Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Met het onderhavige beroep tot nietigverklaring komt de Italiaanse Republiek op tegen een beschikking van de Commissie van 3 februari 1999, voorzover daarin financiële correcties zijn aangebracht op bepaalde uitgaven van Italië in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie.
2. Het geschil betreft de minimumprijs- en productiesteunregeling voor op basis van groente en fruit verwerkte producten, in casu tomaten. De Commissie en Italië zijn het in wezen oneens over de vraag in hoeverre de garantie van een minimumprijs aan producenten in de weg staat aan overeenkomsten tussen producenten en verwerkers betreffende een verdeling van diverse bijkomende kosten.
II - Rechtskader
3. Bij verordening (EEG) nr. 426/86 van de Raad van 24 februari 1986 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte producten is voor bepaalde producten, verkregen uit groenten en fruit, geoogst in de Gemeenschap, een productiesteunregeling ingesteld. Artikel 3, lid 1, van deze verordening bepaalt:
De productiesteun wordt toegekend aan het verwerkende bedrijf dat in het kader van contracten tussen enerzijds telers, erkende telersverenigingen of groeperingen daarvan en anderzijds verwerkende bedrijven of overeenkomstig de wet in de Gemeenschap opgerichte verenigingen of groeperingen daarvan, voor het basisproduct aan de teler een prijs heeft betaald die ten minste gelijk is aan de minimumprijs."
4. Bij de artikelen 4, lid 1, eerste alinea, en 5, lid 1, van verordening nr. 426/86, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1202/90 van de Raad van 7 mei 1990, zijn criteria vastgesteld op basis waarvan de Commissie de aan de telers te betalen minimumprijs en het bedrag van de productiesteun bepaalt.
5. Voor het verkoopseizoen 1996/1997 zijn het bedrag van de aan de tomatentelers te betalen minimumprijs, alsmede het bedrag van de productiesteun vastgesteld in de bijlagen bij verordening (EG) nr. 1398/96. In bijlage I bij deze verordening wordt de aan de telers te betalen minimumprijs berekend in ecu per 100 kg nettogewicht, af producent".
6. De artikelen 2, 3 en 4 van verordening (EEG) nr. 1558/91 van de Commissie van 7 juni 1991 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de productiesteunregeling voor op basis van groenten en fruit verwerkte producten bepalen dat de verwerkers van de betrokken producten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verschillende gegevens moeten verstrekten.
7. Artikel 6 van deze verordening bepaalt:
1. De in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 426/86 bedoelde contracten, hierna ,verwerkingscontracten te noemen, moeten schriftelijk worden gesloten. Het verwerkingscontract kan ook worden opgesteld in de vorm van een verbintenis tot levering tussen een of meer telers, enerzijds, en hun erkende, als verwerker optredende vereniging of unie, anderzijds.
2. Voor de toepassing van deze productiesteunregeling wordt onder ,teler verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op zijn bedrijf de voor verwerking bestemde basisproducten teelt.
3. In de verwerkingscontracten worden met name vermeld:
a) naam en adres van de teler of van de betrokken erkende telersvereniging of -unie;
b) naam en adres van de verwerker of van de betrokken erkende verwerkersvereniging of -unie;
c) de hoeveelheden basisproduct waarop het contract betrekking heeft;
d) het tijdschema voor de levering aan de verwerker;
e) de aan de medecontractant voor de basisproducten te betalen prijs, kosten, in het bijzonder die voor verpakking, laden, vervoer en lossen, en belastingen niet inbegrepen. Al deze bedragen worden in voorkomend geval afzonderlijk vermeld.
[...]"
8. Volgens artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1558/91 dient de verwerker de aanvragen om productiesteun in bij het bureau dat is aangewezen door de lidstaat waar de verwerking is geschied.
9. Volgens artikel 14, lid 1, sub d, van verordening nr. 1558/91 moeten de steunaanvragen in het bijzonder een verklaring bevatten waarin de verwerker bevestigd dat voor de basisproducten een prijs is betaald die ten minste gelijk is aan de minimumprijs en dat de eindproducten aan de door de Gemeenschap vastgestelde kwaliteitseisen voldoen. Volgens artikel 14, lid 2, sub a en b moet de steunaanvraag vergezeld gaan van de door de medecontractant gekwiteerde facturen voor de basisproducten waaruit blijkt dat de door deze voor de producten verkregen prijs ten minste gelijk is aan de minimumprijs, of wanneer het een verbintenis tot levering betreft, een verklaring van de teler dat de verwerker geen lagere prijs dan de minimumprijs heeft betaald.
10. Artikel 5, lid 2 van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 bepaalt:
Na raadpleging van het Comité van het Fonds,
[...]
c) neemt de Commissie een besluit over de bedragen die moeten worden onttrokken aan de [...] communautaire financiering, wanneer zij constateert dat de desbetreffende uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.
[...]"
III - De feiten en de argumenten van partijen
11. Op 17 juli 1996 hebben de Italiaanse telersverenigingen en de verenigingen van verwerkende bedrijven overeenkomstig Italiaanse wet nr. 88 van 16 maart 1988 betreffende brancheovereenkomsten voor het verkoopseizoen 1996/1997 een branche-beheerovereenkomst gesloten voor tomaten die zijn bestemd voor industriële verwerking (hierna: brancheovereenkomst").
12. Artikel 11 van de brancheovereenkomst bepaalt met betrekking tot de betalingsmodaliteiten dat de teler, in zijn hoedanigheid van verkoper, enkel de transportkosten draagt met betrekking tot het afhalen van lege bakken (bins) en andere kisten of soortgelijke materialen die nodig zijn voor de levering van het basisproduct aan de verwerkingsindustrieën". In dit verband werd echter uitdrukkelijk overeengekomen dat de aan de telers en telersverenigingen in rekening te brengen transportkosten" nooit meer zullen kunnen bedragen dan 35 % van de met bewijsstukken gestaafde kosten van het gehele vervoer, met inbegrip van het overbrengen van het basisproduct van de plaats van de oogst naar het verwerkingsbedrijf, die, zoals de gemeenschapsverordening bepaalt, voor rekening van de verwerkingsindustrie komen".
13. De in artikel 3 van verordening nr. 426/86 bedoelde verwerkingscontracten werden - in het begrotingsjaar 1996/97 - op basis van de brancheovereenkomst gesloten. Daarin werd bepaald dat de verwerkers de telers de voor de oogst en levering van de basisproducten noodzakelijke kisten ter beschikking zouden stellen. De telers verplichtten zich hunnerzijds tot teruggave van deze kisten. Bij verlies of beschadiging ervan waren de telers verplicht een financiële vergoeding te betalen.
14. Bij de vaststelling van de totale door Italië bij het Fonds gedeclareerde uitgaven heeft de Commissie financiële correcties ten nadele van Italië toegepast, door het bedrag van 7 421 939 820 ITL aan steun voor de verwerking van tomaten - onvolledige betaling van transportkosten door de verwerkingsbedrijven - Italië (punt 4.6.8. van het syntheseverslag betreffende het begrotingsjaar 1995) - uit te sluiten van communautaire financiering. Dat komt overeen met een forfaitaire correctie van 2 % van het totale bedrag van 371 096 991 020 ITL.
15. In haar syntheseverslag nr. VI/6462/98 over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1995, zoals geconsolideerd op 12 januari 1999, heeft de Commissie de bestreden financiële correctie gerechtvaardigd als volgt:
Uit bij de inspecties verkregen informatie is gebleken dat de tomatentelers door de verwerkers verplicht werden om 35 % van de transportkosten voor de grondstoffen zelf voor hun rekening te nemen, wat strijdig is met de communautaire bepalingen en met name met artikel 6, lid 3, sub 3, van verordening nr. 1558/91.
[...]
Op basis van de informatie waarover zij beschikken, zijn de diensten van de Commissie van oordeel dat het niet-inachtnemen van de betrokken communautaire voorschriften neerkomt op onvolledige betaling van de minimumprijs voor de geleverde grondstoffen aan de telers en dat de verwerkende bedrijven daardoor een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel krijgen ten opzichte van de bedrijven in andere landen.
[...]"
16. De Italiaanse Republiek wendde zich op 18 mei 1998 met dit probleem tot het bemiddelingsorgaan. In zijn eindrapport van 22 oktober 1998 kwam het bemiddelingsorgaan tot de slotsom, dat artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91 niet ondubbelzinnig is en, althans op het eerste gezicht, de - ook door de Italiaanse regering getrokken - conclusie rechtvaardigt dat de kosten van extra prestaties - onafhankelijk van de door de verwerkers te betalen minimumprijs - afzonderlijk aan de telers in rekening kunnen worden gebracht. Het bemiddelingsorgaan achtte zich evenwel niet bevoegd om zelf over deze uitleggingsvraag te beslissen.
17. Daarop stelde de Commissie dat de door de Italiaanse autoriteiten verdedigde, haars inziens met het gemeenschapsrecht strijdige handelwijze, neerkomt op een onvolledige betaling aan de telers van de minimumprijs voor de geleverde basisproducten, wat de verwerkers een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel ten opzichte van ondernemingen in andere lidstaten heeft verschaft.
18. In die omstandigheden heeft de Commissie de bij het verzoekschrift van 17 april 1999, ingekomen bij het Hof op 21 april 1999, gevoegde bestreden beschikking genomen.
19. De Italiaanse Republiek concludeert dat het het Hof behage:
- nietig te verklaren beschikking C (1999) 208 van de Commissie van 3 februari 1999 houdende weigering van communautaire financiering voor bepaalde uitgaven van de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, voorzover in deze beschikking bij de vaststelling van het totale bedrag van de bij het Fonds gedeclareerde Italiaanse uitgaven financiële correcties ten nadele van Italië zijn toegepast, door een bedrag van 7 421 939 820 LIT aan steun voor de verwerking van tomaten - onvolledige betaling van de transportkosten door de verwerkingsbedrijven - Italië (punt 4.6.8. van het syntheseverslag betreffende het begrotingsjaar 1995) - van communautaire financiering uit te sluiten.
- de Commissie in de kosten van de procedure te verwijzen.
20. Volgens de Italiaanse regering betekent het feit dat artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91 uitgaven noemt waarmee in de minimumprijs geen rekening mag worden gehouden, niet dat dergelijke kosten in geen geval aan de telers in rekening kunnen worden gebracht. De teler heeft namelijk in het kader van zijn ondernemersactiviteiten tal van kosten te dragen. Wanneer artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91 inderdaad aldus moet worden uitgelegd, dat alle bijkomende kosten alleen door de verwerkers moeten worden gedragen, dan zou in die bepaling wel zijn gepreciseerd dat de verwerkingsovereenkomsten moeten voorzien in een nettoprijs.
21. Volgens de Italiaanse regering dient de bestreden bepaling enkel ter voorkoming van inbreuken op de minimumprijsregelingen door ondoorzichtige praktijken. Om die reden wordt de eis gesteld dat de bijkomende uitgaven apart worden vermeld. Zij betoogt verder, dat de terbeschikkingstelling en levering van kisten niet kunnen worden beschouwd als verwerkingshandelingen waarvan de kosten uitsluitend door de verwerkers moeten worden gedragen.
22. De Commissie concludeert dat het het Hof behage,
1. het beroep te verwerpen en
2. de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
23. Zij stelt in wezen, dat de bijdrage aan de transportkosten, hoewel deze beperkt is tot 35 % van de totale transportkosten, de minimumprijs uiteindelijk zal verlagen, en in strijd is met het vereiste van betaling van een minimumprijs af-producent" in de zin van bijlage I bij verordening nr. 1398/96. Zij wijst verder op het haars inziens nauwe verband tussen de kosten voor het gebruik van de voor het vervoer van de basisproducten noodzakelijke kisten en het vervoer zelf. Tenslotte wijst zij op het doel van de minimumprijsregelingen, te weten bescherming van de telers.
IV - Beoordeling
24. Partijen lijken het erover eens dat volgens de betrokken marktordening de transport- en verwerkingskosten niet voor rekening van de teler komen, aangezien de aan de telers te betalen minimumprijzen zijn gedefinieerd als prijzen af producent". Het is dan ook uitgesloten dat de kosten van het transport van het basisproduct naar de plaatsen van verwerking ten laste van de telers zouden komen, wat in artikel 11 van de brancheovereenkomst ook uitdrukkelijk benadrukt wordt.
25. In de aangevochten beschikking acht de Commissie de omstreden overeenkomsten tussen telers en verwerkers onverenigbaar met de minimumprijsregeling, in het bijzonder met artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91, omdat zij de kosten in kwestie tot de transport- en verwerkingskosten rekent. De Italiaanse Republiek poogt echter aan te tonen dat die kosten als daarvan losstaand kunnen worden beschouwd, en gaat daarbij in op de tekst en op het voorwerp en het doel van artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91.
26. Dientengevolge is de aard van de kosten in kwestie dus omstreden.
A - Ten aanzien van de aard van de kosten in kwestie
27. Het moet worden benadrukt dat de brancheovereenkomst volgens de tekst van artikel 11 ervan betrekking heeft op transportkosten". Deze term rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat het in het onderhavige geval gaat om de toelaatbaarheid van het afwentelen op de telers van transportkosten in de strikte zin des woord, dat wil zeggen kosten van het feitelijke vervoer van het basisproduct van de teler naar de verwerker. Het gaat veeleer om de toelaatbaarheid van een vergoeding door de telers van bepaalde diensten van de verwerkers.
28. Deze diensten van de verwerkers bestaan uit de terbeschikkingstelling van kisten die de telers blijkbaar nodig hebben bij de oogst. De verplichting van de telers om de verloren gegane of beschadigde kisten te vergoeden, staat eveneens centraal in de beschouwing van de Commissie.
29. Ter terechtzitting werd verklaard dat de kisten niet dienen voor het vervoeren van het basisproduct naar de verwerker, zoals uit artikel 11 van de brancheovereenkomst zou kunnen worden opgemaakt, maar slechts worden gebruikt bij de oogst van de tomaten. Het vervoer zou volgens het betoog van de vertegenwoordiger van de Italiaanse regering, dat ook niet werd tegengesproken door de Commissie, plaatsvinden in andere, grotere kisten. Hierna wordt daarom principieel uitgegaan van deze, naar zich laat aanzien, niet onweersproken stelling van de Italiaanse regering.
30. Deze kosten vertonen in zoverre een relatie met de bovengenoemde transportkosten dat de kisten noodzakelijk zijn voor het transport van het basisproduct naar de verwerker", en het forfaitaire maximumtarief voor deze kosten - 35 % - direct op basis van de kosten van het totale vervoer van het basisproduct wordt berekend.
31. Daaruit denkt de Commissie te kunnen concluderen dat de kosten in kwestie in nauw verband staan met de transportkosten. De Italiaanse regering werpt hiertegen in dat de terbeschikkingstelling van kisten een dienst is die los kan worden gezien van het vervoer van het basisproduct naar de verwerkers.
32. In de schriftelijke procedure heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen de desbetreffende stelling van Italië, overeenkomstig artikel 42 lid 2 van het Reglement voor de procesvoering. Omdat door de vertegenwoordiger van de Italiaanse regering ter terechtzitting werd verklaard dat de Italiaanse Republiek de kosten in kwestie niet los van de transportkosten beschouwd wil zien, deed de Commissie hierop uitdrukkelijk afstand van de exceptie van niet-ontvankelijkheid. Als de Commissie dit niet had gedaan, had ik moeten nagaan in hoeverre de betrokken stelling van Italië een nieuw argument en niet een nieuw middel was.
33. Dientengevolge blijft de aard van de kosten in kwestie omstreden. Zouden deze namelijk als transportkosten zijn aan te merken, dan zou de toelaatbaarheid ervan gezien de duidelijke tekst van verordening nr. 1398/96 twijfelachtig zijn.
34. Wat betreft de aard van de kosten in kwestie moet allereerst aan de Italiaanse regering worden toegegeven dat het vervoer van het basisproduct enerzijds en de terbeschikkingstelling van kisten voor de oogst anderzijds twee verschillende diensten zijn. Niettemin zouden de kosten in kwestie mogelijk toch tot de directe transportkosten moeten worden gerekend, wanneer men bedenkt dat de beschikbaarheid van kisten een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de uitvoering en het verladen en vervoeren van de oogst, zoals zelfs blijkt uit artikel 11 van de brancheovereenkomst. Ook dit pleit vóór het door de Commissie benadrukte verband tussen het vervoer op zich en de terbeschikkingstelling van kisten.
35. De Commissie wijst er eveneens niet ten onrechte op dat artikel 11 van de brancheovereenkomst zelf de kosten in kwestie tot de transportkosten rekent en de hoogte ervan relateert aan de hoogte van de totale transportkosten.
36. Het laatstgenoemde argument lijkt echter weinig overtuigend. Uitgaande van het doel van de minimumprijsregeling kan de aard van de kosten in kwestie namelijk niet afhangen van de kwalificatie ervan door de betreffende contractanten, terwijl de doorberekening van de kosten niet zozeer hun aard, als wel de beoordeling van de toelaatbaarheid ervan vanuit het oogpunt van de financiële effecten voor de telers betreft.
37. Als men uitgaat van het betoog van de vertegenwoordiger van de Italiaanse regering ter terechtzitting, moet worden geconstateerd dat de ter beschikking gestelde kisten blijkbaar niet worden gebruikt voor het vervoer van het basisproduct. Indien dit juist is, lijkt het uitgesloten dat de terbeschikkingstelling van de kisten tot het feitelijke vervoer van het basisproduct moet worden gerekend.
38. Indien de kisten echter voor het vervoer van het basisproduct naar de verwerkers worden gebruikt, zou een dergelijk onderscheid tussen de dienst van de verwerkers en het feitelijke vervoer niet meer verdedigbaar zijn. Het is juist dat het gebruik van de kisten de daadwerkelijke verrichte dienst van de verwerkers - de terbeschikkingstelling van kisten - onverlet laat. Beslissend is echter, of deze dienst een onontbeerlijke voorwaarde is voor het vervoer van het basisproduct.
39. Een ander argument voor de stelling van de Commissie zou kunnen worden afgeleid uit een vergelijking met het recht inzake internationale koopovereenkomsten. De Incoterms 2000 bepalen namelijk dat in het geval van verkoop af fabriek" (EXW) de koper in geval van twijfel de kosten van het wegnemen/afhalen van het product dient te dragen. Dit betekent echter dat in een dergelijke constellatie - overeenkomend met de verkoop van het basisproduct af teler - kosten als de onderhavige deel uitmaken van de transportkosten.
40. Aangenomen dat de kosten in kwestie echter, overeenkomstig de ter terechtzitting naar voren gebrachte stelling, als op zichzelf staande kosten kunnen worden beschouwd, moet worden bezien of de in de omstreden brancheovereenkomst geregelde betaling ervan door de teler volgens de minimumprijsregeling geoorloofd is. Overeenkomstig het betoog van partijen moet daarbij worden uitgegaan van de tekst en het doel van de geciteerde regels.
B De tekst van artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91
41. De verplichting van artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91 om de minimumprijs en de bijkomende kosten afzonderlijk te vermelden, rechtvaardigt op zichzelf nog geen principieel verbod op het doorberekenen van bijkomende kosten aan de teler. In tegendeel, het is zelfs voor de hand liggend om, zoals de Italiaanse regering terecht opmerkt, betaling van deze kosten door de teler toelaatbaar te achten, omdat de verplichting om de bijkomende kosten afzonderlijk te vermelden, alleen maar kosten kan betreffen die volgens de marktordening voor rekening van de teler zijn.
42. Artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91 bevat ook de beperking dat de betrokken bedragen in voorkomend geval" afzonderlijk moeten worden vermeld. Deze beperking zou kunnen betekenen dat kosten alleen moeten, respectievelijk kunnen worden vermeld wanneer de marktordening betaling ervan door de teler überhaupt toelaat.
43. Deze argumentatie van de Italiaanse regering lijkt in zoverre dus niet klaarblijkelijk ongegrond. De stelling van de Commissie moet daarentegen worden verworpen: uit de tekst van artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91 kan niet worden opgemaakt dat kosten die door de partijen als transportkosten worden gekwalificeerd, niet door de teler mogen worden gedragen.
Een op de tekst van de bepaling afgestemde uitlegging lijkt dus slechts in beperkte mate overtuigend.
C - De systematiek en het doel van de minimumprijsregeling in de betrokken marktordening
44. Op grond van artikel 6, lid 3, sub e, van verordening nr. 1558/91 alleen kan niet worden beoordeeld of een eventuele kostenovername door de teler geoorloofd is. Deze bepaling kan dus niet geïsoleerd, doch enkel binnen de minimumprijsregeling in haar totaliteit worden bezien.
45. In het onderhavige geval volgt ondubbelzinnig uit bijlage I bij verordening nr. 1368/96 dat de aan de teler te betalen minimumprijs een prijs af-producent" is. De logische consequentie daarvan is, dat de kosten voor het vervoer van de basisproducten naar het verwerkingsbedrijf, zoals reeds gezegd, voor rekening van de verwerkers komen.
46. De minimumprijsregeling voor op basis van tomaten verwerkte producten berust op de verwerkingscontracten en dient onder meer als inkomensgarantie voor de telers. De productiesteun die de verwerkers onder bepaalde voorwaarden krijgen, is zodanig berekend, dat de verwerkers de basisproducten op de gemeenschappelijke markt tegen - vergeleken met de wereldmarktprijzen - concurrerende prijzen kunnen kopen.
47. Niet ten onrechte wijst de Italiaanse Republiek erop, dat om na te gaan of de minimumprijs daadwerkelijk aan de telers is betaald, het dus noodzakelijk is om de betaalde prijs te kunnen onderscheiden van andere financiële prestaties in de verwerkingscontracten.
48. De minimumprijsregeling verzet zich er dus in beginsel niet tegen dat de teler bijkomende kosten voor zijn rekening neemt, zolang deze in de verwerkingscontracten duidelijk worden vermeld en het doel van deze regeling daardoor niet in gevaar komt.
49. Gesteld dat in het onderhavige geval de terbeschikkingstelling van de kisten een van het vervoer van de basisproducten naar de verwerker te onderscheiden dienst is, is er geen duidelijke reden waarom bij voorbaat, enkel omdat de betrokken dienst door de verwerker en niet door een derde is verricht, zou moeten worden uitgesloten dat de teler de kosten voor zijn rekening neemt.
50. Toch komt het doel van de regeling volgens de Commissie in gevaar, omdat artikel 11 van de brancheovereenkomst en de op die grondslag gesloten verwerkingscontracten er haars inziens uiteindelijk toe zouden leiden, dat de verwerker de te betalen minimumprijs onrechtmatig met een bedrag ten belope van 35 % van de transportkosten vermindert.
51. Dit bezwaar moet nader worden onderzocht. Ook wanneer men de betrokken kostenbijdrage van de teler in beginsel geoorloofd acht, omdat het gaat om de vergoeding van een bijzondere dienst die niet als het vervoer van de basisproducten naar de verwerker en de verwerking ervan kan worden aangemerkt, lijkt het nuttig om de doorberekening van deze dienst aan de telers, en vooral de berekeningsmethode, zorgvuldig te onderzoeken.
52. In dit verband moet worden opgemerkt, dat artikel 11 van de brancheovereenkomst de betaling van de omstreden kosten koppelt aan het bedrag van de totale transportkosten en verder verwijst naar de individuele verwerkingscontracten. Blijkens de door de Italiaanse regering overgelegde standaardcontracten wordt de bijdrage van de teler op 35 % van de kosten van het totale vervoer vastgesteld. Dat duidt er evenwel op dat de bijdrage van de teler duidelijk niet zozeer aan de hand van de werkelijke kosten, maar veeleer forfaitair wordt berekend.
53. De Commissie wijst er terecht op dat de minimumprijsregeling dwingend is. Een rechtstreekse of zijdelingse uitholling van de minimumprijsregeling is dus ongeoorloofd. Dat belet in beginsel niet dat de telers een bijdrage leveren aan bepaalde bijkomende kosten die niet rechtstreeks in verband met het vervoer en de verwerking staan. Een dergelijke bijdrage aan de kosten moet echter wel verenigbaar zijn met de minimumprijsregeling af-producent". Derhalve is de in beginsel - bij wijze van kostendekking - bestaande mogelijkheid om kosten voor bijzondere diensten die niet in rechtstreeks verband met het vervoer en de verwerking van de basisproducten staan aan de telers in rekening te brengen, begrensd zodra de integrale betaling van de dwingend voorgeschreven minimumprijs daardoor in het gedrang zou kunnen komen.
54. Dat gevaar bestaat, wanneer de aan de teler in rekening gebrachte kosten niet overeenkomen met de werkelijke uitgaven van de verwerkers bij het verrichten van de betrokken diensten. Voorzover de brancheovereenkomst voorziet in een verplichting tot betaling van schadevergoeding voor beschadigde of verloren gegane kisten, levert zoiets mijns inziens geen bezwaar op. Een forfaitaire kostenbijdrage als tegenprestatie voor het terbeschikkingstellen van kisten voor de oogst leidt echter tot een ongeoorloofde verlaging van de aan de teler te betalen minimumprijs, voorzover deze prijs als gevolg van de kostenbijdrage wordt verminderd met een hoger bedrag dan dat van de werkelijke uitgaven van de verwerkers.
55. Voor de toepassing van de minimumprijsregeling kan het uiteindelijk niet van belang zijn of de minimumprijs eerst aan de telers is uitbetaald, en vervolgens wordt verrekend met vorderingen van de verwerkers die betrekking hebben op de bijkomende kosten, dan wel of de minimumprijs bij voorbaat slechts gedeeltelijk werd uitbetaald.
56. Ongeacht de aard van in het geding zijnde kosten moet dus worden ingestemd met de vaststelling van de Commissie dat de op basis van de brancheovereenkomst gesloten verwerkingscontracten een onvolledige betaling van de minimumprijs aan de telers" ten gevolge hadden. Aangezien de minimumprijsregeling van dwingende aard is, zijn de desbetreffende uitgaven niet verricht overeenkomstig de communautaire voorschriften" in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1287/95.
V - Kosten
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
VI - Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) Het beroep te verwerpen.
2) De Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy