Conclusie van de advocaat generaal
Inleidende opmerkingen
1. In de onderhavige zaak gaat het om de rechtmatigheid van verschillende correcties die ten nadele van de Italiaanse Republiek op de door het EOGFL gefinancierde uitgaven zijn aangebracht. Aan de orde zijn zowel specifieke correcties als een forfaitaire correctie van 25 % in - in totaal - drie gevallen.
2. Bij beschikking 1999/187/EG (hierna: bestreden beschikking") heeft de Commissie onder meer vastgesteld dat de volgende bedragen niet ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht:
- ongeveer 500 000 000 ITL ter zake van kosten van openbare opslag van durumtarwe wegens niet voor interventie in aanmerking komende kwaliteit;
- 2 751 722 888 ITL ter zake van consumptiesteun voor olijfolie wegens gebreken in de administratieve procedure tot intrekking van de erkenning van verpakkingsbedrijven voor olijfolie;
- 62 685 916 000 ITL en 13 998 973 000 ITL ter zake van ooien- en geitenpremies wegens administratieve gebreken en tekortschietende controles.
3. De bestreden beschikking is in het bijzonder gebaseerd op het syntheseverslag betreffende de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1995 (hierna: syntheseverslag 1995").
4. De Italiaanse regering vordert nietigverklaring van de bestreden beschikking voorzover daarbij de hierboven vermelde bedragen van de door het EOGFL over het begrotingsjaar 1995 gefinancierde uitgaven worden uitgesloten.
5. De Commissie concludeert ten eerste tot verwerping van het beroep en ten tweede tot verwijzing van verzoekster in de kosten.
6. De drie aangevoerde middelen worden hierna telkens in het kader van de betwiste correctie behandeld. Voor bijzonderheden aangaande de feiten, het procesverloop alsook de argumenten van partijen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting. De stukken van het dossier worden hierna slechts weergegeven voorzover dat noodzakelijk is ter onderbouwing van mijn conclusie.
I - Openbare opslag van granen - Controle door UCLAF bij opslagplaatsen - Niet voor interventie in aanmerking komende durumtarwe
A - Feiten en toepasselijk recht
7. Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen vormt de basisregeling voor het interventiestelsel met ingang van het verkoopseizoen 1993/1994. Verordening (EEG) nr. 689/92 van de Commissie van 19 maart 1992 stelt de procedures en voorwaarden vast voor de overneming van granen door de interventiebureaus.
8. Toen de diensten van de Eenheid voor de coördinatie van fraudebestrijding (Unité de coordination de la lutte anti-fraude; hierna: UCLAF") in december 1993 in Italië controles uitvoerden, hebben zij geconstateerd dat in meerdere pakhuizen bepaalde hoeveelheden durumtarwe niet voor interventie in aanmerking kwamen alsook dat er hoeveelheden graan ontbraken. Deze constateringen hebben geleid tot een financiële correctie van 3 857 589 582 ITL over het begrotingsjaar 1995.
9. Deze financiële correctie heeft betrekking op in totaal iets meer dan 18 000 ton durumtarwe, waarvan enkel 1 485,104 ton (hierna: litigieuze hoeveelheid") voorwerp van het onderhavige beroep is. De litigieuze hoeveelheid komt overeen met een gedeelte van het bedrag van de correctie, dat volgens de Italiaanse regering ongeveer 500 000 000 ITL van de in totaal 3 857 589 582 ITL beloopt.
10. De litigieuze hoeveelheid is durumtarwe die in drie verschillende pakhuizen opgeslagen is of zou zijn. Nu de middelen van het beroep feitelijk van aard zijn, kan worden afgezien van een gedetailleerde beschrijving van de feiten en de voorafgaande procedure en in deze verwezen worden naar het syntheseverslag 1995.
11. De Italiaanse Republiek voert in wezen aan dat de Commissie bij de berekening van de hoeveelheden in drie verschillende pakhuizen feitelijke onjuistheden heeft begaan. Zij kritiseert in het bijzonder dat de Commissie zich bij de berekening van de correctie telkens gebaseerd heeft op grotere hoeveelheden dan die waarvan de opslag bewezen was. Ik moet dus de argumentatie van de Italiaanse Republiek voor ieder pakhuis apart uiteenzetten en beoordelen.
12. In deze moet worden verwezen naar de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen en de verdeling van de bewijslast in het kader van een rechtstreeks beroep tegen beschikkingen van de Commissie.
13. Volgens deze rechtspraak financiert het EOGFL slechts interventies die in overeenstemming zijn met de gemeenschapsbepalingen en is de Commissie, wanneer zij gegronde twijfel heeft over een verrichting naar aanleiding van feitelijke elementen of omstandigheden betreffende de voorwaarden waaronder die verrichting heeft plaatsgevonden, verplicht de desbetreffende bedragen niet te betalen, behoudens wanneer de betrokken lidstaat bewijselementen aanvoert die volstaan om deze twijfel weg te nemen.
14. Evenzo geldt dat wanneer [...] de Commissie weigert om bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, op grond dat deze het gevolg waren van aan een lidstaat toe te rekenen overtredingen van communautaire voorschriften, deze lidstaat moet bewijzen dat de voorwaarden voor het verkrijgen van de door de Commissie geweigerde financiering zijn vervuld".
15. Het Hof stelde eveneens vast: De Commissie behoeft [...] de onregelmatigheid van de door de lidstaten toegezonden gegevens niet volledig aan te tonen; zij moet enkel een bewijs leveren voor de ernstige en redelijke twijfel die zij omtrent de door de nationale autoriteiten meegedeelde cijfers koestert. Deze verlichting van de bewijslast voor de Commissie is te verklaren door het feit dat [...] de lidstaat zelf het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren, zodat dus de lidstaat gedetailleerd en volledig dient te bewijzen dat zijn cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, de berekeningen van de Commissie onjuist."
16. Met haar eerst middel betwist de Italiaanse regering alleen drie specifieke correcties, die te wijten zouden zijn aan fouten in de berekening. Zij trekt de correcties op zich dus niet in twijfel, maar alleen de hoogte ervan. Overeenkomstig de hierboven uiteengezette verdeling van de bewijslast moet telkens worden onderzocht of de Italiaanse regering de onjuistheid van de litigieuze correcties heeft aangetoond.
B - Het pakhuis San Lorenzo
17. Aangaande het pakhuis San Lorenzo betwist de Italiaanse regering de aftrek door de Commissie van 954,220 ton (hierna: gecorrigeerde hoeveelheid") voor het seizoen 1991/1992. Zij baseert zich daarbij op de door het Italiaanse interventiebureau AIMA verrichte tellingen en de resultaten van analyses na een controle ter plaatse. Volgens deze analyses had de Commissie voor het seizoen 1987/1988 enkel 64,51 ton mogen aftrekken.
18. In wezen verschillen partijen van mening over de vraag waarop de gecorrigeerde hoeveelheid betrekking heeft en als gevolg daarvan of de rechten van de verdediging van de Italiaanse regering in de voorafgaande procedure zijn geëerbiedigd en de bestreden beschikking in deze voldoende was gemotiveerd. De Italiaanse regering kritiseert in het bijzonder het feit dat de Commissie de 1 076,22 ton waarop zij zich baseerde in haar syntheseverslag 1995 en bij haar berekeningen in haar brief van 31 augustus 1998, waarmee de correcties aan de Italiaanse autoriteiten werden voorgesteld, niet reeds na het controlebezoek van 27 december 1993 heeft vermeld als ontbrekende hoeveelheid. Zij wijst erop dat voor ontbrekende hoeveelheden op zich een afzonderlijke correctie is toegepast onder punt 4.5.1.1.1.3, sub a, van het syntheseverslag 1995.
19. Allereerst moet worden vastgesteld op welk seizoen de gecorrigeerde hoeveelheid betrekking heeft. Terwijl de Italiaanse regering verwijst naar durumtarwe van het seizoen 1987/1988, gaat de Commissie volgens haar eigen zeggen uit van een hoeveelheid uit het seizoen 1991/1992. Dit zou volgen uit haar brief van 31 augustus 1998 aan de Italiaanse autoriteiten. De Italiaanse regering verwijst daarentegen naar een brief van de Commissie van 6 augustus 1997 ter inleiding van de correctieprocedure voor het begrotingsjaar 1994. Zij leidt daaruit af dat haar rechten van de verdediging zijn geschonden, voorzover de Commissie gedurende die procedure het voorwerp van de correctie zou hebben gewijzigd.
20. De Commissie merkt aangaande de brief van 6 augustus 1997 op dat ten aanzien van het pakhuis San Lorenzo geen enkele correctie voor durumtarwe van het seizoen 1987/1988 heeft plaatsgevonden. De betrokken beschikking, die blijkt uit een brief aan de Italiaanse autoriteiten van 1 oktober 1998, is gegeven na het rapport van het bemiddelingsorgaan. Daarom was de brief van 6 augustus 1997 in zoverre zonder voorwerp geraakt. De 954,220 ton van het pakhuis San Lorenzo hebben betrekking op het seizoen 1991/1992 en zijn onder de in het punt 4.5.1.1.1.3, sub b, van het syntheseverslag 1995 vermelde 1 076,220 ton begrepen.
21. Gelet op de stukken van het dossier kan het betoog van de Italiaanse Republiek niet worden gevolgd. Het proces-verbaal van controle nr. 4 bis van de UCLAF na het bezoek van 10 december 1993, dat door de Italiaanse regering zelf aan het dossier is toegevoegd, verwijst ondubbelzinnig naar het seizoen 1991/1992. De Commissie benadrukt verder nog terecht dat de Italiaanse autoriteiten in een aan hun administratieve diensten gerichte brief van 24 juni 1998 ook van het seizoen 1991/1992 zijn uitgegaan. Anders dan de Italiaanse regering meent, volgens welke de Commissie de aard van deze brief miskent door deze als een bekentenis uit te leggen, bewijst deze brief daarentegen dat de Italiaanse autoriteiten zich kennelijk hebben gebaseerd op juiste gegevens.
22. Ook al zou de gecorrigeerde hoeveelheid oorspronkelijk aan een ander seizoen zijn toegerekend, dan zou dit trouwens niet reeds aan de rechtmatigheid van de bestreden beschikking in de weg staan. In dat geval had de Italiaanse Republiek namelijk moeten aantonen dat zij niet in staat was geweest in het kader van de betrokken besluitvorming deel te nemen aan de permanente dialoog met de Commissie dienaangaande. Naar eigen zeggen is dat echter juist niet het geval.
23. Daarom moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek niet bewezen heeft dat de Commissie een fout heeft gemaakt bij de toerekening van die correctie aan een bepaald seizoen.
24. Subsidiair betoogt de Italiaanse Republiek dat er volgens het voormelde proces-verbaal van controle nr. 4 bis twee verschillende ramingen waren van de betrokken hoeveelheden; de Commissie heeft zich op de hoogste - en dus voor de Italiaanse Republiek ongunstigste - raming gebaseerd zonder dit genoegzaam te motiveren. De Commissie werpt daartegen de exceptie van niet-ontvankelijkheid overeenkomstig artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof op, daar de Italiaanse Republiek dit argument pas in haar repliek, en dus te laat, naar voren heeft gebracht. Hoewel er veel pleit voor het standpunt van Italië, zou een diepgaand onderzoek evenwel slechts nodig zijn als zijn betoog doel kon treffen.
25. Gelet op het dossier moet echter worden vastgesteld dat de Commissie zich louter gebaseerd heeft op de resultaten van een in aanwezigheid van alle betrokken partijen verrichte controle. De redenen voor die beslissing vloeien ook voort uit het - op tegenspraak opgestelde - controlerapport van 3 januari 1994. De Commissie heeft haar beslissing derhalve op aannemelijke gegevens gebaseerd; het betoog van de Italiaanse Republiek moet dus ook op dit punt verworpen worden.
26. Ten slotte verklaart de Italiaanse regering de ontbrekende hoeveelheden in het pakhuis San Lorenzo door uitslagen die nog niet in de daartoe bestemde registers waren ingeschreven. De Commissie verwerpt deze stelling als niet onderbouwd. Uit het hiervoor vermelde proces-verbaal van controle van 10 december 1993 blijkt dat de registers in het betrokken pakhuis gebrekkig werden bijgehouden. Het betoog van de Italiaanse Republiek kan dus niet de bezwaren van de Commissie weerleggen en dient ook op dit punt te worden verworpen.
C - Het pakhuis Castellaci
27. Aangaande het pakhuis Castellaci betwist de Italiaanse regering de correctie met betrekking tot 95,4 ton durumtarwe. Ten tijde van de controle door de UCLAF in december 1993 had volgens de boekhouding van de Italiaanse autoriteiten 956,77 ton zich in het pakhuis Castellaci moeten bevinden. Volgens de naar aanleiding van dit controlebezoek opgestelde raming van de aanwezige hoeveelheden was echter slechts 861,37 ton daadwerkelijk aanwezig, hetgeen neerkwam op een afwijking van 95,4 ton ten opzichte van de ten laste van het EOGFL gebrachte uitgaven. Bovendien hebben de analyses aangetoond dat de in het pakhuis opgeslagen tarwe van niet voor interventie in aanmerking komende kwaliteit was.
28. De Commissie heeft de financiële correctie voor 956,77 ton durumtarwe aangebracht op grond dat de opslagkosten voor die hoeveelheid - en niet voor de daadwerkelijk aanwezige 861,37 ton - ten laste van het EOGFL, afdeling Garantie, waren gebracht. De Italiaanse regering acht de bestreden beschikking in die zin nietig dat de Commissie volgens haar had moeten bewijzen dat de ontbrekende hoeveelheid eveneens van niet voor interventie in aanmerking komende kwaliteit was.
29. Dit betoog van de Italiaanse Republiek kan niet overtuigen. Voor de goedkeuring van de uitgaven aangaande de hoeveelheden die ten laste van het EOGFL zijn gebracht, moet niet worden gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige hoeveelheid, maar naar de in de boeken opgenomen hoeveelheid die ten laste van het EOGFL is gebracht. Wanneer de analyses aantonen dat de durumtarwe niet van voor interventie in aanmerking komende kwaliteit is, moet de correctie door de Commissie op basis van de in de boeken opgenomen hoeveelheid worden aangebracht. Voorts stond het, overeenkomstig de hierboven beschreven verdeling van de bewijslast, aan de Italiaanse Republiek om aan te tonen in hoeverre de ten tijde van de controle ontbrekende hoeveelheden voor interventie in aanmerking waren gekomen.
D - Het pakhuis Jungetto
30. Aangaande het pakhuis Jungetto betwist de Italiaanse Republiek de correctie met betrekking tot 543,214 ton durumtarwe. Ten tijde van de controle door de UCLAF in december 1993 had het pakhuis Jungetto volgens de door de Italiaanse autoriteiten meegedeelde boekhoudkundige gegevens 1 994,014 ton moeten bevatten, daar voor die hoeveelheid opslagkosten ten laste van het EOGFL waren gebracht. De raming na een controlebezoek toonde echter aan dat slechts 1 450,800 ton daadwerkelijk aanwezig was, hetgeen een ontbrekende hoeveelheid van 543,214 betekende. Bovendien toonden de analyses aan dat de aanwezige hoeveelheid van niet voor interventie in aanmerking komende kwaliteit was.
31. De uitgangssituatie is dus hier hetzelfde als voor het pakhuis Castellaci. De Italiaanse Republiek betoogt evenwel dat op 30 oktober 1993 slechts 969,250 ton durumtarwe in het pakhuis Jungetto aanwezig was. De extra hoeveelheid van 1 024,764 ton was later, tussen 30 december 1993 en 5 januari 1994, in dat pakhuis ingeslagen, namelijk nadat die door de pakhuizen Grammichele en Raddusa ter beschikking was gesteld. Op het moment van de bewuste controle - dat wil zeggen op 16 december 1993 - was dus slechts de eerstgenoemde hoeveelheid in voorraad. Derhalve kon alleen die hoeveelheid voorwerp van een eventuele correctie zijn.
32. De Italiaanse Republiek verklaart de raming van slechts 1 450,800 ton na het controlebezoek door het feit dat de raming van deze hoeveelheid pas op 9 februari 1994 had plaatsgevonden en er toen ook steekproeven waren genomen, terwijl 500 ton al op 29 december 1993 was uitgeslagen om weer te worden verkocht. De rest van de ontbrekende hoeveelheid wordt door natuurlijk verlies tijdens de opslag verklaard.
33. De Commissie verklaarde zich weliswaar bereid dit argument te aanvaarden en van een correctie op dit punt af te zien, zodra de Italiaanse regering bewijzen ter zake zou leveren. Gelet op het dossier acht zij de argumentatie van de Italiaanse regering niettemin tegenstrijdig en onvolledig.
34. Overeenkomstig de hierboven vermelde gedachtegang was de Commissie in elk geval bevoegd - zo niet zelfs gehouden - de correctie te baseren op de daadwerkelijk ten laste van het EOGFL gebrachte hoeveelheid, na zich ervan verzekerd te hebben dat de daadwerkelijk aanwezige hoeveelheid van niet voor interventie in aanmerking komende kwaliteit was.
35. De op het tijdstip van de controle - onbetwist - ontbrekende hoeveelheid had evenwel voor interventie in aanmerking kunnen komen, mits deze daadwerkelijk op een later tijdstip in het pakhuis Jungetto was ingeslagen. Het is dus de vraag of de Italiaanse Republiek, anders dan de Commissie meent, het bewijs daarvan heeft geleverd.
36. De Italiaanse Republiek beroept zich weliswaar op inslagen afkomstig uit andere pakhuizen, doch levert daarvoor geen bewijs. Zij voert namelijk inzonderheid een transfer aan van 997,244 ton afkomstig uit het pakhuis Raddusa naar het pakhuis Jungetto, terwijl in eerstgenoemd pakhuis op het tijdstip van de controle van 16 december 1993, volgens haar eigen opgaaf, echter slechts 888,44 ton was opgeslagen. Het is weliswaar in beginsel niet uitgesloten dat de ontbrekende hoeveelheid in het pakhuis Raddusa tussen 16 december en het begin van de beweerde transfer op 30 december kan zijn ingeslagen, doch dit is niet gesteld. Daarbij komt dat de Commissie de met de hand genoteerde aantekeningen betreffende zogenaamde transfers in de overgelegde uittreksels van de voorraadboekhouding van het pakhuis Jungetto uitdrukkelijk bestrijdt. Italië is dus op dit punt zijn bewijsplicht niet nagekomen.
37. Op grond van een en ander acht ik de argumenten van de Italiaanse regering aangaande de drie correcties ter zake van de openbare opslag van durumtarwe niet steekhoudend. Het eerste middel van het beroep moet derhalve worden afgewezen.
II - Consumptiesteun voor olijfolie - Intrekking van erkenning van verpakkingsbedrijven in Italië
38. De Italiaanse regering betwist specifieke correcties ter hoogte van - in totaal - 2 751 722 888 ITL ter zake van betalingen aan consumptiesteun voor olijfolie gedurende de verkoopseizoenen 1993/1994 (ten laste van het begrotingsjaar 1994) en 1994/1995 (ten laste van begrotingsjaar 1995). Als reden voor deze correcties wordt in punt nr. 4.7.3.1. van het syntheseverslag 1995 aangevoerd dat steun zou zijn verstrekt aan bedrijven waarvan de erkenning als steungerechtigde bedrijven had moeten worden ingetrokken. Zij hadden namelijk gedurende de litigieuze verkoopseizoenen steun aangevraagd, terwijl zij daarvóór al de grens van 20 % van de hoeveelheden waarvoor het recht op steun is erkend in de zin van artikel 12, lid 6, van verordening (EEG) nr. 2677/85, hadden overschreden.
39. Na kennisgeving van het verslag van het bemiddelingsorgaan in de gevoegde gevallen nrs. 98/IT/108 en 98/IT/095 is het totale bedrag aan voorgestelde correcties door de Commissie teruggebracht van 3 764 182 386 ITL tot 2 342 756 462 ITL voor het begrotingsjaar 1994 en van 422 221 471 ITL tot 408 996 426 ITL voor het begrotingsjaar 1995.
A - Toepasselijk recht
40. Volgens artikel 11, lid 1, van verordening nr. 136/66/EEG wordt consumptiesteun voor in de Gemeenschap geproduceerde en op de markt gebrachte olijfolie toegekend wanneer de met de productiesteun verminderde productierichtprijs hoger is dan de representatieve marktprijs voor olijfolie. De steun is dan gelijk aan het verschil tussen deze twee bedragen.
41. Verordening (EEG) nr. 3089/78 van de Raad van 19 december 1978, laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3461/87 van de Raad van 17 november 1987 (hierna: verordening nr. 3089/78"), bevat de algemene voorschriften voor de toekenning van consumptiesteun voor olijfolie.
42. Volgens artikel 1 wordt consumptiesteun slechts verleend aan erkende bedrijven voor de verpakking van olijfolie. De artikelen 2 en 3 stellen de voorwaarden voor verlening en intrekking van de erkenning vast. Volgens de artikelen 5 en 6 ontstaat het recht op consumptiesteun op het ogenblik waarop de olijfolie het verpakkingsbedrijf verlaat en moeten de aanvragen met een zekere regelmaat worden ingediend.
43. Artikel 7 verplicht de lidstaten een controlesysteem in te stellen om te waarborgen dat het product waarvoor steun wordt aangevraagd, voldoet aan de voorschriften om ervoor in aanmerking te komen. Volgens artikel 8 wordt de steun uitbetaald wanneer de controle-instantie die is aangewezen door de lidstaat waar de verpakking plaatsvindt, heeft vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden voor toekenning daarvan. Vanaf de indiening van de aanvraag van de steun kan echter een voorschot worden verleend op voorwaarde dat een toereikende waarborg wordt gesteld.
44. Artikel 9, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2677/85 van de Commissie van 24 september 1985 houdende uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 643/93 van de Commissie van 19 maart 1993 (hierna: verordening nr. 2677/85"), luidt als volgt:
De lidstaat keert binnen 150 dagen na de dag van indiening van de aanvraag de steun uit voor de hoeveelheden waarvoor op grond van de controles ter plaatse het recht op steun is erkend. [...] De instantie die met de controle op het recht op steun is belast, brengt uiterlijk 45 dagen na de controle ter plaatse en ten minste 20 dagen vóór het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn het betaalorgaan op de hoogte van haar werkzaamheden in verband met de erkenning van het recht op steun voor ieder erkend bedrijf."
45. Volgens artikel 11 van verordening nr. 2677/85 wordt het steunbedrag voorgeschoten zodra de belanghebbende bij de bevoegde instantie een steunaanvraag overlegt vergezeld van een verklaring waaruit blijkt dat zekerheid is gesteld voor een bedrag gelijk aan het steunbedrag.
46. Artikel 12 stelt de modaliteiten vast voor de controles die het daartoe bevoegde orgaan moet verrichten en verlangt met name dat de controles eenmaal per twaalf maanden plaatsvinden. Artikel 12, lid 6, dat gewijzigd is bij verordening (EEG) nr. 571/91, verkreeg de hier toepasselijke versie bij verordening nr. 643/93:
Wanneer door de bevoegde autoriteit wordt geconstateerd dat de consumptiesteunaanvraag betrekking heeft op een hoeveelheid die groter is dan die waarvoor het recht op steun is erkend, legt de lidstaat het verpakkingsbedrijf een sanctie op waarvan het bedrag, naar gelang van de ernst van de inbreuk, overeenkomt met drie- tot achtmaal de ten onrechte aangevraagde steun.[...]
Wanneer evenwel de hoeveelheid waarvoor ten onrechte steun is aangevraagd, 20 % of meer van de hoeveelheid waarvoor na controle het recht op steun is erkend, overschrijdt, past de lidstaat niet alleen de financiële sanctie toe, doch trekt hij bovendien voor een periode van één tot drie jaar, naar gelang van de ernst van de inbreuk, de erkenning in.
Bij recidive wordt, ongeacht de omvang van de overschrijding, niet alleen de financiële sanctie toegepast, doch wordt bovendien voor een periode van één tot vijf jaar, naar gelang van de ernst van de inbreuk, de erkenning ingetrokken.
De in de eerste, tweede en derde alinea bedoelde sancties laten de toepassing van eventuele andere sancties onverlet."
B - Argumenten van partijen
47. De Italiaanse regering betwist de specifieke correcties ter zake van de consumptiesteun voor olijfolie niet op zich, maar wat de berekening ervan betreft. Zij betoogt dat het hier louter gaat om de vraag vanaf welk tijdstip de erkenning overeenkomstig artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 ingetrokken had moeten worden. De Commissie is haars inziens ten onrechte ervan uitgegaan dat de erkenning moet worden ingetrokken met ingang van de dag waarop de litigieuze aanvraag is ingediend en niet met ingang van de dag waarop het proces-verbaal tot vaststelling van de onregelmatigheden is opgesteld.
48. Zij leidt uit artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 af dat pas na uitvoering van de desbetreffende controles besloten kan worden de erkenning in te trekken. De tegenovergestelde opvatting van de Commissie leidt ertoe dat de door een lidstaat genomen beslissing tot intrekking ten onrechte terugwerkende kracht verkrijgt.
49. Ter motivering van de specifieke correcties wijst de Commissie in wezen erop dat de vereiste controles niet vroeg genoeg hebben plaatsgevonden, zodat schade is ontstaan voor het EOGFL.
50. Zij verwijst daarbij naar de bewoordingen van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 2677/85, volgens welke de lidstaat de steun slechts uitbetaalt voor hoeveelheden waarvoor op grond van de controles ter plaatse het recht op steun is erkend. Dientengevolge kan geen steun ten laste van het EOGFL worden gebracht, wanneer controles ter plekke hebben aangetoond dat de erkenning als verpakkingsbedrijf ingevolge artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 moet worden ingetrokken. Het is duidelijk dat een intrekking des te later kan plaatsvinden naargelang die controles dus later zijn uitgevoerd.
51. De Commissie wijst eveneens op het feit dat er binnen de Italiaanse administratie meningsverschil heeft bestaan ten aanzien van de bevoegde autoriteit voor de intrekking van de betrokken erkenningen. Hierdoor zijn de controles niet met de vereiste spoed verricht en pas met aanzienlijke vertraging geanalyseerd. De Commissie acht het dan ook haar plicht ervoor te waken dat die betrokken vertragingen niet ten laste van het EOGFL komen.
52. Ten slotte betoogt de Commissie dat de specifieke correcties die zijn toegepast, voor de betrokken lidstaat minder belastend zijn dan een forfaitaire correctie van 2 %. Volgens haar was een dergelijke forfaitaire correctie, gelet op de op het betrokken tijdstip heersende onzekerheid met betrekking tot de nationale verdeling van bevoegdheden en de uitvoering van controles, volstrekt gerechtvaardigd geweest.
53. De Italiaanse Republiek voert hiertegen aan dat de Commissie geen kritiek heeft gehad op de vertraging bij de uitvoering van de betrokken controles. Bovendien hebben de bedoelde meningsverschillen met betrekking tot de intrekking van de betrokken erkenningen geen enkele negatieve invloed gehad op de uitvoering van de noodzakelijke controles; in elk geval is intrekking zonder desbetreffende controle onmogelijk. Ten slotte bestrijdt de Italiaanse regering de mogelijkheid om in dit geval een forfaitaire correctie toe te passen.
C - Beoordeling
54. Dit middel doet de vraag rijzen vanaf welk tijdstip de intrekking van een erkenning als verpakkingsbedrijf gevolgen heeft voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de toekenning van consumptiesteun voor olijfolie aan dat bedrijf. Terwijl de Italiaanse regering zich baseert op de dag van opstelling van het proces-verbaal tot vaststelling van de onregelmatigheden, neemt de Commissie als criterium het tijdstip van indiening van de steunaanvraag waarmee de 20 %-grens in de zin van artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 wordt overschreden.
55. Dit onderscheid is in zoverre van belang dat aanvragen voor toekenning van die steun zelfs nog kunnen worden ingediend nadat de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 12, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2677/85 bedoelde sanctie zijn vervuld, maar de erkenning als verpakkingsbedrijf nog niet is ingetrokken. Wanneer de overschrijding van de hoeveelheid als bedoeld in artikel 12, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2677/85 in een bepaald verkoopseizoen heeft plaatsgevonden, maar de litigieuze aanvragen evenwel pas voor rekening van het daaropvolgende verkoopseizoen moeten komen, dan bestaat er het gevaar dat nog steeds steun - althans totdat de beslissing tot intrekking op basis van voormeld proces-verbaal is genomen - verleend zal worden.
56. De Commissie meent dit gevaar te kunnen keren door de steun onrechtmatig te verklaren vanaf het moment dat de relevante kwantitatieve grens is overschreden, dat wil juridisch-technisch zeggen door de beslissing tot intrekking op een zo vroeg mogelijk tijdstip te laten ingaan, terwijl de Italiaanse Republiek voor dat tijdstip de formele constatering van de overschrijding van de hoeveelheid op grond van een controle absoluut noodzakelijk acht.
57. Het is derhalve de vraag of deze constatering door de bevoegde nationale autoriteit betreffende de voor steun in aanmerking komende hoeveelheid - en daarmee ook betreffende de eventuele overschrijding van de hoeveelheid -, zoals die blijkt uit het hierboven genoemde proces-verbaal, voor de rechtmatigheid van de intussen toegekende steun van constitutieve dan wel declaratoire aard is. De Italiaanse regering meent dienaangaande dat de steun moet worden geacht rechtmatig te zijn verleend totdat de overschrijding van de hoeveelheid formeel is geconstateerd, met name gelet op het feit dat deze formele constatering voorwaarde is voor de sanctie van intrekking.
58. Volgens de bewoordingen van artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 is voor de betrokken sanctie inderdaad de vaststelling door de bevoegde autoriteit vereist dat de consumptiesteunaanvraag betrekking heeft op een hoeveelheid die groter is dan die waarvoor het recht op steun is erkend. Er bestaat dus kennelijk een nauw verband tussen de constatering van de overschrijding van de hoeveelheid en het opleggen van de sanctie, en het ligt voor de hand steunbetalingen rechtmatig te achten totdat deze overschrijding door de bevoegde autoriteit is geconstateerd. Deze conclusie is echter niet imperatief, want artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 kan niet op zich worden beschouwd.
59. Uit oogpunt van systematiek verkrijgt artikel 9, lid 3, van verordening nr. 2677/85 in dit verband een bijzondere betekenis. Ingevolge deze bepaling wordt de steun enkel uitgekeerd voor de hoeveelheden waarvoor op grond van controles ter plaatse het recht op steun is erkend". Hier is dus sprake van de erkenning van het recht op steun, terwijl artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 het inhoudelijk heeft over de constatering van de overschrijding. Waar uit de bewoordingen van artikel 12, lid 6, niet valt op te maken of de betrokken constatering van declaratoire dan wel constitutieve aard is, zou de redactie van artikel 9, lid 3, erop kunnen wijzen dat de erkenning het recht op steun schept. Daar voor deze erkenning echter een controle ter plaatse vereist is, waarbij ook wordt vastgesteld of de voorwaarden voor toepassing van de sanctie als bedoeld in artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 zijn vervuld, lijkt dit te pleiten voor het standpunt van de Italiaanse regering om de beslissing tot intrekking te laten ingaan op de datum van het proces-verbaal van de controle.
60. In dit verband moet nog worden opgemerkt dat het Hof niet alleen in deze zaak uitspraak moet doen over de verhouding tussen de artikelen 9 en 12 van verordening nr. 2677/85. Zo gaat de zaak Spanje/Commissie (C-374/99) over de vraag of voor de erkenning van het recht op steun telkens een controle ter plaatse moet plaatsvinden, zoals artikel 9, lid 3, lijkt te eisen, dan wel of een controle eenmaal per twaalf maanden overeenkomstig artikel 12, lid 1, voldoende is. De advocaat-generaal vond aangaande deze - ogenschijnlijke - tegenstrijdige regeling van termijnen in wezen dat artikel 12 louter een minimumeis bevat en artikel 9 in zoverre onverlet laat.
61. Een teleologische uitlegging van artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85 zou evenwel de stelling van de Italiaanse regering kunnen aantasten. Hierbij wordt uitgegaan van het doel van deze sanctie van intrekking van de erkenning. De verzwaring van sancties in geval van een ten onrechte ingediende consumptiesteunaanvraag voor olijfolie past namelijk in de context van de fraudebestrijding. De considerans van verordening nr. 643/93, die de grondslag vormt van de litigieuze versie van artikel 12, lid 6, van verordening nr. 2677/85, legt dienovereenkomstig een verband tussen de goede werking van de regeling" en de aanvulling van de sanctieregeling voor de verpakkingsbedrijven die steun aanvragen voor te grote hoeveelheden. De negende overweging van de considerans van verordening nr. 1638/98, waarbij onder meer de consumptiesteun voor olijfolie is afgeschaft, wijst ten slotte uitdrukkelijk op het frauderisico.
62. In dit verband lijkt het niet opportuun de financiering van consumptiesteun door het EOGFL te aanvaarden, wanneer die steun een periode betreft die is gelegen na het tijdstip waarop de voorwaarden voor toepassing van de sanctie overeenkomstig artikel 12, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2677/85 zijn vervuld, zonder rekening ermee te houden of de nodige controles, en dus in het bijzonder de vereiste stappen om de sancties toe te passen, volgens de voorschriften zijn gelast.
63. Indien een verpakkingsbedrijf dat in een bepaald verkoopseizoen aanvragen voor te grote hoeveelheden in de zin van deze bepalingen heeft ingediend, in de daarop volgende jaren nieuwe aanvragen zou kunnen indienen zonder enig risico te lopen totdat eventueel een proces-verbaal van een controle wordt opgesteld, dan zou er van de sanctie van intrekking immers aanzienlijk minder kracht uitgaan.
64. In dit verband moet ook worden opgemerkt dat de sanctie moet dienen om de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen op passende wijze te beschermen. In die zin bepaalt artikel 2, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend [moeten] zijn". De doeltreffendheid en de afschrikkende werking van dit soort sancties kunnen dus bij de beoordeling van de rechtsvraag op welk tijdstip de sanctie van intrekking van de erkenning ingaat, niet buiten beschouwing worden gelaten.
65. De toepassing van de sanctie van intrekking, overeenkomstig artikel 12, lid 6, tweede alinea, van verordening nr. 2677/85, vanaf het tijdstip waarop de voorwaarden voor toepassing van de sanctie zijn vervuld, lijkt dus noodzakelijk om de doeltreffendheid van deze regeling te waarborgen. Anders dan de Italiaanse Republiek meent, verkrijgt de beslissing tot intrekking daardoor niet ten onrechte terugwerkende kracht, omdat de sanctie in het kader van deze uitlegging eenvoudigweg wordt toegepast vanaf het tijdstip waarop aan de voorwaarden ervan is voldaan en niet pas vanaf het tijdstip van de controle met betrekking tot de vervulling van die voorwaarden.
66. In beginsel kan er gedurende die periode geen legitiem vertrouwen zijn gewekt bij het verpakkingsbedrijf, daar zijn recht op steun in het kader van een aanvraag overeenkomstig artikel 9, lid 3, van verordening nr. 2677/85 slechts kan worden erkend na een controle ter plaatse.
67. Daarom moet de Commissie gelijk worden gegeven waar zij stelt dat de door de Italiaanse Republiek verdedigde berekeningsmethode van de correcties uiteindelijk ertoe zou leiden dat de ten laste van het EOGFL gebrachte uitgaven afhankelijk worden gemaakt van het tempo waarmee de controle wordt uitgevoerd en de eventuele intrekking van de erkenning plaatsvindt.
68. Wanneer derhalve is vastgesteld dat een verpakkingsbedrijf steun heeft aangevraagd voor hoeveelheden die de hoeveelheid waarvoor na controle het recht op steun is erkend, met 20 % of meer overschrijden, moet de erkenning dus worden ingetrokken met ingang van de datum van overschrijding, dat wil zeggen in dit geval vanaf de indiening van de daarop betrekking hebbende aanvragen.
69. Volledigheidshalve behandel ik ten slotte het subsidiaire argument van de Commissie aangaande de mogelijkheid van een forfaitaire correctie in het onderhavige geval. In antwoord op het door de Italiaanse Republiek aangevoerde argument dat een forfaitaire correctie in casu uitgesloten was, beriep de Commissie zich op het arrest van 28 oktober 1999 in de zaak Italië/Commissie. Hierin stelt het Hof evenwel dat er geen principiële reden [is] die zich tegen cumulatie van een analytische en een forfaitaire correctie verzet". Het is daarom de vraag of de Commissie terecht op dit arrest een beroep heeft gedaan. De mogelijkheid van een forfaitaire correctie in casu behoeft niet nader te worden onderzocht, daar deze van geen enkele invloed is op de beoordeling van de litigieuze specifieke correcties.
70. Op grond van een en ander dient het tweede middel van het beroep ook te worden afgewezen.
III - Sicilië en Calabrië - Ooien- en geitenpremie: correctiepercentage van 25 %
71. Met het derde middel betwist de Italiaanse Republiek de toepassing van een forfaitair correctiepercentage van 25 % op de ten laste van het EOGFL gebrachte ooien- en geitenpremies voor de verkoopseizoenen 1993 en 1994 in Sicilië en voor het verkoopseizoen 1994 in Calabrië. De Italiaanse Republiek acht de toepassing van dit correctiepercentage onrechtmatig en beroept zich bovendien op een gebrek aan motivering.
A - Toepasselijk recht
72. Volgens artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad van 25 september 1989 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees, wordt voorzover zulks nodig is ter compensatie van inkomensverliezen gedurende een verkoopseizoen, een premie toegekend aan de producenten van schapen- en geitenvlees binnen de Gemeenschap.
B - Voorafgaande procedure
73. De Commissie heeft de bestreden forfaitaire correctie aangebracht na controlebezoeken die zijn uitgevoerd in 1995 en 1996. De uit die controles ter plaatse voortvloeiende constateringen zijn in punt 4.9.4.6 van het syntheseverslag 1995 als volgt samengevat:
- een vergelijking tussen de premiestatistieken en de veterinaire statistieken voor Sicilië heeft belangrijke verschillen aan het licht gebracht;
- bij op verzoek van eenheid A.1.3. uitgevoerde inspecties op de landbouwbedrijven in Calabrië en op Sicilië zijn zeer veel onregelmatigheden geconstateerd, waarvan een belangrijk deel tot de volledige of gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag heeft geleid;
- de kudderegisters waren niet bruikbaar, zodat het onmogelijk was om ook buiten de aanhoudperiode zinvolle inspecties uit te voeren;
- de plaats waar de dieren werden gehouden, was vaak niet op passende wijze meegedeeld;
- de kuddes waren niet gemerkt, zodat zinvolle controles onmogelijk waren waar verscheidene kuddes samen werden gehouden;
- bij de subsidiabiliteit van sommige dieren moeten vraagtekens worden geplaatst, aangezien is gebleken dat inspecteurs ten onrechte ook mannelijke dieren en niet subsidiabele jonge vrouwelijke dieren hebben meegerekend;
- er moet ook rekening worden gehouden met controles die de Italiaanse autoriteiten in 1996 zelf op Sicilië hebben uitgevoerd.
De Italiaanse autoriteiten hebben in 1996 besloten tot volledige inspectie op de landbouwbedrijven voor alle Siciliaanse aanvragers van ooipremies. Voor Sicilië als geheel is uit de Italiaanse inspectieresultaten, die zijn gebaseerd op inspecties bij 79 % van de aanvragers, gebleken dat 33,66 % van de aanvragen gedeeltelijk en 19,8 % van de aanvragen volledig moet worden afgewezen."
74. In het syntheseverslag 1995 heeft de Commissie de hiernavolgende correcties voorgesteld:
Begrotingspost 1994 1995
2220 - 38 718 586 000 ITL - 23 967 330 000 ITL
3805 - 7 927 656 000 ITL - 6 071 317 000 ITL
Dientengevolge bedragen de correctievoorstellen:
- 62 685 916 000 ITL voor post 2220
- 13 998 973 000 ITL voor post 3805.
75. In verslag nr. 98/IT/92 van 10 september 1998, betreffende de controle van ooien- en geitenpremies gedurende de verkoopseizoenen 1993 en 1994, kwam het bemiddelingsorgaan in het bijzonder tot de slotsom dat meer statistische gegevens moesten worden onderzocht en dat de forfaitaire correcties van 25 % voor Calabrië en Sicilië onvoldoende waren gemotiveerd.
76. Terwijl de Commissie de voorgestelde correcties voor bepaalde gebieden heeft verlaagd of zelfs ingetrokken, heeft zij deze voor andere gebieden verhoogd. De belangrijkste wijzigingen betreffen Calabrië, waarvoor de correctie van 25 % voor 1993 tot 10 % werd verlaagd, en Sardinië, waarvoor de correctie van 2 % werd verhoogd tot 5 %. De correctie voor Sicilië voor het verkoopseizoen 1993 bleef onveranderd. De voor het verkoopseizoen 1994 voorgestelde correcties van 25 % voor Calabrië en Sicilië bleven ongewijzigd.
C - Argumenten van partijen
77. De Italiaanse Republiek betwist de toepassing van de forfaitaire correctie van 25 % op de ten laste van het EOGFL gebrachte ooien- en geitenpremies voor de verkoopseizoenen 1993 en 1994 in Sicilië en voor het verkoopseizoen 1994 in Calabrië; zij baseert zich daarbij op drie argumenten.
78. Om te beginnen is de toepassing van dit percentage onrechtmatig, voorzover dit, gelet op de inwerkingtreding van de richtsnoeren voor de toepassing van de forfaitaire correcties die in 1997 door de Commissie zijn opgesteld, met terugwerkende kracht is gebeurd. Het correctiepercentage van 25 % heeft namelijk betrekking op seizoenen die van vóór die datum dateren, waarvoor hoogstens een forfaitaire correctie volgens de richtsnoeren van het zogenoemde rapport-Belle in aanmerking kwam. Deze richtsnoeren, die dateren van 1993, voorzien evenwel niet in een correctiepercentage van 25 %, zodat toepassing daarvan in het onderhavige geval met terugwerkende kracht en derhalve onrechtmatig is geschied.
79. Subsidiair betoogt de Italiaanse regering dat volgens de richtsnoeren van 1997 een correctie van 25 % slechts gerechtvaardigd is wanneer de uitvoering van het controlesysteem door een lidstaat geheel ontbreekt of ernstige gebreken vertoont en er aanwijzingen bestaan voor zeer frequente onregelmatigheden en voor onzorgvuldigheden in de bestrijding van onregelmatige en frauduleuze praktijken". In dit verband acht zij de correctie van 25 %, rekening houdend met de omstandigheden van het onderhavige geval, kennelijk onevenredig.
80. Ten slotte heeft de Commissie, ondanks het verslag van het bemiddelingsorgaan waarin stond dat zij de toepassing van dat percentage onvoldoende had gemotiveerd, enkel de correctie voor Calabrië verlaagd van 25 % tot 10 %, en dit alleen voor het seizoen 1993, zonder te motiveren waarom zij niet een overeenkomstige correctie voor Sicilië voor het seizoen 1993 en voor Calabrië en Sicilië voor het seizoen 1994 had toegepast.
81. In haar verweerschrift stelt de Commissie om te beginnen dat de qua hoogte bestreden correctie gezien de ernst van de geconstateerde onregelmatigheden volstrekt passend was. Zij beroept zich daarbij op het syntheseverslag 1994, dat op dat punt door het syntheseverslag 1995 is overgenomen en waarin staat dat meer dan de helft van de uitgevoerde controles aangetoond had dat de desbetreffende steunaanvragen geheel afgewezen hadden moeten worden. Andere aanvragen hadden minstens gedeeltelijk moeten worden afgewezen. Verder waren de door de Italiaanse autoriteiten uitgevoerde controles onvoldoende, hoewel zij zelf hadden toegegeven dat het risico van frauduleuze aanvragen in die gebieden aanzienlijk was. In 1996, toen de Italiaanse autoriteiten voor het eerst het hele betrokken gebied volledig hadden gecontroleerd, lag het percentage onregelmatigheden in Sicilië, met uitzondering van de provincie Palermo, nog boven de 40 %, terwijl in diezelfde periode 83 % van de aanvragen in de provincie Catanië onrechtmatig was geweest.
82. Voorts voert de Commissie onder verwijzing naar het arrest van 1 oktober 1998, Italië/Commissie, aan dat de lidstaat dient te bewijzen dat haar berekeningen niet juist zijn, wanneer zij in plaats van alle uitgaven af te wijzen waarop de inbreuk van invloed is geweest, probeert om de financiële effecten van de onrechtmatige handeling te berekenen door na te gaan wat de situatie op de betrokken markt zou zijn geweest zonder die inbreuk.
83. Aangaande de van Italiaanse zijde gestelde toepassing met terugwerkende kracht van het correctiepercentage van 25 % betoogt de Commissie dat in het rapport-Belle al bepaald was dat in buitengewone omstandigheden" een correctie met een hoger percentage dan de voorziene 2 %, 5 % en 10 % nodig kan worden geacht.
84. In repliek blijft de Italiaanse regering bij haar mening dat de Commissie haar beslissing om een correctie van 25 % toe te passen niet voldoende heeft gemotiveerd. De Commissie heeft geen reden aangevoerd waarom zij na de bemiddelingsprocedure het correctiepercentage alleen voor het seizoen 1993 voor Calabrië verlaagd had. Voorts heeft zij niet uiteengezet in hoeverre de situatie in de betrokken gebieden als buitengewoon" te kwalificeren was. Ten slotte heeft de Commissie niet voldoende rekening gehouden met de opmerkingen van het bemiddelingsorgaan.
85. In dupliek verwijst de Commissie naar de bij de controles geconstateerde gebreken, waarop zij in haar aan de Italiaanse autoriteiten gerichte kennisgeving nr. 10071 van 4 maart 1998 de aandacht heeft gevestigd. Daaruit blijkt in wezen dat de controles in Italië in het algemeen en in Calabrië in het bijzonder niet voldoende frequent waren uitgevoerd, dat voorts de bewijskracht ervan vanwege problemen bij de identificatie van de betrokken dieren niet was gewaarborgd en dat in 1994 ongeveer 40 % van de gecontroleerde aanvragen in Sicilië als onregelmatig moest worden gekwalificeerd. In die omstandigheden was de toepassing van het correctiepercentage van 25 % terecht en gerechtvaardigd. Ten slotte heeft de Commissie haar bevindingen aan het bemiddelingsorgaan medegedeeld in de vorm van een aan het hoofd van dat orgaan gerichte schriftelijke notitie.
D - Beoordeling
86. Dit derde middel sluit aan op het door de Italiaanse Republiek in de zaken C-242/96 en C-253/97 aangevoerde overeenkomstige middel dat betrekking heeft op soortgelijke correcties voor de voorafgaande seizoenen.
87. Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek uitsluitend de hoogte van de forfaitaire correctie betwist. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat de in het syntheseverslag 1995 vastgestelde gebreken als bewezen moeten worden beschouwd.
88. Overeenkomstig het beroep van de Italiaanse Republiek moet eerst worden getoetst of de Commissie een forfaitair correctiepercentage van 25 % eigenlijk wel mocht toepassen. Daarvoor moet worden nagegaan of de Commissie haar beschikking met terugwerkende kracht heeft gefundeerd op de richtsnoeren van 1997. Anders dan de Italiaanse regering meent, lijkt mij dit twijfelachtig.
89. Er zij namelijk aan herinnerd dat de Commissie volgens vaste rechtspraak de kosten waarop de inbreuken van invloed zijn geweest, in hun totaliteit [had] kunnen afwijzen, in plaats van te trachten de financiële effecten van de tekortkomingen van de Italiaanse controlerende autoriteiten te berekenen".
90. Voorts wordt in het onderhavige geval niet serieus bestreden dat niet pas ingevolge de richtsnoeren uit 1997 een hoger percentage dan de tot dan toe voorziene percentages van 2 %, 5 % of 10 % mogelijk was geworden. In dit verband moet toch rekening ermee worden gehouden dat de Commissie eventueel zichzelf gebonden acht aan de in het zogenoemde rapport-Belle opgestelde richtsnoeren.
91. Ook de richtsnoeren uit 1993 voorzagen echter in de toepassing van het litigieuze correctiepercentage van 25 %, althans in buitengewone omstandigheden". Het gaat derhalve alleen om de vraag of de Commissie in het onderhavige geval het bestaan van die buitengewone omstandigheden voldoende gemotiveerd heeft.
92. Om te beginnen geldt volgens de rechtspraak van het Hof betreffende de omvang van de motiveringsverplichting van de Commissie dat beschikkingen betreffende de goedkeuring van de rekeningen geen gedetailleerde motivering [behoeven], voorzover de regering van de desbetreffende lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van de beschikking en dus bekend is met de redenen waarom de Commissie meent de litigieuze bedragen niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen".
93. In dit geval verwijst de Commissie dus terecht naar haar kennisgeving van 4 maart 1998 en moet worden vastgesteld dat haar motiveringsplicht in deze beperkt is. Er moet dus enkel worden getoetst of de door de Commissie daarvoor aangevoerde gronden de bestreden beschikking kunnen rechtvaardigen.
94. Eerst wil ik echter nog de vaste rechtspraak van het Hof aangaande de bewijslastverdeling in deze gevallen in herinnering brengen, volgens welke de Commissie moet [...] aantonen, dat de communautaire regels zijn geschonden, maar de lidstaat [...] in voorkomend geval [dient] te bewijzen, dat de Commissie een vergissing heeft begaan met betrekking tot de daaraan te verbinden financiële consequenties".
95. In het onderhavige geval heeft de Commissie een forfaitaire correctie van telkens 25 % passend geacht en zich daarbij op het rapport-Belle gebaseerd. Gelet op de vaste rechtspraak moet Italië in casu dan bewijzen dat de voorwaarden waren vervuld om de uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen dan wel slechts een lagere correctie gerechtvaardigd was geweest.
96. Voorzover de Italiaanse Republiek de Commissie dus verwijt dat zij haar weigering om de correctie voor Sicilië voor het seizoen 1993 en voor Sicilië en Calabrië voor het seizoen 1994 na de bemiddelingsprocedure te wijzigen, onvoldoende heeft gemotiveerd, volstaat de vaststelling dat dit argument de bewijslastverdeling miskent.
97. Gezien de door het bemiddelingsorgaan geopperde bezwaren aangaande de motivering van de beschikking van de Commissie, lijkt het hoe dan ook redelijk om in dit geval te bezien of de motiveringsplicht is nagekomen.
98. Voorzover de Italiaanse Republiek dus betoogt dat ook het bemiddelingsorgaan kritiek heeft geleverd op de motivering van de beschikking, merk ik om te beginnen op dat het verslag van dit orgaan niet bindend is; de Commissie was dus niet gehouden het bemiddelingsorgaan op alle punten van zijn verslag te volgen.
99. De na de bemiddelingsprocedure aangebrachte wijzigingen van de correcties tonen echter aan dat de Commissie wel degelijk rekening heeft gehouden met het verslag van het bemiddelingsorgaan. Zo heeft de Commissie het correctiepercentage voor het seizoen 1993 voor Calabrië van 25 % verlaagd naar 10 % naar aanleiding van de constatering van het bemiddelingsorgaan dat een van de voornaamste punten van kritiek van de Commissie slechts een van de twee gebieden betrof.
100. Aangaande de toepassing van een correctiepercentage van 25 % voor Sicilië voor het seizoen 1993 merk ik op dat de Italiaanse Republiek niet heeft aangetoond in hoeverre een lagere correctie passender was geweest. Voorzover zij de beschikking op dit punt kennelijk niet passend acht, omdat de Commissie volgens haar geen rekening gehouden heeft met haar inspanningen om de intensiteit en de doeltreffendheid van de controles te verbeteren, lijkt haar argument niet voldoende onderbouwd. In deze context dient ook te worden opgemerkt dat, zoals Italië zelf erkent, die inspanningen weliswaar dateren uit 1993, doch pas in 1995 tot een versterking van de intensiteit van de controles hebben geleid.
101. Op grond van het bovenstaande kan worden vastgesteld dat de motivering van de bestreden beschikking van de Commissie slechts behoeft te worden besproken, voorzover zij voor Calabrië en Sicilië voor het seizoen 1994 hetzelfde correctiepercentage van 25 % heeft toegepast.
102. Dat de uitgaven niet ten laste komen van het EOGFL is overigens geen sanctie, maar het gevolg van een regelmatigheidtoetsing van de betrokken uitgaven. Volgens het rapport-Belle is de doeltreffendheid van het eventueel aanwezige controlesysteem slechts één der verschillende criteria voor het bepalen van het correctiepercentage. Er dient ook rekening te worden gehouden met de mate van relevantie van de onvolkomenheid en de schatting van de vermoedelijke schade voor het EOGFL.
103. In dit verband moet om te beginnen erop worden gewezen dat partijen het erover eens zijn dat het Italiaanse controlesysteem aanzienlijke gebreken in het seizoen 1994 vertoonde. Ik verwijs in deze naar de hier door de Commissie uiteengezette feiten die niet zijn betwist en mijn uiteenzettingen hierboven. Indien verder in aanmerking wordt genomen dat volgens de - eveneens op dit punt niet betwiste - uiteenzettingen van de Commissie in 1994 slechts een fractie van de vereiste controles in het gehele land, maar in het bijzonder in de betrokken gebieden, is uitgevoerd en dat de situatie in die gebieden vaak zo ernstig was dat uitvoering van de controles daardoor onmogelijk was, dan kan het argument van de Italiaanse Republiek het door de Commissie aangevoerde gevaar van schade ten laste het budget van het EOGFL niet voldoende wegnemen.
104. De Italiaanse Republiek heeft derhalve niet aangetoond dat de bestreden correctie onevenredig is. In dit verband is de door de Commissie toegepaste financiële correctie van 25 % voor Sicilië voor de verkoopseizoenen 1993 en 1994 en voor Calabrië voor het verkoopseizoen 1994 te rechtvaardigen.
105. Derhalve moet ook het derde middel worden afgewezen.
106. Daar geen van de door de Italiaanse regering aangevoerde middelen gegrond is, dient het bet beroep in zijn geheel te worden verworpen.
IV - Kosten
107. Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
V - Conclusie
108. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep te verwerpen;
2) de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy