CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 13 november 2001 ( 1 )
1.
Het Koninkrijk der Nederlanden heeft krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) beroep ingesteld tegen beschikking 1999/187/EG van de Commissie van 3 februari 1999 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven. ( 2 )
In concreto beoogt het beroep de nietigverklaring van die beschikking, voorzover daarin voor Nederland om de in het syntheseverslag genoemde redenen een correctie van 117277 NLG ( 3 ) is toegepast, zijnde 50 % van de bij het EOGFL gedeclareerde uitgaven in het kader van steun voor de productie van hennep over het begrotingsjaar 1995, die 234553 NLG bedroeg.
I — De gemeenschapsregeling
2.
Verordening (EEG) nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( 4 ) bepaalt welke uitgaven van de lidstaten ten laste van de afdeling Garantie van het EOGFL komen en onder welke voorwaarden de financiering ervan kan plaatsvinden. Krachtens artikel 3 worden gefinancierd de interventies ter regulering van de landbouwmarkten waartoe volgens de communautaire voorschriften wordt overgegaan. Artikel 8 legt de lidstaten de verplichting op om de nodige maatregelen te treffen om zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd, onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen, en de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
3.
Ingevolge verordening (EEG) nr. 1723/72 inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie ( 5 ), moeten de lidstaten de Commissie met het oog op de goedkeuring van de rekeningen jaarlijks de documenten die betrekking hebben op de te financieren uitgaven, toezenden.
4.
Op 4 juni 1993 stelde de Commissie een mededeling aan het EOGFL vast ( 6 ), met de titel „Berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen in het raam van het EOGFL, afdeling Garantie”. Die mededeling bevat de richtsnoeren die van toepassing zijn bij de opstelling van de syntheseverslagen betreffende de goedkeuring van de rekeningen over 1990 en volgende jaren. Bijlage I behandelt de „Financiële consequenties van enquêtes die buiten het kader van de goedkeuring van rekeningen zijn gevoerd”, terwijl bijlage II is getiteld: „Financiële consequenties van gebrekkige controle door de lidstaten voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie. Forfaitaire correcties.” In deze bijlage wordt gepreciseerd dat de Commissie, als algemene regel, wanneer zij een besluit neemt over financiële correcties, moet bepalen in welke mate het verlies van de Gemeenschap te wijten is aan gebrekkige controles, rekening houdend met de aard, de kwaliteit en de frequentie waarmee zij zijn uitgevoerd. Er worden drie forfaitaire correctiepercentages genoemd: 2 %, 5 % en 10 % van de uitgaven, naargelang de onvolkomenheid meer of minder belangrijke onderdelen van het controlesysteem of de uitvoering van controles ter beoordeling van de regelmatigheid van de uitgave betreft.
5.
De gemeenschappelijke ordening deimarkten in de sector hennep is geregeld bij verordening (EEG) nr. 1308/70 ( 7 ) en is van toepassing op deze plant van de familie van de cannabácea (cannabis sativa), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen, en op werk en afval (afval van garens en rafelingen daaronder begrepen) van hennep. ( 8 ) De algemene regels voor het verlenen van steun voor de productie van hennep in de Gemeenschap staan in verordening (EEG) nr. 619/71. ( 9 ) Volgens artikel 3 ( 10 ) wordt aan de teler uitsluitend steun toegekend voor hennep die wordt geproduceerd met gecertificeerd zaaizaad van rassen die voorkomen op een lijst die volgens de procedure van artikel 12 van verordening nr. 1308/70 is opgesteld. Artikel 6 bepaalt dat het bedrag van de uit te keren steun wordt berekend naar de ingezaaide en geoogste oppervlakte. Artikel 4 verplicht de lidstaten tot invoering van een administratief controlesysteem door middel van aangiften inzake de ingezaaide en geoogste oppervlakten, dat waarborgt dat het product waarvoor de steun wordt aangevraagd, beantwoordt aan de voorwaarden voor toekenning daarvan. Volgens artikel 5 moet de juistheid van de aangiften en van de aanvragen om steun steekproefsgewijze te velde worden gecontroleerd.
6.
De uitvoeringsbepalingen met betrekking tot steun voor hennep staan in verordening (EEG) nr. 1164/89. ( 11 ) Artikel 3 vereist, dat de steun slechts wordt toegekend voor de henneppercelen die met in bijlage B genoemde rassen zijn ingezaaid. Volgens artikel 5 moet elke teler jaarlijks uiterlijk op 15 juli een aangifte indienen van de door hem ingezaaide oppervlakten en bovendien ten minste zijn persoonlijke gegevens, de gebruikte botanische soort en de kadastrale omschrijving vermelden. ( 12 ) Volgens artikel 6 dient de steekproefsgewijze controle ten minste betrekking te hebben op 5 % van de aangiften voor ingezaaide oppervlakten. De artikelen 5, 7 en 8 bepalen, welke de gevolgen zijn van aan het licht gekomen verschillen tussen de in de aangifte vermelde en de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte.
7.
Artikel 4 van verordening nr. 1164/89 regelt de voorwaarden voor steunverlening in verband met de oppervlakte. De oorspronkelijke versie ervan luidde:
„De steun wordt slechts toegekend voor de oppervlakten:
a)
die volledig zijn ingezaaid en geoogst en waarop de normale teeltwerkzaamheden zijn uitgevoerd;
b)
waarvoor overeenkomstig artikel 5 een aangifte van de ingezaaide oppervlakten is ingediend.”
8.
Verordening (EG) nr. 1469/94 ( 13 ) completeerde de tekst van artikel 4, sub a, door daaraan toe te voegen:
„Het vlas op een bepaalde oppervlakte wordt als geoogst beschouwd wanneer op die oppervlakte een bewerking is geschied die:
—
na de zaadvorming is uitgevoerd,
—
op beëindiging van de groeicyclus van de plant was gericht,
en
—
ten doel had te bereiken dat de bruikbaarheid van de vlasstengel, in voorkomend geval zonder het zaad, wordt vergroot.
De in het derde streepje bedoelde voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld indien de plant uit de grond is getrokken of is gemaaid met een voor vlas op maximaal 10 cm en voor hennep op maximaal 20 cm boven de grond afgestelde maaibalk.
[...]”
Als gevolg van deze wijziging lijkt de Nederlandse tekst van dit artikel te verschillen van de formulering van de bepaling in de overige taalversies: in de eerste zin en het derde streepje in de Nederlandse tekst wordt gesproken van vlas, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de bepaling niet voor hennep zou gelden. Ik zal de praktische gevolgen van dit verschil in de loop van mijn betoog onderzoeken.
II — De aan dit geding ten grondslag liggende feiten
9.
Tussen 11 en 15 september 1995 verrichtten de diensten van het EOGFL een controle in Nederland. De nationale autoriteiten was vooraf meegedeeld dat het bezoek tot doel had om te verifiëren of de verordeningen nrs. 1308/70, 619/71 en 1164/89 in acht waren genomen. In concreto zou worden geverifieerd of de door het Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten gedeclareerde uitgaven over de verkoopseizoenen 1993, 1994 en 1995 in de sector vezelvlas en hennep correct waren. ( 14 )
10.
De resultaten van de verificatie werden opgenomen in een verslag ( 15 ), dat de Nederlandse autoriteiten op 31 juli 1996 werd toegezonden. Daarin werd verklaard, dat de met hennep ingezaaide oppervlakten in Nederland in beginsel niet voor steun in aanmerking konden komen, omdat de plant vóór de zaadvorming was geoogst. Bovendien werd verklaard, dat Nederland tekortschoot in zijn verplichting om de invoer van hennepzaad uit derde landen te controleren.
11.
Nederland verzette zich tegen de inhoud van dat verslag, wat leidde tot bilateraal overleg op 30 januari 1997, gevolgd door diverse briefwisselingen tussen partijen in april, mei en augustus 1997, totdat de Commissie in oktober bevestigde, dat de hennep in 1994 in strijd met artikel 4 van verordening nr. 1164/89 vóór de zaadvorming was geoogst, dat de met hennep ingezaaide oppervlakten om die reden niet voor steun in aanmerking konden komen, en dat een forfaitaire correctie van 50 % op de door Nederland uit hoofde van begrotingspost 1402 betreffende hennep gedeclareerde uitgaven werd toegepast.
12.
In december 1997 diende Nederland overeenkomstig artikel 2, lid 1, van beschikking 94/442/EG ( 16 ) een gemotiveerd verzoek om bemiddeling in.
In zijn rapport koestert het bemiddelingsorgaan twijfels over de door de diensten van de Commissie gekozen aanpak en over de geldigheid van enkele van hun argumenten. Het erkent dat de Commissie de financiering kan weigeren, zodra niet volledig aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun is voldaan. Doch het is van mening, dat onvoldoende vaststaat op welke basis de ingezaaide oppervlakten waren bepaald. Immers, omdat het werkelijke stadium van de planten ten tijde van de oogst niet adequaat is gecontroleerd, is de door de enige zaadproducent in de Gemeenschap verstrekte informatie niet voldoende om met zekerheid vast te stellen wat het werkelijke stadium van elk perceel was, mede rekening houdend met de jaarlijks en per streek wisselende weersomstandigheden en met de verschillen tussen de percelen bij gelijke omstandigheden. Het bemiddelingsorgaan constateert dat het niet heeft kunnen nagaan, of er een definitie van het begrip „gevormd” zaad bestaat die door alle deskundigen wordt aanvaard. Om die redenen was het van mening, dat de door de Commissie voorgestelde correcties een steviger basis zouden hebben, wanneer zij voornamelijk zouden berusten op de bij de verschillende controles vastgestelde tekortkomingen, met percentages die zijn aangepast aan de ernst ervan.
13.
In januari 1999 bekrachtigde de Commissie het syntheseverslag betreffende de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1995, waarvan punt 4.7.4.1.2 is gewijd aan de productiesteun voor hennep in Nederland. In dit verslag verklaart de Commissie, dat zij zowel te velde als bij het met de verwerking van de productie belaste bedrijf had vastgesteld dat de oogst had plaatsgevonden voordat het hennepzaad volledig was gevormd en dat de nationale autoriteiten op dit punt onvoldoende controle hadden uitgeoefend.
14.
Teneinde rekening te houden met de opmerkingen in het rapport van het bemiddelingsorgaan onderzocht de Commissie opnieuw de inhoud van het begrip „zaadvorming” en de methode voor de berekening van de oppervlakten die niet voor de steun in aanmerking konden komen.
Wat het eerste punt betreft, behoefde haars inziens niet te worden geëist dat de oogst zou hebben plaatsgevonden wanneer alle zaden waren gevormd, doch was het voldoende wanneer de helft ervan dat stadium had bereikt, waarbij zij ervan uitging dat de met ingang van het verkoopseizoen 1996/1997 ingevoerde wijziging van verordening (EG) nr. 466/96 ( 17 ) een precisering van de eerder geldende regels was.
Wat het tweede punt betreft, stond volgens de Commissie vast, dat het tijdstip waarop 50 % van het zaad is gevormd verschilt naargelang het jaar en de ingezaaide soort. Rekening houdend met het feit dat voor de oogst van 1994 niet was nagegaan of aan die voorwaarde was voldaan, kwam de Commissie op basis van de beschikbare technische gegevens en de resultaten van de controles te velde in andere lidstaten echter tot de overtuiging, dat voor de in dat jaar in Nederland ingezaaide hennepsoorten, gelet op de daar heersende weersomstandigheden, 50 % van de zaden niet was gevormd vóór 1 september, de datum die als uiterste datum werd aanvaard ter bepaling van de henneppercelen die voor gedeeltelijke steun in aanmerking kunnen komen. Om te kunnen vaststellen welke met hennep ingezaaide oppervlakten te vroeg waren geoogst, verzocht de Commissie de Nederlandse autoriteiten in augustus 1998 om de oogstdata mee te delen. Uit de verstrekte gegevens bleek, dat in het verkoopseizoen 1994/1995 alle hennepvelden in Nederland, in totaal 138,5 hectare, vóór 1 september 1994 waren afgeoogst. Om die reden besloot zij, dat op het totaal van 234553 NLG aan gedeclareerde uitgaven een correctie van 50 % moest worden toegepast, zodat het bedrag uit hoofde van begrotingspost 1402 bij de goedkeuring van de rekeningen werd gewijzigd in 117277 NLG.
III — De procedure voor het Hof van Justitie
15.
Nederland diende zijn verzoekschrift op 17 april 1999 in en de Commissie haar verweerschrift op 8 juli. De repliek en de dupliek werden respectievelijk op 22 oktober 1999 en op 28 januari 2000 ter griffie van het Hof neergelegd.
16.
Bij beschikking van de president van het Hof van 26 januari 2000 werd het verzoek van het Koninkrijk Spanje tot tussenkomst ter ondersteuning van de conclusies van de verzoekende staat ingewilligd. In dezelfde beschikking werd besloten om een gedeelte van de door Nederland overgelegde documenten vertrouwelijk te behandelen.
17.
Geen der partijen heeft binnen de daartoe gestelde termijn een verzoek ingediend waarin werd aangegeven om welke redenen zij wensten te worden gehoord, zodat het Hof volgens het bepaalde in artikel 44 bis van het Reglement voor de procesvoering heeft besloten om de zaak zonder mondeling gedeelte te behandelen.
IV — De middelen van het beroep tot nietigverklaring
18.
Het beroep van Nederland is onderverdeeld in vier middelen. In het eerste middel verwijt Nederland de Commissie een onjuiste uitlegging van verordening nr. 1308/70, omdat zij zijns inziens geen enkel onderscheid maakt tussen de vezel- en de zaadproductie, en omdat Nederland zijns inziens de verplichting van artikel 8 betreffende de controle van de invoer van hennepzaad uit andere lidstaten wel is nagekomen; het tweede middel stelt schending van verordening nr. 1164/89, omdat geen rekening is gehouden met het feit dat de Nederlandse taalversie van artikel 4 verschilt van de overige taalversies en leidt tot een verkeerde uitlegging van het begrip „zaadvorming”; in het derde middel wordt aangevoerd, dat niet is voldaan aan de motiveringsplicht, en het vierde middel klaagt over schending van het gelijkheidsbeginsel.
A — Eerste onderdeel van het eerste middel: verkeerde uitlegging van verordening nr. 1308/70 omdat geen onderscheid wordt gemaakt tussen de vezelproductie en de zaadproductie
19.
Nederland verklaart, dat verordening nr. 1308/70 niet verplicht tot het oogsten van vezels en zaad van dezelfde plant. Om deze reden is de uitlegging van de Commissie onjuist, wanneer zij in het syntheseverslag stelt, dat vóór de zaadvorming afgeoogste oppervlakten met het oog op de financiering van de steun slechts voor 50 % in aanmerking kunnen worden genomen, en er daarbij van uitgaat dat de steun voor hennep uit twee componenten bestaat, namelijk de productie van vezels en de productie van zaad. Die verplichting kan in de regeling niet bestaan, omdat het in de praktijk bijna onmogelijk is om zowel het zaad als de vezels op rendabele wijze te oogsten. Spanje betoogt, dat verordening nr. 1308/70 niet verplicht tot het oogsten van vezels en zaad van dezelfde plant, en evenmin voorziet in een procentuele verdeling van de productiesteun tussen zaad en vezels.
20.
Volgens de Commissie verwart verzoeker de vereisten waaraan moet worden voldaan voor steunverlening, met de oplegging van een financiële sanctie wanneer niet aan alle voorwaarden is voldaan.
21.
Ik ben van mening dat de Commissie gelijk heeft. Volgens artikel 4, sub a, derde streepje, van verordening nr. 1164/89, in de versie van verordening nr. 1469/94, wordt de steun verleend voor de met hennep ingezaaide oppervlakten die worden geoogst met het doel om de bruikbaarheid van de stengel, in voorkomend geval zonder het zaad, te vergroten, zodat de steun volledig wordt betaald wanneer aan al die vereisten is voldaan, ook al is het hennepzaad niet geoogst.
Na te hebben vastgesteld dat geen van de met hennep ingezaaide oppervlakten aan alle voorwaarden voor verkrijging van EOGFL-steun had voldaan, had de Commissie de financiering van alle uitgaven kunnen weigeren. Dienaangaande is het Hof van oordeel, dat ingevolge de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 729/70 de Commissie enkel de bedragen die overeenkomstig de in de verschillende sectoren der landbouwproducten opgestelde regels zijn betaald, ten laste van het EOGFL mag brengen. Indien de gemeenschapsregeling de betaling van steun slechts toestaat op voorwaarde dat aan bepaalde bewijs- of controleformaliteiten is voldaan, is steun die wordt betaald zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan, niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht, en kan de desbetreffende uitgave dus niet ten laste van het EOGFL worden gebracht. ( 18 )
Teneinde de strengheid van deze maatregel te verzachten koos de Commissie voor een vermindering van de financiering met 50 %, omdat er ondanks het feit dat de oogst te vroeg plaatsvond sprake was geweest van productie van hennepvezels. Zij gebruikte daarbij het criterium dat de totale steun als componenten enerzijds de vezelproductie en anderzijds de zaadproductie betreft. Doch in geen van haar schriftelijke stukken heeft zij betoogd, dat de regeling ertoe verplicht de vezels en het zaad van dezelfde plant te oogsten, wanneer overigens bekend is, dat een dergelijke activiteit niet economisch rendabel zou zijn.
22.
Volgens Nederland is het risico van oneigenlijk gebruik van de in overeenstemming met verordening nr. 1164/89 gesubsidieerde hennep als roesmiddel zeer beperkt, omdat de steun volgens artikel 3 enkel wordt toegekend voor de henneppercelen die met in bijlage B genoemde rassen zijn ingezaaid; de aanvraag om steun dient vergezeld te gaan van een kopie van het officiële etiket van het gebruikte zaaizaad; de bepaling van het tetrahidrocanabinolgehalte en de monsterneming daarvoor moeten volgens de in bijlage C beschreven methode worden verricht, en krachtens artikel 4, sub a, moet de oogst hebben plaatsgevonden na de zaadvorming.
Tevens betoogt Nederland, dat de Commissie de vermindering van de steun niet heeft afgestemd op de ernst van de inbreuk op verordening nr. 1164/89, omdat de voorwaarde dat de oogst na de zaadvorming plaatsvindt niet een van de belangrijkste voorwaarden is. Het tetrahidrocanabinolgehalte vermindert na de bloei met ongeveer 10 %, dat wil zeggen een vermindering van 0,27 % bij een maximumgehalte van 0,3 %, zodat het verschil tussen het hoogste en het laagste gehalte zeer gering is. Derhalve is een halvering van de steun, wanneer niet is voldaan aan een minder belangrijke voorwaarde, onevenredig, gelet op het feit dat het belang van bescherming van de volksgezondheid gewaarborgd blijft door de overige voorwaarden waarvan de Commissie de inachtneming niet in twijfel heeft getrokken.
23.
Ik ben het om verschillende redenen niet met het standpunt van de Nederlandse regering eens.
De eerste reden is, dat het risico van oneigenlijk gebruik voor de hennep als roesmiddel niet te zeer moet worden onderschat, wanneer de gemeenschapswetgever ter beheersing van het potentiële gevaar voor de volksgezondheid het toelaatbare maximum aan bedwelmende stoffen in de verschillende rassen vanaf het verkoopseizoen 2001/2002 van 0,3 % heeft verlaagd tot 0,2 %. ( 19 ) Om deze reden moet de wettelijke regeling voor de steunverlening strikt worden uitgelegd, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat zowel de voorwaarde betreffende zaadvorming vóór de oogst als de controle die de lidstaten op de invoer van hennepzaad moeten uitoefenen, zijn gebaseerd op de noodzaak om de volksgezondheid te beschermen.
De tweede reden is, dat ik in artikel 4, sub a, van verordening nr. 1164/89 geen enkele aanwijzing vind op grond waarvan een gradatie kan worden vastgesteld in het belang van voorwaarden waaronder een oppervlakte als afgeoogst kan worden beschouwd.
Met betrekking tot het argument dat het moment van de oogst weinig invloed op het tetrahidrocanabinolgehalte heeft, is het Hof van oordeel dat, aangezien de Commissie de niet in overeenstemming met de geldende regeling gedane uitgaven niet ten laste van het EOGFL kan brengen, de in andere sectoren van het gemeenschapsrecht gehanteerde „de minimis”-regel, volgens welke een praktijk enkel in strijd met de gemeenschappelijke markt kan worden geacht indien die praktijk merkbaar is, bij de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL niet in aanmerking kan worden genomen. ( 20 )
24.
Wat het gebrek aan evenredigheid tussen de gepleegde inbreuk en de toegepaste correctie betreft, moet eraan worden herinnerd dat, aangezien alle met hennep ingezaaide oppervlakten vóór de zaadvorming waren geoogst, de Commissie het totale bedrag uit hoofde van begrotingspost 1402 van financiering door het EOGFL had kunnen uitsluiten. Derhalve kan de Nederlandse regering de Commissie moeilijk verwijten dat zij een forfaitaire vermindering van slechts 50 % heeft toegepast. ( 21 )
25.
Om alle zojuist uiteengezette redenen, denk ik dat de Commissie verordening nr. 1308/70 bij de vaststelling van de bestreden beschikking niet verkeerd heeft uitgelegd. Het eerste onderdeel van het eerste middel is dus ongegrond en moet worden afgewezen.
B — Het tweede onderdeel van het eerste middel: verkeerde uitlegging van verordening nr. 1308/70 omdat de verplichting van artikel 8 betreffende de controle op de invoer van hennepzaad uit andere lidstaten wel in acht was genomen
26.
Nederland betoogt, dat bij steunverlening altijd wordt gecontroleerd of de geoogste hennep behoort tot een van de rassen die zijn genoemd in bijlage B bij verordening nr. 1308/70. Dat gebeurt door middel van de etiketten van het zaad die de aanvragen moeten vergezellen en door middel van steekproeven op de percelen. Verder kan de invoer in Nederland van hennepzaad met GN-code 12079910 en GN-code 12079991, dat vrijwel uitsluitend is bestemd als vogelzaad, enkel met een vergunning plaatsvinden ( 22 ), terwijl de overheid daarop ook controle uitoefent. De verklaring van de Commissie in het syntheseverslag dat de controle op de invoer van zaad uit derde landen onvoldoende was, is dus irrelevant. Desalniettemin heeft de Commissie, ondanks dat zij het tegendeel verklaart, volgens Nederland daarmee bij de vermindering van de steun met 50 % rekening gehouden.
27.
Volgens de Commissie heeft zij het gebrek aan controle op de invoer van hennepzaad uit derde landen niet in negatieve zin bij haar besluit tot toepassing van een correctie van 50 % op de gedeclareerde uitgaven betrokken. Haar desbetreffende opmerking hield verband met bevindingen tijdens het onderzoek in Nederland en werd gemaakt teneinde de aandacht van de autoriteiten te vestigen op het belang van doeltreffende controles ten behoeve van de bescherming van de volksgezondheid.
28.
Ik ben het opnieuw eens met de argumenten van de Commissie. Immers, het verrichten van specifieke controles op de invoer van zaad is geen voorwaarde voor de verkrijging van steun voor de productie van hennep en derhalve kon een gebrekkige controle geen enkele economische sanctie in het kader van de goedkeuring van de rekeningen meebrengen.
De Nederlandse regering tracht de opmerking van de Commissie over de gebrekkige controles op de invoer van zaad te weerleggen door te wijzen op het bestaan van een wettelijke regeling voor de invoer van hennepzaad, zowel indien dit bestemd was voor het gebruik als zaaizaad als wanneer het voor andere doeleinden zou worden gebruikt. Het feit dat er een wettelijke regeling bestaat betekent evenwel niet dat die juist zal worden toegepast, zeker niet wanneer de autoriteiten op het tijdstip van de controle geconfronteerd werden met organisatorische problemen. Verzoeker heeft geen inlichtingen verstrekt over de aard en de frequentie van de verrichte controles. Evenmin heeft hij bewezen dat de Commissie bij de berekening van de door haar uit hoofde van begrotingspost 1402 toegepaste correctie rekening had gehouden met de tekortkomingen in de controle op de invoer.
29.
Ik kom dus tot de slotsom, dat het tweede onderdeel van het eerste middel ook ongegrond is, zodat het middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
C — Het eerste onderdeel van het tweede middel: schending van verordening nr. 1164/89 omdat geen rekening is gehouden met het feit dat de Nederlandse taalversie van artikel 4 verschilt van de overige taalversies
30.
Nederland stelt, dat de Commissie bij de opstelling van het syntheseverslag een verkeerde versie van verordening nr. 1164/89 heeft toegepast. Immers, de toegepaste correctie heeft betrekking op de uitgaven binnen de begroting van 1995, die de periode van 16 oktober 1994 tot 15 oktober 1995 betrof.
Welnu, volgens artikel 3 van verordening nr. 1308/70 begon het verkoopseizoen op 1 augustus 1994 en eindigde het op 31 juli 1995. Gedurende dat verkoopseizoen werd de oogst van 1994 verkocht, zodat de hennep waarmee rekening was gehouden in de begroting voor 1995, was geoogst in 1994, het jaar waarin de tekst van artikel 4, sub a, van verordening nr. 1164/89 voortvloeide uit de bij verordening nr. 1469/94 aangebrachte wijziging, waarvan de redactie van de Nederlandse taalversie verschilde van de andere taalversies. Het verschil bestond hierin, dat in de Nederlandse taalversie de werkingssfeer van die bepaling, waarin de voorwaarde betreffende de zaadvorming vóór de oogst staat, zich beperkte tot vlas, zodat ervan mocht worden uitgegaan dat de verplichting om het product na de zaadvorming te oogsten niet op hennep van toepassing was.
Verordening nr. 1469/94 werd bekendgemaakt op 27 juni 1994 en trad op 4 juli 1994 in werking, dat wil zeggen vlak vóór de oogst van dat jaar, en dat verschil in redactie werd pas ontdekt toen de hennep reeds was geoogst. Volgens Nederland had de Commissie bij de vaststelling van de financiële gevolgen als een gewichtige factor rekening moeten houden met de uitleggingsproblemen die de verkeerde vertaling van die gemeenschapsregel en het niet tijdig ontdekken van de vergissing meebrachten.
31.
De Commissie stelt, dat dit verschil tussen de Nederlandse en de overige taalversies een aperte vergissing is waarop Nederland zich niet kan beroepen.
32.
Ik ben het op dit punt eveneens met de Commissie eens, en wel om de volgende redenen:
33.
In de eerste plaats staat vast, dat de bepaling in de Nederlandse taalversie enkel van toepassing lijkt te zijn op vlas. In de overige taalversies staat in de eerste zin van de bij verordening nr. 1469/94 aan artikel 4, sub a, toegevoegde tekst (in vertaling) „om als geoogst te worden beschouwd moeten de oppervlakten een bewerking hebben ondergaan [...]”, terwijl de Nederlandse tekst bepaalt „het vlas op een bepaalde oppervlakte wordt als geoogst beschouwd wanneer op die oppervlakte een bewerking is geschied [...]”. Hetzelfde geldt voor het derde streepje waarin wordt bepaald (in vertaling): „ten doel had de bruikbaarheid van de stengel te vergroten [...]”, terwijl de Nederlandse taalversie luidt: „ten doel had te bereiken dat de bruikbaarheid van de vlasstengel [...] wordt vergroot [...]”.
Evenzeer staat echter vast, dat de volgende zin in alle gemeenschapstalen als volgt is geredigeerd: „de in het derde streepje bedoelde voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld indien de plant uit de grond is getrokken of is gemaaid met een voor vlas op maximaal 10 cm en voor hennep op maximaal 20 cm boven de grond afgestelde maaibalk”. Uit het onderscheid tussen de oogstmethode van vlas en die van hennep moet worden afgeleid, dat de bij verordening nr. 1469/94 ingevoerde wijziging zowel vlas als hennep betrof. Gelet op het feit dat deze alinea onmiddellijk volgt op de inleidende zin en op de drie streepjes waarin cumulatieve voorwaarden worden opgelegd, kon een gemiddeld oplettende lezer de incongruentie dan ook beseffen en zich afvragen of die voorwaarden, logisch bezien, enkel betrekking hadden op vlas. Teneinde de door deze tekst gerezen twijfel weg te nemen, hadden de Nederlandse autoriteiten hem moeten vergelijken met enkele andere taalversies en zich moeten realiseren dat daarin niet uitdrukkelijk naar vlas werd verwezen. Dienaangaande is het Hof van oordeel, dat de noodzaak van een eenvormige toepassing en dus van een eenvormige uitlegging niet toestaat dat een tekst afzonderlijk in een van zijn versies wordt beschouwd, maar vereist dat hij wordt uitgelegd zowel naar de werkelijke bedoeling van de wetgever als naar het nagestreefde doel, en in het licht van alle taalversies. ( 23 )
34.
In de tweede plaats waren de Nederlandse autoriteiten betrokken bij de totstandkoming van verordening nr. 1469/94, omdat zij volgens de Commissie werden geraadpleegd in het kader van het Comité van beheer voor vlas en hennep, zodat zij zich onmiddellijk hadden moeten realiseren dat de ontwerptekst betrekking had op beide planten. Bovendien hadden zij tijd gehad om kennis te nemen van de inhoud ervan, omdat de ontwerptekst hun ruim voor de oogst is toegezonden, hadden zij deelgenomen aan een vergadering van het Comité van beheer dat de ontwerptekst op 8 juni 1994 goedkeurde, en er voor gestemd. Ik ben het dus met de Commissie eens, dat het argument van Nederland dat het tekstverschil pas na de oogst is opgemerkt, niet overtuigend is. Overeenkomstig het oordeel van het Hof dat het feit dat de lidstaten nauw bij het totstandkomingsproces van de bestreden handeling betrokken zijn geweest en dat zij de redenen kennen die aan deze handeling ten grondslag liggen, doorslaggevend is bij de vraag of, indien een lidstaat die handeling betwist, de motivering voldoet aan de vereisten van artikel 253 EG ( 24 ), ben ik op grond van de raadpleging van de Nederlandse autoriteiten in het kader van het Comité van beheer voor vlas en hennep, de omstandigheid dat zij over het ontwerp van de verordening beschikten en aan de vergadering deelnamen waarin het ontwerp werd goedgekeurd, geneigd om aan te nemen dat zij in een positie verkeerden om het verschil tussen de Nederlandse taalversie van de gepubliceerde tekst en de in de ontwerpfase behandelde tekst op te merken.
In de derde plaats, ingeval de lezing van de Nederlandse taalversie van verordening nr. 1469/94 bij de met de uitvoering van de regeling belaste autoriteiten twijfels opriep, had Nederland het probleem krachtens het in artikel 10 EG neergelegde beginsel van loyale samenwerking aan de Commissie moeten voorleggen. Omdat zij dat niet te hebben gedaan, zou de eventuele vergissing van die autoriteiten hen moeten worden aangerekend, ondanks het feit dat de tekst door de Commissie was vertaald. Zoals het Hof heeft verklaard, is de Commissie op het moment van de goedkeuring van de door de lidstaten ingediende rekeningen die in verband staan met het EOGFL, slechts gehouden de uitgaven voor haar rekening te nemen, wanneer de onjuiste toepassing van het gemeenschapsrecht aan een instelling van de Gemeenschap kan worden verweten. ( 25 ) Gesteld dat er twijfel bestond, had die twijfel in dit geval echter gemakkelijk door de Commissie of via een eenvoudige vergelijking met andere gepubliceerde taalversies ( 26 ) kunnen worden weggenomen, zodat de Nederlandse autoriteiten niet met een beroep op het redactionele verschil in de bepaling kunnen rechtvaardigen dat bij de oogst van de hennep in 1994 niet was voldaan aan één van de vereisten van artikel 4, sub a, van verordening nr. 1164/89, in de versie van verordening nr. 1469/94.
35.
Uit het voorgaande volgt, dat het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond is en moet worden afgewezen.
D — Het tweede onderdeel van bet tweede middel: schending van verordening nr. 1164/89 omdat het begrip „zaadvorming” verkeerd is uitgelegd
36.
Nederland voert aan dat ten tijde van het oogsten van de hennep in 1994 artikel 4, sub a, enkel de verplichting oplegde om na de zaadvorming te oogsten, wat de Nederlandse producenten hadden gedaan. Het hennepzaad begint immers bij de bloei te kiemen en wanneer de bloem al bijna open is verschijnt ook het zaad aan de onderkant. Aan het eind van de bloei is het meeste zaad, wat grootte en volume betreft, volledig gevormd, maar het wordt één tot twee weken later pas volledig rijp. Wanneer nu het hennepzaad gedurende de bloei ontkiemt en de oogst van 1994 daarna plaatsvond, was volgens Nederland aan de in artikel 4, sub a, van verordening nr. 1164/89 gestelde voorwaarden voldaan. Bovendien beklemtoont Nederland dat in dat land hennep voor gebruik van de vezels en niet voor het zaad wordt geteeld, en dat de kwaliteit ervan na de bloei achteruit gaat. Het kan het beste tijdens of kort na de bloei worden geoogst.
Nederland wijst erop, dat in een klimaat als het Nederlandse het tijdstip waarop het zaad van de toegestane henneprassen rijp wordt, weinig varieert. Het hennepzaad van het vroegste ras wordt op 7 september rijp, terwijl het zaad van het laatste ras niet meer dan twee weken daarna, op 20 september van dezelfde maand rijp wordt. Van de vier ingezaaide rassen zijn er twee die als vroeg moeten worden beschouwd (Felina 34 en Fibrimon 56). In 1994 vond de hoofdbloei van de rassen Felina 34, Fibrimon 56, Futura 77 en Fedrina 74 plaats tussen 21 juli en 6 augustus, dat wil zeggen veel eerder dan volgens de Commissie, die uitgaat van data tussen 12 en 22 augustus. Wanneer 50 % van het hennepzaad drie à vier weken na de bloei rijp wordt, volgt daaruit, dat het dit stadium bereikt tussen 18 en 29 augustus, zodat de stelling van de Commissie dat 50 % van het hennepzaad pas vanaf 1 september rijp kan zijn, onjuist is. De hoofdbloei vond plaats tussen 22 juli en 1 augustus, 50 % van het hennepzaad was rijp tussen 19 en 29 augustus en de oogst vond plaats tussen 1 en 26 augustus, dat wil zeggen onmiddellijk na of korte tijd na de bloei. Op dat tijdstip heeft het zaad reeds het deegrijpe stadium bereikt en is het volledig gevormd. Wanneer het in dat stadium wordt gedroogd, levert het kiemkrachtig hennepzaad op.
De begrippen „zaadvorming” en „volgroeid zaad” hebben volgens Nederland geen eenduidige botanische betekenis en kunnen verschillend worden uitgelegd. De Commissie gaat ervan uit dat pas kan worden geoogst wanneer ten minste 50 % van het hennepzaad is gerijpt, wat betekent dat enkel de zuidelijke lidstaten in aanmerking zouden kunnen komen voor de bij verordening nr. 1164/89 ingevoerde steunregeling, omdat de klimatologische omstandigheden aldaar een betrouwbare zaadteelt toestaan.
37.
Op basis van een door Nederland bij zijn repliek gevoegd wetenschappelijk artikel ( 27 ) en van de door de Franse Fédération nationale des producteurs de chanvre ( 28 ) verstrekte gegevens die bij de dupliek zijn gevoegd, zet de Commissie uiteen, dat de bloeichronologie van de betrokken plant in drie stadia verloopt: eerst de eigenlijke hoofdbloei, vervolgens de volle bloei, die zeven tot tien dagen daarna plaatsvindt, en ten slotte na gemiddeld ongeveer zeven à tien dagen het einde van de bloei, het tijdstip waarop het zaad de als het stadium van melkrijpheid beschreven vorm begint te krijgen. De zaadvorming van het hennepzaad verloopt in twee stadia: het eerste wanneer 50 % ontkiemt en het zaad het stadium van deegrijpheid krijgt, dat zeven à tien dagen na het einde van de bloei begint; het tweede stadium doet zich voor wanneer al het zaad dat stadium bereikt, ongeveer 25 dagen na het eerste stadium. Op grond van de technische gegevens waarover zij beschikte, heeft de Commissie met voorzichtigheid ( 29 ) 1 september genomen als de datum waarop bij de Nederlandse oogst 50 % van het zaad was gevormd, zodat uitgaande van het midden van de bloei voor de verschillende rassen, het einde van dat proces of het stadium van melkrijpheid van het zaad op zijn vroegst pas kon zijn bereikt op 22 augustus 1994, de datum waarop in dat jaar het grootste gedeelte van de hennep reeds was geoogst.
38.
Het is zeker, dat het begrip „zaadvorming” botanisch niet vaststaat. Zou dat wel het geval zijn, dan had althans één van de partijen dat moeten weten. Het door Nederland ingeschakelde bemiddelingsorgaan verklaarde in zijn oordeel, dat het niet met zekerheid had kunnen vaststellen of er een door alle deskundigen geaccepteerde definitie van het begrip „gevormd” zaad bestond. Dat was ook niet duidelijk uit de op de feiten toepasselijke geldende gemeenschapswetgeving. Duidelijkheid werd pas verkregen bij de vaststelling van verordening nr. 466/96, die in de considerans vermeldt dat de woorden „na de zaadvorming” in de producerende lidstaten verschillend kunnen worden uitgelegd en dat zij met het oog op een eenvormige toepassing van de steunregeling dienen te worden gepreciseerd. Om die reden is artikel 4, sub a, van verordening nr. 1164/89 na het derde streepje aangevuld met de volgende paragraaf: „de in het eerste streepje bedoelde zaadvorming wordt als voltooid beschouwd, wanneer een voor het betrokken perceel representatief monster meer volgroeide dan andere vlasknoppen of hennepzaden bevat”.
39.
Aangezien er thans geen gemeenschapsrechtelijke definitie van het begrip „zaadvorming” bestaat, dient de betekenis en de draagwijdte ervan die te worden bepaald met inachtneming van de algemene context waarin het wordt gebruikt en in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis. ( 30 )
40.
Wat de context betreft, ben ik het met de Commissie eens, dat de invoeging in verordening nr. 1164/89 ( 31 ) van het vereiste dat de oogst na de zaadvorming moet plaatsvinden, is te verklaren door het feit dat bij verordening (EEG) nr. 1557/93 ( 32 ) de bij verordening (EEG) nr. 3698/88 ( 33 ) ingevoerde bijzondere maatregelen voor hennepzaad waren ingetrokken. Vanaf juni 1993 omvatte de steun voor hennep zowel de vezelproductie als de zaadproductie, zodat het in artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3164/89 ( 34 ) gestelde vereiste voor het recht op steun, namelijk dat de hennep eerst na de volledige zaadvorming is getrokken of gemaaid, in verordening nr. 1164/89 werd opgenomen.
Ik ben het er ook mee eens dat, wanneer het tetrahidrocanabinolgehalte van de plant tijdens de bloei zijn piek bereikt, de bescherming van de volksgezondheid vereist, dat de oogst plaatsvindt op het tijdstip dat zo ver mogelijk van deze periode verwijderd is, dat wil zeggen na de vorming van het hennepzaad, zodat de aanwezigheid van die stof zoveel mogelijk wordt beperkt. ( 35 ) Zoals de Nederlandse regering erkent, werd het hennep in 1994 geoogst toen de zaden nog in het stadium van melkrijpheid waren, dus tussen het einde van de bloei en het eerste stadium van de zaadvorming.
41.
Volgens mij volgt uit de gebruikelijke betekenis van de woorden „bewerking die na de zaadvorming is uitgevoerd” dat moet worden gewacht totdat het zaad als zodanig kan worden gekwalificeerd, dat wil zeggen wanneer het, eenmaal gescheiden van de plant, de voor zaaien noodzakelijke kiemkrachtige eigenschappen heeft. Dat lijkt echter niet het geval te zijn wanneer het zaad zich nog in het stadium van melkrijpheid bevindt.
Behalve het feit dat dit de gebruikelijke betekenis is garandeert deze uitlegging dat de oogst in alle lidstaten onder dezelfde omstandigheden plaatsvindt, waardoor degenen die hebben gezaaid om de vezels te gebruiken en degenen die zich richten op de productie van hennepzaad, gelijktijdig kunnen oogsten.
42.
Naar mijn mening moest op grond van het in 1994 gestelde vereiste worden geoogst na de „zaadvorming”; dat begrip betekent, dat de zaadkorrels, eenmaal gescheiden van de plant, moeten kunnen worden gebruikt, waarvoor zij het stadium van deegrijpheid dienen te hebben bereikt. Verder moest, in het licht van de op dat moment geldende regel, de zaadvorming vrijwel het totale zaad omvatten.
Afgezien van de reeds door mij genoemde verklaringen heeft Nederland geen enkel bewijs geleverd van de controles die hadden moeten worden verricht om zich ervan te vergewissen dat het zaad vóór de oogst was gevormd. Nederland erkent dat de oogst van alle hennep in 1994 eind augustus plaatsvond. De Commissie heeft echter geconstateerd, dat drie van de in dat seizoen gebruikte rassen late rassen waren ( 36 ) en dat 50 % van het zaad niet gevormd kon zijn, dat wil zeggen niet vóór 1 september het stadium van deegrijpheid had bereikt, zodat ik van mening ben, dat de Commissie met haar uitlegging van het begrip „zaadvorming” verordening nr. 1164/89 niet heeft geschonden, toen zij besliste, dat slechts de helft van de uitgaven van Nederland in 1994 uit hoofde van begrotingspost 1402 ten laste van het EOGFL kon worden gebracht.
43.
Bijgevolg is ook het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond en moet het worden afgewezen.
E — Het derde middel: schending van de motiveringsplicht
44.
Nederland stelt, dat bij lezing van de motivering van de bestreden beschikking onmogelijk valt te begrijpen om welke reden de Commissie voor begrotingspost 1402 een correctie van 50 % heeft toegepast. Dat wordt pas duidelijk uit het syntheseverslag van 1995, waarin naar verordening nr. 1308/70 en de „richtsnoeren” wordt verwezen. In die richtsnoeren is echter enkel sprake van forfaitaire correctiepercentages van 2 %, 5 % en 10 %, en de Commissie heeft niet duidelijk gemaakt waarom zij niet voor één van die percentages heeft gekozen. Bovendien kan de toepassing van een correctie van 50 % wegens oogsten vóór de zaadvorming ook niet op de verordeningen nrs. 1308/70, 619/71 en 1164/89 steunen.
Nederland is ervan overtuigd dat, hoewel het heeft deelgenomen aan de procedure die leidde tot de vaststelling van de bestreden beschikking, de motivering van de Commissie voor de toepassing van een correctie van 50 % nooit volledig helder is geworden, omdat de Commissie zich heeft beperkt tot de verklaring dat bij de toepassing van verordening nr. 1164/89 dient te worden voldaan aan de verplichting om pas na de vorming van het hennepzaad te oogsten.
Nederland voegt daaraan toe dat, zelfs indien niet aan de bij verordening nr. 1308/70 opgelegde verplichtingen zou zijn voldaan, de inbreuk van geringe betekenis zou zijn geweest, en de gevolgen ervan voor de economische verplichtingen van de Gemeenschap in het kader van de steunregeling voor de productie van hennep minimaal zouden zijn.
45.
Het Koninkrijk Spanje is van mening, dat het beginsel van het recht om te worden gehoord slechts formeel in acht is genomen, omdat de Commissie de gegeven toelichtingen heeft genegeerd en het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, omdat geen rekening is gehouden of belang is gehecht aan de toelichtingen van de Nederlandse autoriteiten.
46.
Anders dan de Nederlandse regering stelt, heeft de Commissie zich volgens mij in het syntheseverslag bij de toepassing van de correctie van 50 % op de uitgaven uit hoofde van begrotingspost 1402 niet op de „richtsnoeren” gebaseerd. Evenmin heeft zij daarvoor een beroep gedaan op verordening nr. 1308/70, behalve wat de gebrekkige controles op de invoer van hennep uit derde landen betreft, waaraan de Commissie geen enkel economisch gevolg heeft verbonden.
47.
De Commissie verwijst echter wel, en terecht, naar verordening nr. 1164/89, waarin artikel 4 bepaalt onder welke voorwaarden moet worden geoogst om steun te verkrijgen. Aan één van die voorwaarden, namelijk dat pas na de zaadvorming wordt geoogst, is in 1994 in Nederland niet voldaan.
48.
Volgens vaste rechtspraak is de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld. ( 37 ) Beschikkingen betreffende de goedkeuring van rekeningen behoeven geen gedetailleerde motivering, voorzover zij zijn vastgesteld op basis van het of de syntheseverslag(en) en de volledige briefwisseling tussen de lidstaat en de Commissie, hetgeen impliceert dat de desbetreffende regering nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van de beschikking en dus bekend is met de reden waarom de Commissie meende de litigieuze bedragen niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen. ( 38 )
49.
Ik ben het niet eens met de opmerkingen van de Spaanse regering betreffende de inbreuk op de beginselen van het recht om te worden gehoord en van behoorlijk bestuur, omdat de Commissie verklaart, en dat blijkt ook uit de stukken, dat Nederland tijdens de gehele procedure in het kader van een eerlijke dialoog tussen beide partijen naar behoren op de hoogte is gehouden van de redenen die tot de vaststelling van de bestreden beschikking hebben geleid.
De Commissie heeft pas een definitief standpunt ingenomen nadat Nederland was gehoord, nadat zij kennis had genomen van het oordeel van het bemiddelingsorgaan en na de discussie die in het Comité van het EOGFL had plaatsgevonden.
50.
In het licht van deze overwegingen ben ik van mening, dat de Nederlandse regering goed was geïnformeerd over de redenen van de Commissie om een correctie van 50 % toe te passen op de uitgaven uit hoofde van begrotingspost 1402 en dat de bestreden beschikking dus stevig onderbouwd was.
51.
Bijgevolg is ook dit middel ongegrond en moet het worden afgewezen.
F — Het vierde middel: schending van het gelijkheidsbeginsel
52.
Nederland stelt dat de Commissie, door zonder opgave van redenen af te wijken van haar richtsnoeren, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, ook wanneer die richtsnoeren geen bindende kracht hebben.
53.
Bij de behandeling van het vorige middel heb ik er al op gewezen, dat de richtsnoeren niet van toepassing waren op de feiten in dit geding, aangezien daarvoor nodig was dat niet was voldaan aan één van de bij artikel 4 van verordening nr. 1164/89 gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van steun. Ook heeft de Commissie de richtsnoeren niet gebruikt bij de toepassing van de correctie van 50 % op de begrotingspost voor hennep.
54.
Volgens vaste rechtspraak kan slechts sprake zijn van discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties. ( 39 )
55.
Aangezien de feiten van het geding niet door de richtsnoeren werden beheerst, maar door artikel 4 van verordening nr. 1164/89, kan niet worden gezegd dat de Commissie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, gelet op die staten die zich in een situatie hebben bevonden waarin die richtsnoeren van toepassing waren.
56.
Derhalve is het middel ongegrond en moet het worden afgewezen.
V — Kosten
57.
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien ik in overweging geef om het beroep van het Koninkrijk der Nederlanden te verwerpen en de Commissie verwijzing in de kosten heeft gevorderd, moet Nederland worden verwezen in de kosten. Het Koninkrijk Spanje, intervenient ter ondersteuning van de conclusies van Nederland, zal zijn eigen kosten dragen.
VI — Conclusie
58.
Op grond van het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1)
Het beroep van het Koninkrijk der Nederlanden tegen beschikking 1999/187/EG van de Commissie van 3 februari 1999 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven te verwerpen.
2)
Het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten.
3)
Te beslissen dat het Koninkrijk Spanje zijn eigen kosten zal dragen.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) Kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 209 (PB L 61, blz. 37).
( 3 ) Zie punt 4.7.4.1.2. Productiesteun voor hennep (begrotingspost 1402).
( 4 ) Verordening van de Raad van 21 april 1970 (PB L 94, biz. 13).
( 5 ) Verordening van de Commissie van 26 juli 1972 (PB L 186, blz. 1), gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 295/88 van de Commissie van 1 februari 1988 (PB L 30, blz. 7).
( 6 ) Document VI/216/93.
( 7 ) Verordening van de Raad van 29 juni 1970 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vlas en hennep (PB L 146, biz. 1).
( 8 ) In de versie van verordening (EEG) nr. 3995/87 van dc Commissie van 23 december 1987 (PB L 377, bli.. 34).
( 9 ) Verordening van de Raad van 22 maart 1971 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor het verlenen van steun voor vlas en hennep (PB L 72, biz. 2).
( 10 ) In de versie van verordening (EEG) nr. 2059/84 van dc Raad van 16 juli 1984 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende beperkende maatregelen bij invoer van hennep en hennepzaad en tot wijziging van verordening nr. 619/71 ten aanzien van hennep (PB L 191, biz. 6).
( 11 ) Verordening van de Commissie van 28 april 1989 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de steun voor vezelvlas en hennep (PB L 121, bíz. 4),
( 12 ) In de versie van verordening (EEG) nr. 3569/92 van de Commissie van 10 december 1992 (PB L 362, blz. 49).
( 13 ) Verordening van de Commissie van 27 juni 1994 tot wijziging van verordening nr. 1164/89 (PB L 159, blz. 12).
( 14 ) In punt 10 van het verzoekschrift verklaarde Nederland, dat dit bezoek deel uitmaakte van een reeks van controles in vier lidstaten, die destijds de voornaamste producenten van hennep waren: Spanie, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Nederland zelf.
( 15 ) Kenmerk VI/5078/96 NL.
( 16 ) Beschikking van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 182, blz. 45).
( 17 ) Verordening van de Commissie van 14 maart 1996 tot wijziging van verordening nr. 1164/89 (PB L 65, blz. 6).
( 18 ) Arresten van 14 januari 1981, Duitsland/Commissie (819/79, Jurispr. blz. 21, punt 8); 25 februari 1988, Nederland/Commissie (327/85, Jurispr. blz. 1065, punten 24 en 25); 8 januari 1992, Italië/Commissie (C-197/90, Jurispr. blz. I-1, punt 38), en 22 april 1999, Nederland/Commissie (C-28/94, Jurispr. blz. I-1973, punt 54).
( 19 ) Verordening (EG) nr. 1420/98 van de Raad van 26 juni 1998 tot wijziging van verordening nr. 619/71 (PU L 190, blz. 7).
( 20 ) Arresten van 10 juli 1990, Griekenland/Commissie (C-334/87, Jurispr. blz. I-2849 summiere publicatie, punt 42), en Griekenland/Commissie (C-335/87, Jurispr. blz. I-2875, summiere publicatie, punt 28).
( 21 ) Arrest Italië/Commissie (reeds aangehaald in voetnoot 18, punt 39).
( 22 ) Op grond van het bepaalde in het In- en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980, Stb. 1980, nr. 576, in samenhang met de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981, Stcrt. 1992, nr. 21. Het gaat om twee regelingen die de invoer en de uitvoer van landbouwproducten betreffen.
( 23 ) Arrest van 7 juli 1988, Moksel (55/87, Jurispr. blz. 3845). Zie ook arresten van 12 november 1969, Stauder (29/69, Jurispr. blz. 419, punt 3); 27 oktober 1977, Bouchereau (30/77, Jurispr. blz. 1999, punt 13), en 7 december 1995, Rockfon (C-449/93, Jurispr. blz. I-4291, punt 28).
( 24 ) Arresten van 22 juni 1993, Duitsland/Commissie (C-54/91, Jurispr. blz. I-3399. punten 10-12), en 17 oktober 1995, Nederland/Commissie (C-478/93, Jurispr. blz. I-3081, punten 48-50).
( 25 ) Arrest van 7 februari 1979, Nederland/Commissie (11/76, Jurispr. blz. 245, punten 25 en 26).
( 26 ) Dat is precies wat ik heb moeten doen om dezelfde bepaling uit te leggen, omdat de Spaanse versie een aantal omissies en typografische vergissingen bevat.
( 27 ) Fournier, G., en Paris, M., „Détermination de chimiotypes à partir des cannabinoïdes chez le chanvre à fibres monoïque (Cannabis sativa L.) — Possibilités de sélection”, in Physiologie Végétale, vol. 18 (2), blz. 349-356, in het bijzonder blz. 354,
( 28 ) Waarvan de producenten van hennepzaad cint in 1994 in Nederland is ingezaaid, lid zijn.
( 29 ) De Commissie heeft een zeer ruime tolerantieninrge voor Nederland toegepast, omdat blijkens de gegevens waarover zij beschikte het stadium van de 50 % zaadvorming bij de in Nederland ingezaaide late rassen tussen 11 en 21 september werd bereikt, en het stadium van 100 % eind september of begin oktober, met een mogelijke uilloop tot midden oktober.
( 30 ) Arrest van 27 januari 1988, Denemarken/Commissie (349/85, Jurispr. blz. 169, punt 9).
( 31 ) Invoeging bij verordening nr. 1469/94.
( 32 ) Verordening van de Raad van 14 juni 1993 tot wijziging van verordening nr. 1308/70 (PB L 154, blz. 26).
( 33 ) Verordening van de Raad van 24 november 1988 tot vaststelling van bijzondere maatregelen voor hennepzaad (PB L 325, blz. 2).
( 34 ) Verordening van de Commissie van 23 oktober 1989 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de bijzondere maatregelen voor hennepzaad (PB L 307, blz. 22).
( 35 ) Immers, volgens het bepaalde in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1420/98 bestaat het monster om het tetrahidrocanabinolgehalte vast te stellen uit het bovenste derde van een representatief aantal planten die willekeurig zijn geplukt aan het einde van de bloeitijd en waarvan de stelen en de zaden zijn verwijderd.
( 36 ) Volgens de Commissie bestond de oogst van 1994 voor 69 % uit drie henneprassen die behoren tot de vier Franse rassen die het laatst tot bloei komen, en werd in latere jaren gekozen voor het inzaaien van vroege rassen en vrijwel niet meer voor late rassen.
( 37 ) Arresten van 25 februari 1988, Nederland/Commissie (327/85, Jurispr. blz. 1065, punt 13), en 22 juni 1993, Duitsland/Commissie (C-54/91, Jurispr. blz. I-3399, punt 10).
( 38 ) Arresten van 24 maart 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie (347/85, Jurispr. blz. 1749, punt 60); 1 oktober 1998, Ierland/Commissie (C-238/96, Jurispr. blz. I-5801, punt 22); 21 oktober 1999, Duitsland/Commissie (C-44/97, Jurispr. blz. I-7177, punt 21); 18 mei 2000, België/Commissie (C-242/97, Jurispr. blz. I-3421, punt 95); 14 december 2000, Duitsland/Commissie (C-245/97, Jurispr. blz. I-11261, punt 48), en 6 maart 2001, Nederland/Commissie (C-278/98, Jurispr. blz. I-1501, punt 119).
( 39 ) Arresten van 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, Jurispr. blz. I-225, punt 30); 27 oktober 1998, Boyle e.a. (C-411/96, Jurispr. blz. I-6401, punt 39), en 21 oktober 1999, Lewen (C-333/97, Jurispr. blz. I-7243, punt 36).
Full & Egal Universal Law Academy