Conclusie van de advocaat generaal
1 In deze zaak verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek, door met betrekking tot de reders uit de Gemeenschap die onder artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer)(1) vallen, artikel 257, lid 1, van de Code des douanes (Frans Douanewetboek) ongewijzigd te handhaven, de krachtens die verordening op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 1, lid 1, van de verordening bepaalt:
"Met ingang van 1 januari 1993 wordt het vrij verrichten van zeevervoerdiensten binnen een lidstaat (cabotage in het zeevervoer) ingevoerd voor reders uit de Gemeenschap die met in een lidstaat geregistreerde schepen varen welke de vlag van een lidstaat voeren, mits die schepen voldoen aan alle eisen voor toelating tot cabotage van die lidstaat, met inbegrip van bij EUROS geregistreerde schepen, zodra dit register door de Raad is goedgekeurd."
3 Artikel 6 voorziet in een aantal uitzonderingen ten aanzien van Frankrijk, die, voorzover relevant, luiden als volgt:
"1. Bij wijze van uitzondering worden de volgende zeevervoerdiensten in de Middellandse Zee en langs de kust van Spanje, Portugal en Frankrijk, tijdelijk uitgesloten van de toepassing van deze verordening:
- cruisediensten, tot 1 januari 1995;
- vervoer van strategische goederen (aardolie, aardolieproducten en drinkwater), tot 1 januari 1997;
- diensten met schepen van minder dan 650 bruto ton, tot 1 januari 1998;
- geregelde passagiers- en veerdiensten, tot 1 januari 1999.
2. Bij wijze van uitzondering wordt cabotage met eilanden in de Middellandse Zee en cabotage ten aanzien van de Canarische eilanden, de Azoren en Madeira, Ceuta en Melilla, de Franse eilanden langs de Atlantische kust en de Franse overzeese departementen tijdelijk vrijgesteld van de toepassing van deze verordening tot 1 januari 1999.
3. (...)"
4 De Franse wetgeving op het gebied van cabotage in het zeevervoer is opgenomen in de Code des douanes van 11 mei 1977. Artikel 257, lid 1, van de code bepaalt, dat het vervoer tussen de havens van Europees Frankrijk is voorbehouden aan schepen die onder Franse vlag varen. De voor de koopvaardij verantwoordelijke minister kan evenwel toestemming aan een buitenlands vaartuig verlenen om een bepaalde vervoersdienst te verzekeren.
5 De Franse Republiek erkent dat de code in zijn huidige vorm niet aan de verordening voldoet en dat het wetsvoorstel tot wijziging van de code nog niet is goedgekeurd. Zij beroept zich echter op twee maatregelen die zijn genomen. In de eerste plaats is een circulaire (circulaire nr. 93-S-030 van 19 maart 1993) waarin de inhoud van de verordening is overgenomen, gepubliceerd in de Bulletin officiel des douanes nr. 1139 van dezelfde datum. In de tweede plaats wordt in een voetnoot bij artikel 257 van de code verwezen naar de verordening met volledige vermelding van de titel ervan (maar ook niet meer dan dat).
6 De Commissie antwoordt dat noch de circulaire noch de voetnoot het verzuim tot wijziging van de code kan opheffen. Ik ben het daarmee eens. Uitsluitend een wijziging van de niet-conforme wetgeving kan een eind aan de inbreuk maken. Zoals het Hof heeft geoordeeld, kan de onverenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met bepalingen van gemeenschapsrecht, ook al zijn deze rechtstreeks toepasselijk, enkel definitief worden opgeheven door middel van dwingende nationale voorschriften die dezelfde rechtskracht hebben als de te wijzigen bepalingen.(2) Het moge duidelijk zijn dat de circulaire het verzuim tot wijziging van de code niet kan opheffen.
7 De voetnoot bij artikel 257 van de code die naar de verordening verwijst, is naar mijn mening volstrekt ontoereikend, omdat het artikel gewoonweg onverenigbaar is met de verordening. Zoals het Hof heeft geoordeeld, vereisen de beginselen van rechtszekerheid en van rechtsbescherming met betrekking tot materies die aan het gemeenschapsrecht zijn onderworpen, een ondubbelzinnige regeling van de lidstaten, die de belanghebbenden op duidelijke en nauwkeurige wijze in kennis stelt van hun rechten en plichten en de rechter in staat stelt, deze te handhaven.(3) Aan deze vereisten wordt duidelijk niet voldaan door de bepalingen van de code.
Conclusie
8. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Franse Republiek, door met betrekking tot de reders uit de Gemeenschap die onder artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) vallen, artikel 257, lid 1, van de Franse code des douanes ongewijzigd te handhaven, de krachtens die verordening op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2) de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
(1) - PB L 364, blz. 7.
(2) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 15 oktober 1986, Commissie/Italië (168/85, Jurispr. blz. 2945, punt 13).
(3) - Arrest van 21 juni 1988, Commissie/Italië (257/86, Jurispr. blz. 3249, punt 12).
Full & Egal Universal Law Academy