CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Mme C. Stix-Hackl
van 26 september 2002 (1)
Zaak C-179/99
Eurofer ASBL
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Hogere voorziening - Mededinging - Artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag - Ondernemersvereniging - Normale werking van de mededinging - Systeem van informatie-uitwisseling - Besluiten van verenigingen van ondernemingen
Inhoud
I – Inleiding
II – Conclusies en middelen
III – Bespreking van de zaak
A – Eerste middel: miskenning van het begrip besluiten van verenigingen van ondernemingen als bedoeld in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag
B – Tweede en vierde middel: het zelfstandig mededingingsverstorende karakter van het systeem van informatie-uitwisseling
C – Derde middel: rechtens onjuiste uitlegging van de uitdrukking ertoe leiden in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag en bevoegdheidsoverschrijding door het Gerecht
IV – Conclusie
I – Inleiding
1. De onderhavige hogere voorziening betreft het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (hierna: Gerecht) van 11 maart 1999, Eurofer/Commissie(2) (hierna: bestreden arrest).
2. Met betrekking tot het verloop van de contacten tussen de ijzer- en staalindustrie en de Commissie vanaf de zeventiger tot en met de negentiger jaren, met name betreffende de regelingen in verband met de uitgesproken crisis en beschikking nr. 2448/88/EGKS van de Commissie van 19 juli 1988 tot invoering van een stelsel van toezicht voor bepaalde producten van de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie(3) (hierna: beschikking nr. 2448/88), wordt naar het bestreden arrest verwezen. Het stelsel van toezicht op grond van genoemde beschikking is op 30 juni 1990 beëindigd en door een individuele en vrijwillige informatieregeling(4) vervangen.
3. Op 16 februari 1994 heeft de Commissie tegen zeventien Europese staalondernemingen en een van hun ondernemersverenigingen, de Europäische Vereinigung der Eisen- und Stahlindustrie, EUROFER ASBL (hierna: rekwirante), beschikking nr. 94/215/EGKS vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten(5) (hierna: beschikking). De adressaten van de beschikking hadden volgens haar het mededingingsrecht van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal geschonden aangezien zij systemen van informatie-uitwisseling hadden opgezet, prijzen hadden vastgesteld en markten hadden verdeeld, waardoor zij de mededinging hadden verstoord. De Commissie heeft aan veertien ondernemingen geldboeten opgelegd. In het geval van rekwirante als vereniging heeft de Commissie in artikel 2 van de beschikking vastgesteld dat zij inbreuk op artikel 65 van het Verdrag [heeft] gemaakt door het organiseren van een uitwisseling van vertrouwelijke informatie die met de [...] inbreuken van haar leden in verband staat. Artikel 3 van de beschikking bepaalt bovendien dat de betrokkenen, waaronder rekwirante, zich van verdere inbreuken dienen te onthouden.
4. Tegen de beschikking hebben meerdere betrokken ondernemingen en rekwirante bij het Gerecht beroep ingesteld. Het Gerecht heeft het beroep van rekwirante afgewezen.
5. Rekwirante heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 mei 1999, hogere voorziening tegen dit arrest ingesteld.
II – Conclusies en middelen
6. Rekwirante concludeert dat het den Hove behage:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– onder integrale verwijzing naar de vorderingen in eerste aanleg, artikel 2 van de beschikking alsmede het gedeelte van artikel 3 van deze beschikking dat rekwirante betreft, nietig te verklaren;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwirante in de kosten te verwijzen.
7. In haar verzoekschrift voert rekwirante tot staving van de hogere voorziening de volgende middelen aan:
Eerste middel:
Schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag door onjuiste uitlegging van het begrip ,besluiten van verenigingen van ondernemingen'.
Tweede middel:
Schending van artikel 15, eerste alinea, EGKS-Verdrag door onjuiste, tegenstrijdige en de grenzen van de materiële bevoegdheidssfeer van het Gerecht miskennende motivering met betrekking tot de vaststelling in artikel 2 van de bestreden beschikking, dat Eurofer een uitwisseling van vertrouwelijke informatie heeft georganiseerd die in verband staat met de inbreuken van haar leden.
Derde middel:
Schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag en van de materiële bevoegdheidssfeer van het Gerecht door onjuiste uitlegging van de uitdrukking ,die ertoe zouden kunnen leiden' bij de toepassing van deze bepaling op de vermeende mededingingsverstorende gevolgen van de informatie-uitwisseling door Eurofer.
Vierde middel:
Schending van de artikelen 15, eerste alinea, en 65, lid 1, EGKS-Verdrag door onjuiste uitlegging van de uitdrukking .de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen' en door tegenstrijdige motivering bij de toepassing van deze bepaling op de door Eurofer georganiseerde informatie-uitwisseling.
8. De middelen in deze procedure komen inhoudelijk deels overeen met de in de zaak Thyssen Stahl/Commissie (C-194/99 P)(6) aangevoerde middelen of onderdelen daarvan. Ik concludeer heden eveneens in genoemde zaak. Voorzover er inhoudelijk overeenstemming is, verwijs ik in de onderhavige conclusie naar het standpunt dat ik in mijn conclusie in zaak C-194/99 P heb uiteengezet.
III – Bespreking van de zaak
A – Eerste middel: miskenning van het begrip besluiten van verenigingen van ondernemingen als bedoeld in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag
Argumenten van partijen
9. Rekwirante komt op tegen de punten 109 en volgende en 137 en volgende van het bestreden arrest. Zij voert aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geconcludeerd dat er sprake was van een verenigingsbesluit. Het Gerecht miskent daarmee het doel van een besluit van een vereniging van ondernemingen. Het verenigingsbesluit is structureel gezien slechts een subcategorie van de overeenkomsten tussen ondernemingen en geen bijzondere vorm van een verenigingsactiviteit, zodat wanneer een overeenkomst tussen ondernemingen bestaat, niet behoeft te worden nagegaan of er ook een verenigingsbesluit bestaat.
10. Verder heeft het Gerecht in punt 130 van het bestreden arrest ten onrechte de toepasselijkheid van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag op verenigingsactiviteiten bevestigd, hoewel een vereniging het kartelverbod slechts kan schenden wanneer zij zich als een onderneming gedraagt. Volgens rekwirante heeft het Gerecht zich ten onrechte gebaseerd op het arrest van het Hof in de zaak SOREMA/Hoge Autoriteit(7), aangezien dit arrest juist betrekking heeft op een geval waar de distributie-activiteiten van de leden aan de vereniging werden toegerekend.
11. De Commissie voert daartegen aan dat het Gerecht op basis van een reeks door rekwirante niet betwiste aanwijzingen in de punten 110 en volgende van het bestreden arrest tot de conclusie is gekomen, dat er sprake was van een besluit van rekwirante. Deze vaststelling berust op een feitelijke beoordeling en kan derhalve in hogere voorziening niet worden getoetst.
12. Het Gerecht heeft in de punten 112 en 204 van het bestreden arrest vastgesteld, dat er parallel met de informatie-uitwisseling tussen de ondernemingen in het kader van het Poutrelles Committee een door rekwirante georganiseerde informatie-uitwisseling heeft plaatsgevonden. Het Gerecht heeft dus terecht vastgesteld dat er naast de overeenkomst tussen ondernemingen sprake was van een verenigingsbesluit. Volgens de Commissie kan artikel 65 EGKS-Verdrag niet aldus worden uitgelegd, dat het verenigingsbesluit slechts een subcategorie van de overeenkomsten tussen ondernemingen is.
13. Artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag behandelt ondernemersverenigingen uitdrukkelijk als rechtssubjecten die het mededingingsrecht kunnen schenden. Daarmee is niet verenigbaar dat rekwirante haar gedrag aan haar leden toerekent en haar eigen besluit slechts een residuele rol toedicht.
14. Zoals het Gerecht in punt 131 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, is artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag van toepassing op de specifieke activiteiten van ondernemersverenigingen, en niet alleen op de activiteiten die zij verrichten als onderneming. Deze bepaling zou overbodig zijn, indien zij enkel op het gedrag van deze verenigingen toepasselijk zou zijn wanneer dat toch al onder de regeling voor ondernemingen zou vallen.
Beoordeling
15. Rekwirante heeft duidelijk moeite met het standpunt van het Gerecht over de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, namelijk dat de deelneming van de leden van rekwirante aan het door haar georganiseerde systeem van informatie-uitwisseling een drievoudige functie heeft vervuld: deze deelneming zou in de eerste plaats een inbreuk op de mededinging door de leden zelf zijn geweest en in de tweede plaats een aanwijzing vormen dat er sprake was van een besluit van rekwirante als vereniging. In de derde plaats zou de organisatie van het systeem van informatie-uitwisseling een inbreuk op de mededinging door rekwirante zelf vormen.
16. De conclusie dat er sprake is van een besluit van rekwirante, gelet op de deelneming van de leden van rekwirante, berust op een beoordeling van de feiten die - behoudens in het geval van een verdraaiing van deze feiten - in hogere voorziening niet kan worden getoetst.(8) Het eerste middel dient derhalve op dit punt niet-ontvankelijk te worden verklaard.
17. Verder kan uit het bestreden arrest worden afgeleid dat het Gerecht ervan uitgaat dat het gedrag van ondernemingen een inbreuk op de mededinging kan vormen en dat een besluit van de betrokken ondernemersvereniging, waarvan het bestaan blijkt uit deze gedragingen, tegelijkertijd een zelfstandige inbreuk op de mededinging door deze vereniging kan vormen. Rekwirante lijkt daarentegen van mening te zijn dat het gedrag van de leden van een vereniging slechts subsidiair aan de vereniging kan worden toegerekend, dat wil zeggen, wanneer het niet reeds als mededingingsinbreuk van de leden van de vereniging is bestraft.
18. Artikel 65 EGKS-Verdrag biedt daarvoor echter geen aanknopingspunten(9). Rekwirante heeft weliswaar in zoverre gelijk dat de mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid van verenigingen wellicht een residuele rol speelt wanneer het gedrag van ondernemingen die lid zijn van de vereniging, niet berust op overeenkomsten of onderling samenhangende gedragingen, maar vorm krijgt via het optreden van de vereniging. Dit betekent echter geenszins dat de toepassing van artikel 65 EGKS-Verdrag op verenigingen tot dit geval is beperkt. Dat blijkt uit het volgende.
19. Artikel 65 EGKS-Verdrag biedt - anders dan artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) juncto artikel 15 van verordening nr. 17(10) - niet de mogelijkheid om een geldboete op te leggen aan een vereniging die mededingingsverstorende besluiten heeft genomen. Artikel 65, lid 4, EGKS-Verdrag voorziet enkel in de nietigheid van het besluit en de uitvaardiging door de Commissie van een verbodsbeschikking.
20. Wordt de verbodsbeschikking vastgesteld tegen de leden van de vereniging, dan is zij enkel van toepassing op de adressaten ervan (zie artikel 3, juncto artikel 1 van de beschikking). Wanneer nu de verbodsbeschikking niet meer tegen de vereniging als zodanig zou kunnen worden uitgevaardigd, enkel omdat zij reeds van toepassing is op bepaalde leden van de vereniging, zou dit tot gevolg hebben dat de vereniging in rechte niet kan worden verboden het besluit ongewijzigd met andere of nieuwe leden toe te passen.
21. Daarmee zou artikel 65, lid 4, EGKS-Verdrag een belangrijke preventieve functie kunnen worden ontnomen. Artikel 65 EGKS-Verdrag kan derhalve zeker niet aldus worden uitgelegd, vooral niet gelet op het feit dat de mogelijkheid ontbreekt om aan een vereniging die een mededingingsverstorend besluit heeft genomen, een geldboete op te leggen. Bijgevolg kan er niet van worden uitgegaan dat een verenigingsbesluit in de zin van artikel 65 EGKS-Verdrag enkel subsidiair kan worden aangepakt ten opzichte van daarmee overeenkomend gedrag van de leden van de vereniging.
22. Met betrekking tot de door rekwirante aangevoerde rechtsopvatting dat artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag enkel toepasselijk is op een mededingingsverstorend besluit van een vereniging, wanneer de vereniging dat in haar hoedanigheid van onderneming heeft vastgesteld, volstaat het erop te wijzen dat nergens uit de rechtspraak van het Hof een dergelijk beginsel valt af te leiden.(11) Zoals de Commissie terecht stelt, zou een dergelijk beginsel ook overbodig zijn, aangezien verenigingen die de mededinging verstoren in het kader van hun ondernemingsactiviteiten toch al onder het begrip onderneming in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vallen, zodat de toepassing van deze bepaling op verenigingen overbodig lijkt.
23. Het eerste middel dient derhalve op dit punt ongegrond te worden verklaard.
24. Het eerste middel, dat klaagt over de uitlegging van het begrip besluiten van verenigingen van ondernemingen als bedoeld in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, is derhalve deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.
B – Tweede en vierde middel: het zelfstandig mededingingsverstorende karakter van het systeem van informatie-uitwisseling
Argumenten van partijen
25. Rekwirante keert zich met het tweede middel tegen de uitlegging van artikel 2 van de beschikking in de punten 169 en volgende van het bestreden arrest. Zij voert aan dat het Gerecht geen schending door de Commissie van de motiveringsplicht van artikel 15 EGKS-Verdrag heeft vastgesteld, hoewel de vaststelling in artikel 2 van de beschikking dat rekwirante een systeem van informatie-uitwisseling heeft georganiseerd dat in verband staat met de inbreuken van haar leden, tegenstrijdig is gemotiveerd.
26. Rekwirante klaagt dat het Gerecht zichzelf heeft tegengesproken in de punten 173 en 175 van het bestreden arrest enerzijds, en in de punten 181 en volgende anderzijds, door vast te stellen dat de door rekwirante georganiseerde informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk vormde ten opzichte van de mededingingsverstorende praktijken van haar leden, maar tegelijk te oordelen dat het systeem van informatie-uitwisseling diende om de naleving van de quota te controleren.
27. Bovendien heeft het Gerecht in punt 191 van het bestreden arrest de grenzen van zijn materiële bevoegdheid overschreden, door aan de feiten nieuwe elementen toe te voegen. Het heeft met name vastgesteld dat de leden van rekwirante het op 30 juni 1988 beëindigde quotastelsel hebben voortgezet, om daaruit conclusies te trekken betreffende de onrechtmatigheid van het door rekwirante georganiseerde systeem van informatie-uitwisseling. De vermeende voortzetting van het quotastelsel vind echter geen steun in de feiten zoals uiteengezet in de beschikking of in het arrest zelf.
28. In haar betoog met betrekking tot het vierde middel keert rekwirante zich tegen de punten 185 en volgende van het bestreden arrest, die volgens haar een onjuiste uitlegging en toepassing vormen van de in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag gestelde voorwaarde dat de normale werking van de mededinging wordt belet, beperkt of vervalst.
29. Zij voert aan dat het Gerecht in punt 202 van het bestreden arrest haar systeem van informatie-uitwisseling als een zelfstandige inbreuk heeft aangemerkt, maar in punt 191 van het bestreden arrest de beperking van de mededinging heeft gebaseerd op het feit dat dit systeem van informatie-uitwisseling werd gebruikt om toe te zien op de naleving van een mededingingsregeling van producenten van stalen balken die gericht was op de instandhouding van de nationale markten, en er derhalve van is uitgegaan dat de informatie-uitwisseling een niet-autonome, ondergeschikte rol speelde.
30. Rekwirante betwist dat het systeem van informatie-uitwisseling als zodanig de mededinging heeft kunnen beperken. Een systeem van informatie-uitwisseling kan volgens haar enkel de mededinging beperken wanneer de handelings- en beslissingsvrijheid van de deelnemers door de toevloed van gegevens zou worden beperkt. Dat zou echter enkel het geval zijn wanneer de deelnemers ten gevolge van de overeengekomen uitwisseling van gegevens afzagen van concurrentie omdat de op grond daarvan verwachte concurrentiële voorsprong onmiddellijk verloren zou gaan door de daaropvolgende concurrentie van de andere deelnemers.
31. De uitgewisselde gegevens waren evenwel niet voldoende gedetailleerd, met name wat de producten en de betrokken kopers betreft, om de handelingsvrijheid van de deelnemers aldus te kunnen beperken, aangezien zij betrekking hadden op de globale productgroep balken, die in de officiële douanestatistieken alleen al voor de H-, U- en I-balken in totaal uit tien productgroepen bestaat, die onderling niet uitwisselbaar zijn. Het Gerecht heeft derhalve in punt 188 ten onrechte zonder verdere uitleg vastgesteld dat het systeem van informatie-uitwisseling een homogene groep producten betrof, zodat de mededinging op basis van productkenmerken slechts een beperkte rol zou spelen. Het Gerecht leidt dit overigens af uit een bijzin in punt 269 van de beschikking, die daarvoor echter geen enkele motivering bevat.
32. De Commissie wijst er om te beginnen op, dat rekwirante punt 191 van het arrest verkeerd begrijpt. Daarin staat niet dat de ondernemingen het quotastelsel na 30 juni 1988 hebben voortgezet. Het Gerecht stelt eenvoudigweg dat de informatie-uitwisseling de ondernemingen in staat stelde, te controleren in hoeverre ieder van hen zich verder hield aan de nationale markten die als basis voor het quotastelsel hadden gediend.
33. Met betrekking tot de vaststelling van het Gerecht dat er sprake is van een zelfstandige inbreuk, stelt de Commissie om te beginnen dat dit een vaststelling van feiten betreft, die door het Hof niet kan worden getoetst.
34. Overigens heeft rekwirantes verwijt dat het bestreden arrest tegenstrijdig is gemotiveerd slechts betrekking op punt 191 daarvan, dat zij verkeerd heeft begrepen. Er heeft een prijs- en een marktverdelingskartel bestaan. Maar los daarvan kon het systeem van informatie-uitwisseling als zodanig het gedrag van de ondernemingen op de markt aanmerkelijk beïnvloeden.
35. Subsidiair dient rekwirante te worden tegengeworpen dat de informatie-uitwisseling voor de deelnemers wel degelijk heeft geleid tot een beperking van hun handelings- en beslissingsvrijheid. De ondernemingen hebben zich namelijk ook zonder de oude quotaregelingen verder op de traditionele handelsstromen georiënteerd.
36. Ten slotte voert de Commissie aan dat de kritiek van rekwirante op de uiteenzetting van het Gerecht betreffende de homogeniteit van de producten is gericht tegen de vaststelling en de beoordeling van feiten op basis waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat de uitgewisselde informatie het gedrag van de deelnemers aanmerkelijk kon beïnvloeden. Derhalve is de grief niet-ontvankelijk.
Beoordeling
37. Vooraf dient te worden vastgesteld dat rekwirante met het tweede en het vierde middel duidelijk hetzelfde doel nastreeft. Zoals kan worden afgeleid uit de argumentatie betreffende beide middelen, gaat het haar in beide gevallen met name om de vermeende onjuiste beoordeling in de beschikking dat het door rekwirante georganiseerde systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige verstoring van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vormt ten opzichte van de inbreuken van haar leden en dus losstaat van de andere in de beschikking bestrafte inbreuken op de mededinging. Het tweede en het vierde middel kunnen derhalve tezamen worden beoordeeld.
38. Om te beginnen kan met betrekking tot de vermeende bevoegdheidsoverschrijding door het Gerecht worden vastgesteld dat uit punt 191 van het bestreden arrest niets kan worden afgeleid dat zou wijzen op een schending van artikel 33 EGKS-Verdrag. In het punt wordt enkel gesproken over de voortzetting van het systeem van informatie-uitwisseling, maar niet over de voortzetting van het quotastelsel.
39. Aangezien er bijgevolg geen sprake is van een bevoegdheidsoverschrijding door het Gerecht, dient het tweede middel op dit punt ongegrond te worden verklaard.
40. Wat het verwijt van rekwirante betreft dat het bestreden arrest de beschikking heeft bevestigd voorzover daarin is vastgesteld dat het door rekwirante georganiseerde systeem van informatie-uitwisseling (voor haar leden) diende ter voorbereiding en uitvoering van andere inbreuken op de mededinging, maar tegelijkertijd dient te worden beschouwd als een zelfstandige(12) inbreuk van rekwirante, komen haar grieven in wezen overeen met de argumentatie van Thyssen Stahl AG, rekwirante in de zaak C-194/99 P.
41. Ik verwijs derhalve voor de redenen waarom het tweede en het vierde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond dienen te worden verklaard, naar de punten 109 en volgende van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak. Deze redenen zijn in casu van overeenkomstige toepassing.
42. Het tweede en het vierde middel, waarmee het Gerecht wordt verweten dat het heeft geoordeeld dat het systeem van informatie-uitwisseling wel degelijk een zelfstandige verstoring van de mededinging vormde, dienen derhalve deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te worden verklaard
C – Derde middel: rechtens onjuiste uitlegging van de uitdrukking ertoe leiden in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag en bevoegdheidsoverschrijding door het Gerecht
Argumenten van partijen
43. Rekwirante betwist punt 191 en de punten 195 en volgende van het bestreden arrest.
44. Volgens rekwirante is het het Gerecht ontgaan dat de beschikking ten onrechte is gebaseerd op de gevolgen van het door rekwirante georganiseerde systeem van informatie-uitwisseling, hoewel uit het gebruik van het begrip ertoe leiden (abzielen) in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag duidelijk blijkt dat gedragingen enkel een inbreuk op de mededinging vormen wanneer zij tot doel hebben de mededinging te verstoren. Dat blijkt eveneens uit het in de relevante Franse versie van de bepaling gebruikte begrip tendre.
45. Het Gerecht heeft in punt 191 van het bestreden arrest vastgesteld dat het systeem van informatie-uitwisseling diende om te controleren of de ondernemingen zich hielden aan het onrechtmatig voortgezette quotastelsel en derhalve naar zijn aard diende om de verdeling van de markt te handhaven. Het Gerecht heeft daarmee de grenzen van zijn materiële bevoegdheid overschreden, aangezien het feiten heeft vastgesteld (voortzetting van het quotastelsel) die niet als zodanig in de beschikking zijn vermeld.
46. In punt 195 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het systeem van informatie-uitwisseling het gedrag van de ondernemingen kon beïnvloeden, en in punt 196 heeft het vastgesteld dat dit systeem er derhalve op gericht was de normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag te beletten, te beperken of te vervalsen. Door het begrip gevolgen te vervangen door de uitdrukking erop gericht zijn, dat het doel van het besluit weergeeft, heeft het Gerecht volgens rekwirante ingegrepen in de juridische kwalificatie in de beschikking.
47. De Commissie stelt dat het Gerecht in de punten 191 en 196 van het arrest op geen enkele wijze de feiten van de beschikking aanvult, maar enkel de voordien vastgestelde feiten beoordeelt.
48. Zij betwist eveneens dat het Gerecht artikel 65 EGKS-Verdrag heeft geschonden. Volgens haar stemt de uitdrukking tendre à (ertoe leiden) overeen met de uitdrukking ertoe strekken of ten gevolge hebben in artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG). Verder heeft het werkwoord tendre à ook de betekenis avoir tendance à of évoluer de façon à. Het volstaat dus, dat een gedraging objectief tot een mededingingsbeperking kan leiden. De subjectieve bedoeling van de gedraging is niet van belang.
49. Volgens de Commissie kan het Gerecht niet worden verweten, dat het zich niet heeft beperkt tot de loutere vaststelling dat de informatie-uitwisseling het gedrag van de ondernemingen aanzienlijk kon beïnvloeden, maar een stap verder is gegaan en in punt 191 van het bestreden arrest uit de vastgestelde omstandigheden heeft afgeleid, dat het systeem van informatie-uitwisseling er specifiek toe diende om de markt te verdelen, en in punt 196 van het bestreden arrest heeft geconcludeerd dat het er in het algemeen op gericht was de normale werking van de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen.
Beoordeling
50. De stelling van rekwirante dat het Gerecht in het bestreden arrest de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden, berust in de eerste plaats op een onjuiste uitlegging van punt 191 van het bestreden arrest, waaruit - zoals hierboven reeds is vastgesteld(13) - niet kan worden afgeleid dat het Gerecht heeft geoordeeld dat er sprake was van een onrechtmatige voortzetting van het quotastelsel.
51. In de tweede plaats zou deze bevoegdheidsoverschrijding zijn gelegen in de vervanging van het in de beschikking met betrekking tot het systeem van informatie-uitwisseling gebruikte woord gevolgen door de in het bestreden arrest gebruikte uitdrukking erop gericht zijn. Deze grief hangt logisch samen met de stelling van rekwirante dat het Gerecht de in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag bedoelde uitdrukking ertoe leiden onjuist heeft uitgelegd en wordt derhalve tezamen daarmee besproken.
52. Rekwirante is kennelijk van mening dat volgens artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag enkel gedragingen die tot doel hebben de mededinging op de markt te verstoren, kunnen worden gekwalificeerd als inbreuk op de mededinging.
53. Het Hof heeft in zijn rechtspraak met betrekking tot de parallelle bepaling in het EG-Verdrag (artikel 85, thans artikel 81 EG)(14) reeds geoordeeld dat het niet noodzakelijk is dat een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot doel hebben de mededinging op de markt te verstoren. Ik laat hier in het midden of de in dat kader ontwikkelde algemene beginselen algemeen op het EGKS-Verdrag toepasselijk zijn.
54. De overwegingen van het Hof met betrekking tot het mededingingsverstorende karakter van bepaalde systemen van informatie-uitwisseling in het kader van het EG-Verdrag kunnen namelijk ook zonder bespreking van deze vraag op het EGKS-Verdrag worden toegepast.
55. Het Hof heeft het mededingingsverstorende karakter van bepaalde systemen van informatie-uitwisseling gebaseerd op het feit dat zij in strijd zijn met de zogenaamde eis van zelfstandigheid(15) van het communautaire mededingingsrecht, omdat zij de onzekerheid over de werking van de markt verminder[en] of wegne[men] en derhalve de mededinging tussen de producenten ongunstig beïnvloed[en].(16)(16)
56. De argumenten waarop het Hof in de aangehaalde rechtspraak het mededingingsverstorende karakter van bepaalde systemen van informatie-uitwisseling baseert, maken duidelijk dat het er niet op aankomt dat deze systemen een verstoring van de mededinging tot gevolg hebben (dat wil zeggen gevolgen hebben voor de markt) of daartoe strekken. Zoals uit het aangehaalde arrest blijkt, ligt het mededingingsverstorende karakter van bepaalde systemen van informatie-uitwisseling namelijk reeds in het feit dat daardoor bij de deelnemende ondernemingen het voor de volledige mededinging wezenlijke kenmerk, de onzekerheidsfactor, wordt weggenomen. Voor het vaststellen van het mededingingsverstorende karakter van een dergelijk systeem van informatie-uitwisseling volstaat het dus dat het erop gericht is de onzekerheid op te heffen en de mededinging louter in die zin te beperken.
57. Wanneer het Gerecht derhalve in punt 195 van het bestreden arrest vaststelt dat de informatie die de ondernemingen in het kader van het litigieuze systeem ontvingen, hun gedrag aanzienlijk kon beïnvloeden, om vervolgens in punt 196 vast te stellen dat het systeem van informatie-uitwisseling van rekwirante er derhalve op gericht was de normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag te beletten, te beperken of te vervalsen, sluit het zich aan bij de overwegingen van het Hof over het mededingingsverstorende karakter van bepaalde systemen van informatie-uitwisseling en kan het bestreden arrest op dat punt niet worden betwist.
58. Het derde middel, dat klaagt over een onjuiste uitlegging van de uitdrukking ertoe leiden in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag en over een bevoegdheidsoverschrijding door het Gerecht, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
IV – Conclusie
59. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging,
– - de hogere voorziening af te wijzen;
– - rekwirante in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – T-136/94, Jurispr. blz. II-263.
3 – PB L 212, blz. 1.
4 – Zie punt 33 van het arrest van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie (T-141/94, Jurispr. blz. II 347).
5 – PB L 116, blz. 1.
6 – Zaak aanhangig bij het Hof.
7 – Arrest van 19 maart 1964 (67/63, Jurispr. blz. 293).
8 – Vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld beschikking van de president van het Hof van 11 april 2001, Commissie/Gerot Pharmazeutika [C-479/00 P (R), Jurispr. blz. I-3121].
9 – Het Hof heeft reeds herhaaldelijk moeten oordelen over beschikkingen van de Commissie waarin het verenigingsbesluit werd beschouwd als een inbreuk op de mededinging en de uitvoering van het besluit door de leden van de vereniging als een zelfstandige inbreuk van de leden: arresten van 15 mei 1975, Frubo/Commissie (71/74, Jurispr. blz. 563); 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie (209/78-215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125), en 8 november 1983, IAZ e.a./Commissie (96/82-102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, Jurispr. blz. 3369).
10 – Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204).
11 – Zie arresten Frubo/Commissie, Van Landewyck e.a./Commissie en IAZ e.a./Commissie (allemaal aangehaald in voetnoot 9) en arrest van 27 januari 1987, Verband der Sachversicherer/Commissie (45/85, Jurispr. blz. 405).
12 – Rekwirante klaagt enkel over het feit dat het door haar georganiseerde systeem van informatie-uitwisseling inhoudelijk als een zelfstandige inbreuk wordt beschouwd ten opzichte van de prijsafspraken en marktverdelingsakkoorden van haar leden. Zij keert zich bijvoorbeeld niet eveneens tegen het feit dat in het onderhavige geval eveneens het daderschap met betrekking tot de twee soorten inbreuken op de mededinging is opgesplitst (van een dergelijke situatie was in zaak C-194/99 P a priori geen sprake) en dat haar inbreuk in deze zin als zelfstandig is beoordeeld.
13 – Zie hierboven, punt 37.
14 – Arresten van 30 juni 1966, Société technique minière (56/65, Jurispr. blz. 391), en 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, Jurispr. blz. I-4125). Het effect op de markt is enkel van belang wanneer het niet de bedoeling is de mededinging te beperken of wanneer die bedoeling niet kan worden aangetoond.
15 – Bijvoorbeeld arrest van 14 juli 1972, ICI/Commissie (48/69, Jurispr. blz. 619).
16 – Arrest van 28 mei 1998, Deere/Commissie (C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111, punt 90).
Full & Egal Universal Law Academy