), verklaard dat het irrelevant is.
32. Er is dus een motivering die mij ook voldoende lijkt. Het feit dat, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, het weigeringsbesluit hem slechts als niet-gehuwd in de zin van het Statuut beschouwt" betekent immers niet dat de burgerlijke staat van D naar Zweeds recht, namelijk een geregistreerd partnerschap, wordt miskend. Wanneer het beginsel van de unieke aard van de burgerlijke staat daarentegen betekent dat D moet worden geacht zich in het licht van het Statuut in dezelfde situatie als een gehuwd persoon te bevinden, heeft het Gerecht correct geoordeeld dat het middel betreffende schending van het beginsel van de unieke aard van de burgerlijke staat in werkelijkheid niet verschilde van het middel betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling.
33. Ik ben dus van mening dat het eerste middel ongegrond is.
D De toepassing van het attributiebeginsel
34. Het tweede middel van D betreft schending door het Gerecht van het attributiebeginsel [artikel 4 EG-Verdrag (thans artikel 7 EG)] door te menen dat het de taak van de Raad is om een autonome uitlegging aan het begrip huwelijk in de zin van het Statuut te geven.
35. Strikt genomen gaat het in dit middel slechts om het probleem van de methode die moet worden gebruikt bij de uitlegging van artikel 1, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut. Omdat het Koninkrijk Zweden het Gerecht echter verwijt deze bepaling van het Statuut verkeerd uit te leggen, acht ik het nuttig om niet alleen na te gaan welke uitleggingsmethode moet worden gebruikt, maar ook welk resultaat die methode oplevert.
36. In het bestreden arrest herinnert het Gerecht aan zijn rechtspraak, meer in het bijzonder het arrest Arauxo-Dumay/Commissie volgens hetwelk het begrip huwelijk" in het Statuut moet worden opgevat als een relatie die is gebaseerd op het burgerlijk huwelijk in de traditionele zin van het woord. Met verwijzing naar het arrest Díaz García/Parlement was het van oordeel dat niet behoeft te worden aangeknoopt aan het recht van de lidstaten wanneer de relevante bepalingen van het Statuut autonoom kunnen worden uitgelegd.
37. Volgens D, ondersteund door het Koninkrijk Zweden en interveniënten, moet de Raad zich bij zijn beslissing of een geregistreerd partnerschap naar Zweeds recht moet worden beschouwd als een huwelijk in de zin van het Statuut, echter aan de Zweedse wettelijke bepalingen houden.
38. Volgens het Koninkrijk Zweden heeft het Gerecht, omdat het geen rekening heeft gehouden met het Zweedse recht dat geregistreerde partners gelijk stelt met gehuwden, artikel 1, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut onjuist uitgelegd door te menen dat ambtenaren in een situatie van geregistreerd partnerschap voor de toekenning van de kostwinnerstoelage niet moeten worden gelijkgesteld met gehuwden ambtenaren.
39. Met name op basis van het arrest Reed komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden arrest in overeenstemming is met het beginsel van autonome uitlegging van het gemeenschapsrecht wanneer een uitdrukkelijke verwijzing naar het nationale recht ontbreekt. Het Gerecht heeft de betrokken bepaling van het Statuut zijns inziens dus wel juist uitgelegd.
40. Ik ben van mening dat wij onze aandacht, zoals de Raad voorstelt, moeten richten op het arrest Reed. Weliswaar hebben rekwiranten gelijk wanneer zij opmerken dat het in dat arrest, wat de feiten betreft, niet gaat om het geregistreerd partnerschap, maar om de duurzame relatie tussen een man en een vrouw, doch ik ben van mening dat dit verschil niet relevant is.
41. Het wezenlijke punt van dat arrest is immers niet dat het een vaste definitie van het begrip echtgenoot" in een duidelijk bepaalde context biedt. Bij aandachtige lezing blijkt namelijk dat het arrest een meer algemene strekking heeft en een uitleggingsmethode biedt die het mogelijk maakt om het begrip echtgenoot" of soortgelijke begrippen te definiëren met voorbijgaan aan de specifieke context van het geding waarin het is gewezen. De enige voorwaarde voor een beroep op deze methode waaraan in casu is voldaan is dat het begrip in een verordening moet staan, omdat de redenering van het Hof op de eigen kenmerken van een verordening steunt.
42. In concreto heeft het Hof in het arrest Reed verklaard dat uit de eigen kenmerken van een verordening (verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat) volgt, dat de uitlegging door het Hof van een bepaling van die verordening gevolgen heeft in alle lidstaten en dat voor een op de maatschappelijke ontwikkeling gebaseerde interpretatie van rechtsbegrippen de toestand in de gehele Gemeenschap en niet die in een enkele lidstaat moet worden onderzocht". Het Hof komt tot de slotsom: Bij gebreke van enige aanwijzing omtrent een algemene maatschappelijke ontwikkeling die een extensieve interpretatie zou rechtvaardigen, en bij gebreke van enige tegengestelde aanwijzing in de verordening, moet worden vastgesteld dat het woord ,echtgenoot in [...] de verordening enkel doelt op een op het huwelijk gebaseerde relatie."
43. Uit dit arrest volgt mijns inziens dat, wanneer het begrip echtgenoot" of soortgelijke begrippen als huwelijk" of gehuwde" in een verordening voorkomen, daaraan een autonome uitlegging moet worden gegeven, dat wil zeggen een uitlegging die rekening houdt met de situatie in de gehele Gemeenschap en niet enkel in één lidstaat.
44. Deze benadering is ook in overeenstemming met 's Hofs rechtspraak volgens welke het met het oog op de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het beginsel van gelijke behandeling als algemene regel noodzakelijk is, dat de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd.
45. Het tussen partijen besproken arrest Unger bevestigt mijns inziens ditzelfde standpunt. Daarin heeft het Hof immers verklaard dat het begrip ,werknemer in [...] [de artikelen 48 tot en met 51 EG-Verdrag] niet van nationaalrechtelijke doch van gemeenschapsrechtelijke aard is".
46. Ik ben dus van mening dat het Gerecht het attributiebeginsel niet heeft geschonden door te oordelen dat het aan de Raad is om het begrip gehuwd ambtenaar" op autonome wijze uit te leggen.
47. Evenmin deel ik het standpunt van het Koninkrijk Zweden dat het Gerecht artikel 1, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut onjuist zou hebben uitgelegd.
48. Beziet men immers de situatie in de gehele Gemeenschap, zoals het arrest Reed voorschrijft, dan lijkt het mij moeilijk om in deze zaak te komen tot een andere definitie van huwelijk" dan die welke enkel het traditionele" huwelijk tussen twee personen van verschillend geslacht dekt. Ten tijde van de feiten kenden immers slechts drie van de vijftien lidstaten het rechtsbegrip geregistreerd partnerschap, waarbij het samenleven van twee personen van hetzelfde geslacht in meerdere of mindere mate wordt gelijkgesteld met dat van twee gehuwde personen in de traditionele zin van het woord.
49. Evenmin als ten tijde van de zaak Reed een algemene sociale ontwikkeling viel te bespeuren die een zodanige extensieve uitlegging van het begrip echtgenoot" zou hebben gerechtvaardigd dat daaronder ook het partnerschap in een duurzame relatie valt, kan men in deze zaak concluderen dat er sprake is van een algemene sociale ontwikkeling op grond waarvan het geregistreerd partnerschap tussen twee personen van hetzelfde geslacht onder het begrip huwelijk" kan vallen.
50. Ik ben dus van mening dat het Gerecht artikel 1, lid 2, sub a, van bijlage VII bij het Statuut niet onjuist heeft uitgelegd door te beslissen dat de ambtenaar zoals D, die zich in een situatie van geregistreerd partnerschap met iemand van hetzelfde geslacht bevindt, niet onder het begrip gehuwd ambtenaar" valt.
51. Voorzover nodig, zou hieraan kunnen worden toegevoegd dat deze conclusie wordt bevestigd door de bedoeling van de wetgever zelf.
52. Bij de vaststelling van verordening (EG, EGKS, Euratom) nr. 781/98 van de Raad van 7 april 1998 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen alsmede van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen met betrekking tot de gelijke behandeling, heeft de Raad er als wetgever de voorkeur aan gegeven, niet in te gaan op het Zweedse verzoek om aan het Statuut een gelijkstelling tussen geregistreerd partnerschap en huwelijk toe te voegen. Daarentegen heeft hij de Commissie uitgenodigd de nodige studies betreffende de erkenning van situaties van geregistreerd partnerschap te verrichten, en hem op basis van deze studies ter zake dienende voorstellen voor te leggen.
53. Hieruit volgt dat de ambtenaar met een geregistreerd partnerschap met iemand van hetzelfde geslacht volgens de wetgever geen gehuwde ambtenaar" is.
54. Ten slotte moet hieraan worden toegevoegd dat de laatste overweging van de considerans van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn, aarnaar het Koninkrijk der Nederlanden verwijst, en volgens welke dit Statuut [...] de Gemeenschappen [moet] verzekeren van de medewerking van ambtenaren [...] die uit een oogpunt van onafhankelijkheid, bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen", mijns inziens niet toestaat om tot een andere conclusie met betrekking tot het begrip huwelijk" te komen dan die welke hiervóór (punt 50) is vermeld en uit vaste rechtspraak van het Hof voortvloeit.
55. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het tweede middel van D en het argument van het Koninkrijk Zweden dat het Gerecht artikel 1, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut onjuist heeft uitgelegd, ongegrond zijn.
E De toepassing van het beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat van de gemeenschapsonderdaan"
56. Het derde middel van D betreft schending van het beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat van de gemeenschapsonderdaan" doordat het Gerecht aan het geregistreerd partnerschap van D een autonome uitlegging geeft die verschilt van die in de Zweedse wet. Zijns inziens wordt die staat door geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht beheerst, en moet dus worden teruggegrepen op de Zweedse wet.
57. De Raad is van mening dat dit beginsel, zoals het voortvloeit uit de conclusie van advocaat-generaal La Pergola in de zaak Dafeki waarnaar D verwijst, in casu niet van toepassing is. Zijns inziens heeft het Gerecht juist gehandeld door aan het begrip huwelijk" in de betrokken bepaling van het Statuut een autonome uitlegging te geven.
58. Bij lezing van de conclusie van advocaat-generaal La Pergola blijkt dat het beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat van de gemeenschapsonderdaan" waarnaar wordt verwezen, de vraag betreft in hoeverre een gemeenschapsonderdaan bewijskracht kan ontlenen aan de hem door de bevoegde autoriteiten van zijn land van herkomst afgegeven akten van de burgerlijke stand. In het kader van die zaak ging het om de erkenning door een lidstaat van een verbeterde geboorteakte van een gemeenschapsonderdaan, die was afgegeven door een andere lidstaat en een gecorrigeerde geboortedatum bevatte.
59. In casu moet echter worden vastgesteld, dat de erkenning van de akten van D met betrekking tot zijn burgerlijke staat geenszins in het geding is. De Raad heeft de burgerlijke staat van D naar Zweeds recht, zijnde geregistreerde partner, niet betwist en evenmin de desbetreffende door de Zweedse autoriteiten overgelegde akten.
60. Het gaat hier dus niet om hetzelfde geval als dat waarin advocaat-generaal La Pergola zijn redenering betreffende het beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat van de gemeenschapsonderdaan" heeft uiteengezet. Uit die redenering kan dus niet worden afgeleid dat een dergelijk beginsel in de onderhavige zaak is geschonden.
61. Hier gaat het namelijk om de vraag of deze geenszins betwiste burgerlijke staat van geregistreerd partnerschap in het kader van de toepassing van artikel 1, lid 2, sub a, van bijlage VII bij het Statuut moet worden gelijkgesteld met die van een gehuwd persoon. Zo geformuleerd betreft de vraag het beginsel van gelijke behandeling en niet het beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat".
62. Ongeacht de draagwijdte van dit beginsel zie ik in elk geval niet in hoe het de overige lidstaten, en daarmee dus ook de communautaire rechtsorde, zou kunnen dwingen aan de houders van een Zweeds certificaat van geregistreerd partnerschap de rechtsgevolgen van het huwelijk toe te kennen.
63. Ik ben dus van mening dat het derde middel van D ongegrond is.
F De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling
64. In het eerste onderdeel van zijn vierde middel betoogt D dat de door het Gerecht aan de betrokken bepaling van het Statuut gegeven uitlegging discriminatie op grond van zijn seksuele geaardheid meebrengt.
65. In het kader van het eerste middel in eerste aanleg heeft het Gerecht om te beginnen vastgesteld, dat verordening nr. 781/98 pas in werking is getreden nadat het weigeringsbesluit was genomen.
66. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens en die van het Hof van Justitie, in het bijzonder het arrest Grant, heeft het Gerecht geoordeeld dat de Raad in zijn hoedanigheid van werkgever niet gehouden was om de situatie van iemand die een duurzame relatie met een partner van hetzelfde geslacht heeft, ook al is die relatie door een nationale administratie officieel geregistreerd, gelijk te stellen met het huwelijk in de zin van de statutaire bepalingen.
67. In het kader van het vierde middel in eerste aanleg, dat meer in het bijzonder betrekking had op het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers in artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), heeft het Gerecht beklemtoond dat de relevante statutaire bepalingen op dezelfde wijze gelden voor vrouwelijke en mannelijke ambtenaren en derhalve geen bij artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie opleveren.
68. Rekwiranten en interveniënten betwisten de uitlegging van het Gerecht. In wezen zijn zij het er allen over eens dat de verwijzingen in het bestreden arrest naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens betreffende het begrip huwelijk niet ter zake doen, evenmin als de verwijzingen naar het arrest Grant, omdat dit arrest ging over een geval van een vrije relatie en niet van een wettelijk bekrachtigde relatie met dezelfde rechtsgevolgen als het huwelijk.
69. Verder is D van mening dat hij zich rechtens en feitelijk in dezelfde situatie als die van zijn gehuwde collega's bevindt en dus in aanmerking moet komen voor dezelfde bezoldigingsrechten. De kostwinnerstoelage, die wordt gerechtvaardigd door het feit dat de ambtenaar moet voorzien in het onderhoud van te zijnen laste komende personen, maakt deel uit van die rechten. De enige reden voor de discriminerende behandeling die hij nu ondervindt, lig in het feit dat zijn partner van hetzelfde geslacht is als hij.
70. Volgens D levert dit verschil in behandeling een discriminatie op die enkel op seksuele geaardheid is gebaseerd. Daarin ziet hij een schending van artikel 119 van het Verdrag, dat het Hof in het arrest P./S. op niet-formalistische wijze heeft uitgelegd.
71. In dezelfde zin verwijst het Koninkrijk Denemarken naar de structuur en het doel van de betrokken bepaling van het Statuut, die tot doel heeft de inrichtingskosten van de echtgenoot op de plaats van tewerkstelling te vergoeden, zodat de instellingen van de Gemeenschap bekwame medewerkers kunnen aantrekken. Die kosten verschillen niet naargelang het gaat om een echtgenoot of een partner.
72. Op basis van de naar Zweeds recht bestaande concrete verschillen tussen het huwelijk en het geregistreerd partnerschap is de Raad van mening, dat deze beide rechtscategorieën niet op één lijn kunnen worden gesteld. Met verwijzing naar de eerder genoemde arresten Reed en Grant betoogt de Raad verder dat, wanneer men deze twee verschillende categorieën op dezelfde wijze wil behandelen, de wetgever daarover dient te beslissen.
73. De Raad herinnert er eveneens aan dat het Koninkrijk Zweden bij de vaststelling van verordening nr. 781/98 heeft verzocht om een gelijkstelling tussen het geregistreerd partnerschap en het huwelijk. De Raad heeft in zijn hoedanigheid van wetgever, bij de invoeging in het Statuut van een artikel 1 bis dat luidt de ambtenaren hebben recht op gelijke behandeling bij de toepassing van het Statuut zonder direct of indirect onderscheid ten aanzien van [...] seksuele geaardheid," dat uitdrukkelijk gedaan onverminderd de specifieke statutaire bepalingen op grond waarvan een bepaalde burgerlijke staat is vereist".
74. Hoe moeten deze argumenten worden beoordeeld?
75. Mijn inziens moeten zij bij gebreke van een ten tijde van de feiten toepasselijke statutaire bepaling (zie punt 65 hiervóór) worden onderzocht uitgaande van de algemene definitie van het beginsel van gelijke behandeling. Volgens vaste rechtspraak is er sprake van discriminatie wanneer gelijke of vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld en dit verschil niet objectief gerechtvaardigd is.
76. Ook al zou het tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad het recht hebben gehad om zicht te richten naar de in één enkele lidstaat bestaande situatie, wat wegens de duidelijke bewoordingen van het arrest Reed moet worden uitgesloten, dient te worden vastgesteld dat het huwelijk en het geregistreerd partnerschap zelfs naar Zweeds recht twee verschillende rechtscategorieën vormen. Niet alleen hebben deze twee categorieën niet dezelfde naam, maar de regeling ervan bevat een aantal verschillen die uitgebreid tussen partijen zijn besproken.
77. De Zweedse wetgever heeft de rechtscategorie huwelijk niet zonder meer voor twee personen van hetzelfde geslacht toegankelijk willen maken, maar er de voorkeur aan gegeven om een afzonderlijke, gedeeltelijk door andere regels beheerste rechtscategorie in het leven te roepen. Sommige van die regels, zoals het verbod voor geregistreerde partners om kinderen te adopteren of gezamenlijk kinderen op te voeden, zijn zelfs volkomen vreemd aan wat bij het huwelijk normaal is. Bovendien is het geregistreerd partnerschap slechts mogelijk ingeval één van de partners de Zweedse nationaliteit heeft en in Zweden woont, wat bij het huwelijk niet is vereist.
78. Hieruit volgt dat zelfs naar Zweeds recht de situatie van iemand die met een partner van hetzelfde geslacht onder de regeling van het geregistreerd partnerschap samenleeft, juridisch niet dezelfde is als die van de gehuwde.
79. Toch moet vanuit het gezichtspunt van het gemeenschapsrecht worden onderzocht of de situatie van personen die met een partner van hetzelfde geslacht onder de partnerschapsregeling samenleven identiek aan of vergelijkbaar met die van gehuwde personen moet worden geacht.
80. Dienaangaande ben ik, anders dan D en de drie regeringen, van mening dat het arrest Grant van fundamenteel belang is. In dat arrest moest het Hof de vraag beantwoorden of personen die een duurzame relatie onderhouden met een partner van hetzelfde geslacht in dezelfde situatie verkeren als gehuwden of personen die een buitenhuwelijkse duurzame relatie hebben met een partner van het andere geslacht".
81. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Na een diepgaande analyse, met name van de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, heeft het Hof geoordeeld dat bij de huidige stand van het recht binnen de Gemeenschap duurzame relaties tussen twee personen van hetzelfde geslacht niet worden gelijkgesteld met relaties tussen gehuwden of buitenechtelijke duurzame relaties tussen personen van verschillend geslacht".
82. Daaraan heeft het Hof in het volgende punt toegevoegd dat het in die omstandigheden [...] slechts aan de wetgever [kan] staan om in voorkomend geval een op die situatie toepasselijke regelgeving vast te stellen".
83. Mijns inziens heeft het Gerecht in de onderhavige zaak de redenering van het Hof in het arrest Grant terecht toegepast.
84. Om te beginnen herinner ik eraan dat dit arrest in 1998 is gewezen, terwijl D zijn verzoek in 1996 heeft ingediend.
85. Vervolgens moet ik vaststellen dat, anders dan het Koninkrijk Denemarken stelt, de redenering van het Hof in het arrest Grant voldoende algemeen is om eveneens van toepassing te zijn op de Raad als werkgever" en niet enkel op werkgevers uit de particuliere sector.
86. Bij lezing van punt 35 van dit arrest, in het bijzonder de boven geciteerde zin van dit punt (zie punt 81 hiervóór), blijkt immers dat het Hof tot een slotsom komt die voor het gemeenschapsrecht in het algemeen geldt en niet enkel voor een bepaald gebied van het gemeenschapsrecht.
87. Anders dan rekwiranten en interveniënten, ben ik ten slotte en vooral van mening dat het feit dat het arrest Grant over de duurzame relatie en niet over het geregistreerd partnerschap gaat, geen reden is om dit arrest buiten beschouwing te laten. In dat arrest was de burgerlijke staat (huwelijk of duurzame relatie) niet beslissend voor de redenering van het Hof. Voor de beslechting van het onderhavige geschil is van belang dat het Hof heeft verklaard dat de duurzame relatie met een persoon van hetzelfde geslacht verschilde van de duurzame relatie tussen twee personen van verschillend geslacht. In het kader van deze vergelijking was het enige in aanmerking genomen verschil dus niet de burgerlijke staat van de betrokken personen maar de aard, heteroseksueel of homoseksueel, van hun relatie.
88. Nu is vastgesteld dat de duurzame relatie tussen twee personen van hetzelfde geslacht bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht verschilt van de duurzame relatie tussen twee personen van verschillend geslacht, kan men zich dus op het arrest Grant baseren voor de stelling dat het geregistreerd partnerschap ook verschilt van het huwelijk.
89. Omdat een persoon, in casu een ambtenaar, met een geregistreerd partnerschap zich in de zin van 's Hofs rechtspraak niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een gehuwd ambtenaar, dwingt het beginsel van gelijke behandeling er dus niet toe om eerstgenoemde dezelfde behandeling te geven als laatstgenoemde.
90. Daarbij komt dat het feit dat de ambtenaar met een geregistreerd partnerschap in de behoeften van zijn partner moet voorzien of de inrichtingskosten van zijn partner op de plaats van uitoefening van de functie moet dragen, mijns inziens niet volstaat voor de conclusie dat deze ambtenaar moet worden behandeld als een gehuwd ambtenaar in de zin van artikel 1, lid 2, sub a, van bijlage VII bij het Statuut.
91. Deze bepaling onderstelt immers niet enkel het bestaan van een onderhoudsverplichting, maar vereist bovendien dat deze past binnen een specifiek kader, namelijk het huwelijk. Verder volgt uit het hiervóór (zie punten 42 en 43) besproken arrest Reed dat het begrip huwelijk autonoom moet worden uitgelegd, rekening houdend met de situatie in de gehele Gemeenschap.
92. Omdat anders de in het Statuut gestelde voorwaarde en de uit de rechtspraak voortvloeiende uitlegging ervan worden miskend, mag men er op basis van identieke verplichtingen naar Zweeds recht voor gehuwde personen enerzijds en voor geregistreerde partners anderzijds niet van uitgaan dat laatstgenoemden in aanmerking komen voor de toepassing van een statutaire bepaling die volgens haar bewoordingen voor gehuwde ambtenaren geldt.
93. Tegenover het argument dat D tracht te ontlenen aan schending van artikel 119 van het Verdrag stelt de Raad dat deze bepaling slechts discriminatie op grond van iemands geslacht dekt, en niet die op basis van zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat of de door hem gedragen kosten.
94. Dienaangaande sluit ik mij, zoals de Raad, aan bij de vaststelling van het Gerecht, dat de betrokken statutaire bepaling op dezelfde wijze van toepassing is op ambtenaren van het mannelijk geslacht en van het vrouwelijk geslacht en dus geen door artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie oplevert. In dat verband verwijst het Gerecht naar het arrest Grant, waarin het Hof, ook rekening houdend met het arrest P./S. waarnaar verzoeker nu verwijst, immers duidelijk heeft verklaard dat ongelijke behandeling op basis van seksuele geaardheid niet onder het toepassingsgebied van artikel 119 van het Verdrag valt.
95. Ten slotte leidt het feit dat het Europees Hof voor de rechten van de mens onlangs heeft geoordeeld dat in een concreet geval een onderscheid op grond van overwegingen betreffende iemands seksuele geaardheid schending van artikel 8 juncto artikel 14 EVRM kan vormen er niet toe dat ik in deze zaak van mening verander.
96. Dat recente arrest lijkt immers niets af te doen aan de feitelijke vaststelling dat ten tijde van de feiten in deze zaak uit de stand van het gemeenschapsrecht volgde dat iemand die met een geregistreerde partner van hetzelfde geslacht samenleeft, zich niet in dezelfde situatie bevond als de gehuwde en dat eerstgenoemde dus niet dezelfde behandeling als laatstgenoemde mocht eisen.
97. Ten slotte merk ik op dat in artikel 9 van het in december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt bepaald dat het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen". In de onder verantwoordelijkheid van het presidium van de Conventie opgestelde toelichting, die geen rechtskracht heeft maar enkel is bestemd om de bepalingen van het Handvest te verduidelijken in het licht van de discussies binnen de Conventie, staat te lezen dat artikel 9 de toekenning van de huwelijkse staat aan relaties tussen personen van hetzelfde geslacht niet verbiedt of daartoe verplicht". Mijns inziens bevestigt dit het verschil in situatie tussen het huwelijk enerzijds en de relatie tussen personen van hetzelfde geslacht anderzijds.
98. Om alle voorgaande redenen ben ik van mening dat het eerste onderdeel van het vierde middel van D ongegrond is.
G Discriminatie op grond van nationaliteit en belemmering van het vrij verkeer van werknemers
99. In het tweede onderdeel van zijn vierde middel is D van mening dat het bestreden besluit, door aan de krachtens de wettelijke bepalingen van drie lidstaten (Koninkrijk Denemarken, Koninkrijk Zweden, Koninkrijk der Nederlanden) geregistreerde partners de aan hun staat verbonden rechten te onthouden, een discriminatie op grond van nationaliteit vormt en een afschrikkend effect heeft op de uitoefening van het vrije verkeer.
100. Vaststaat dat tijdens de procedure in eerste aanleg geen middel betreffende discriminatie op grond van nationaliteit en/of een belemmering van het vrije verkeer had ingeroepen. Aangezien het Hof enkel bevoegd is om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven op de middelen die in eerste aanleg zijn behandeld, concludeer ik tot niet-ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het vierde middel van D.
101. Ook wanneer ik, zoals D in repliek in overweging geeft, het middel betreffende discriminatie op grond van nationaliteit slechts als een nadere uitwerking van het reeds in eerste aanleg aangevoerde middel betreffende schending van het non-discriminatiebeginsel en niet als een nieuw middel zou beschouwen, zou het middel nog steeds ongegrond zijn.
102. Krachtens de Zweedse wettelijke regeling behoeft een geregistreerd partner immers niet noodzakelijkerwijs de Zweedse nationaliteit te hebben. Slechts één van beide partners dient die nationaliteit te bezitten.
103. De andere partner zal, ongeacht zijn nationaliteit, wanneer hij ambtenaar is, evenmin als een gehuwd ambtenaar" worden beschouwd.
104. Hieruit volgt dat er geen sprake is van ongelijke behandeling op grond van nationaliteit en dat er in dat opzicht derhalve geen sprake is van discriminatie.
105. Ook met betrekking tot het middel betreffende de belemmering van het vrije verkeer moet worden vastgesteld dat het vrije verkeer niet vereist dat een werknemer in het nieuwe sociale stelsel waartoe hij behoort, kan profiteren van dezelfde voordelen als die waarvoor hij in aanmerking kwam in het sociale stelsel waarbij hij voordien was aangesloten. In die zin kan men in de onderhavige zaak niet van een belemmering van het vrije verkeer spreken.
106. Wanneer het middel betreffende het vrije verkeer daarentegen beoogt om in het kader van het nieuwe sociale stelsel te profiteren van de voordelen die aan andere aangeslotenen, in casu gehuwde ambtenaren, zijn toegekend, is het middel in werkelijkheid identiek aan dat betreffende gelijke behandeling. Wat dit laatste middel betreft, heb ik zojuist geconcludeerd dat het ongegrond is.
107. Het tweede onderdeel van het vierde middel van D is dus subsidiair ongegrond.
H De door artikel 8 EVRM gewaarborgde eerbiediging van het privé- en gezinsleven
108. Het vijfde middel van D betreft de door artikel 8 EVRM gewaarborgde eerbiediging van het privé- en gezinsleven. De bescherming van het privé-leven houdt zijns inziens in, dat het bestaan en de gevolgen van een rechtmatig verworven burgerlijke staat moeten worden erkend en dat inmenging in de vorm van het verstrekken van onjuiste gegevens aan derden is verboden. Het gaat in dit verband om de door de Raad aan de Belgische autoriteiten verstrekte informatie dat D ongehuwd was. D betoogt dat de in het arrest Grant bedoelde situatie, waarnaar het Gerecht ten onrechte verwees, niet vergelijkbaar is met de onderhavige situatie.
109. Evenals de Raad ben ik het niet eens met deze zienswijze. In het arrest Grant, waarvan om de reeds vermelde redenen (zie punten 83-88 hiervóór) in casu de redenering moet worden toegepast, heeft het Hof verwezen naar beslissingen van de Europese Commissie voor de rechten van de mens die ervan uitgaat dat, ondanks de hedendaagse mentaliteitsverandering ten opzichte van homoseksualiteit, duurzame homoseksuele relaties niet vallen onder het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven.
110. Anders dan D stelt zijn deze beslissingen van de Europese Commissie voor de rechten van de mens niet allemaal voor de invoering van het geregistreerd partnerschap genomen. De beslissing in de zaak Kerkhoven en Hinke/Nederland, waarnaar het Hof verwijst, dateert uit 1992, terwijl de invoering van het geregistreerd partnerschap in Denemarken bijvoorbeeld dateert uit 1989.
111. Verder staat, zoals de Raad stelt, het verstrekken van onjuiste gegevens aan derden, waarover D klaagt, in geen enkel verband met het onderhavige geding.
112. Ik ben dus van mening dat het vijfde middel van D ongegrond is.
I Het middel betreffende schending van artikel 1, lid 2, sub c, van bijlage VII bij het Statuut
113. Ter terechtzitting heeft D via zijn advocaat betoogd dat de Raad hem de kostwinnerstoelage uit hoofde van artikel 1, lid 2, sub c, van bijlage VII bij het Statuut had moeten toekennen.
114. Vaststaat echter dat rekwirant in zijn verzoekschrift noch in zijn klacht noch in zijn beroep voor het Gerecht naar deze bepaling heeft verwezen. Het Hof is evenwel enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven op de middelen die in eerste aanleg zijn behandeld.
115. Uit het voorgaande volgt dat het middel betreffende schending van artikel 1, lid 2, sub c, van bijlage VII bij het Statuut mijns inziens niet ontvankelijk is.
J Slotbeschouwing
116. Samengevat ben ik dus van mening dat de door D en het Koninkrijk Zweden in hogere voorziening aangevoerde middelen ongegrond zijn. Ten tijde van de feiten kon D immers op grond van artikel 1, lid 2, sub a, van bijlage VII bij het Statuut en de door hem genoemde beginselen in zijn hoedanigheid van geregistreerd partner niet worden gelijkgesteld met een gehuwde ambtenaar". Zoals het Gerecht heeft opgemerkt, is enkel de gemeenschapswetgever bevoegd om over een dergelijke gelijkstelling te beslissen.
117. Wat de kosten betreft, moet worden vastgesteld dat krachtens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering in casu niet van toepassing is. Derhalve moet artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast. Dit luidt: Indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld bepaalt het Hof het door elk hunner te dragen deel van de proceskosten." Hiervan behoeft mijns inziens niet met gebruikmaking van de in artikel 122 van het Reglement van de procesvoering geboden mogelijkheid te worden afgeweken. Rekening houdend met het aantal middelen dat door D enerzijds en door het Koninkrijk Zweden anderzijds is aangevoerd, lijkt het mij billijk om D te verwijzen in twee derde en het Koninkrijk Zweden in een derde van de kosten van de Raad.
118. Ingevolge artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering moeten interveniënten hun eigen kosten dragen.
IV Conclusie
119. Als conclusie geeft ik het Hof in overweging om:
de hogere voorziening af te wijzen;
D te verwijzen in zijn eigen kosten en in twee derde van de kosten van de Raad van de Europese Unie;
het Koninkrijk Zweden te verwijzen in zijn eigen kosten en in een derde van de kosten van de Raad van de Europese Unie;
vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden hun eigen kosten moeten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy