Conclusie van de advocaat generaal
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval (hierna: richtlijn"), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Luidens artikel 22, lid 1, van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 30 juni 1996 aan deze richtlijn te voldoen. Volgens hetzelfde artikel moesten zij die bepalingen onverwijld aan de Commissie meedelen.
3. Omdat zij geen enkele mededeling over de implementatie van de richtlijn in Griekenland had ontvangen, leidde de Commissie de precontentieuze procedure van artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) in.
4. Bij brief van 16 januari 1997 maande zij de Helleense Republiek aan om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
5. Toen de Helleense Republiek niet antwoordde op die brief, deed de Commissie haar op 2 oktober 1997 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, binnen een termijn van twee maanden aan de richtlijn te voldoen.
6. Bij brief van 22 juni 1998 deelde de Griekse regering de Commissie een ontwerp van wet tot uitvoering van de richtlijn mee.
7. Op 13 april 1999 heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
8. Hoewel zij concludeert tot verwerping van het beroep, betwist de Helleense Republiek het tegen haar ingebrachte bezwaar niet. In haar verweerschrift merkt zij immers op, dat de uitvoeringsregeling binnenkort door de bevoegde ministers zal worden ondertekend, alvorens bij het Parlement te worden ingediend.
9. Ik nodig het Hof derhalve uit om, in de lijn van zijn rechtspraak, het beroep van de Commissie toe te wijzen.
10. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen indien dat is gevorderd. Daar de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij worden verwezen in de kosten, zoals de Commissie heeft gevorderd.
Conclusie
11. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, de krachtens artikel 22, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy