CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 26 september 2002 (1)
Zaak C-182/99 P
Salzgitter AG
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Mededinging – Artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag – Informatie-uitwisseling – Normale werking van de mededinging – Besluitvorming door de Commissie – Procedurele rechten – Samenstelling van de kamer – Passeren van een bewijsaanbod”
I ─ Inleiding
1. De onderhavige hogere voorziening betreft het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (hierna: Gerecht) van 11 maart 1999, Preussag/Commissie (2) (hierna: bestreden arrest).
2. Met betrekking tot het verloop van de contacten tussen de ijzer- en staalindustrie en de Commissie vanaf de zeventiger tot en met de negentiger jaren, met name betreffende de regelingen in verband met de uitgesproken crisis en beschikking nr. 2448/88/EGKS van de Commissie van 19 juli 1988 tot invoering van een stelsel van toezicht voor bepaalde producten van de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie (3) (hierna: beschikking nr. 2448/88), wordt naar het bestreden arrest verwezen. Het stelsel van toezicht op grond van deze beschikking is op 30 juni 1990 beëindigd en door een individuele en vrijwillige informatieregeling (4) vervangen.
3. Op 16 februari 1994 heeft de Commissie tegen zeventien Europese staalondernemingen en een van hun ondernemersverenigingen beschikking nr. 94/215/EGKS vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (5) (hierna: beschikking). De adressaten van de beschikking hadden volgens haar het mededingingsrecht van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal geschonden aangezien zij systemen van informatie-uitwisseling hadden opgezet, prijzen hadden vastgesteld en markten hadden verdeeld, waardoor zij de mededinging hadden verstoord. De Commissie heeft aan veertien ondernemingen geldboeten opgelegd. Zij heeft aan Preussag Stahl AG, zoals Salzgitter AG (hierna: rekwirante) vroeger werd genoemd, een geldboete van 9 500 000 ECU opgelegd.
4. Tegen de beschikking hebben meerdere betrokken ondernemingen, waaronder rekwirante, en de ondernemersvereniging bij het Gerecht beroep ingesteld. Het Gerecht heeft het beroep van rekwirante gedeeltelijk toegewezen en de geldboete naar 8 600 000 euro verlaagd.
5. Rekwirante heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 mei 1999, hogere voorziening tegen dit arrest ingesteld.
II ─ Conclusies en middelen
6. Rekwirante concludeert dat het den Hove behage:
1) het bestreden arrest te vernietigen, voorzover hierbij het beroep van Preussag Stahl AG tot nietigverklaring van de beschikking is verworpen;
2) de artikelen 1, 3 en 4 van de beschikking nietig te verklaren, voorzover zij door het bestreden arrest zijn bevestigd;
3) de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening;
subsidiair:het bedrag van de bij artikel 4 van de beschikking aan Preussag Stahl AG opgelegde geldboete, die in punt 2 van het dictum van het bestreden arrest is bepaald op 8 600 000 euro, te verlagen; meer subsidiair:de zaak te verwijzen naar het Gerecht. De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwirante in de kosten te verwijzen.
7. In haar verzoekschrift voert rekwirante tot staving van de hogere voorziening de volgende middelen aan: Eerste middel:Onjuiste samenstelling van de kamer bij de beslissing van het Gerecht. Tweede middel:Onrechtmatig passeren van een bewijsaanbod. Derde middel:Rechtens onjuiste vaststelling van de totstandkoming en de inhoud van de beschikking. Vierde middel:Schending van de rechten van verdediging van rekwirante door de Commissie. Vijfde middel:Ontoereikende motivering van de beschikking van de Commissie (artikel 15 EGKS-Verdrag). Zesde middel:Schending van artikel 65 EGKS-Verdrag door onjuiste uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging. Zevende middel:Schending van artikel 65 EGKS-Verdrag wat de beoordeling van de informatie-uitwisseling betreft.
Samenvatting van de belangrijkste juridische punten van de middelen en onderdelen daarvan
8. Uit de toelichtingen bij de afzonderlijke middelen en onderdelen daarvan blijken de belangrijkste juridische punten te kunnen worden samengevat als volgt:
het Gerecht heeft procedurefouten begaan, doordat
─ het bestreden arrest door een onjuist samengestelde kamer is gewezen ( eerste middel) en
─ ten onrechte een bewijsaanbod is gepasseerd ( tweede middel),
en het Gerecht heeft het gemeenschapsrecht geschonden, doordat het
─ ten onrechte is uitgegaan van de formele rechtmatigheid van de beschikking, hoewel tijdens de procedure voor de Commissie procedurele rechten zijn geschonden ( vierde middel) en de beschikking niet regelmatig is vastgesteld ( derde middel);
─ ten onrechte is uitgegaan van de materiële rechtmatigheid van de beschikking, hoewel er geen sprake was van een schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, omdat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling
6 Rekwirante spreekt over monitoring van orders en leveringen (in het enkelvoud), maar bedoelt duidelijk zowel de monitoring van orders en leveringen in het kader van het Poutrelles Committee als de informatie-uitwisseling in het kader van de Walzstahl-Vereinigung. Aangezien het bestaan van twee, elkaar aanvullende systemen van informatie-uitwisseling (zie punt 371 van het arrest Thyssen Stahl/Commissie, aangehaald in voetnoot 4) in het geval van rekwirante noch voor de beschikking, noch voor het bestreden arrest of voor de argumenten van rekwirante van belang lijkt te zijn, wordt hierna algemeen over het systeem van informatie-uitwisseling gesproken. geen zelfstandige inbreuk op de mededinging vormde ( zevende middel) en het systeem van informatie-uitwisseling en de vaststelling van prijzen geen nadelige invloed op de normale werking van de mededinging konden hebben ( zesde middel);
─ ten onrechte heeft geoordeeld dat de geldboete toereikend was gemotiveerd ( vijfde middel).
9. De hiernavolgende bespreking volgt deze samenvatting. De door rekwirante aangevoerde middelen en onderdelen daarvan en de daarin uiteengezette argumenten alsmede de argumentatie van de Commissie worden in deze volgorde behandeld.
10. De middelen in deze procedure komen inhoudelijk deels overeen met de in de zaak Thyssen Stahl/Commissie (C-194/99 P) (7) aangevoerde middelen of onderdelen daarvan. Ik concludeer heden eveneens in genoemde zaak. Voorzover er inhoudelijk overeenstemming is, verwijs ik in de onderhavige conclusie naar het standpunt dat ik in mijn conclusie in zaak C-194/99 P heb uiteengezet.
III ─ Bespreking van de zaak
A ─ 1. Onjuiste samenstelling van de kamer ( eerste middel) Middelen met betrekking tot procedurefouten van het Gerecht
Argumenten van partijen
11. Rekwirante klaagt dat het Gerecht artikel 46 van 's Hofs Statuut-EGKS, gelezen in samenhang met artikel 31 van dat Statuut, en de artikelen 32, leden 1 en 3, 33, leden 3 en 5, en 82, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (hierna: Reglement) heeft geschonden.
12. Het bestreden arrest is door drie rechters ondertekend. Het is niet ondertekend door de president, die in ieder geval tot en met de mondelinge behandeling kamerpresident was, en evenmin door een andere rechter die eveneens aan de mondelinge behandeling heeft deelgenomen. Aangezien de president en laatstgenoemde rechter, die beiden aan de beraadslaging hebben deelgenomen, het bestreden arrest niet hebben ondertekend, zijn artikel 82, lid 2, van het Reglement en artikel 31 van 's Hofs Statuut-EGKS geschonden.
13. Volgens rekwirante rechtvaardigt artikel 32 van het Reglement, waarop het Gerecht zich in punt 69 van het bestreden arrest heeft gebaseerd, de gevolgde procedure niet, aangezien artikel 32, lid 1, van het Reglement, dat het verstrijken van de ambtstermijn van rechters regelt, niet enkel toepasselijk is op de deelneming aan de besluitvorming over het arrest, maar ook op de deelneming aan de beraadslagingen.
14. Uit artikel 32, lid 1, juncto artikel 33, leden 3 en 5, van het Reglement kan derhalve het beginsel worden afgeleid dat wie niet aan de beslissing deelneemt, evenmin aan de beraadslagingen mag deelnemen.
15. Rekwirante stelt dat bijgevolg ofwel de rechters waarvan de ambtsperiode voor het einde van de beraadslagingen zou zijn verstreken, zich overeenkomstig artikel 32, lid 1, van het Reglement reeds voor de beraadslaging hadden moeten terugtrekken, ofwel het Gerecht de eindberaadslaging, met inbegrip van de besluitvorming over het arrest, zodanig tijdig had moeten agenderen dat alle rechters daaraan hadden kunnen deelnemen. Daarvoor was voldoende tijd, aangezien tussen de mondelinge behandeling en het verstrijken van de ambtsperiode van twee deelnemende rechters op 17 september 1998 bijna zes maanden lagen en de voor de beraadslagingen mogelijk noodzakelijke stukken, zoals de processen-verbaal van de getuigenverhoren, reeds in juni 1998 beschikbaar waren. Rekwirante wijst erop dat het onderhavige geval op dat punt verschilt van het geval dat aan het arrest Finsider/Commissie (8) van het Gerecht ten grondslag lag. Bij de vaststelling van dat arrest heeft het Gerecht zich terecht op artikel 32, lid 1, van het Reglement gebaseerd, aangezien twee rechters voor de aanvang van de beraadslagingen waren vertrokken.
16. Artikel 32, lid 1, van het Reglement is ook irrelevant omdat er geen sprake was van verhindering van een rechter, aangezien de data voor de eindberaadslaging zonder noodzaak zo waren vastgesteld dat was te voorzien dat enkele rechters wegens het verstrijken van hun ambtstermijn verhinderd zouden zijn. Indien dat een geval van verhindering zou zijn, zou de kamerpresident door de vaststelling van de data van de beraadslagingen kunnen bepalen in welke samenstelling de kamer beslist. Een dergelijke bevoegdheid zou het principe schenden dat de door de wet aangewezen rechter reeds voor de aanvang van een aanhangig geding dient vast te staan.
17.
De Commissie verwijst naar artikel 33, lid 5, van het Reglement, waaruit blijkt dat met de deelneming aan de beraadslagingen de deelneming aan de eindberaadslaging en de stemming wordt bedoeld. De deelneming van rechters aan de beginfase van de beraadslagingen is voor de beslissing van het Gerecht dus niet doorslaggevend. Derhalve kan evenmin worden verlangd dat rechters die enkel aan de beginfase van de beraadslagingen hebben deelgenomen, maar niet aan de eindstemming, het arrest ondertekenen.
18. De kritiek van rekwirante op de verwijzing in punt 69 van het bestreden arrest naar artikel 32 van het Reglement is ongegrond. Vaak zal bij een naderend einde van de ambtstermijn van leden van een kamer niet van meet af aan vaststaan of de eindberaadslaging en de stemming over de verschillende strijdpunten nog vóór dan wel pas na het verstrijken van hun ambtstermijn zullen plaatsvinden. In het onderhavige geval blijkt niet dat de kamerpresident de data voor de beraadslagingen zo zou hebben vastgesteld dat de eindberaadslaging en de stemming pas na het verstrijken van zijn ambtstermijn en die van de andere rechter zouden plaatsvinden. Artikel 32 regelt de deelneming aan de beraadslagingen, met inbegrip van de eindberaadslaging en de stemming.
19. Volgens de Commissie miskent rekwirante het doel van de ondertekening van het arrest. De ondertekening dient om vast te stellen welke rechters de beslissing hebben genomen en daarvoor de verantwoordelijkheid nemen. Dit rechtvaardigt dat enkel de rechters die na de eindberaadslaging aan de stemming over de beslissing hebben deelgenomen, het arrest ondertekenen.
20. Het recht op toegang tot de bij de wet aangewezen rechter is volgens de Commissie niet geschonden, aangezien door de samenstelling van de kamer vooraf zo duidelijk en nauwkeurig als mogelijk vaststond welke rechters uiteindelijk uitspraak dienden te doen over de zaak. Dat de beraadslagingen bij het verstrijken van de ambtstermijn van beide rechters in september 1998 nog niet waren beëindigd, doet hier niet aan af. Wat er zou gebeuren wanneer de beraadslagingen op 17 september 1998 niet waren beëindigd, is duidelijk en nauwkeurig vooraf bepaald: de uitspraak zou door de drie overblijvende rechters worden gedaan.
Beoordeling
21. Het betoog van rekwirante gaat naar mijn mening uit van een onjuist begrip van het Reglement. Het door haar geponeerde beginsel wie niet aan de beslissing deelneemt, mag evenmin aan de beraadslagingen deelnemen kan niet uit de door haar aangehaalde bepalingen van het Reglement worden afgeleid.
22. Artikel 32, lid 1, van het Reglement regelt integendeel duidelijk enkel het geval dat door het verstrijken van de ambtstermijn van een of meerdere rechters een even aantal rechters voor de besluitvorming zou overblijven, waardoor onder omstandigheden niet tot de krachtens artikel 33, lid 5, van het Reglement vereiste meerderheidsbeslissing zou kunnen worden gekomen. Zoals rekwirante terecht opmerkt, was dit het geval in de zaak Finsider/Commissie. (9) In het onderhavige geval viel het vertrek van de twee leden van de kamer in het kader van de periodieke vervanging van de rechters evenwel niet onder artikel 32, lid 1, van het Reglement: zij vertrokken omdat hun ambtstermijn was verstreken en er bleef een oneven aantal rechters in de kamer over.
23. Het Reglement bevat nergens een algemene regeling betreffende de wijze waarop het Gerecht dient om te gaan met het vertrek van rechters tijdens een lopende procedure. De in het onderhavige geval gemaakte keuze om de procedure voort te zetten met de overblijvende rechters kan derhalve in beginsel met het Reglement verenigbaar worden geacht, voorzover zij de bijzondere bepalingen betreffende de verhindering van rechters tijdens de procedure niet schendt.
24. Deze bijzondere bepalingen zijn voor beslissingen van de kamer in de artikelen 32, leden 1 en 3, en 33, lid 2, van het Reglement opgenomen. Volgens die bepalingen dient een oneven aantal rechters aan de beraadslagingen deel te nemen (artikel 32, lid 1), dient het aantal rechters ten minste drie te bedragen (artikel 32, lid 3) en kunnen aan de beraadslagingen uitsluitend rechters deelnemen die eveneens bij de mondelinge behandeling tegenwoordig waren (artikel 33, lid 2). Deelneming aan de besluitvorming vereist deelneming aan de eindberaadslaging (artikel 33, lid 5). In het onderhavige geval is aan al deze voorwaarden voldaan. Het arrest bevat dan ook de handtekeningen van (enkel) die rechters die ─ zoals is aangetoond ─ rechtmatig aan de eindberaadslaging en de besluitvorming hebben deelgenomen, zoals volgens artikel 82, lid 2, van het Reglement voor de formele geldigheid ervan is vereist.
25. Rekwirante wil nu kennelijk verder gaan en beweren dat het Reglement onvolledig is omdat een algemene regeling ontbreekt voor het geval dat tijdens een lopende procedure rechters vertrekken, zodat het in ieder geval misbruik mogelijk maakt wanneer het vertrek (bijvoorbeeld ten gevolge van de periodieke vervanging van rechters) voorzienbaar is. Om die reden zou er een aanvullende uitlegging van het Reglement nodig zijn, volgens welke de samenstelling van een kamer na de mondelinge behandeling voor de gehele periode van de beraadslagingen tot en met de stemming over het arrest niet zou mogen worden gewijzigd.
26. Hier behoeft niet nader te worden besproken of het recht op de bij de wet aangewezen rechter in de betekenis die rekwirante daaraan kennelijk geeft en waarmee zij de noodzaak van de door haar verlangde aanvullende uitlegging motiveert, wel tot het gemeenschapsrecht (10) behoort.
27. Het Reglement beoogt een regelmatig systeem van rechtsbescherming te waarborgen. De zuiver hypothetische (11) mogelijkheid om de samenstelling van de kamer bij de eindberaadslaging en de stemming over het arrest te beïnvloeden door bij de vaststelling van de desbetreffende data rekening te houden met het verstrijken van de ambtstermijn van afzonderlijke leden van de kamer, kan in ieder geval op zich niet de door rekwirante bepleite uitlegging van het Reglement rechtvaardigen.
28. Dat de door rekwirante aan het Reglement gestelde eis zijn doel voorbijschiet, blijkt uit de gevolgen ervan. Om bij het naderend einde van de ambtstermijn van leden van een kamer te garanderen dat enkel die rechters aan de beraadslagingen deelnemen die eveneens aan de besluitvorming kunnen deelnemen, bestaan namelijk maar twee mogelijkheden: ofwel vinden de beraadslagingen en de stemming over het arrest ─ zoals rekwirante kennelijk voorstelt ─ plaats voor het verstrijken van de ambtstermijn van de vertrekkende rechters, ofwel worden de rechters die binnen afzienbare tijd zullen vertrekken nog voor het verstrijken van hun ambtstermijn van de beraadslagingen en de stemming over de arresten uitgesloten.
29. In het belang van een behoorlijke rechtsbescherming kan de duur van de beraadslagingen van de rechters die aan een arrest voorafgaan, niet eenvoudigweg worden beperkt omdat een of meerdere rechters op het punt staan te worden vervangen. Wat de uitsluiting van de betrokken rechters van de beraadslagingen en de besluitvorming betreft, kan worden volstaan met de opmerking dat het tot de kerntaken van rechters behoort om aan de beraadslagingen en de stemming over arresten deel te nemen. De uitsluiting van rechters waarvan de ambtstermijn binnenkort verstrijkt, staat zo beschouwd bijna gelijk aan de eis om de ambtstermijn voortijdig te beëindigen.
30. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het beginsel dat degene die niet aan de besluitvorming kan deelnemen, evenmin aan de beraadslagingen mag deelnemen, wegens het door het Reglement beschermde algemene belang van een regelmatige rechtsbescherming geen steun vindt in het Reglement.
31. Aangezien de samenstelling van de kamer bij de besluitvorming voor het overige aan het Reglement voldeed, is er geen sprake van een procedurefout.
32. Het eerste middel, dat klaagt over de onjuiste samenstelling van de kamer, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.2. Passeren van een bewijsaanbod ( tweede middel)
Argumenten van partijen
33. Rekwirante klaagt over de schending van artikel 24 van 's Hofs Statuut-EGKS juncto artikel 65 van het Reglement, omdat het Gerecht haar in punt 109 van het bestreden arrest genoemde verzoek om de Commissie te gelasten het origineel van de notulen ter inzage over te leggen, niet heeft ingewilligd. Met dit origineel had kunnen worden aangetoond dat het voor de vaststelling van de beschikking vereiste quorum niet was bereikt.
34. Om de aanwezigheid van de leden van de Commissie aan te tonen heeft het Gerecht ten onrechte enkel de overgelegde uittreksels uit de notulen uitgelegd, hoewel deze tegenstrijdige informatie bevatten. Op bladzijde 40 van de notulen is de aanwezigheid van twee kabinetschefs en een lid van een kabinet bij afwezigheid van de leden van de Commissie vastgesteld, terwijl op bladzijde 2 van de notulen de aanwezigheid van de desbetreffende leden van de Commissie zelf is vastgesteld.
35. Op grond van het beginsel van een volledige opheldering van de feiten had het Gerecht de originele notulen in hun geheel ter beschikking moeten stellen en onderzoeken, alvorens een aan de dag getreden tegenstrijdigheid in de formulering van de uittreksels uit de notulen te verhelpen door deze te verdraaien.
36. Overigens bevat het uittreksel uit de notulen betreffende het cruciale punt XXV (beraadslagingen over de beschikking), noch het volgens artikel 6, eerste zin, van het reglement van orde van de Commissie verplichte voorstel van een of meer leden van de Commissie, noch het resultaat van de stemming.
37. Het was dus noodzakelijk om de originele notulen in hun geheel over te leggen, zodat rekwirante kon nagaan of zij het bewijs bevatten dat was voldaan aan de voorwaarden voor de geldigheid van de bestreden beschikking.
38.
De Commissie voert om te beginnen aan dat het middel niet-ontvankelijk is, aangezien enkel het Gerecht bevoegd is om de feiten vast te stellen en de waarde van de aan hem voorgelegde bewijselementen te beoordelen.
39. De kritiek van rekwirante op de uitlegging van de notulen door het Gerecht is eveneens ongegrond. De vermelding dat de heer K. als lid van het kabinet bij afwezigheid van een lid van de Commissie aan de zitting heeft deelgenomen, betekent niet dat het lid van de Commissie niet aan de zitting heeft deelgenomen. Op bladzijde 34 van de notulen staat dat het lid van de Commissie aan de zitting heeft deelgenomen.
40. De Commissie stelt dat rekwirante niet duidelijk maakt wat zij meer te weten zou zijn gekomen uit een volledig origineel dan uit de beschikbaar gestelde gefotokopieerde uittreksels. Bij gebreke van iedere serieuze aanwijzing dat het bij de fotokopieën om niet-regelmatige uittreksels zou gaan, is het vermoeden van geldigheid van gemeenschapshandelingen toepasselijk. Er was geen twijfel over de uitlegging, zodat verdere maatregelen van instructie niet nodig waren.
Beoordeling
41. De grief dat een bewijsaanbod ten onrechte is gepasseerd, lijkt op het eerste gezicht betrekking te hebben op onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht (artikel 51 van 's Hofs Statuut-EGKS). Een dergelijk middel is derhalve in ieder geval ontvankelijk wanneer wordt aangenomen dat er een procesrechtelijk beginsel bestaat op grond waarvan het Gerecht verzoeken om maatregelen van instructie dient in te willigen wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
42. Rekwirante lijkt het door haar aangevoerde beginsel van volledige opheldering van feiten als zodanig te beschouwen. Artikel 24 van 's Hofs Statuut-EGKS, waar rekwirante zich tot staving van haar stelling op beroept, bepaalt echter slechts dat het Hof (in casu het Gerecht) partijen kan verzoeken alle bewijsstukken over te leggen welke het wenselijk acht. Een principiële verplichting om dergelijke verzoeken van een der partijen in te willigen, kan derhalve zeker niet uit het toepasselijke gemeenschapsrecht worden afgeleid. De grief heeft dus geen betrekking op onregelmatigheden in de procedure, zodat het middel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
43. Naar mijn mening moet men zich zelfs afvragen of een middel genaamd passeren van een bewijsaanbod niet in beginsel niet-ontvankelijk moet worden geacht.
44. Want meestal zal een dergelijk middel er louter op neerkomen dat een partij opwerpt dat het Gerecht andere tijdens de procedure overgelegde bewijzen onjuist heeft beoordeeld, doordat het bijvoorbeeld de inhoud ervan als volledig bewijs van bepaalde feiten heeft beschouwd, hoewel aanvullende of daarmee tegenstrijdige ( gepasseerde) bewijzen zijn aangeboden. Een dergelijke kritiek op de beoordeling van de bewijselementen door het Gerecht is echter ─ behoudens in geval van een verdraaiing van de feiten─ niet-ontvankelijk. (12)
45. Een middel genaamd passeren van een bewijsaanbod moet derhalve in ieder geval niet-ontvankelijk worden geacht wanneer een rekwirant daarmee in feite inhoudelijk opkomt tegen een beoordeling van andere bewijselementen door het Gerecht. (13)
46. Het onderhavige geval is daarvan een voorbeeld: rekwirante stelt hier kennelijk het oordeel van het Gerecht ter discussie dat op basis van de fotokopieën van de uittreksels van de notulen kon worden uitgemaakt of het vereiste quorum bij de vaststelling van de beschikking door de Commissie was bereikt of niet. Rekwirante komt dus met het tweede middel in werkelijkheid op tegen een beoordeling van bewijselementen door het Gerecht (14) , zonder dat met zoveel woorden te zeggen. (15)
47. Het tweede middel, dat in algemene zin klaagt over het passeren van een bewijsaanbod, dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Subsidiair: de gegrondheid van het middel
48. Naar het lijkt heeft het Hof tot dusverre (16) nog niet principieel uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van soortgelijke middelen. Het heeft echter wel de gegrondheid van vergelijkbare grieven onderzocht. (17) Voor het geval dat het Hof mijn redenering over de niet-ontvankelijkheid niet volgt, zal ik ─ beknopt ─ onderzoeken of het tweede middel gegrond is.
49. In het arrest Baustahlgewebe/Commissie heeft het Hof met betrekking tot de grief dat een bewijsaanbod was gepasseerd de gegeven omstandigheden onderzocht en geoordeeld dat het oordeel van het Gerecht over de relevantie van het verhoor [...] niet [kan] worden afgekeurd. (18)
50. In het arrest Connolly/Commissie heeft het Hof aangaande de grief dat een bewijsaanbod ten onrechte was gepasseerd [...] opgemerkt, dat om de rechter te overtuigen van een stelling van een partij of, althans, om ervoor te zorgen dat hij zich rechtstreeks mengt in het zoeken naar bewijzen, het in het algemeen niet volstaat bepaalde feiten aan te voeren tot staving van die stelling. Daarnaast dienen ook voldoende nauwkeurige, objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen te worden gegeven waaruit blijkt dat die feiten juist of aannemelijk zijn. (19)
51. Het Hof heeft bijgevolg met betrekking tot maatregelen van instructie in de procedure voor het Gerecht de volgende taakverdeling voor ogen: de partij die wenst dat tijdens de procedure een bewijs wordt overgelegd, dient beargumenteerd aan te voeren welke feiten volgens hem moeten worden bewezen en aan te tonen dat die feiten ten minste aannemelijk zijn. Het Gerecht dient de relevantie van het bewijsaanbod te onderzoeken.
52. Rekwirante heeft in het onderhavige geval tijdens de procedure voor het Gerecht niet eens beredeneerde argumenten aangevoerd. Rekwirante heeft naar eigen zeggen het Gerecht enkel om een maatregel van instructie (overlegging van het origineel van de notulen) verzocht om te kunnen onderzoeken of de notulen het bewijs zouden hebben kunnen leveren dat er sprake was van het vereiste quorum bij de vaststelling van de beschikking door de Commissie. Zij heeft derhalve geen aanwijzingen geleverd van concrete feiten die enkel op basis van het volledige origineel van de notulen hadden kunnen worden bewezen.
53. Mocht het Hof het tweede middel, dat klaagt over het passeren van een bewijsaanbod ontvankelijk achten, dan dient het dit in ieder geval ongegrond te verklaren.
B ─ 1. Schending van procedurele rechten door de Commissie ( vierde middel) Middelen met betrekking tot de onjuiste beoordeling van de formele rechtmatigheid van de beschikking
Argumenten van partijen
54. Rekwirante komt op tegen punt 88 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht oordeelt dat de rechten van verdediging van rekwirante niet zijn geschonden doordat de Commissie onvoldoende onderzoek naar haar eigen rol zou hebben verricht. Dienaangaande heeft het Gerecht zich voornamelijk gebaseerd op de overweging dat DG IV mocht afgaan op de schriftelijke verklaringen van DG III, zonder deze zelf te controleren. Dit berust op een onjuiste rechtsopvatting.
55. Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk, aangezien de vaststelling van het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest, dat de door DG III verstrekte uitleg nauwkeurig en gedetailleerd was, zodat DG IV geen reden had om deze zelf te controleren, een feitelijke vaststelling is, die door het Hof niet kan worden getoetst.
Beoordeling
56. Aangezien de grieven in wezen overeenkomen met de argumentatie van rekwirante Thyssen Stahl AG in de zaak C-194/99 P, verwijs ik voor de redenen waarom het vierde middel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, naar de punten 21 en volgende van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak. Deze redenen zijn in casu van overeenkomstige toepassing.
57. Het vierde middel, volgens hetwelk het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie geen procedurele rechten heeft geschonden, dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.2. De regelmatige waarmerking van de beschikking van de Commissie en de inhoudelijke overeenstemming tussen de betekende en de goedgekeurde versie van de beschikking ( derde middel)
Argumenten van partijen
58. Rekwirante voert aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de beschikking regelmatig tot stand is gekomen, en de inhoud daarvan niet correct heeft vastgesteld. De inhoud van de beschikking zelf bleek immers niet uit de notulen waarover het Gerecht beschikte. Op basis van door de gemachtigden van de Commissie verstrekte, niet nader onderzochte aanwijzingen is het Gerecht evenwel in punt 139 van het bestreden arrest tot de conclusie gekomen, dat de inhoud van de goedgekeurde beschikking bleek uit een stuk dat in de nabijheid van de notulen werd bewaard.
59. Dat levert geen voldoende basis voor het door het Gerecht genoemde beginsel van geldigheid van de gemeenschapshandelingen, aangezien de inhoud van de gemeenschapshandeling, wanneer deze niet naar behoren in de notulen is vastgelegd, niet met zekerheid vaststaat.
60. Uit de overgelegde fotokopieën van de notulen is evenmin gebleken, dat bij de besluitvorming door het college van commissarissen het vereiste quorum was bereikt.
61. Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk, aangezien rekwirante opkomt tegen de vaststelling van feiten en de beoordeling van bewijselementen, waarvoor het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is.
62. Subsidiair dient rekwirante te worden tegengeworpen dat artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van 1993 niet voorschrijft dat de inhoud van de beschikking uit de notulen blijkt, maar enkel dat zij als bijlage bij de notulen is gevoegd.
63. De grief dat aan de hand van de fotokopieën van de notulen niet kan worden uitgemaakt of aan het vereiste quorum was voldaan, is eveneens niet-ontvankelijk. Het Gerecht heeft in de punten 111 tot en met 124 van het bestreden arrest vastgesteld dat aan het vereiste quorum was voldaan, na een grondig onderzoek van de bewijsstukken die het had opgevraagd om de desbetreffende grieven te beoordelen.
Beoordeling
64. Aangezien de grieven in wezen overeenkomen met de argumentatie van rekwirante Thyssen Stahl AG in de zaak C-194/99 P, verwijs ik voor de redenen waarom het derde middel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, naar de punten 52 en volgende en 63 en volgende van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak. Deze redenen zijn in casu van overeenkomstige toepassing.
65. Het derde middel, dat klaagt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het vereiste quorum was bereikt en dat de beschikking van de Commissie regelmatig was gewaarmerkt, dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
C ─ 1. Zelfstandig karakter van de inbreuk op de mededinging bestaande in de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling ( zevende middel) Middelen met betrekking tot de onjuiste beoordeling van de materiële rechtmatigheid van de beschikking
Argumenten van partijen
66. Volgens rekwirante blijkt uit punt 373 van het bestreden arrest dat de Commissie tijdens de mondelinge behandeling heeft vastgesteld dat het litigieuze systeem van informatie-uitwisseling geen zelfstandige inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vormt, hetgeen precies overeenkomt met de stelling van rekwirante tijdens de procedure voor het Gerecht. Het Gerecht heeft dus over het zelfstandige karakter van het systeem van informatie-uitwisseling geoordeeld, hoewel dat aspect niet meer aan zijn toetsing was onderworpen. Het Gerecht heeft daarmee ultra petita beslist en dus de procedureregels geschonden.
67. Rekwirante is van mening dat het Gerecht deze bepaling overigens onjuist heeft uitgelegd door het systeem van informatie-uitwisseling te beschouwen als een zelfstandige mededingingsbeperkende handeling in de zin van artikel 65 EGKS-Verdrag. Het Gerecht heeft het ten onrechte voldoende geacht dat het systeem van informatie-uitwisseling geschikt was om het gedrag van de ondernemingen te beïnvloeden. Volgens artikel 65 EGKS-Verdrag moest het systeem van informatie-uitwisseling echter daarop gericht zijn.
68. Rekwirante antwoordt op de stelling van de Commissie dat de discussie over het afzonderlijk belang van het systeem van informatie-uitwisseling een betwisting van feitelijke vaststellingen betreft die in hogere voorziening niet kan worden getoetst, dat de zelfstandigheid ook aan de hand van juridische criteria kan worden beoordeeld, zonder toetsing van de feiten.
69. Het Gerecht heeft in de punten 691 en volgende vastgesteld dat de Commissie de weerslag van het systeem van informatie-uitwisseling op de vaststelling van de prijzen heeft overgewaardeerd en heeft de geldboete dienovereenkomstig verminderd. Het had echter op dezelfde gronden eveneens de in punt 634 van het bestreden arrest genoemde afzonderlijke geldboete van 2,58 miljoen ECU die wegens de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling is opgelegd, nietig moeten verklaren of althans aanzienlijk moeten verminderen.
70. Door dit niet te doen heeft het Gerecht het beginsel ne bis in idem geschonden. Over deze schending kon pas in hogere voorziening worden geklaagd omdat de Commissie pas na een schriftelijke vraag van het Gerecht is teruggekomen op haar standpunt dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op artikel 65 EGKS-Verdrag vormt.
71. Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk, voorzover het betrekking heeft op haar in punt 373 van het bestreden arrest besproken verklaring tijdens de procedure voor het Gerecht (betreffende het zelfstandige karakter van de schending van het mededingingsrecht door deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling). Het Gerecht had tot taak de beschikking van de Commissie te toetsen en het was daarbij niet gebonden door de verklaringen van de Commissie tijdens de gerechtelijke procedure.
72. Zoals uit de punten 374 tot en met 380 van het bestreden arrest blijkt, diende het Gerecht voor de kwalificatie van het systeem van informatie-uitwisseling als een zelfstandige inbreuk feiten te beoordelen en is het middel derhalve ook op die grond niet-ontvankelijk.
73. Volgens de Commissie is het middel eveneens niet-ontvankelijk voorzover rekwirante zich op het beginsel ne bis in idem baseert. Een dergelijke grief is blijkens de punten 708 en volgende van het bestreden arrest reeds voor het Gerecht aangevoerd, zij het op andere gronden. In dupliek stelt de Commissie evenwel dat rekwirante reeds tijdens de procedure voor het Gerecht had kunnen klagen over de schending van het beginsel ne bis in idem, en dat het middel op die grond niet-ontvankelijk is.
74. Het middel is volgens haar ook ongegrond, voorzover het betrekking heeft op de weerslag van het systeem van informatie-uitwisseling. Het Gerecht bespreekt in de punten 691 en volgende niet het systeem van informatie-uitwisseling, maar een louter algemene en niet-bindende gedachtewisseling over de prijsverwachtingen van de ondernemingen, van het type dat DG III als geoorloofd beschouwde. De ondernemingen zijn echter met hun regelmatige, voor de Commissie geheim gehouden uitwisseling van recente, opgesplitste en individuele gegevens over orders en leveringen veel verder gegaan dan een loutere gedachtewisseling over de prijsverwachtingen. Dat de economische weerslag van de prijsvaststellingsovereenkomsten geringer zou zijn geweest indien de ondernemingen zich tot een door DG III als geoorloofd beschouwde gedachtewisseling hadden beperkt, staat los van de vaststelling en de berekening van de geldboete voor rekwirante wegens haar deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling.
75. De deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling vormde overigens een afzonderlijke inbreuk, zodat er eveneens een afzonderlijke geldboete voor kon worden opgelegd.
Beoordeling
76. Met het eerste onderdeel van het zevende middel klaagt rekwirante dat het Gerecht de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden doordat het heeft geoordeeld dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vormt, en aldus verder is gegaan dan wat is vastgesteld in de beschikking, zoals de Commissie zelf die tijdens de procedure voor het Gerecht heeft uitgelegd.
77. Daarmee komt rekwirante echter niet op tegen de onjuiste toepassing van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, maar tegen een schending van artikel 33 EGKS-Verdrag.
78. Aangezien de grieven in wezen overeenkomen met de argumentatie van rekwirante Thyssen Stahl AG in de zaak C-194/99 P, verwijs ik voor de redenen waarom het eerste onderdeel van het zevende middel ongegrond dient te worden verklaard, naar de punten 89 en volgende van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak. Deze redenen zijn in casu van overeenkomstige toepassing.
79. Het eerste onderdeel van het zevende middel, dat klaagt dat het Gerecht de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
80. Met het tweede onderdeel van het zevende middel klaagt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de deelneming aan een systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op de mededinging vormt. De grief inzake de schending van het beginsel ne bis in idem berust eveneens op de stelling dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling geen zelfstandige inbreuk op de mededinging vormt.
81. Anders dan de Commissie ben ik van mening dat het middel ontvankelijk is omdat het de principiële vraag betreft of een bepaalde gedraging voldoet aan de voorwaarden om te kunnen spreken van een inbreuk in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag. Het betreft derhalve een rechtsvraag. Met betrekking tot de tegenwerping dat het middel niet-ontvankelijk is wegens herhaling van grieven die reeds tijdens de procedure voor het Gerecht zijn aangevoerd (terwijl de Commissie zich gelijktijdig beroept op het verbod om nieuwe middelen in te dienen), behoeft enkel te worden vastgesteld dat rekwirante in haar toelichting bij dit tweede onderdeel van het zevende middel uitdrukkelijk verwijst naar overwegingen die voor het eerst door het Gerecht zijn geformuleerd en waarop diens conclusie is gebaseerd dat er sprake is van een zelfstandige inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, zodat haar betoog geen herhaling vormt van argumenten die tijdens de procedure voor het Gerecht zijn aangevoerd.
82. Aangezien de grieven in wezen overeenkomen met de argumentatie van rekwirante Thyssen Stahl AG in de zaak C-194/99 P, verwijs ik voor de redenen waarom het tweede onderdeel van het zevende middel ongegrond dient te worden verklaard, naar de punten 109 en volgende van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak. Deze redenen zijn in casu van overeenkomstige toepassing.
83. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het oordeel van het Gerecht dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op de mededinging vormt, juridisch niet valt te betwisten. De op de tegengestelde opvatting gebaseerde grief dat het beginsel ne bis in idem is geschonden, behoeft derhalve geen nader onderzoek.
84. Het tweede onderdeel van het zevende middel, waarmee wordt geklaagd dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een zelfstandige inbreuk op de mededinging en dat het beginsel ne bis in idem is geschonden, dient bijgevolg eveneens ongegrond te worden verklaard.
85. Met het derde onderdeel van het zevende middel stelt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte het aandeel in de geldboete voor de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling niet heeft verminderd, hoewel de gronden voor de verlaging van de geldboete voor de prijsvaststellingen eveneens golden voor het systeem van informatie-uitwisseling. Daarmee klaagt zij echter niet over schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, maar over schending van artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag (berekening van het bedrag van de geldboete).
86. Aangezien de grieven, aldus beschouwd, in wezen overeenkomen met de argumentatie van rekwirante Thyssen Stahl AG in de zaak C-194/99 P, verwijs ik voor de redenen waarom het derde onderdeel van het zevende middel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, naar de punten 205 en volgende van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak. Deze redenen zijn in casu van overeenkomstige toepassing.
87. Het derde onderdeel van het zevende middel, dat klaagt over schending van artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag bij de berekening van het bedrag van de geldboete, dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
88. Het zevende middel dient derhalve deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te worden verklaard.2. Verstoring van de normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65 EGKS-Verdrag door het systeem van informatie-uitwisseling ( zesde middel)
Argumenten van partijen
89. Volgens rekwirante ontkent het Gerecht ten onrechte dat de uitlegging van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag wordt beïnvloed door het normatieve verband tussen deze bepaling en andere regels van dit Verdrag, zoals bijvoorbeeld de artikelen 60 en 46 tot en met 48. Wat een normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag inhoudt, kan niet worden vastgesteld zonder de gezamenlijke opvatting van de Commissie en de betrokken ondernemingen ten tijde van de feiten in aanmerking te nemen. Uit het feit dat ook volgens DG III een zekere informatie-uitwisseling tussen de ondernemingen van de staalindustrie nodig was om de Commissie in staat te stellen de haar door het EGKS-Verdrag opgedragen taken te vervullen, had het Gerecht moeten afleiden dat de door artikel 65, lid 1, beschermde normale werking van de mededinging niet kan worden gelijkgesteld met de mededinging die door artikel 85, lid 1, EG-Verdrag wordt beschermd.
90. Het Gerecht heeft vastgesteld dat een gedachtewisseling tussen de ondernemingen over hun prijsprognoses, die DG III als geoorloofd heeft beschouwd, tot even grote prijsverhogingen had kunnen leiden als die welke ten tijde van de feiten op de markt zijn vastgesteld, en heeft op basis hiervan de geldboete met 15 % verminderd. Het Gerecht heeft het evenwel ten onrechte niet nodig geacht vast te stellen in welke mate de ondernemingen ter voorbereiding van de overlegvergaderingen met de Commissie individuele gegevens mochten uitwisselen zonder inbreuk te maken op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag. De door DG III geëiste transparantie dient bij de uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging in aanmerking te worden genomen, en niet alleen bij de beoordeling van het effect van een inbreuk.
91. Volgens de Commissie mist het middel elke grond. Zij kan niet vrij de inhoud van het begrip normale werking van de mededinging bepalen. Het gedrag van DG III heeft misschien wel een zekere onduidelijkheid omtrent de strekking van dit begrip gecreëerd, maar heeft de inhoud ervan niet kunnen veranderen. Het begrip kan alleen aan de hand van het EGKS-Verdrag zelf worden uitgelegd. Het Gerecht heeft dit in de punten 268 tot en met 289 van het bestreden arrest gedaan, en daarbij enerzijds rekening gehouden met artikel 60 en anderzijds met de artikelen 46 tot en met 48 van het EGKS-Verdrag.
92. Verder stelt de Commissie dat er een groot verschil bestaat tussen de door DG III als noodzakelijk beschouwde informatie-uitwisseling en het systeem van informatie-uitwisseling dat het Gerecht in de punten 382 en volgende van het bestreden arrest als een schending van de mededingingsregels heeft aangemerkt. Doordat de ondernemingen regelmatig recente, opgesplitste en individuele cijfers over orders en leveringen hebben uitgewisseld, zijn zij veel verder gegaan dan een loutere gedachtewisseling.
Beoordeling
93. Aangezien de grieven in wezen overeenkomen met de argumentatie van rekwirante Thyssen Stahl AG in de zaak C-194/99 P, verwijs ik voor de redenen waarom het zesde middel ongegrond dient te worden verklaard, naar de punten 135 en volgende en 157 en volgende van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak. Deze redenen zijn in casu van overeenkomstige toepassing.
94. Het zesde middel, volgens hetwelk het Gerecht ten onrechte de stelling heeft bevestigd dat het systeem van informatie-uitwisseling de normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65 EGKS-Verdrag heeft verstoord, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
D ─ Ontoereikende motivering van de geldboete ( vijfde middel)
Argumenten van partijen
95. Volgens rekwirante heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie het bedrag van de geldboete voldoende heeft gemotiveerd, hoewel de motivering niet de wiskundige formules bevat die de Commissie volgens de vaststellingen van het Gerecht voor de berekening van dit bedrag heeft gebruikt.
96. Volgens de Commissie is dit middel ongegrond. De weergave van de wiskundige formules is weliswaar wenselijk, maar niet verplicht.
Beoordeling
97. Aangezien de grieven in wezen overeenkomen met de argumentatie van rekwirante Thyssen Stahl AG in de zaak C-194/99 P, verwijs ik voor de redenen waarom het vijfde middel ongegrond dient te worden verklaard, naar de punten 217 en volgende van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak. Deze redenen zijn in casu van overeenkomstige toepassing.
98. Het vijfde middel, dat klaagt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de geldboete voldoende was gemotiveerd, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
IV ─ Conclusie
99. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging,
─ de hogere voorziening af te wijzen;
─ rekwirante in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – T-148/94, Jurispr. blz. II-347.
3 – PB L 212, blz. 1.
4 – Zie punt 33 van het arrest van het Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie (T-141/94, Jurispr. blz. II-347).
5 – PB L 116, blz. 1.
6 – Rekwirante spreekt over monitoring van orders en leveringen (in het enkelvoud), maar bedoelt duidelijk zowel de monitoring van orders en leveringen in het kader van het Poutrelles Committee als de informatie-uitwisseling in het kader van de Walzstahl-Vereinigung. Aangezien het bestaan van twee, elkaar aanvullende systemen van informatie-uitwisseling (zie punt 371 van het arrest Thyssen Stahl/Commissie, aangehaald in voetnoot 4) in het geval van rekwirante noch voor de beschikking, noch voor het bestreden arrest of voor de argumenten van rekwirante van belang lijkt te zijn, wordt hierna algemeen over het systeem van informatie-uitwisseling gesproken.
7 – Zaak aanhangig bij het Hof.
8 – Arrest van 5 juni 1992 (T-26/90, Jurispr. blz. II-1789).
9 – Aangehaald in voetnoot 8.
10 – Arrest van 4 mei 1995, Gaal (C-7/94, Jurispr. blz. I-1031).
11 – Zou de kamerpresident in het onderhavige geval de data van de beraadslagingen en besluitvorming bijvoorbeeld zodanig hebben vastgesteld dat hij wegens de voorzienbaarheid van het verstrijken van zijn eigen ambtstermijn in ieder geval geen enkele invloed kon uitoefenen op het te vellen arrest?
12 – Zou het middel dat een bewijsaanbod is gepasseerd in dergelijke gevallen ontvankelijk worden geacht, dan zou ─ vooropgesteld dat er tijdens de procedure voor het Gerecht specifiek bewijs wordt aangeboden ─ praktisch tegen iedere beoordeling van de feiten door het Gerecht hogere voorziening kunnen worden ingesteld indien dat bewijs niet in aanmerking wordt genomen.
13 – Het zou ook kunnen, maar dat is in casu niet aan de orde, dat met het passeren van een bewijsaanbod wordt geklaagd over een schending van het materiële recht voorzover het Gerecht, door een bepaalde maatregel van instructie niet te gelasten, een rechtsvraag over het hoofd heeft gezien of niet naar behoren heeft onderzocht. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het Gerecht zou worden verweten dat het niet heeft toegestaan het bewijs te leveren van feiten waarmee een juridisch verweer had kunnen worden onderbouwd. De grief dat het materiële recht niet of rechtens onjuist is toegepast, is op zich echter reeds ontvankelijk, zodat het gewoonlijk ook in deze gevallen niet nodig is een beroep te doen op het afzonderlijke middel passeren van een bewijsaanbod.
14 – Zie punt 64, hierboven.
15 – Zie anderzijds de argumentatie van rekwirante in de zaak Aristrain/Commissie (C-196/99 P, aanhangig bij het Hof); zie daarover punt 23 van mijn conclusie van heden in bovengenoemde zaak.
16 – Ontvankelijkheid van een middel dat opkomt tegen een procedurefout: conclusie van 3 februari 1998 van advocaat-generaal Léger in de zaak Baustahlgewebe/Commissie (arrest van 17 december 1998, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417).
17 – Kennelijk stond hun ontvankelijkheid niet ter discussie of zijn de grieven impliciet ontvankelijk verklaard.
18 – Arrest aangehaald in voetnoot 16, punt 68.
19 – Arrest van 6 maart 2001 (C-274/99 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 113).
Full & Egal Universal Law Academy