Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Het Bezirksgericht Bregenz (Oostenrijk) heeft bij beschikking van 29 december 1998 het Hof drie prejudiciële vragen gesteld over de interpretatie van de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije kapitaalverkeer en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Het verwijzende orgaan wenst in het bijzonder te vernemen of het vereiste van een voorafgaande constitutieve overdrachtsvergunning voor het verwerven van een onbebouwd stuk grond verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Naar aanleiding van het arrest Konle zijn bij het Hof verschillende zaken aanhangig gemaakt die betrekking hebben op Oostenrijkse vergunningsprocedures voor de verkrijging van onroerend goed. In casu dient het Hof zich echter eerst uit te spreken over de kwestie of het Bezirksgericht Bregenz, dat de prejudiciële vragen in zijn hoedanigheid van Grundbuchsgericht heeft gesteld, als een nationale rechterlijke instantie" in de betekenis van artikel 234 EG kan worden aangemerkt.
II - Juridisch kader
A - Nationaal recht
2. Naar Oostenrijks recht wordt de eigendom van onroerend goed verworven door middel van een rechterlijk goedgekeurde registratie (verkrijging van eigendomsrecht") in het kadaster. In verband met de goedkeuring van een eigendomsregistratie dient het zogeheten Grundbuchsgericht te onderzoeken of een eigendomsvergunning noodzakelijk is en zo ja, of die vergunning is verleend danwel of de verwerving van de eigendom wellicht zonder overdrachtsvergunning mogelijk is. Het Grundbuchsgericht maakt deel uit van het Bezirksgericht, een in eerste aanleg rechtsprekende instelling. Het toepasselijke recht is zowel te vinden in de bondswetgeving als in de regelgeving van de deelstaten.
3. Het Grundverkehrsgesetz (hierna ook: GVG") van de deelstaat Vorarlberg maakt onderscheid tussen bebouwde, als bouwland bestemde onbebouwde, en agrarische stukken grond. Voor bebouwde percelen voorziet het Grundverkehrsgesetz in een modelverklaring (Grundverkehrserklärung"), waarin de verkrijger zich verplicht om de verkregen woonruimte niet als vakantiewoning te gebruiken. § 7 GVG bepaalt dat de koper deze verklaring zelf op schrift moet stellen. Vervolgens dient de burgemeester van de gemeente waarin het perceel is gelegen of de voorzitter van de zogeheten Grundverkehrs-Landeskommission (hierna: Landeskommission"), na verificatie, de verklaring officieel te erkennen. De koper van het stuk grond kan daarna bij het Grundbuchsgericht de eigendom laten registreren.
4. Voor onbebouwde percelen, die als bouwland bestemd zijn, vereist § 8 GVG uitdrukkelijk een overdrachtsvergunning. Die vergunning moet worden verleend, wanneer de verkrijger aantoont, dat het stuk grond binnen een bepaalde termijn op een met het bestemmingsplan overeenstemmende wijze wordt gebruikt. Op grond van § 13, lid 2, GVG beslist in eerste instantie de Landeskommission over het verlenen van de vergunning.
5. Indien de door het Grundverkehrsgesetz voorgeschreven verklaring ex § 7 ontbreekt, dan wel de constitutieve overdrachtsvergunning in de zin van § 8 niet is verleend, is de grondtransactie krachtens § 29 GVG onvoorwaardelijk nietig.
6. Het Grundbuchsgesetz (hierna ook: GBG") bevat de procedure voor het Grundbuchsgericht. Volgens § 76 GBG kan het Grundbuchsgericht, buiten de in deze of in een andere wet bepaalde gevallen, niet ambtshalve, maar slechts op verzoek van partijen of instanties inschrijving gelasten. Het verzoek om registratie dient vergezeld te gaan van de noodzakelijke documenten. Voor goedkeuring van de inschrijving toetst het Grundbuchsgericht of voldaan is aan de criteria van § 94 GBG, waaronder de aanwezigheid van een overdrachtsvergunning als bedoeld in § 8 GVG, zonder zich te verdiepen in de wil van de partijen. § 95, lid 1, GBG bepaalt dat het Grundbuchsgericht in principe besluit tot toe- of afwijzing van het verzoek zonder het horen van partijen en zonder tussenuitspraak. In een aantal nauwkeurig omschreven gevallen is echter wel voorzien in het horen van partijen. Indien het verzoek om inschrijving wordt afgewezen, dan behoort het besluit volgens § 95, lid 3, GBG de gronden te vermelden die de goedkeuring in de weg staan. Tegen kadasterbesluiten van het Bezirksgericht kent § 122, lid 1, GBG uitsluitend het rechtsmiddel van het Rekurs".
B - Gemeenschapsrecht
7. Artikel 56, lid 1, EG (ex artikel 73 B, lid 1, EG-Verdrag) luidt als volgt: In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden."
III - De feiten en het procesverloop
8. De feiten in deze zaak, zoals die uit de verwijzingsbeschikking en de door Doris Salzmann-Greif ingebrachte stukken blijken, zijn als volgt weer te geven.
9. De in Fußach, Gerichtsbezirk Bregenz, woonachtige Doris Salzmann-Greif (hierna: Salzmann") heeft van de in dezelfde gemeente woonachtige Walter Schneider een ter plaatse gelegen onbebouwd stuk grond gekocht. De koper en verkoper zijn beiden van Oostenrijkse nationaliteit. Op 5 november 1998 heeft Salzmann een verklaring gezonden aan de Landeskommission. Deze verklaring komt mutatis mutandis overeen met de verklaring, bedoeld in § 7 GVG, die de Landeskommission voor bebouwde stukken grond als voldoende erkent, omdat zij de overname van de verplichting bevat om het verworven onroerend goed niet voor een vakantiewoning te gebruiken. In haar verklaring beriep Salzmann zich uitdrukkelijk op artikel 73 B, lid 1, EG-Verdrag. De Landeskommission heeft daarom vastgesteld dat de verklaring niet in overeenstemming was met de krachtens het Grundverkehrsgesetz voorgeschreven vereisten, zodat deze niet officieel kon worden erkend.
10. Op of rond 12 november 1998 heeft Salzmann een registratieverzoek ter verwerving van het eigendomsrecht van het betrokken stuk grond gericht tot het Bezirksgericht Bregenz, dat optredend als Grundbuchsgericht over het verzoek dient te beslissen. Aan het verzoek is de verklaring van 5 november 1998 gehecht. In de motivering bij het registratieverzoek zet Salzmann uiteen dat zij op grond van gemeenschapsrechtelijke verplichtingen en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte geen voorafgaande vergunning nodig heeft. Vanwege het ontbreken van een overdrachtsvergunning is het verzoek vervolgens bij besluit van 16 november 1998 afgewezen door een gerechtelijk ambtenaar (Rechtspfleger"). Tegen deze afwijzing heeft Salzmann op 18 november 1998 bij het Bezirksgericht Bregenz, optredend als Grundbuchsgericht, Rekurs aangetekend.
11. Daarop besloot het Bezirksgericht Bregenz bij beschikking van 29 december 1998 het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Kunnen onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie zich ook op de vrijheid van kapitaalverkeer beroepen, wanneer een kapitaaltransactie geen transnationaal element in zich bergt?
2) Is het met de vrijheid van kapitaalverkeer verenigbaar, dat voor de verwerving van een stuk bouwgrond een constitutieve overdrachtsvergunning noodzakelijk is?
3) Welk effect heeft de ,standstill-clausule van bijlage XII, punt 1, sub e, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte op naar hun aard nieuwe feiten betreffende overdrachtsvergunningen, die zich hebben voorgedaan na de ondertekening van de EER-overeenkomst op 2 mei 1992?"
12. De beschikking is bij het Hof ingekomen op 14 mei 1999. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Salzmann, de Commissie, de Oostenrijkse regering, alsmede de Spaanse regering. Op 14 december 2000 heeft de terechtzitting plaatsgevonden, waar Salzmann, de Commissie en de Oostenrijkse regering vertegenwoordigd waren.
13. De Spaanse regering en de Commissie hebben zwaarwegende bedenkingen geuit over de bevoegdheid van het Hof, de door het Bezirksgericht gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden. De Oostenrijkse regering heeft eveneens haar bedenkingen over de ontvankelijkheid naar voren gebracht, en zij heeft deze toegelicht in antwoord op schriftelijke vragen van het Hof. In het licht hiervan dient eerst de aard van de nationale procedure en de hoedanigheid van de verwijzende instelling onderzocht te worden.
IV - De bevoegdheid van het Hof
A - Ingediende opmerkingen
14. Artikel 234, eerste alinea, EG verklaart het Hof bevoegd, bij wijze van een prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de uitlegging van het Verdrag en de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap. Volgens artikel 234, tweede alinea, EG kan een rechterlijke instantie van een der lidstaten, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof verzoeken om over deze vraag uitspraak te doen.
15. De interveniënten beroepen zich op de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 234 EG om de ontvankelijkheid ter discussie te stellen. Zoals bekend, wordt volgens vaste rechtspraak de beoordeling of het verwijzend orgaan een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 234 EG uitsluitend door het gemeenschapsrecht bepaald. Voor de kwalificatie van een orgaan als rechterlijke instantie moet een samenstel van institutionele factoren in acht worden genomen, waaronder de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, het uitspraak doen na een procedure op tegenspraak, het toepassen van de regelen des rechts en de onafhankelijkheid van het orgaan. Bovendien dient het geding te leiden tot een uitspraak in het kader van een procedure die moet uitmonden in een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak.
16. De Commissie en de Spaanse regering hebben betoogd dat de aard van de activiteit die het Bezirksgericht Bregenz in deze zaak verricht, namelijk het beslissen over een eigendomsregistratie, sterke overeenkomsten vertoont met de Italiaanse giurisdizione volontaria" in de zaak Job Centre. Ook in het onderhavige geval zou de verwijzende rechter als bestuursorgaan beslissen en geen rechtsprekende functie vervullen. Conform het arrest Job Centre zou om die reden het Bezirksgericht Bregenz in het onderhavige geval niet bevoegd zijn het Hof prejudiciële vragen te stellen.
17. De twijfel bij de Commissie over de ontvankelijkheid is nog versterkt door de bijzonderheden van het onderhavige geval. Zij leidt uit de verwijzingsbeschikking van het Bezirksgericht Bregenz af dat verzoekster nooit heeft verzocht om een vergunning zoals vereist door het nationale recht, en dat er ter zake ook geen besluit ten gronde is genomen. Door de betrokken autoriteit zou enkel schriftelijk zijn vastgelegd dat de verklaring die verzoekster heeft afgegeven niet in overeenstemming is met het nationale recht. Die elementen, alsmede het feit dat Salzmann rechtstreeks artikel 73 B EG-Verdrag inroept in haar verzoek, bezorgen de Commissie de indruk dat zij eerder op een toetsing door het Hof van het vergunningvereiste van § 8 GVG uit zou zijn dan op de inschrijving van de betrokken eigendomsovergang in het kadaster.
18. De Oostenrijkse regering heeft erop gewezen dat de procedure volgens het Oostenrijkse Bundesgesetz in bijzondere gevallen contradictoire elementen kent. Niettemin is ook zij op grond van het arrest Job Centre van mening dat in het voorliggende geval het Bezirksgericht Bregenz niet als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG kan worden aangemerkt.
19. Ter terechtzitting is eveneens door Salzmann gewezen op eventuele contradictoire elementen in de procedure, maar dan om te betogen dat het Bezirksgericht Bregenz in casu wel degelijk optreedt als een rechterlijke instantie in de betekenis van artikel 234 EG. Tevens heeft zij aangevoerd dat de verwijzende instantie geen orgaan in eerste aanleg is, maar een beroepsinstantie, en om die reden zou er sprake zijn van een geschil in rechte.
B - Beoordeling
20. Voor de goede orde merk ik om te beginnen op dat de bevoegdheidsproblematiek moet worden los gezien van de kwestie of het verdragsregime inzake het vrije kapitaalverkeer ook van toepassing is in een zuiver interne situatie, het onderwerp van de eerste vraag. Er is bovendien naar mijn mening geen sprake van een hypothetische of kunstmatige situatie, zoals de Commissie impliciet lijkt te stellen. De verwijzingsbeschikking bevat in voldoende mate de overwegingen van nationaal recht en de feitelijke gegevens om het Hof in staat te stellen minimaal over de eerste twee gestelde vragen een oordeel te kunnen geven. De vragen zijn relevant, omdat Salzmann in casu daadwerkelijk belang heeft bij een zekere interpretatie van artikel 56 EG. Het antwoord van het Hof zou er immers toe kunnen leiden dat voor de eigendomsverkrijging van het onroerend goed dat zij heeft verworven geen overdrachtsvergunning noodzakelijk is, omdat het nationale recht onverenigbaar blijkt te zijn met het gemeenschapsrecht.
21. Verder bestaat er geen enkele discussie over de institutionele vereisten die de rechtspraak van het Hof stelt aan de verwijzende instantie. Het Bezirksgericht is in Oostenrijk de lokale rechter in eerste instantie, met bevoegdheden op het gebied van het strafrecht en het civiele recht en met een aantal bijzondere taken. Een Bezirksgericht is bij wet ingesteld, onafhankelijk en hij oefent zijn functie permanent uit.
22. De omvangrijke rechtspraak van het Hof waarbij het begrip rechterlijke instantie" als bedoeld in artikel 234 EG nader is afgebakend, kan hier dan ook buiten beschouwing blijven. Het gaat in casu niet om de aard van de instantie als rechterlijke instantie, maar om de vraag of de prejudiciële vragen zijn gesteld in de uitoefening van een rechtsprekende functie. Daarvoor moet houvast gevonden worden bij het arrest Job Centre.
23. In de zaak Job Centre werden de prejudiciële vragen gesteld door het Tribunale civile e penale di Milano. Het Tribunale was verzocht om goedkeuring te verlenen aan de oprichtingsakte van de vereniging Job Centre. Dit verzoek moest worden onderzocht in een procedure van zogeheten vrijwillige rechtspraak". Overeenkomstig het Italiaanse Burgerlijk Wetboek beveelt het Tribunale de inschrijving van de vereniging in het register, indien het heeft vastgesteld dat de statuten van de vereniging aan de wettelijke vereisten voldoet en het Openbaar ministerie is gehoord. Over de ontvankelijkheid overweegt het Hof het volgende:
9 Artikel [234 EG] verlangt weliswaar niet, dat de procedure waarin de nationale rechter het Hof een prejudiciële vraag stelt van contradictoire aard zij [...], maar uit artikel [234 EG] volgt wel, dat de nationale rechter enkel bevoegd is tot verwijzing naar het Hof, indien bij hem een geding aanhangig is gemaakt en hij uitspraak moet doen in het kader van een procedure die moet uitmonden in een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak [...]
10 Dit is in casu niet het geval.
11 Wanneer de verwijzende rechter volgens de toepasselijke nationale bepalingen en in het kader van een procedure van een ,giurisdizione volontaria uitspraak doet op een verzoek om goedkeuring van de statuten van een vereniging met het oog op de inschrijving van die vereniging in het register, vervult hij een niet-rechtsprekende functie, die bovendien in andere lidstaten aan bestuursorganen is opgedragen. Hij treedt immers op als bestuursorgaan, en behoeft niet tegelijkertijd een geschil te beslechten. Enkel wanneer de persoon die ingevolge de nationale wettelijke regeling bevoegd is de goedkeuring te vragen, beroep instelt tegen de afwijzing van het verzoek om goedkeuring, en dus om inschrijving, kan de rechter die van het geschil kennisneemt, worden geacht in de zin van artikel [234 EG] een rechtsprekende taak te vervullen die kan leiden tot nietigverklaring van een handeling waarbij een recht van de verzoeker is geschaad [...]."
24. Ik leid uit deze overwegingen af dat het Hof een duidelijk onderscheid wenst te maken tussen rechterlijke instanties die een geschil beslechten en rechterlijke instanties die, als bestuursorgaan of anderszins, een bepaalde administratieve aangelegenheid in judiciële vorm behandelen, dat wil zeggen met de waarborgen van een werkelijke gerechtelijke procedure.
25. Het arrest Victoria Film heeft de beginselen van het arrest Job Centre bevestigd, hoewel de prejudiciële vragen in deze zaak niet werden gesteld door een rechterlijke instelling, maar door een adviescommissie. Het Hof verklaarde een Zweedse commissie voor fiscale vraagstukken in het kader van een verzoek van een onderneming om een prealabel advies over een belastingvraagstuk niet ontvankelijk, aangezien zij niet tot taak heeft een geschil te beslechten en dus geen rechterlijke functie uitoefent. De commissie voldeed aan bepaalde criteria die haar als een rechterlijke instantie zouden kunnen aanmerken, zoals de onafhankelijkheid en de bevoegdheid om door toepassing van rechtsregels bindende beslissingen te nemen. Het Hof overwoog evenwel dat zij, evenals het Tribunale civile e penale in de zaak Job Centre, in wezen een administratieve functie vervult. Het Hof betrekt verder in zijn oordeel de omstandigheid dat ook deze functie in andere lidstaten uitdrukkelijk is opgedragen aan een bestuursorgaan (de belastingdienst), en dat pas wanneer de belastingplichtige in beroep gaat van het prealabel advies, de rechterlijke instantie die daarvan kennisneemt, als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG kan worden aangemerkt.
26. Keren we terug naar het onderhavige geval en vergelijken we die met de situatie in de zaak Job Centre, dan ben ik van mening dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de overeenkomsten in nationale procedures en in werkwijzen van de verwijzende instanties.
27. Ten eerste kan worden vastgesteld dat in beide gevallen een regulier ingesteld rechterlijk orgaan in eerste instantie een bijzondere taak vervult, namelijk het inschrijven in een register van respectievelijk een vereniging en de eigendomsoverdracht van onroerend goed. Ondanks de civielrechtelijke gevolgen die in beide gevallen aan de registratie verbonden zijn, betreft het activiteiten met een zuiver administratief karakter.
28. Een tweede gelijkenis betreft het punt van de verkrijging van het eigendomsrecht op onroerend goed. Elders in de Unie zijn het doorgaans niet de rechterlijke instanties, maar bestuursorganen, semi-overheidsinstellingen dan wel notarissen die zich bezighouden met het toezicht op een correcte overdracht en de registratie van onroerend goed.
29. Ten derde neemt het Bezirksgericht, evenals het Tribunale civile e penale, een beslissing volgens de toepasselijke criteria die in wettelijke bepalingen zijn vastgelegd. Beide rechterlijke instellingen kunnen niet ambtshalve over de inschrijving beslissen. Het Bezirksgericht beoordeelt de aangeleverde documenten en beslist op basis daarvan of en hoe registratie kan plaatsvinden. In principe worden de koper en/of de verkoper niet gehoord, waardoor het niet-rechterlijke karakter nog eens wordt versterkt. Er bestaat ook geen geschil tussen de koper en de verkoper van de grond. Hooguit kan worden gesproken van een verschil van mening tussen Salzmann en het Bezirksgericht Bregenz, in casu optredend als bestuursorgaan van de Oostenrijkse overheid, dat weigert een overdracht van onroerend goed te registreren. Deze situatie is echter vergelijkbaar met de positie van elk willekeurig bestuursorgaan dat op een vergunningsaanvraag negatief beschikt.
30. Ten vierde hecht het Hof in het arrest Job Centre waarde aan de mogelijkheid van verzoekster om beroep in te stellen wanneer het verzoek om registratie wordt afgewezen. Een dergelijke mogelijkheid doet zich in casu ook voor. Zou het Bezirksgericht Bregenz negatief beslissen over het verzoek om inschrijving van de eigendomsoverdracht, dan staat voor Salzmann beroep open bij rechterlijke instellingen in tweede en derde instantie.
31. Reeds op grond van het voorgaande ben ik ervan overtuigd dat het Bezirksgericht Bregenz, wanneer het als Grundbuchsgericht handelt, een niet-rechtsprekende functie vervult. Het is dus geen rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG die bevoegd is het Hof prejudiciële vragen voor te leggen. Het feit dat het Bezirksgericht overigens voldoet aan de in de rechtspraak geformuleerde institutionele voorwaarden waaraan een instantie moet voldoen om prejudiciële vragen te kunnen stellen, is daarbij niet relevant.
32. Een aantal punten moet echter nog nader worden bezien.
33. Allereerst de mogelijke contradictoire elementen in de procedure. Salzmann heeft gewezen op de verklaring van 5 november 1998 die door de Landeskommission niet is erkend, omdat een andere verklaring wordt geëist. Salzmann en de Oostenrijkse regering hebben bovendien de mogelijkheid aangehaald die het Grundbuchsgericht krachtens het Grundbuchsgesetz heeft om in bijzondere gevallen vragen te kunnen stellen aan partijen.
34. Die omstandigheden kunnen het Bezirksgericht in casu echter niet als een rechtsprekende instantie kwalificeren in de zin van artikel 234 EG. In een administratieve procedure gericht op de registratie van een bepaalde rechtstoestand is het normaal dat, in het geval in eerste instantie niet alle verplichte bescheiden zijn overgelegd, het bestuursorgaan de verzoeker alsnog in de gelegenheid stelt de ontbrekende documenten aan te leveren. Indien contradictoire elementen vanwege het in uitzonderingsgevallen kunnen horen van partijen al aanwijsbaar zijn, levert dat op zichzelf geen voldoende argumentatie op. Het Hof heeft het vereiste van een procedure op tegenspraak immers niet als doorslaggevend beschouwd voor de ontvankelijkheid van prejudiciële vragen. Eventuele contradictoire elementen doen in casu niet af aan het administratieve karakter van de eigendomsregistratie.
35. Belangrijker vind ik het betoog van Salzmann dat het Bezirksgericht geen orgaan in eerste aanleg zou zijn, maar een beroepsinstantie. Het Bezirksgericht zou in de verwijzingsbeschikking hebben aangegeven dat het als een beroepsinstantie functioneert. Eerder hebben namelijk de Landeskommission en de Rechtspfleger een negatief besluit genomen waartegen Salzmann, naar eigen zeggen, hoger beroep heeft ingesteld bij het Bezirksgericht Bregenz. Om die reden zou er wel degelijk sprake zijn van een rechterlijk geschil dat bovendien reeds in tweede instantie wordt beoordeeld.
36. Niettemin kan ook dit betoog niet aanvaard worden. In de verwijzingsbeschikking valt nergens te lezen dat het Bezirksgericht een beroepsinstantie zou zijn. Integendeel, het Bezirksgericht stelt duidelijk dat het in de hoedanigheid van Grundbuchsgericht dient te beslissen over een verzoekschrift van Salzmann, conform het Grundbuchsgesetz. Het Bezirksgericht heeft de vragen met andere woorden gesteld in het kader van een procedure gericht op kadastrale registratie. Volledigheidshalve ga ik toch nog in op de stellingen van Salzmann.
37. Haar stelling dat het Bezirksgericht zou optreden als beroepsinstantie voor het besluit van de Landeskommission tot weigering van de erkenning van de door haar zelf opgestelde verklaring, is zonder meer onjuist. Tegen dat besluit had zij overeenkomstig § 13 GVG bezwaar moeten instellen bij de Unabhängige Verwaltungssenat, een onafhankelijk bestuursorgaan, teneinde een herziening van het oordeel van de Landeskommission te verkrijgen. Het Bezirksgericht Bregenz, optredend in de hoedanigheid van Grundbuchsgericht, is niet bevoegd kennis te nemen van bezwaren tegen besluiten van de Landeskommission. Wanneer het optreedt als bestuursorgaan bij de registratie van transacties in onroerend goed, kan het niets anders doen dan toetsen of aan de wettelijke voorwaarden voor zo'n registratie is voldaan. Het Bezirksgericht diende de door Salzmann gevraagde registratie te weigeren, aangezien de wettelijk benodigde vergunning ontbrak.
38. Al even ongefundeerd is de stelling van Salzmann dat het Bezirksgericht in casu zou optreden als beroepsinstantie tegen een negatief besluit van de Rechtspfleger die het registratieverzoek had afgewezen. Salzmann moest het verzoek tot registratie van de betrokken transactie indienen bij het Bezirksgericht. Bij dat gerecht werd het niet in behandeling genomen door een rechter, maar door een Rechtspfleger. Een Rechtspfleger is een gerechtelijk ambtenaar, belast met de uitoefening van bepaalde wettelijk omschreven taken, die in hoofdzaak van niet-contentieuze aard zijn. Zijn bevoegdheden zijn uitgewerkt in het Rechtspflegergesetz (hierna ook: RPG"). Hij draagt zorg voor civielrechtelijke aangelegenheden die bij de rechter in eerste aanleg terechtkomen, zoals de executie van uitspraken, insolventiezaken, handelsregisterzaken, nalatenschappen, en de registratie van eigendomsrechten van schepen en onroerend goed. De Rechtspfleger verlicht daarmee in belangrijke mate de taken van de rechter, in het bijzonder waar het gaat om relatief eenvoudige handelingen, die in andere lidstaten vaak worden verricht door niet-jurisdictionele instanties en niet-gerechtelijke ambtenaren. Welhaast ten overvloede voeg ik hieraan toe dat waar de rechter is belast met de uitoefening van bestuurlijke functies, zoals de registratie van onroerend goed, ook de Rechtspfleger, die voor hem die functies waarneemt, optreedt in een bestuurlijke hoedanigheid.
39. Ingevolge het Rechtspflegergesetz handelt de Rechtspfleger met een beperkt mandaat van de rechter dat hem bovendien op elk moment kan worden ontnomen. Hij is gebonden aan de instructies van de rechter. Deze is ook bevoegd om de behandeling van elke zaak door de Rechtspfleger aan zich te trekken, indien hij dat nodig acht. In een aantal gevallen is de Rechtspfleger zelfs verplicht om een zaak aan de rechter voor te leggen.
40. In casu heeft de Rechtspfleger op grond van het toepasselijke nationale recht het verzoek van Salzmann tot registratie van de desbetreffende onroerendgoedtransactie niet gehonoreerd. Volgens het systeem van het Rechtspflegergesetz is elk besluit van een Rechtspfleger door de rechter te corrigeren. Tegen de beslissing van de Rechtspfleger heeft Salzmann het enige middel ingezet dat zij wettelijk heeft: het instellen van Rekurs bij het Bezirksgericht. De aard van de functie van de Rechtspfleger brengt mee dat tegen diens beslissingen een herziening moet worden verzocht bij de rechter onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt.
41. Zo opgevat heeft het Rekurs dat Salzmann in casu heeft ingesteld bij het Bezirksgericht het karakter van een administratiefrechtelijk bezwaar, waarbij de rechter toetst of de onder zijn verantwoordelijkheid opererende Rechtspfleger bij de uitoefening van de hem opgedragen bestuurlijke werkzaamheden correct heeft gehandeld. Ingevolge § 11 RPG en § 122 GBG kan de rechter op het Rekurs van Salzmann twee beslissingen nemen. Indien hij van oordeel is dat de gevraagde registratie wel aan de eisen van het Grundbuchsgesetz voldoet, kan hij alsnog de door Salzmann gevraagde ambtshandeling verrichten. Indien hij van oordeel is dat hij de door Salzmann aangevoerde bezwaren tegen de besluiten van de Rechtspfleger niet kan honoreren, moet hij het Rekurs voor een nadere beoordeling doorverwijzen naar een hogere rechterlijke instantie, in casu het Landesgericht.
42. Uit deze procedurele voorschriften blijkt duidelijk dat het Rekurs tegen beslissingen van de Rechtspfleger voor de instantie waar hij werkzaam is, het karakter heeft van een administratiefrechtelijk bezwaar. Enkel wanneer het moet worden doorverwezen naar het hogere niveau van het Landesgericht, krijgt het Rekurs, bij beoordeling door dat gerecht, het karakter van een administratiefrechtelijk beroep. Hieruit volgt dat de stelling van Salzmann dat het Bezirksgericht in casu in beroep zou oordelen over de beslissing van de Rechtspfleger, niet juist is.
43. Het Bezirksgericht, optredend als Grundbuchsgericht, vervult derhalve een niet-rechterlijke, bestuurlijke functie, zowel in het geval dat de rechter zelf over de registratie van de onroerendgoedtransacties besluit, als in het geval dat hij de beslissingen daaromtrent van de onder zijn verantwoordelijkheid werkende Rechtspfleger controleert. De in casu aan het Hof gestelde vragen zijn dus niet afkomstig van een rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 234 EG. Het Hof is niet bevoegd zich daarover uit te spreken. Dit laat uiteraard onverlet dat de rechterlijke instantie die eventueel in beroep moet oordelen over de beslissing van het Bezirksgericht Bregenz, als rechtsprekende instantie, zich met prejudiciële vragen tot het Hof kan wenden.
V - Conclusie
44. Ik geef, gelet op het bovenstaande, in overweging voor recht te verklaren dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen niet bevoegd is om te antwoorden op de door het Bezirksgericht Bregenz bij verwijzingsbeschikking van 29 december 1998 gestelde vragen.
Full & Egal Universal Law Academy