Conclusie van de advocaat generaal
1. Op 10 mei 1999 heeft het Europees Parlement hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 9 maart 1999, dat betrekking heeft op een door P. Richard, ambtenaar van het Parlement, tegen deze instelling ingesteld beroep.
2. De aan het geschil ten grondslag liggende feiten zijn door het Gerecht als volgt weergegeven.
3. In 1996 publiceerde het Parlement in het kader van de aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") een kennisgeving van vacature teneinde te voorzien in het ambt (rang A 3) van hoofd van de afdeling Uitrusting en interne dienst" van directoraat A Infrastructuur en huishoudelijke dienst" van directoraat-generaal Administratie" (hierna: DG VI"). De directeur-generaal van DG VI stelde zich op het standpunt, dat van de twaalf personen wier sollicitatie uit hoofde van bevordering of overplaatsing in aanmerking kon worden genomen, er twee de vereiste kwalificaties bezaten en voldeden aan de voor het te vervullen ambt gestelde voorwaarden. Hij stelde het tot aanstelling bevoegd gezag (te weten het Bureau van het Europees Parlement; hierna: TABG") voor, Richard op de post aan te stellen.
4. Het TABG besloot evenwel het aantal potentiële kandidaten uit te breiden door raadpleging van de reservelijsten die waren opgesteld na afloop van de algemene vergelijkende onderzoeken voor de rang A 3 die ingevolge verordening (EG) nr. 626/95 van de Raad van 20 maart 1995 tot instelling van bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, waren voorbehouden voor onderdanen van de nieuwe lidstaten.
5. Nadat het hoofd van de personeelsafdeling de keuze van de directeur-generaal van DG VI had vernomen, zond hij deze namelijk de volgende nota:
Naar aanleiding van voormelde kennisgeving van vacature heeft u in uw nota van 25 juli 1996 geconcludeerd, dat van de twaalf personen wier sollicitatie uit hoofde van bevordering of overplaatsing in aanmerking kon worden genomen, er slechts twee de vereiste kwalificaties bezaten en voldeden aan de in de betrokken kennisgeving van vacature gestelde basisvoorwaarden, en heeft u Richard voor bevordering naar het te bekleden ambt voorgedragen.
Teneinde het aantal potentiële kandidaten uit te breiden, verzoek ik u, overeenkomstig de instructies van de voorzitter van het Parlement de reservelijsten die na afloop van de voor onderdanen van de nieuwe lidstaten voorbehouden algemene vergelijkende onderzoeken voor de rang A 3 zijn opgesteld, te raadplegen alvorens een eindbeslissing te nemen."
6. In een nota van 26 september 1996 antwoordde de directeur-generaal van DG VI, dat het aan het TABG was om zich over het voorstel tot aanstelling van Richard uit te spreken en dat bij de toenmalige stand van de procedure raadpleging van de andere reservelijsten niet verplicht was.
7. In een nota van 11 oktober 1996 expliciteerde de directeur-generaal van DG VI de functie-eisen die hij voor de voordracht tot aanstelling van Richard had gehanteerd, en verklaarde hij:
Indien het [TABG] deze functie-eisen van minder belang acht dan meer geografische criteria, ben ik op grond van een onderzoek van de reservelijsten van het Zweedse, het Finse en het Oostenrijkse vergelijkend onderzoek (PE/79/A, PE/78/A respectievelijk PE/77/A) van mening, dat twee kandidaten, na een ongetwijfeld lange en lastige inwerkperiode, eventueel de post zouden kunnen bezetten, namelijk, in volgorde van voorkeur, S. (Zweedse) en P. (Fin)."
8. Op 9 januari 1997 stelde het TABG de Zweedse S. in de vacature aan.
9. Op 6 mei 1997 diende Richard een klacht in, waarbij hij intrekking van het besluit van het TABG vorderde. Deze klacht werd afgewezen en de voorzitter van het Parlement zond Richard een brief waarin onder meer stond te lezen:
Het Bureau als [TABG] heeft uw klacht onderzocht en mij gevraagd u zijn besluit en de motivering ervan mee te delen.
In de eerste plaats wijs ik erop, dat het TABG niet absoluut verplicht is om bij wege van bevordering of overplaatsing in een vacature te voorzien, ook al hebben zich uit dien hoofde geschikte kandidaten aangemeld, maar dat het gewoon voor elke van de in artikel 29, lid 1, van het Statuut genoemde procedures stuk voor stuk dient na te gaan, of deze kan leiden tot aanstelling van een ambtenaar die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet.
Het TABG heeft de overplaatsings- en bevorderingsmogelijkheden onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat het kleine aantal geschikte kandidaten hem onvoldoende keuze bood om een aanwerving te waarborgen die zoveel mogelijk aan de eisen van het te vervullen ambt beantwoordde. Teneinde zijn keuzemogelijkheid te verruimen, heeft het dan ook besloten om, in plaats van een van de geschikte kandidaten uit hoofde van bevordering aan te stellen, de geslaagde kandidaten uit de reservelijsten van de algemene vergelijkende onderzoeken te beoordelen. Met deze beslissing heeft het TABG, dat op dit punt over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, geen inbreuk gemaakt op de statutaire rechten die u als sollicitant naar deze post heeft.
(...)
Daar het TABG van oordeel was, dat de twee voorgedragen kandidaten qua verdiensten nagenoeg vergelijkbaar waren en beiden aan de gestelde eisen en voorwaarden voldeden - en dat de beginselen van inaanmerkingneming van het dienstbelang en van de persoonlijke verdiensten van de kandidaten dus in acht waren genomen -, besloot het nog andere keuze-elementen in aanmerking te nemen, te weten de noodzaak om een adequate vertegenwoordiging van onderdanen van de nieuwe lidstaten te verzekeren, teneinde te voldoen aan artikel 27 van het Statuut, waarin is bepaald dat bij het aanwerven van personeel een zo breed mogelijke geografische spreiding moet worden nagestreefd."
10. Dit antwoord vormde voor Richard aanleiding om beroep in te stellen bij het Gerecht. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht zowel het besluit tot aanstelling van S. als de desbetreffende aanwervingsprocedure nietig verklaard.
11. Met de onderhavige hogere voorziening vordert het Parlement vernietiging van het arrest van het Gerecht wegens schending van het gemeenschapsrecht.
12. Voor de redenering van het Gerecht zij verwezen naar het bestreden arrest.
Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
13. Richard betwist de ontvankelijkheid van de hogere voorziening op twee verschillende gronden.
14. Hij beroept zich op het feit dat deze hogere voorziening niet vergezeld gaat van een besluit van het TABG inzake de opportuniteit van de instelling van een hogere voorziening.
15. Deze eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen. Luidens artikel 2, eerste alinea, van het Statuut is het immers aan elke instelling om te bepalen, welke gezagsorganen bij haar de bevoegdheden uitoefenen die volgens het Statuut aan het TABG toekomen.
16. Het TABG is dus een uitvloeisel van de instelling die het heeft ingesteld, en het oefent slechts de aan hem gedelegeerde bevoegdheden uit.
17. De ambtenaar dient zijn beroep dus altijd in te stellen tegen de instelling waaronder het ambt valt waarin hij is aangesteld, ongeacht op welke wijze binnen die instelling de uitoefening van de bevoegdheden die volgens het Statuut aan het TABG toekomen, is georganiseerd. Dit is een algemeen beginsel en geldt ingevolge artikel 91 bis zelfs in het in artikel 2, derde alinea, van het Statuut bedoelde bijzondere geval van delegatie van de aan het TABG verleende bevoegdheden. Er bestaat dan ook geen twijfel over, dat Richard zijn beroep terecht had ingesteld tegen het Parlement.
18. Volgens artikel 49, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG nu staat tegen een arrest van het Gerecht hogere voorziening open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld". Aangezien het door Richard aangevochten besluit van het Parlement door het Gerecht nietig is verklaard, mocht het Parlement de onderhavige hogere voorziening instellen zonder dat daartoe een besluit of de goedkeuring van het TABG vereist was. Er is immers niet gesteld, dat het Parlement intern aldus is georganiseerd, dat zijn recht om hogere voorziening in te stellen afhankelijk is van enig besluit van het TABG.
19. Ter terechtzitting van 27 januari 2000 heeft Richard als tweede niet-ontvankelijkheidsgrond aangevoerd, dat het Parlement geen procesbelang heeft.
20. Zonder door het Parlement te worden weersproken, heeft Richard verklaard, dat de kennisgeving van vacature op basis waarvan S. was aangesteld, bij besluit van het Parlement van 4 oktober 1999 is ingetrokken. S. is in een andere functie aangesteld en het ambt van hoofd van de afdeling Uitrusting en interne dienst" van directoraat A van DG VI, waarnaar Richard had gesolliciteerd en waarin S. was aangesteld, is uit het organigram geschrapt. Een arrest van het Hof waarbij het arrest van het Gerecht wordt vernietigd en dus de aanstelling van S. in het betrokken ambt wordt bevestigd, heeft volgens Richard dan ook geen praktische betekenis, zodat de hogere voorziening zonder voorwerp is.
21. Richard heeft ook beklemtoond, dat hij ingevolge artikel 42, lid 2, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering gerechtigd was dit nieuwe middel in de loop van het geding voor te dragen, aangezien het gebaseerd is op een nieuw feitelijk gegeven waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
22. Dit is inderdaad het geval, aangezien de hogere voorziening van het Parlement is ingesteld op 10 mei 1999, de memorie van antwoord is ingediend op 15 juli 1999 en de kennisgeving van vacature is ingetrokken op 4 oktober 1999. Richard mocht dit nieuwe middel dus ter terechtzitting aanvoeren.
23. Het Parlement heeft echter tegengeworpen, dat zijn procesbelang niet is verdwenen. Het heeft in dit verband - zonder nadere toelichting - verwezen naar het arrest van het Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie.
24. De relevante punten van dit arrest luiden als volgt:
59 Het Gerecht stelt vast, dat volgens vaste rechtspraak een beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk is, indien de verzoeker belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling (...) Een dergelijk belang is slechts voorhanden, indien de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben (zie arrest Hof van 24 juni 1986, zaak 53/85, AKZO Chemie, Jurispr. 1986, blz. 1965, r.o. 21).
60 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 176 van het Verdrag de instelling wier handeling nietig is verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest. Deze maatregelen betreffen niet het uit de communautaire rechtsorde verwijderen van de handeling als zodanig, want dit volgt in se uit de nietigverklaring van de handeling door de rechter. Het gaat veeleer om het wegnemen van de gevolgen van de onwettigheden die in het arrest houdende nietigverklaring zijn vastgesteld. De nietigverklaring van een handeling die reeds is uitgevoerd, of die inmiddels vanaf een bepaalde datum is ingetrokken, kan dus nog steeds rechtsgevolgen hebben. Een dergelijke nietigverklaring verplicht de instelling wier handeling nietig is verklaard, immers de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest. De betrokken instelling kan aldus worden genoopt de situatie van de verzoeker op passende wijze te herstellen of te vermijden dat een identieke handeling wordt vastgesteld (zie arresten Hof van 6 maart 1979, zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr. 1979, blz. 777, r.o. 32; 24 juni 1986, AKZO Chemie, reeds aangehaald, r.o. 21, en 26 april 1988, zaak 207/86, Apesco, Jurispr. 1988, blz. 2151, r.o. 16)."
25. In de door het Gerecht aangehaalde arresten van het Hof heeft het Hof de verduidelijking van de toepasselijke voorschriften voor de toekomst inderdaad van groot belang geacht. De desbetreffende passages luiden als volgt:
In het arrest Simmenthal/Commissie:
Ook wanneer aan de bestreden beschikking volledig gevolg is gegeven ten faveure van anderen die aan dezelfde inschrijving hebben deelgenomen, behoudt verzoekster er belang bij dat de beschikking wordt nietigverklaard; zij kan dan trachten het daarheen te leiden dat de Commissie haar alsnog recht doet wedervaren dan wel trachten haar te bewegen om, bijaldien mocht blijken dat het inschrijvingsregime niet aan bepaalde rechtens te stellen eisen voldoet, daarin voor de toekomst de nodige wijzigingen aan te brengen" (punt 32).
In het arrest Akzo Chemie/Commissie:
Het belang van de verzoeksters bij hun beroep tegen de bestreden beschikking kan niet worden ontkend op grond dat deze reeds ten uitvoer was gelegd toen het beroep werd ingesteld. Nietigverklaring van die beschikking kan immers op zichzelf rechtsgevolgen hebben, met name doordat wordt voorkomen dat de Commissie nog eens op deze wijze handelt, en doordat het gebruik van de onrechtmatig meegedeelde documenten door ECS onwettig wordt" (punt 21).
In het arrest Apesco/Commissie:
Het beroep is evenwel ingesteld binnen de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijn. Bovendien heeft Apesco er belang bij om tegen de lijst van juli 1986 op te komen, ook al is deze niet meer geldig, om te voorkomen dat de beweerde onwettigheid zich ook in latere lijsten zal voordoen" (punt 16).
26. In deze zaak ligt de situatie echter toch anders. Om te beginnen verlangt het Parlement geen nietigverklaring van een handeling, maar vernietiging van een arrest. Deze vernietiging zou niet leiden tot nietigverklaring, maar juist tot bevestiging van een besluit van het Parlement zelf (de aanstelling van S.), dat inmiddels door deze instelling is ingetrokken.
27. Bovendien zou het Parlement, nog steeds aangenomen dat het arrest van het Gerecht wordt vernietigd en de aanstelling van S. dus in beginsel wordt bevestigd, niet worden genoopt een situatie op passende wijze te herstellen" of te vermijden dat [in de toekomst] een identieke handeling wordt vastgesteld".
28. Met een dergelijk arrest zou het Parlement integendeel bevestigd krijgen, dat op de methode die het heeft gevolgd om in het betrokken ambt te voorzien, niets valt aan te merken en dat het deze methode dus ook in de toekomst zal kunnen toepassen. In punt 2 van zijn verzoekschrift in hogere voorziening stelt het Parlement immers, dat het bestreden arrest en zijn motivering in strijd zijn met eerdere rechtspraak van zowel Hof als Gerecht betreffende de in artikel 29 van het Statuut beschreven procedure om in vacatures te voorzien. Dit leidt volgens het Parlement tot aanzienlijke twijfels op juridisch vlak en tot een onzekerheid die fnuikend is voor een goed administratief beheer van de in het organigram van de instellingen voorkomende ambten. Een uitspraak over de aan artikel 29 van het Statuut te geven uitlegging is volgens het Parlement dus zeker van belang, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor alle andere instellingen.
29. De hogere voorziening van het Parlement krijgt daarmee iets weg van een beroep in het belang der wet". Het Verdrag noch het Ambtenarenstatuut voorziet echter in een dergelijk beroepsrecht voor het Parlement.
30. Het Hof heeft zich over het procesbelang in het kader van een hogere voorziening uitgelaten in zijn arrest van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie, waarvan punt 13 luidt:
Het Hof kan ambtshalve het ontbreken van procesbelang van een partij bij het instellen of voortzetten van een hogere voorziening opwerpen wanneer zich na het arrest van het Gerecht een feit heeft voorgedaan waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor de rekwirant, en op die grond de hogere voorziening niet-ontvankelijk of zonder voorwerp verklaren. Het bestaan van procesbelang onderstelt immers, dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn."
31. In casu gaat het niet om een na het arrest van het Gerecht voorgevallen feit waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor rekwirant. Bovendien bestaat het betrokken feit in een handeling van rekwirant zelf.
32. Kan evenwel worden gezegd, dat een arrest van het Hof waarbij het arrest van het Gerecht wordt vernietigd, dat dus die uitslag in het voordeel van het Parlement kan zijn?
33. Zoveel is zeker, wanneer de aanstelling van S. met terugwerkende kracht rechtsgeldig werd verklaard, dan zou dit het Parlement niet het voordeel" bieden dat het S. in het betrokken ambt kan handhaven, aangezien dit ambt inmiddels is opgeheven.
34. Toch zie ik wel een punt waarop een vernietiging van het bestreden arrest stellig een voordeel voor het Parlement zou betekenen. Een dergelijk arrest zou het Parlement immers definitief kunnen vrijwaren tegen elke vordering van Richard tot vergoeding van de schade die hij zijns inziens als gevolg van de door het Gerecht onwettig verklaarde aanstelling van S. heeft geleden.
35. Dit lijkt mij een afdoende reden om de hogere voorziening ontvankelijk te achten.
Ten gronde
36. De hogere voorziening van het Parlement heeft betrekking op de uitlegging van artikel 29, lid 1, van het Statuut, dat luidt als volgt:
Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
a) de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling,
b) de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling,
c) de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen,
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.
Tot vergelijkend onderzoek kan eveneens worden overgegaan voor het vormen van een reserve ter vervulling van vacatures."
37. Blijkens punt 3 van het verzoekschrift in hogere voorziening is het bestreden arrest volgens het Parlement in strijd met eerdere rechtspraak:
- op het punt van de omvang van de aan het TABG toekomende beoordelingsvrijheid en voor zover het het TABG verbiedt zijn keuzemogelijkheid te verruimen wanneer de voorgaande fase een geschikte kandidaat heeft opgeleverd;
- voor zover erin wordt overwogen dat vóór de overgang naar een volgende fase [van de aanwervingsprocedure] de voorgaande fase formeel moet worden afgesloten door middel van een afwijzing van de ingediende sollicitaties, waardoor een vergelijking van de in de verschillende fasen van artikel 29 ingediende sollicitaties onmogelijk wordt;
- op het punt van de voorwaarden waaronder aanwerving kan plaatsvinden op basis van na afloop van algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten".
38. Dit zijn dus de drie grieven die door mij zullen worden onderzocht, waarbij ik aanteken dat de uitkomst van dit onderzoek niet bepalend zal zijn voor het lot van de hogere voorziening.
39. Deze drie grieven betreffen immers niet de gehele redenering die het Gerecht heeft gevolgd om tot nietigverklaring van de aanstelling van S. te komen, en het Parlement heeft ook niet te kennen gegeven, dat het die redenering in haar geheel onjuist acht.
40. In punt 6 van zijn verzoekschrift erkent het Parlement met zoveel woorden, dat Richard volkomen terecht voor het Gerecht heeft aangevoerd dat het TABG, nadat het kennis had genomen van de sollicitaties ter zake van bevordering of overplaatsing, niet direct mocht overgaan tot raadpleging van de na afloop van algemene vergelijkende onderzoeken opgestelde reservelijsten, zonder eerst de door artikel 29, lid 1, sub b en c, van het Statuut geboden mogelijkheden te hebben onderzocht, dat wil zeggen de organisatie van een intern vergelijkend onderzoek of de overgang van een ambtenaar van een andere instelling.
41. Hiermee erkent het Parlement, dat het Gerecht op zijn minst één onbetwistbare reden had om het bestreden aanstellingsbesluit nietig te verklaren. Zoals wij weten, komt een arrest van het Gerecht waarvan het dictum juist is, niet voor vernietiging door het Hof in aanmerking. Het komt mij dan ook voor, dat de hogere voorziening van het Parlement hoe dan ook moet worden afgewezen.
De onmogelijkheid voor het TABG om zijn keuzemogelijkheid te verruimen wanneer een van de voorgaande fasen van de procedure een geschikte kandidaat heeft opgeleverd
42. Vaststaat, dat wanneer het TABG tot de conclusie komt dat geen van de sollicitaties die in een bepaalde fase van de procedure van artikel 29 van het Statuut is ingediend, in aanmerking kan worden genomen, het dit vaststelt en overgaat naar de volgende fase.
43. Maar hoe zit het indien het TABG integendeel concludeert, dat een of meer van de kandidaten de voor het te vervullen ambt vereiste kwalificaties bezitten?
44. Is het dan verplicht één van die kandidaten aan te stellen? Dit is het standpunt van het Gerecht in het bestreden arrest.
45. Volgens het Parlement heeft het Gerecht in punt 41 van zijn arrest ten onrechte geoordeeld, dat [a]angezien de sollicitatie van Richard voldeed aan de eisen van het te vervullen ambt, het TABG, ondanks zijn ruime beoordelingsvrijheid, niet op goede gronden kon oordelen, dat zijn keuzemogelijkheid niet zo ruim was, dat het een aanwerving in overeenstemming met de kennisgeving van vacature kon verzekeren".
46. Het Parlement is juist van mening, dat zelfs wanneer er meerdere voor bevordering in aanmerking komende kandidaten zijn die alle vereiste kwalificaties bezitten (geschikte" kandidaten), de beoordelingsvrijheid van het TABG niet alleen meebrengt, dat het overeenkomstig de arresten Küster/Parlement vrij is om geen van die kandidaten naar de vacante post te bevorderen; het TABG mag zelfs, indien het van mening is dat zijn keuzemogelijkheden ontoereikend zijn om een aanwerving in overeenstemming met de kennisgeving van vacature te verzekeren, zijn keuzemogelijkheid verruimen teneinde de beste kandidaat voor het te vervullen ambt te vinden, zoals in de arresten Anacoreta Correia/Commissie en Kotsonis/Raad is bevestigd.
47. Door het bestreden arrest wordt de beoordelingsvrijheid van het TABG aanzienlijk ingeperkt en wordt het beginsel dat elke aanstelling uitsluitend in het belang van de dienst dient plaats te vinden, volledig ondergeschikt gemaakt aan het recht op een loopbaan" van de ambtenaren. Genoemd beginsel brengt volgens het Parlement voor het TABG de verplichting mee, de kandidaat aan te stellen die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet, en geeft het TABG dus ook het recht zijn keuzemogelijkheid te verruimen.
48. Richard beklemtoont, dat er een bepaalde rangorde bestaat tussen de verschillende in artikel 29, lid 1, van het Statuut genoemde mogelijkheden om in een vacature te voorzien. Deze bepaling moet zijns inziens worden gelezen in verband met artikel 4, derde alinea, van het Statuut, volgens hetwelk het TABG een vacature alleen dan ter kennis van het personeel der drie Europese Gemeenschappen dient te brengen, indien in die vacature niet kan worden voorzien bij wege van overplaatsing, bevordering of een intern vergelijkend onderzoek. Uit deze twee bepalingen volgt volgens Richard, dat ambtenaren er recht op hebben dat hun sollicitatie met voorrang op eventueel in latere fasen ingediende sollicitaties wordt onderzocht en in aanmerking wordt genomen. Dit systeem van voorrang van interne kandidaten verzekert de ambtenaren van een loopbaanontwikkeling. Richard voert ook aan, dat het TABG in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid dient te bepalen, of zich al dan niet een geschikte" kandidaat heeft aangediend. Indien het beschikt over een sollicitatie die aan de gestelde eisen voldoet, is het verplicht de betrokkene aan te stellen en mag het niet naar een volgende aanwervingsfase overgaan. Is er geen geschikte kandidaat, dan mag het TABG pas naar een volgende fase overgaan nadat het alle in de lopende fase ingediende sollicitaties heeft afgewezen.
Beoordeling
49. In het arrest Belle/Raad heeft het Hof verklaard, dat het TABG ingevolge artikel 29, lid 1, van het Statuut achtereenvolgens allereerst de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling waar de vacature ontstaat, vervolgens de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling en ten slotte de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen moet onderzoeken; eerst wanneer deze mogelijkheden ontoereikend blijken, kan worden overgegaan tot een - interinstitutioneel of algemeen - vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide.
50. Het staat dan ook buiten kijf, dat het TABG allereerst zorgvuldig de in het kader van bevordering of overplaatsing ingediende sollicitaties dient te onderzoeken.
51. De in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde moet namelijk worden gezien als de uitdrukking van het beginsel dat elke ambtenaar recht heeft op ontwikkeling van een loopbaan binnen zijn instelling".
52. Er bestaat echter geen subjectief recht op bevordering (of overplaatsing), aangezien de aanstellingen uitsluitend op basis van een selectie plaatsvinden en het TABG erop dient toe te zien, dat elke post wordt bezet door de ambtenaar met de beste papieren.
53. In het arrest Küster I, dat betrekking had op een ambtenaar die, omdat hij bevorderbaar was, stelde dat hij er recht op had bevorderd te worden naar het ambt dat door het vertrek van zijn superieur vacant was geworden, verklaarde het Hof namelijk, dat het standpunt van verzoeker erop neer komt dat de eerst aanwezende vervanger van een ambtenaar wiens ambt vacant is geworden, aanspraak op diens opvolging zou mogen maken zodra uit het dossier blijkt dat hij over alle voor de vervulling van die post nodige hoedanigheden beschikt; dat zowel het dienstbelang als de rechten van andere ambtenaren zich tegen zodanige aanspraak verzetten".
54. In het arrest Küster II bevestigde het Hof, dat het feit dat een ambtenaar aan de voor de vervulling van een vacant ambt gestelde voorwaarden voldoet, nog niet betekent dat die ambtenaar er recht op heeft, in dat ambt te worden aangesteld. Het overwoog namelijk:
dat artikel 29, lid 1, sub a van het Statuut, met de bepaling dat het tot aanstelling bevoegde gezag in vacatures moet voorzien door eerst de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling te onderzoeken, aan ambtenaren die voldoen aan de voorwaarden voor bevordering geen subjectief recht hierop toekent, daar volgens artikel 27, eerste alinea, van het Statuut bij de voorziening in enig ambt allereerst moet worden uitgegaan van het belang van de dienst;
dat overigens luidens artikel 45, lid 1, van het Statuut ,bevordering (...) uitsluitend geschiedt bij keuze (...) na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, (...) onderling worden vergeleken;
dat uit deze bepalingen volgt dat het tot aanstelling bevoegde gezag ten deze over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt;
dat bijgevolg niet blijkt dat het tot aanstelling bevoegde gezag - toen het besloot een intern vergelijkend onderzoek te houden in plaats van verzoeker te bevorderen - de krachtens de artikelen 29 en 45 van het Statuut op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen en verzoekers statutaire rechten heeft geschonden".
55. Dit geldt zowel wanneer er slechts één bevorderbare kandidaat is (punt 17 van hetzelfde arrest), als wanneer het TABG uit meerdere kandidaten kan kiezen.
56. Immers, het TABG kan, wanneer een aantal personen voor bevordering of overplaatsing in aanmerking kan worden gebracht, tot de slotsom (...) komen dat het dienstbelang en de bij aanwerving in acht te nemen onpartijdigheid met een intern vergelijkend onderzoek gebaat zijn".
57. In het arrest Mogensen e.a./Commissie heeft het Hof deze beginselen als volgt bevestigd:
Met het gebruik van het woord ,mogelijkheden [in artikel 29, lid 1, sub a] wordt duidelijk tot uitdrukking gebracht, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet onder alle omstandigheden gehouden is tot bevordering over te gaan, doch enkel verplicht is telkens te onderzoeken of bevordering kan leiden tot aanstelling van iemand die - aldus artikel 27 van het Statuut - uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet.
De onderverdeling van artikel 29, lid 1, impliceert weliswaar, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de bevorderingsmogelijkheden uiterst zorgvuldig moet onderzoeken alvorens tot de volgende fase over te gaan, doch dit staat er niet aan in de weg, dat het bij een dergelijk onderzoek ook rekening houdt met de mogelijkheid om via de andere in dit lid genoemde procedures betere kandidaten aan te trekken. Hieruit volgt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag vrij is om tot het onderzoek van de daarna genoemde mogelijkheden over te gaan."
58. Dit betekent, dat het TABG achtereenvolgens naar de volgende fasen van artikel 29, lid 1, van het Statuut kan overgaan, waarin dan de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten uit de eerste fase met die van de andere kandidaten kunnen worden vergeleken.
59. Van deze mogelijkheid om het aantal kandidaten uit te breiden, mag door het TABG echter niet al te gemakkelijk of stelselmatig gebruik worden gemaakt, omdat anders de voorrang die artikel 29, lid 1, van het Statuut onmiskenbaar heeft willen toekennen aan de eigen ambtenaren van de betrokken instelling, volstrekt zou worden genegeerd. Deze mogelijkheid heeft overigens in het verleden wel tot misbruik geleid.
60. In casu volgt uit de eerder genoemde, door het Gerecht aangehaalde documenten, dat de kwalificaties en de beroepservaring van Richard en S. nooit werkelijk met elkaar zijn vergeleken. Laatstgenoemde kwam in aanmerking omdat haar beroepservaring, vergeleken met die van de overige kandidaten die waren geslaagd voor de voor onderdanen van de nieuwe lidstaten voorbehouden algemene vergelijkende onderzoeken, het dichtst in de buurt kwam (of het minst ver afstond) van de beroepservaring die voor de vervulling van het betrokken ambt was vereist. Zoals in het antwoord op de klacht wordt erkend, werd S. uiteindelijk aangeworven om een adequate vertegenwoordiging van onderdanen van de nieuwe lidstaten te verzekeren". Op dit aspect zal ik bij de bespreking van de derde grief nog terugkomen.
61. Een en ander neemt niet weg dat artikel 29, lid 1, van het Statuut in het bestreden arrest in beginsel verkeerd is uitgelegd, voor zover het Gerecht daarin heeft verklaard, dat aangezien de sollicitatie van Richard voldeed aan de eisen van het te vervullen ambt, het TABG, ondanks zijn ruime beoordelingsvrijheid, niet op goede gronden kon oordelen dat zijn keuzemogelijkheid niet ruim genoeg was om een aanwerving in overeenstemming met de kennisgeving van vacature te verzekeren.
62. Deze grief van het Parlement treft dus doel.
De noodzaak om vóór de overgang naar een volgende fase van de aanwervingsprocedure de ingediende sollicitaties af te wijzen
63. Het Parlement komt voorts op tegen de overweging in punt 29 van het bestreden arrest, dat de afwijzing van de sollicitaties uit hoofde van bevordering of overplaatsing overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het Statuut een noodzakelijke voorwaarde is om te kunnen overgaan naar de latere fasen van de in [dit] artikel (...) voorziene procedure, aangezien volgens deze bepaling tussen de verschillende fasen een bepaalde rangorde bestaat". Met zijn overweging in punt 45 van het bestreden arrest, dat [h]ieruit volgt dat het TABG, door verzoekers sollicitatie niet formeel af te wijzen en door die sollicitatie te vergelijken met die van S., artikel 29, lid 1, van het Statuut heeft geschonden", heeft het Gerecht volgens het Parlement dan ook blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting.
64. Het Parlement bestrijdt dus, dat het TABG ingevolge artikel 29, lid 1, van het Statuut verplicht is, elke fase van de aanwervingsprocedure formeel af te sluiten door middel van een afwijzing van de in die fase ingediende sollicitaties, omdat dan een vergelijking van de verdiensten van de kandidaten die zich in de verschillende fasen van artikel 29, lid 1, hebben aangediend, onmogelijk wordt.
65. Mocht uiteindelijk toch een van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten over de beste papieren blijken te beschikken, dan moet het volgens het Parlement in het belang van de dienst mogelijk zijn, een stap terug te doen, iets wat onmogelijk is indien de voorgaande fase is afgesloten en de bijbehorende sollicitaties zijn afgewezen".
66. Het door de tegenpartij aangehaalde arrest Coussios/Commissie moet volgens het Parlement buiten beschouwing worden gelaten, aangezien dit het TABG ten onrechte verplicht om vóór de overgang naar een volgende fase van artikel 29, lid 1, van het Statuut de in de vorige fase ingediende sollicitaties af te wijzen.
67. Richard is van mening, dat wanneer geen van de kandidaten van binnen de instelling de vereiste kwalificaties bezit, het TABG de onderzochte sollicitaties dient af te wijzen en de fasen van tot de eigen instelling beperkte interne aanwerving moet afsluiten alvorens de mogelijkheid van aanstelling van personeel van de andere instellingen te onderzoeken. Dit geldt zijns inziens a fortiori wanneer het TABG van een tot de gemeenschapsinstellingen beperkte aanwerving wil overgaan tot aanwerving van personeel van buiten de instellingen. Richard erkent, dat het TABG zijn keuzemogelijkheid kan verruimen" indien dit naar zijn oordeel in het belang van de dienst is. Dit betekent echter niet, dat het de in de verschillende fasen ingediende sollicitaties met elkaar mag vergelijken, doch enkel, dat het naast de interne sollicitaties nog andere sollicitaties in aanmerking kan nemen, voor zover die eerdere sollicitaties niet voldeden aan de eisen van de dienst en zijn afgewezen.
Beoordeling
68. Uit mijn opmerkingen in verband met de eerste grief volgt reeds, dat het TABG niet verplicht is, de in het kader van bevordering of overplaatsing onderzochte sollicitaties af te wijzen alvorens een intern vergelijkend onderzoek te organiseren of over te gaan naar een van de volgende fasen.
69. In het onderhavige geval heeft het TABG juist niet vastgesteld, dat de kandidaten voor bevordering of overplaatsing ongeschikt waren voor het betrokken ambt, maar heeft het zijn keuzemogelijkheid willen verruimen om na te gaan, of er niet een kandidaat was wiens aanstelling nog meer in het belang van de dienst zou zijn.
70. Dat zich een dergelijke kandidaat aandient, staat echter niet op voorhand vast en het zou dan ook onverstandig zijn, de in het kader van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut ingediende sollicitaties definitief af te wijzen. Eerst de sollicitaties van de eerdere fase of fasen af te wijzen, zou, zoals het Parlement opmerkt, wederom op gespannen voet staan met het belang van de dienst, indien bijvoorbeeld na onderzoek van de sollicitaties ter zake van de overgang van ambtenaren van andere instellingen zou blijken, dat de beste kandidaat zich toch bevindt onder degenen die binnen de instelling voor bevordering in aanmerking komen, terwijl het TABG deze ,fase reeds heeft afgesloten door de betrokken sollicitaties formeel af te wijzen" (punt 30 van het verzoekschrift in hogere voorziening).
71. Deze grief is dus terecht.
De voorwaarden voor aanwerving op basis van de reservelijst
72. Volgens het Parlement moet ook ernstig worden getwijfeld aan de verenigbaarheid met de geldende verordeningen van de in punt 42 van het bestreden arrest geformuleerde voorwaarden voor raadpleging van de reservelijsten van algemene vergelijkende onderzoeken en voor aanwerving op basis van die lijsten".
73. In punt 42 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verklaard, dat voor raadpleging van de reservelijst van onderdanen van de nieuwe lidstaten de ingeleide procedure moest worden geannuleerd en nieuwe voorwaarden voor de voorziening in het ambt moesten worden vastgesteld".
74. Het Parlement stelt om te beginnen, dat uit deze overweging niet duidelijk blijkt, of aan de verplichtingen die het Gerecht het TABG wil opleggen, enkel moet worden voldaan in geval van raadpleging van reservelijsten die na afloop van overeenkomstig verordening nr. 626/95 georganiseerde algemene vergelijkende onderzoeken zijn opgesteld, dan wel telkens wanneer het TABG zich in het kader van een aanwervingsprocedure genoopt ziet, de reservelijsten van algemene vergelijkende onderzoeken te raadplegen.
75. In het eerste geval heeft het Gerecht volgens het Parlement verordening nr. 626/95 geschonden, die weliswaar de mogelijkheid biedt om vacatures enkel voor onderdanen van de nieuwe lidstaten uit te schrijven, doch niet eraan in de weg staat dat kandidaten die voor de in dit kader georganiseerde algemene vergelijkende onderzoeken geslaagd zijn, worden aangesteld ter afsluiting van een aanwervingsprocedure overeenkomstig artikel 29 van het Statuut. Anders zouden namelijk alle op basis van deze verordening opgestelde reservelijsten met het verstrijken van de geldigheidsduur van de verordening komen te vervallen.
76. Volgens het Parlement mag niet uit het oog worden verloren, dat algemene vergelijkende onderzoeken niet worden georganiseerd teneinde in een bepaald ambt te voorzien, maar met het oog op de vorming van aanwervingsreserves om te kunnen voorzien in ambten van een bepaalde categorie en behorend bij een bepaalde loopbaan. Degenen die deze algemene vergelijkende onderzoeken met succes afronden, worden dan ook op een lijst van geschikte kandidaten geplaatst en kunnen worden aangeworven indien zij de voor een bepaald ambt vereiste kwalificaties bezitten.
77. Ook in het tweede geval ligt volgens het Parlement aan de overweging van het Gerecht een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag. Onder verwijzing naar de reeds aangehaalde arresten Carbajo Ferrero/Parlement en Gutiérrez de Quijano y Llorens/Parlement stelt het Parlement, dat in dit verband enkel moet worden gewaarborgd, dat de voorwaarden en kwalificaties in de aankondigingen die in de verschillende fasen van de procedure worden gepubliceerd, met elkaar overeenstemmen, aangezien de inhoud van de aankondigingen het kader vastlegt dat het TABG tijdens de gehele aanwervingsprocedure in acht dient te nemen.
78. Volgens Richard heeft het Gerecht terecht beslist, dat voor raadpleging van de reservelijst van onderdanen van de nieuwe lidstaten de ingeleide procedure moest worden geannuleerd en nieuwe voorwaarden voor de voorziening in het ambt moesten worden vastgesteld. Hij betoogt, dat de post moest worden bezet in het kader van een aanwervingsprocedure overeenkomstig het Statuut, zodat dan ook aan de hand van de voor deze procedure geldende voorschriften moet worden bepaald, of rekening kan worden gehouden met een reservelijst die na afloop van een afwijkende procedure is opgesteld. Ingevolge de bepalingen van het Statuut dient het TABG erop toe te zien, dat de gestelde voorwaarden met elkaar overeenstemmen. In geval van een in het kader van een statutaire aanwervingsprocedure gepubliceerde kennisgeving van vacature en een aankondiging van vergelijkend onderzoek op basis van verordening nr. 626/95 is een dergelijke overeenstemming volgens Richard echter onmogelijk, aangezien laatstgenoemde aankondiging een nationaliteitsvoorwaarde dient te bevatten.
Beoordeling
79. Naar mijn mening blijkt uit het bestreden arrest duidelijk, dat het Gerecht daarin enkel ziet op het geval dat het TABG, nadat het een procedure ter voorziening in een vacature overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het Statuut heeft ingeleid, overgaat tot raadpleging van reservelijsten die zijn opgesteld in afwijking van de bepalingen van het Statuut. Ik geloof dan ook niet, dat het Parlement zich op dit punt heeft kunnen vergissen.
80. Het Statuut bevat een geheel van bepalingen die beogen een evenwicht tot stand te brengen tussen enerzijds de noodzaak om verdienstelijke ambtenaren carrièreperspectieven te garanderen, en anderzijds de noodzaak om een uit onderdanen van alle lidstaten bestaande openbare dienst doeltreffend te organiseren. Het stelt daartoe een aantal dwingende regels, zoals de verplichting om elke ambtenaar, uitsluitend in het belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit, overeenkomstig zijn rang te werk te stellen in een tot zijn categorie of groep behorend ambt (artikel 7, lid 1), het verbod om een ambt te bestemmen voor onderdanen van een bepaalde lidstaat (artikel 27, derde alinea), en de verplichting om, alvorens externe sollicitaties in aanmerking te nemen, eerst de mogelijkheden te onderzoeken om door middel van een interne aanwervingsprocedure in een vacature te voorzien (artikel 29, lid 1).
81. De Raad heeft meermalen in tijdelijke afwijkingen van deze regeling voorzien: de eerste keer in 1982, naar aanleiding van de toetreding van de Helleense Republiek; vervolgens in 1985, bij de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, en ten slotte in 1995, bij de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Finse Republiek en het Koninkrijk Zweden, met verordening nr. 626/95.
82. Artikel 1 van deze verordening luidt als volgt:
1. Tot en met 31 december 1999 kan, in afwijking van artikel 4, tweede en derde alinea, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 1, artikel 27, derde alinea, artikel 29, lid 1, onder a, b en c, en artikel 31 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, in vacatures worden voorzien door de aanstelling van Oostenrijkse, Finse en Zweedse onderdanen, voor zover het om ambten gaat die in het kader van de beraadslagingen over de begroting door de bevoegde instellingen te dien einde zijn toegewezen.
2. Tot aanstelling in ambten van de rangen A 3 (...) wordt overgegaan na een vergelijkend onderzoek aan de hand van bewijsstukken en een examen, dat wordt georganiseerd overeenkomstig het bepaalde in bijlage III van het Statuut.
3. De vacatures worden op passende wijze binnen en buiten de instellingen van de Gemeenschap bekendgemaakt."
83. Op basis van deze bepaling publiceerde het Parlement - uit het dossier blijkt niet op welke datum - drie aankondigingen van algemeen vergelijkend onderzoek met het oog op de aanstelling van, respectievelijk, een afdelingshoofd (M/V) van Oostenrijkse, Finse en Zweedse nationaliteit in een van zijn directoraten-generaal.
84. De aard van de werkzaamheden was in die aankondigingen als volgt omschreven:
Hooggekwalificeerd ambtenaar, die onder het gezag van een directeur verantwoordelijk is voor een bepaald werkgebied van het secretariaat van het Europees Parlement, met name:
- de verdeling en coördinatie van de werkzaamheden van zijn afdeling, waarbij hij de kwaliteit van de prestaties van zijn medewerkers dient te waarborgen;
- het beheer van de voor dit werkgebied van het secretariaat-generaal uitgetrokken budget;
- de vertegenwoordiging van het secretariaat-generaal bij interinstitutionele bijeenkomsten;
- de eventuele contacten met leden van het Europees Parlement in het kader van de werkzaamheden van het Europees Parlement.
De uitoefening van deze leidinggevende functie bij het Europees Parlement vergt grote vaardigheden op het gebied van de coördinatie van de beschikbare personele en financiële middelen, dat wil zeggen het organiseren van de afdelingswerkzaamheden, het leiding geven aan teams en het in gang zetten van vernieuwingen ter verbetering van de prestaties."
85. Kennisgeving van vacature nr. 8011, waarop Richard had gereageerd, luidde als volgt:
Ambt: Directoraat-generaal Administratie
Directoraat Infrastructuur en huishoudelijke dienst
Afdeling: Uitrusting en interne dienst
1 Afdelingshoofd (M/V) (rang A 3)."
86. De aard van de werkzaamheden was als volgt omschreven:
Hooggekwalificeerd ambtenaar, belast met de leiding over en de organisatie van de werkzaamheden van de tot de afdeling behorende diensten, en met name verantwoordelijk voor de volgende diensten:
a) Personele middelen: Chauffeurs, Verhuizers, Reisbureau, en beheer van desbetreffende externe contracten;
b) Uitrusting: - Aankoopbureau: meubilair, bureaumachines, technische apparatuur, kopieerapparaten, werkkleding;
- Verzekeringen en douaneformaliteiten;
- Magazijnen en depots;
c) Conferenties: - Algemene organisatie van de bijeenkomsten;
- Conferentietechniciens;
- Beheer van de bijeenkomsten betreffende verzoeken van externe organen;
d) Inventaris, Financiën, Interne post:
- Budgettaire uitvoering van alle posten die verband houden met de tot de afdeling behorende diensten;
- Bodes.
Voor deze werkzaamheden zijn grote sociale vaardigheden vereist."
87. Bij vergelijking van de twee aankondigingen blijkt, dat de ene gericht was tot personen van een bepaalde nationaliteit en een zeer algemene omschrijving van de aard van de werkzaamheden bevatte, die voor elke post van afdelingshoofd zou kunnen gelden, terwijl in de andere geen nationaliteitsvoorwaarde was opgenomen en de betrokken werkzaamheden veel gedetailleerder waren omschreven.
88. Bovendien heeft het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest vastgesteld, dat het Parlement heeft erkend dat het [de] verordening [nr. 629/95] in deze aanstellingsprocedure niet heeft toegepast". Deze vaststelling is voor het Hof niet bestreden.
89. Wat nu de toepassing van de procedure van artikel 29 van het Statuut betreft, legt volgens vaste rechtspraak de kennisgeving van vacature, die vóór de inleiding van de eerste fase van de procedure van artikel 29, lid 1, wordt opgesteld, het kader van deze procedure vast, in het bijzonder door een beschrijving van de aard van het te vervullen ambt en van de kwalificaties en de kennis die in het belang van de dienst van de kandidaten worden geëist.
90. De gemeenschapsrechter heeft zich meermalen kunnen uitspreken over de noodzakelijke overeenstemming" tussen de kennisgevingen waarmee de verschillende fasen van de procedure van artikel 29 worden ingeleid. Zo is onder meer beslist, dat een wijziging van de toelatingsvoorwaarden van de ene tot de andere fase zou kunnen leiden tot een uitholling van de bepalingen van artikel 29, lid 1. Immers, zou een instelling de toelatingsvoorwaarden van de ene tot de andere fase van de procedure kunnen wijzigen, bijvoorbeeld door ze te verzachten, dan zou zij eigen ambtenaren die hadden kunnen voldoen aan de minder strikte voorwaarden in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, van bevordering of overplaatsing uitsluiten, dan wel in feite de vrije hand hebben om externe-aanwervingsprocedures te organiseren zonder interne sollicitaties te moeten onderzoeken.
91. In casu nu lijkt het alsof het TABG de inhoud van de kennisgeving van vacature tussentijds heeft gewijzigd.
92. Het Gerecht heeft in punt 45 van het bestreden arrest dan ook terecht vastgesteld, dat het TABG, door de sollicitatie van Richard met die van S. te vergelijken, artikel 29, lid 1, van het Statuut heeft geschonden".
93. Het heeft zich bovendien in punt 42 van het bestreden arrest terecht op het standpunt gesteld, dat voor raadpleging van de reservelijst van onderdanen van de nieuwe lidstaten de ingeleide procedure moest worden geannuleerd en nieuwe voorwaarden voor de voorziening in het ambt moesten worden vastgesteld". Het heeft hierbij verwezen naar zijn arrest van 18 maart 1997, Rasmussen/Commissie, dat ik volledig onderschrijf.
94. In die zaak had de Commissie eerst een overeenkomstig artikel 29 van het Statuut gepubliceerde kennisgeving van vacature geannuleerd. Vervolgens had het op basis van verordening nr. 626/95 in het Publicatieblad aankondigingen van vergelijkend onderzoek gepubliceerd met het oog op de voorziening in negen van de ambten van afdelingshoofd van Oostenrijkse, Finse of Zweedse nationaliteit. Een van die algemene vergelijkende onderzoeken was bedoeld om te voorzien in juist dat ambt waarop de geannuleerde kennisgeving van vacature betrekking had (punten 2 en 11 van het arrest Rasmussen/Commissie).
95. Naar mijn mening is deze handelwijze van de Commissie de enige juiste wanneer naar aanleiding van een uitbreiding posten aan onderdanen van de nieuwe lidstaten moeten worden toegewezen op grond van hun nationaliteit.
96. Ik onderschrijf namelijk niet het betoog van het Parlement, dat verordening nr. 626/95 geenszins voorschrijft dat de kandidaten die zijn geslaagd voor de voor onderdanen van de nieuwe lidstaten georganiseerde algemene vergelijkende onderzoeken, worden aangesteld door middel van een bekendmakingsprocedure overeenkomstig de afwijkende regeling. Indien dit wel het geval was, zouden alle reservelijsten van de door alle instellingen voor onderdanen van de nieuwe lidstaten georganiseerde vergelijkende onderzoeken komen te vervallen op 31 december 1999, de datum waarop de geldigheidsduur van de verordening verstrijkt, wat nergens in de verordening is bepaald en evenmin in het belang is van de instellingen of van de geslaagde kandidaten" (punt 42 van het verzoekschrift in hogere voorziening).
97. Aangezien verordening nr. 626/95 namelijk tot doel en gevolg heeft, dat binnen bepaalde grenzen de aanstelling van onderdanen van een bepaalde lidstaat gewaarborgd is, en zij dus volledig op nationaliteitsoverwegingen berust, is het niet meer dan logisch dat deze voorkeursbehandeling van een bepaalde natie, waardoor de andere naties worden gediscrimineerd, in de tijd beperkt dient te zijn.
98. Als gevolg hiervan kan het niet anders dan dat de in het kader van de afwijkende aanwervingsprocedure opgestelde reservelijsten komen te vervallen op het moment waarop het contingent van ambten waarin op die wijze moet worden voorzien, is uitgeput, en in ieder geval bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de speciale verordening op basis waarvan zij zijn opgesteld.
99. De kritiek van het Parlement op hetgeen het Gerecht in de punten 42 tot en met 44 van het bestreden arrest heeft overwogen, is naar mijn mening dan ook ongegrond. Dit betekent dat het Gerecht op goede gronden heeft besloten tot nietigverklaring van het besluit tot aanstelling van S. en dat er derhalve - nog afgezien van de redenen die ik in de punten 9 tot en met 41 van deze conclusie heb aangevoerd om de hogere voorziening af te wijzen - geen termen aanwezig zijn om het bestreden arrest te vernietigen.
100. Ondanks het feit dat bepaalde grieven die tegen het bestreden arrest zijn aangevoerd, gerechtvaardigd zijn, kan ik dus niet anders dan het Hof in overweging geven, de hogere voorziening van het Parlement af te wijzen.
Kosten
101. Volgens artikel 69, lid 2, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Indien de hogere voorziening, gelijk ik in overweging geef, wordt afgewezen, dient het Parlement overeenkomstig de vordering van Richard in de kosten te worden verwezen.
Conclusie
102. Ik geef het Hof in overweging,
- de hogere voorziening af te wijzen;
- het Europees Parlement in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy