Conclusie van de advocaat generaal
1. Met het onderhavige beroep beoogt de Commissie van de Europese Gemeenschappen te doen vaststellen, dat de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 39 EG en 43 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
De Commissie verwijt de Italiaanse regering:
a) ondanks een wetswijziging terzake, te dulden dat voor de uitoefening van het beroep van tandarts als voorwaarde wordt gesteld, dat de betrokkenen wonen in het gebied van de beroepsorde waartoe zij behoren, en
b) in haar interne rechtsorde een wetsbepaling te hanteren, die het recht om bij overbrenging van de woonplaats naar een andere lidstaat op de lijst van de orde ingeschreven te blijven, aan tandartsen van Italiaanse nationaliteit voorbehoudt.
I - Het nationale rechtskader
2. Op 13 september 1946 stelde het voorlopig hoofd van de Italiaanse Staat decreto legislativo nr. 233 vast, betreffende de heroprichting van de orden van de beroepen in de gezondheidssector en de regeling van de uitoefening van die beroepen (hierna: decreto legislativo").
Artikel 9, sub e, van dat decreto bepaalt dat men, om op de lijst te worden ingeschreven, moet wonen in het gebied van de orde of de vereniging".
Artikel 11, sub b, van dat decreto bepaalt, dat bij overbrenging van de woonplaats van de ingeschrevene naar het buitenland" de doorhaling op de lijst wordt uitgesproken.
3. Artikel 11 van het decreto legislativo is gewijzigd bij artikel 1 van wet nr. 1398 van 14 december 1964 (hierna: wet van 1964"), dat bepaalt:
In het sub b bedoelde geval kan het lid van een beroep in de gezondheidssector, dat zijn beroep in het buitenland uitoefent, of er in dienst van ziekenhuizen, openbare lichamen of particulieren werkt, op zijn verzoek ingeschreven blijven op de lijst van de orde of de beroepsvereniging waarin hij is doorgehaald."
4. Op 24 juli 1985 stelde de Italiaanse Republiek wet nr. 409 vast, betreffende het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten door tandartsen die onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen zijn (hierna: wet van 1985").
Volgens artikel 9, zesde alinea, van die wet voert de bevoegde beroepsorde de procedure voor inschrijving op de lijst volgens de geldende wetten".
Bovendien bepaalt artikel 15 van die wet, dat tandartsen die Italiaans onderdaan zijn en hun woonplaats naar een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen overbrengen, op verzoek ingeschreven kunnen blijven bij de Italiaanse beroepsorde waartoe zij behoren".
5. Op 8 november 1991 stelde de Italiaanse Republiek wet nr. 362 vast, betreffende de regels voor reorganisatie van de farmaceutische sector (hierna: wet van 1991").
Die wet heeft artikel 9, sub e, van het decreto legislativo aldus gewijzigd, dat men voortaan, om op de lijst te worden ingeschreven, moet wonen of zijn beroep uitoefenen in het gebied van de orde of de vereniging".
6. Uit de stukken blijkt, dat het in 1991 vastgestelde reglement van de orde van geneesheren en tandartsen van de provincie Imperia bepalingen bevat die identiek zijn aan die van de oorspronkelijke versie van het decreto legislativo.
Enerzijds bepaalt dat reglement dat de betrokkene, om op de lijst te worden ingeschreven, moet wonen in het gebied van de orde of de vereniging waartoe hij behoort (artikel 9, sub e). Anderzijds schrijft het voor, dat bij overbrenging van de woonplaats van de betrokkene naar het buitenland, de doorhaling wordt uitgesproken (artikel 11, sub b).
II - De feiten en het procesverloop
7. Naar aanleiding van een in 1995 door mevrouw Larive gestelde parlementaire vraag was de Commissie van mening, dat de bepalingen van het reglement van de orde van de provincie Imperia - betreffende het woonplaatsvereiste en de verplichte doorhaling op de lijst - in strijd waren met de artikelen 48 en 52 van het Verdrag.
8. Op 17 maart 1997 besloot de Commissie dus de procedure van artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) in te leiden, en de Italiaanse autoriteiten aan te manen om binnen een termijn van twee maanden hun opmerkingen te maken.
9. De Italiaanse autoriteiten antwoordden op die brief op 26 augustus 1997. Zij wezen erop, dat de bepalingen van het decreto legislativo wegens de bij de wetten van 1964 en 1991 aangebrachte wijzigingen thans met de beginselen van het vrije verkeer van werknemers en de vrijheid van vestiging in overeenstemming waren.
10. De Commissie herhaalde haar kritiek in het met redenen omkleed advies dat zij op 11 juni 1998 aan de Italiaanse Republiek deed toekomen.
11. De Italiaanse autoriteiten antwoordden op dat advies bij brief van 23 december 1998.
12. Daar de Commissie dat antwoord onvoldoende achtte, heeft zij op 30 april 1999 het onderhavige beroep ingesteld.
13. De Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek,
- door te dulden dat decreto legislativo nr. 233 van het voorlopig staatshoofd van 13 september 1946, ofschoon gewijzigd bij artikel 9 van wet nr. 362 van 8 november 1991, op zodanige wijze wordt gehandhaafd dat voor tandartsen die in Italië praktiseren, in feite een woonplaatsvereiste blijft gelden, [en]
- door artikel 15, titel IV, van wet nr. 409 van 24 juli 1985 te handhaven, die verwijst naar artikel 1 van wet nr. 1398 van 14 december 1964, op grond waarvan enkel Italiaanse onderdanen bij verhuizing naar een andere lidstaat ingeschreven kunnen blijven,
de krachtens de artikelen 48 en 52 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
14. De Italiaanse Republiek verzoekt het Hof daarentegen, het beroep te verwerpen en de Commissie in de kosten te verwijzen.
III - Argumenten van partijen
15. In hun memories hebben partijen onderscheid gemaakt tussen het in artikel 9, sub e, van het decreto legislativo bedoelde woonplaatsvereiste en de door artikel 15 van de wet van 1985 voorgeschreven doorhaling bij overbrenging van de woonplaats naar het buitenland.
Het woonplaatsvereiste
16. De Commissie betoogt, dat het door de Italiaanse autoriteiten opgelegde woonplaatsvereiste een hinderpaal voor de vrijheid van vestiging oplevert. Zij is van mening, dat een dergelijke verplichting de in een andere lidstaat gevestigde tandartsen belet, op het Italiaanse grondgebied een tweede praktijk te openen en te beheren zonder hun woonplaats naar dat grondgebied over te brengen.
Op dezelfde wijze zou het woonplaatsvereiste een hinderpaal voor het vrije verkeer van werknemers opleveren, aangezien het een in een andere lidstaat gevestigde tandarts zou beletten, op het Italiaanse grondgebied in loondienst te praktiseren.
Bovendien zou het woonplaatsvereiste niet worden gerechtvaardigd door de noodzaak de inachtneming van de deontologische regels te waarborgen of de continuïteit van de geneeskundige verzorging te verzekeren.
17. De Commissie heeft ook bezwaar tegen de door de Italiaanse autoriteiten gebruikte wetgevingstechniek, waarbij het decreto legislativo, dat wil zeggen een algemene regeling, werd gewijzigd bij een sectorale wet die de apothekers betreft, namelijk de wet van 1991.
Zij is van mening dat die wetgevingstechniek ongeschikt is, aangezien zij een verwarde en onzekere rechtssituatie schept, die onverenigbaar is met een juiste toepassing van de artikelen 48 en 52 van het Verdrag.
De Commissie ziet het bewijs daarvan in het feit, dat het reglement van de orde van de provincie Imperia, ondanks die wetswijziging, aan tandartsen die in dat gebied willen praktiseren, een woonplaatsvereiste blijft stellen. Bovendien zou de Nationale federatie van orden van geneesheren en tandartsen (hierna: Nationale federatie") in een brief van 16 januari 1998 hebben bevestigd, dat volgens de basiswet de gemeenschapsonderdaan die het beroep [in Italië] wenst uit te oefenen, in het gebied van de provinciale orde van inschrijving moet wonen".
18. De Italiaanse Republiek is daarentegen van mening, dat het decreto legislativo verenigbaar is met de artikelen 48 en 52 van het Verdrag.
Zij herinnert eraan, dat artikel 9, sub e, van dat decreto uitdrukkelijk is gewijzigd bij de wet van 1991. Het bepaalt thans dat de betrokkene, om op de lijst te worden ingeschreven, in het gebied van de bevoegde orde hetzij zijn woonplaats heeft, hetzij zijn beroep uitoefent. Dit laatste vereiste - uitoefening van het beroep in het gebied van de orde - zou echter verenigbaar zijn met het recht van vestiging en het vrije verkeer van werknemers.
19. De Italiaanse regering zet ook uiteen, dat de in de onderhavige zaak gebruikte wetgevingstechniek geen onzekerheid laat bestaan. Volgens de in de Italiaanse rechtsorde geldende uitleggingsregels gold artikel 9, sub e, van het decreto legislativo ook voor tandartsen. Iedere andere uitlegging van het Italiaanse recht was willekeurig.
De verplichte doorhaling bij overbrenging van de woonplaats
20. De Commissie betoogt ook, dat de - in artikel 11, sub b, van het decreto legislativo bedoelde - verplichte doorhaling op de lijst een hinderpaal voor de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van werknemers oplevert.
Volgens haar heeft een dergelijke maatregel tot gevolg, dat het voor in een andere lidstaat gevestigde en woonachtige tandartsen onmogelijk wordt, op het Italiaanse grondgebied een tweede praktijk te openen of er in loondienst te werken. Bovendien is die maatregel volgens haar discriminerend, aangezien hij in Italië gevestigde tandartsen niet verbiedt, een tweede praktijk in een andere lidstaat te openen, zo lang zij maar in het gebied blijven wonen van de Italiaanse orde waartoe zij behoren.
21. De Commissie voegt daaraan toe, dat artikel 15 van de wet van 1985 geen einde heeft gemaakt aan de inbreuk, aangezien die bepaling het recht om bij overbrenging van de woonplaats ingeschreven te blijven, aan tandartsen van Italiaanse nationaliteit voorbehoudt.
22. De Italiaanse Republiek is van mening, dat artikel 15 van de wet van 1985, zelfs waar het bepaalt dat alleen Italiaanse onderdanen bij overbrenging van hun woonplaats ingeschreven kunnen blijven, niet in strijd is met de artikelen 48 en 52 van het Verdrag.
Volgens haar moet de Italiaanse wettelijke regeling worden uitgelegd op een wijze die in overeenstemming is met het recht van vestiging dat de onderdanen van de andere lidstaten genieten. De Italiaanse regering herinnert er evenwel aan, dat artikel 11, sub b, van het decreto legislativo bij wet van 1964 aldus is gewijzigd, dat iedereen die in Italië een beroep in de gezondheidssector uitoefent, bij overbrenging van zijn woonplaats naar een andere lidstaat op zijn verzoek ingeschreven kan blijven op de lijst. Bijgevolg zou de Italiaanse wetgeving aldus moeten worden uitgelegd, dat het decreto legislativo, zoals gewijzigd bij de wet van 1964, ondanks artikel 15 van de wet van 1985, ook de onderdanen van andere lidstaten toestaat, bij overbrenging van hun woonplaats naar een andere lidstaat van de Europese Unie, op de lijst van een Italiaanse orde ingeschreven te blijven.
IV - Beoordeling
23. De twee door de Commissie tegen de Italiaanse Republiek geformuleerde grieven, betreffende het woonplaatsvereiste en de verplichte doorhaling bij overbrenging van de woonplaats naar het buitenland, moeten achtereenvolgens worden onderzocht.
Het woonplaatsvereiste
24. Blijkens vaste rechtspraak is het Hof van oordeel, dat het [door artikel 52 van het Verdrag gewaarborgde] recht van vestiging zich ertegen verzet, dat een lidstaat verlangt dat een beoefenaar van een beroep slechts één vestiging binnen de Gemeenschap heeft".
25. Zoals het Hof immers herhaaldelijk heeft geoordeeld, houdt de vrijheid van vestiging meer in dan het recht om binnen de Gemeenschap één vestiging te hebben, en omvat zij mede de mogelijkheid om, met inachtneming van de voor het beroep geldende gedragsregels, binnen de Gemeenschap meer dan één centrum van werkzaamheid in te richten en te behouden".
26. In het arrest Stanton heeft het Hof ook gepreciseerd, dat dit [...] evenzeer [geldt] voor een in een lidstaat gevestigde loontrekkende, die daarnaast in een andere lidstaat als zelfstandige werkzaam wil zijn".
27. Het Hof is van oordeel, dat de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen [...] dus [beogen], het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker te maken om het even welk beroep uit te oefenen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap, en [...] in de weg [staan] aan een nationale regeling die deze onderdanen minder gunstig behandelt wanneer zij op het grondgebied van meer dan één lidstaat werkzaam willen zijn".
28. Uit die rechtspraak volgt, dat de artikelen 48 en 52 van het Verdrag in de weg staan aan een nationale regeling die, voor de uitoefening van het beroep van tandarts, aan de betrokkenen de verplichting oplegt om te wonen in het gebied van de beroepsorde waarbij zij een aanvraag tot inschrijving indienen.
Zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, zou een dergelijke regeling de in een andere lidstaat gevestigde tandartsen beletten, op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst een tweede praktijk te openen en te beheren. Een dergelijke maatregel zou ook een hinderpaal voor het vrije verkeer van werknemers opleveren, aangezien de in een andere lidstaat gevestigde tandartsen in de lidstaat van ontvangst niet in loondienst zouden kunnen praktiseren zonder hun woonplaats naar die lidstaat over te brengen.
29. In de onderhavige zaak blijkt evenwel uit de stukken, dat de bepalingen van de Italiaanse wettelijke regeling op zichzelf voldoen aan de vereisten van de artikelen 48 en 52 van het Verdrag.
Het volstaat eraan te herinneren, dat artikel 9, sub e, van het decreto legislativo - dat aanvankelijk bepaalde dat wie op de lijst wilde worden ingeschreven, moest wonen in het gebied van de orde of de vereniging" - bij de wet van 1991 uitdrukkelijk als volgt is gewijzigd:
Artikel 9, lid 1, sub e, van decreet nr. 233 van het voorlopig staatshoofd van 13 september 1946, [...] wordt als volgt vervangen: ,moet wonen of zijn beroep uitoefenen in het gebied van de orde of van de vereniging".
Bovendien heeft de Italiaanse regering uiteengezet waarom, volgens de in Italië geldende uitleggingsregels, de werkingssfeer van de wet van 1991 zich niet tot de farmaceutische sector beperkt, maar ook de tandartsen omvat.
30. De Italiaanse wettelijke regeling bevat dus formeel geen bepaling meer, die voor de uitoefening van het beroep van tandarts een woonplaatsvereiste stelt.
31. De formele overeenstemming van de Italiaanse regeling met de artikelen 48 en 52 van het Verdrag volstaat echter niet om te kunnen zeggen dat de Italiaanse Republiek haar uit die bepalingen voortvloeiende verplichtingen is nagekomen.
32. Op een ander gebied van het gemeenschapsrecht - dat van het vrije verkeer van goederen - heeft het Hof immers geoordeeld:
Als onmisbaar middel ter verwezenlijking van de markt zonder binnengrenzen verbiedt artikel 30 [EG-Verdrag] niet alleen overheidsmaatregelen die als zodanig het handelsverkeer tussen de lidstaten beperken, maar kan het ook van toepassing zijn wanneer een lidstaat niet de vereiste maatregelen heeft getroffen ter opheffing van belemmeringen van het vrije goederenverkeer, waarvan de oorzaak buiten de sfeer van de overheid ligt."
Het Hof overweegt, dat het feit dat een lidstaat niet optreedt of, in voorkomend geval, in gebreke blijft toereikende maatregelen vast te stellen om belemmeringen van het vrije goederenverkeer te voorkomen, die met name het gevolg zijn van acties van particulieren op zijn grondgebied, [...] het intracommunautaire handelsverkeer evenzeer [belemmert] als een positieve behandeling".
33. Het Hof zou dus kunnen vaststellen, dat de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 48 en 52 van het Verdrag, juncto artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG), op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, indien zou blijken dat die staat niet de nodige maatregelen heeft getroffen om belemmeringen van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van werknemers te voorkomen, die het gevolg zijn van gedragingen waarvan de oorzaak buiten de sfeer van de overheid ligt.
34. Teneinde te oordelen, of de Italiaanse autoriteiten daadwerkelijk de vereiste maatregelen hebben getroffen om op hun grondgebied de inachtneming van die twee fundamentele vrijheden te verzekeren, beschikt het Hof over een doorslaggevend stuk dat door de Commissie aan het dossier is toegevoegd.
Het gaat om de brief waarmee de voorzitter van de Nationale federatie op 16 januari 1998 heeft geantwoord op een verzoek van de orde van de provincie Imperia, om inlichtingen over het verbindende karakter van het woonplaatsvereiste. Die brief luidt als volgt:
In antwoord op uw nota nr. 2864 van 17 december 1997 kan ik u mededelen, dat noch de minister van Volksgezondheid noch de minister van Buitenlandse Zaken heeft geantwoord op onze vraag omtrent het vereiste, dat gemeenschapsonderdanen die het beroep in Italië wensen uit te oefenen, in ons land moeten wonen.
Bij ontbreken van die antwoorden kan ik dus enkel bevestigen, dat volgens de basiswet de gemeenschapsonderdaan die het beroep in ons land wenst uit te oefenen, in het gebied van de provinciale orde van inschrijving moet wonen."
35. Ik ben van mening dat de Commissie, door dat stuk bij het dossier te voegen, twee elementen heeft bewezen die het mogelijk maken, het bestaan van de aan de Italiaanse Republiek verweten niet-nakoming vast te stellen.
36. In de eerste plaats heeft de Commissie aangetoond dat de Italiaanse autoriteiten, ondanks de bij de wet van 1991 in het decreto legislativo aangebrachte wijziging, een woonplaatsvereiste blijven stellen voor gemeenschapsonderdanen die in hun gebied het beroep van tandarts wensen uit te oefenen.
De voorzitter van de Nationale federatie heeft immers in zijn brief van 16 januari 1998 uitdrukkelijk bevestigd, dat volgens de basiswet de gemeenschapsonderdaan die het beroep in [het] land wenst uit te oefenen, in het gebied van de provinciale orde van inschrijving moet wonen".
37. In dit verband zijn er een aantal aanwijzingen, dat het betrokken woonplaatsvereiste op een niet onaanzienlijk deel van het Italiaanse grondgebied wordt toegepast.
Enerzijds gaat de door de Commissie overgelegde brief uit van de nationale" federatie van geneesheren en tandartsen, dus van het gezag van de orde dat voor het gehele nationale grondgebied bevoegd is. Anderzijds blijkt uit de context van die briefwisseling, dat bepaalde provinciale orden het initiatief nemen om zich tot de Nationale federatie te wenden, teneinde te vernemen welke uitlegging aan de Italiaanse regeling moet worden gegeven.
In haar verweerschrift heeft de Italiaanse regering trouwens niet echt betwist, dat verschillende provinciale orden inderdaad de door de Nationale federatie aanbevolen uitlegging volgden. Zij wees erop, dat het, nu de bepalingen van het decreto legislativo met de artikelen 48 en 52 van het Verdrag in overeenstemming waren, van weinig belang was, dat enkele plaatselijke orden de [...] wettelijke regeling onjuist hebben uitgelegd [...] door te menen dat het woonplaatsvereiste nog van kracht was".
38. In de tweede plaats heeft de Commissie bewezen, dat de Italiaanse regering bewust had nagelaten maatregelen te treffen die de ordeautoriteiten hadden kunnen beletten het betrokken woonplaatsvereiste te handhaven.
Uit de brief van 16 januari 1998 blijkt immers, dat de Nationale federatie, alvorens de door de orde van de provincie Imperia gestelde vraag te beantwoorden, zekerheidshalve het ministerie van Landbouw en het ministerie van Buitenlandse zaken om hun standpunt heeft gevraagd over het woonplaatsvereiste voor gemeenschapsonderdanen die het beroep in [het] land wensen uit te oefenen".
Vaststaat echter, dat de twee aangeschreven ministeries aan dat verzoek geen gevolg hebben gegeven, en dat hun stilzwijgen juist de reden is die de Nationale federatie aanvoert om de betrokken uitlegging te bevestigen.
De voorzitter van de Nationale federatie schrijft inderdaad, dat noch de minister van Volksgezondheid noch de minister van Buitenlandse Zaken op [zijn] vraag heeft geantwoord" en dat hij bij ontbreken van die antwoorden (..) dus enkel [kan] bevestigen, dat [...] de gemeenschapsonderdaan die het beroep in [het] land wenst uit te oefenen, in het gebied van de provinciale orde van inschrijving moet wonen".
39. In die omstandigheden ben ik van mening, dat de Italiaanse Republiek heeft verzuimd de nodige en passende maatregelen te treffen om te voorkomen dat voor gemeenschapsonderdanen die in Italië het beroep van tandarts wensen uit te oefenen, in de praktijk een woonplaatsvereiste blijft gelden.
40. Mitsdien geef ik het Hof in overweging vast te stellen, dat de Italiaanse regering aldus de krachtens de artikelen 48 en 52 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
De verplichte doorhaling bij overbrenging van de woonplaats
41. De tweede door de Commissie geformuleerde grief betreft de bepalingen van het Italiaanse recht betreffende de verplichte doorhaling bij overbrenging van de woonplaats naar het buitenland.
42. In het arrest van 30 april 1986, Commissie/Frankrijk, oordeelde het Hof, dat een lidstaat voor de uitoefening van de werkzaamheid van tandarts niet als voorwaarde kan stellen, dat in een andere lidstaat gevestigde onderdanen hun inschrijving of registratie in die andere lidstaat doen doorhalen. Het Hof was van oordeel, dat een dergelijke voorwaarde in strijd was met de verdragsbepalingen die het vrije verkeer van personen waarborgen.
43. De in voornoemd arrest bereikte conclusie is van overeenkomstige toepassing op het geval van een tandarts die zijn woonplaats naar een ander land van de Europese Unie wenst over te brengen. Identieke overwegingen verzetten zich immers tegen een nationale regeling die zou verlangen, dat tandartsen die hun woonplaats naar een andere lidstaat wensen over te brengen, hun inschrijving of registratie in de lidstaat van oorsprong doen doorhalen.
44. In de onderhavige zaak heeft artikel 11, lid b, van het decreto legislativo - dat oorspronkelijk bepaalde dat bij overbrenging van de woonplaats van de ingeschrevene naar het buitenland" de doorhaling op de lijst werd uitgesproken - een dubbele wijziging ondergaan.
Enerzijds bepaalde artikel 1 van de wet van 1964, dat het lid van een beroep in de gezondheidssector, dat zijn vrije beroep in het buitenland uitoefent [...], op zijn verzoek ingeschreven kan blijven op de lijst van de orde of de beroepsvereniging waarin hij is doorgehaald".
Anderzijds vermeldt artikel 15 van de wet van 1985, dat tandartsen die Italiaans onderdaan zijn en naar een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen verhuizen, op verzoek, ingeschreven kunnen blijven bij de Italiaanse beroepsorde waartoe zij behoren".
45. Zoals de Commissie heeft beklemtoond, kan artikel 15 van de wet van 1985 de Italiaanse wettelijke regeling niet met de artikelen 48 en 52 van het Verdrag in overeenstemming brengen.
In artikel 15 wordt de mogelijkheid om op de lijst ingeschreven te blijven immers aan Italiaanse onderdanen voorbehouden. Het maakt dus een onderscheid dat duidelijk op de nationaliteit van de tandartsen berust, terwijl de communautaire bepalingen betreffende het recht van vestiging en het vrije verkeer van werknemers binnen hun respectieve werkingssfeer iedere discriminatie op grond van nationaliteit verbieden".
46. De Italiaanse regering houdt niettemin staande, dat artikel 15 van de wet van 1985, ondanks de bewoordingen ervan, moet worden uitgelegd met inachtneming van het recht van vestiging en de bij de wet van 1964 aangebrachte wijziging. Zij is van mening, dat de Italiaanse wettelijke regeling, krachtens een dergelijke uitlegging, alle gemeenschapsonderdanen toestaat, bij overbrenging van hun woonplaats naar een andere lidstaat op de lijst ingeschreven te blijven.
47. Volgens mij kan het standpunt van de Italiaanse regering niet worden aanvaard.
48. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof, dat het bestaan van een niet-nakoming door een lidstaat kon voortvloeien uit het enkele feit, dat een met het gemeenschapsrecht onverenigbare nationale bepaling wordt gehandhaafd, ongeacht hoe zij in de praktijk wordt toegepast.
Het Hof is van oordeel, dat de ongewijzigde handhaving in de wettelijke regeling van een lidstaat van een bepaling die in strijd is met een verdragsbepaling [...], tot een onduidelijke feitelijke situatie [leidt], doordat de betrokken rechtssubjecten in onzekerheid worden gelaten over hun mogelijkheden om zich op het gemeenschapsrecht te beroepen. Dit betekent dat de betrokken lidstaat, door een dergelijke bepaling te handhaven, de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nakomt".
49. In de onderhavige zaak heeft de Italiaanse regering de noodzaak om aan de door haar wettelijke regeling geschapen onduidelijkheid een einde te maken, trouwens erkend door erop te wijzen, dat de diensten van de eerste minister, om iedere twijfel weg te nemen, reeds hebben aangekondigd dat zij een wetsontwerp zullen indienen om te preciseren, dat die mogelijkheid [om bij overbrenging van de woonplaats op de lijst ingeschreven te blijven] voor alle tandartsen van de lidstaten geldt".
50. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door artikel 15 van de wet van 1985 in haar interne rechtsorde te handhaven, de krachtens de artikelen 48 en 52 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
51. Ook geef ik het Hof in overweging, de Italiaanse Republiek overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering en de conclusie van de Commissie in de kosten te verwijzen.
Conclusie
52. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, vast te stellen:
1) - Door niet de nodige en passende maatregelen te treffen om te voorkomen dat de Italiaanse ordeautoriteiten, ondanks de in wet nr. 362 van 8 november 1991 bedoelde wijziging, decreto legislativo nr. 233 van het voorlopig hoofd van de Italiaanse Staat van 13 september 1946 op zodanige wijze blijven toepassen, dat voor gemeenschapsonderdanen die op het Italiaanse grondgebied het beroep van tandarts wensen uit te oefenen, in de praktijk de verplichting blijft bestaan om te wonen in het gebied van de beroepsorde waarbij zij een aanvraag tot inschrijving indienen, en
- door in haar interne rechtsorde artikel 15 van wet nr. 409 van 24 juli 1985 te handhaven, op grond waarvan enkel tandartsen van Italiaanse nationaliteit bij overbrenging van hun woonplaats naar een andere lidstaat ingeschreven kunnen blijven op de lijst van de beroepsorde waartoe zij behoren,
is de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG), 48 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 39 EG en 43 EG) op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy