Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In de onderhavige prejudiciële verwijzing gaat het in wezen om de vraag, of buschauffeurs een wekelijkse rusttijd die zij overeenkomstig artikel 8, lid 5, van verordening (EEG) nr. 3820/85 naar de volgende week verschuiven, tezamen en zonder onderbreking met de tweede wekelijkse rusttijd moeten nemen, dan wel of zij deze rusttijden van elkaar mogen scheiden. Zo het laatste het geval is, luidt de tweede vraag, of de tweede wekelijkse rusttijd naar de volgende week mag worden verschoven.
2. De verwijzende rechter twijfelt aan de uitlegging van de Engelse versie van dit artikel, die luidt: (...) the weekly rest period may be postponed (...) and added on to that second week's weekly rest."
II - Toepasselijke bepalingen
a) Verordening nr. 3820/85
3. Hierna zullen de artikelen van deze verordening telkens zonder vermelding van de verordening worden aangehaald.
4. Vooraleer de voor de onderhavige zaak relevante bepalingen woordelijk worden aangehaald, wordt even kort ingegaan op het systeem van de regeling. In afdeling IV van de verordening zijn de rijtijden geregeld (artikel 6) en in afdeling V de onderbrekingen (artikel 7) en de rusttijden (artikelen 8 en 9).
5. In beginsel mag de dagelijkse rijtijd niet meer dan 9 uur bedragen. Tweemaal in de loop van één week mag hij tot 10 uur worden verlengd (artikel 6, lid 1, eerste alinea). Volgens artikel 7 moet de bestuurder na 4 1/2 uur rijden een onderbreking van ten minste 45 minuten in acht nemen, tenzij hij aan een rusttijd begint. Deze onderbreking kan worden vervangen door meerdere onderbrekingen van ten minste 15 minuten elk.
6. De dagelijkse rusttijd moet ten minste 11 achtereenvolgende uren bedragen (artikel 8, lid 1, eerste alinea). De dagelijkse rusttijd mag in een voertuig worden doorgebracht, mits het voertuig een slaapbank bevat en stilstaat (artikel 8, lid 7).
7. Na een maximum van zes dagelijkse rijtijden dient de bestuurder een wekelijkse rusttijd in acht te nemen (artikel 6, lid 1, tweede alinea). Daarbij wordt een dagelijkse rusttijd van 11 op 45 uren gebracht. Verkortingen zijn mogelijk, mits zij worden gecompenseerd door een rusttijd die aaneengesloten wordt genomen (artikel 8, lid 3).
8. In het geval van het internationaal personenvervoer en zo de lidstaten dit toepassen op het nationale personenvervoer op andere dan geregelde diensten, kan in plaats van zes ook worden voorzien in twaalf dagelijkse rijtijden, vooraleer de bestuurder de wekelijkse rusttijd in acht moet nemen (artikel 6, lid 1, vierde en vijfde alinea). In die gevallen kan de wekelijkse rusttijd overeenkomstig artikel 8, lid 5, naar de volgende week worden verschoven en bij de wekelijkse rusttijd van laatstbedoelde week worden gevoegd".
9. De voor de onderhavige zaak relevante bepalingen luiden als volgt:
Artikel 6
1. [eerste alinea] (...)
De bestuurder dient na een maximum van zes van deze dagelijkse rijtijden een wekelijkse rusttijd in acht te nemen zoals bepaald in artikel 8, lid 3.
De wekelijkse rusttijd kan naar het einde van de zesde dag worden verschoven, indien de totale rijtijd tijdens de zes dagen niet meer bedraagt dan het maximum dat overeenkomt met zes dagelijkse rijtijden.
In het geval van het internationaal personenvervoer op andere dan geregelde diensten, wordt in de tweede en derde alinea ,zes respectievelijk ,zesde vervangen door ,twaalf respectievelijk ,twaalfde.
De lidstaten kunnen de vorige alinea ook toepassen op het nationale personenvervoer op hun grondgebied op andere dan geregelde diensten.
2. (...)"
Artikel 8
1. In elke periode van 24 uur geniet de bestuurder een dagelijkse rusttijd van ten minste 11 achtereenvolgende uren; deze rusttijd zou maximaal drie maal per week kunnen worden bekort tot een minimum van 9 achtereenvolgende uren, mits voor het eind van de volgende week ter compensatie een even lange rusttijd wordt verleend.
Op dagen dat de rusttijd niet overeenkomstig de eerste alinea wordt bekort, mag deze worden genomen in twee of drie afzonderlijke perioden tijdens de periode van 24 uur, waarbij één van die perioden ten minste 8 achtereenvolgende uren moet bedragen. In dat geval wordt de minimumduur van de rusttijd op 12 uur gebracht.
(...)
3. In de loop van elke week moet één van de in lid 1 en lid 2 bedoelde rusttijden, uit hoofde van een wekelijkse rusttijd, worden gebracht op een totaal van 45 achtereenvolgende uren. Deze rusttijd mag worden ingekort tot een minimum van 36 achtereenvolgende uren indien hij in de gebruikelijke standplaats van het voertuig dan wel in de standplaats van de bestuurder wordt genoten, of tot ten minste 24 achtereenvolgende uren indien hij buiten deze plaatsen wordt genomen. Verkortingen worden gecompenseerd door een even grote rusttijd die aaneengesloten wordt genomen vóór het einde van de derde week die volgt op de betrokken week.
(...)
5. In het geval van het personenvervoer waarop artikel 6, lid 1, vierde en vijfde alinea, van toepassing is, kan een wekelijkse rusttijd van de week waarin hij had moeten worden genoten, worden verschoven naar de volgende week en worden gevoegd bij de wekelijkse rusttijd van laatstbedoelde week.
6. Rusttijd ter compensatie van de inkorting van de dagelijkse en/of wekelijkse rusttijden, moet bij een andere rusttijd van ten minste acht uur worden gevoegd en moet, op verzoek van de betrokkene, worden toegestaan op de plaats waar het voertuig geparkeerd is of in de standplaats van de bestuurder.
(...)"
10. In de Engelse versie luidt artikel 8, lid 5, als volgt:
In the case of the carriage of passengers (...) the weekly rest period may be postponed until the week following that in respect of which the rest is due and added on to that second week's weekly rest."
11. In andere taalversies luidt de betrokken passage:
- angehängt werden"
- rattachée au repos"
- ligado ao repouso"
- adscribirse al descanso"
- collegato al riposo"
- laggas sammen"
- tages sammen"
- worden gevoegd bij"
b) Toepasselijke bepalingen van nationaal recht
12. Section 96(11A) van de Transport Act 1968 (wet van 1968 betreffende het vervoer) bepaalt:
Indien een bestuurder van een motorvoertuig in Groot-Brittanië enige bepaling van de geldende gemeenschapsrechtelijke regels inzake de rijtijden (...) of de arbeids- en rusttijden (...) overtreedt, kan hij in een versnelde procedure worden veroordeeld tot een geldboete van maximaal niveau 4 van de standaardtabel."
III - De feiten
13. De feiten zijn uiteengezet in de verwijzingsbeschikking. Blijkens deze beschikking was Hume werkzaam als buschauffeur. Uit hoofde van zijn werkzaamheden waren de artikelen 6, lid 1, vierde en vijfde alinea, en 8, lid 5, van verordening nr. 3820/85 op hem van toepassing.
14. Gedurende de periode van 16 juli 1995, 09.15 uur, tot 24 juli 1995, 16.45 uur, beliep zijn rijtijd in totaal 38 uur en 30 minuten. Van 24 juli 1995 tot 26 juli 1995 nam Hume een rusttijd van 38 uur en 30 minuten.
15. Op 26 juli 1995 werkte hij 8 uur. Daarna nam hij een rusttijd van 24 uur.
16. Gedurende de periode van 27 juli 1995 tot 3 augustus 1995 werkte Hume opnieuw: zijn rijtijd beliep in totaal 41 uur en 45 minuten. Daarna nam hij in zijn standplaats een rusttijd van 36 uur en 30 minuten.
17. Op 5 januari 1996 werd tegen Hume een vooronderzoek geopend, waarbij hem de volgende feiten ten laste werden gelegd:
[Verdachte] bestuurde op 25 juli 1995 in Ferryhill in County Durham of elders in strijd met Section 96(11A) van de Transport Act 1968 een voertuig in de zin van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, zonder dat hij na een maximum van twaalf dagelijkse rijtijden twee aaneensluitende wekelijkse rusttijden als vereist bij artikel 6, lid 1, en gedefinieerd in artikel 8, lid 3, van deze verordening had genoten."
18. In het hoofdgeding is het uitgangspunt van de vervolgende instantie, dat Hume in de week die op 17 juli 1995 begon, geen wekelijkse rusttijd had genomen. Dientengevolge had hij de wekelijkse rusttijd van die week overeenkomstig artikel 8, lid 5, van verordening nr. 3820/85 moeten voegen bij de wekelijkse rusttijd van de week die op 24 juli 1995 begon. Dat heeft hij echter niet gedaan: hij heeft slechts rusttijden genomen, die overeenkomen met zijn dagelijkse rusttijd en de rusttijd ter compensatie van de voordien genomen, tot 36 uren ingekorte wekelijkse rusttijd. Wanneer een wekelijkse rusttijd krachtens artikel 8, lid 5, wordt verschoven, moet volgens de vervolgende instantie de verschoven rusttijd worden gevoegd bij de wekelijkse rusttijd van de tweede week, dat wil zeggen tezamen met de voor de tweede week opgelegde rusttijd worden genomen.
19. Voor het geval dat ervan wordt uitgegaan, dat de rusttijd van de week die op 17 juli begon, naar 24 juli is verschoven, en dat Hume de rusttijd van die week niet tezamen met de verschoven rusttijd behoefde te nemen, wordt gesteld dat Hume de rusttijd voor de week van 24 juli niet nog eens mocht verschuiven, maar dat hij in die week twee wekelijkse rusttijden had moeten nemen.
20. Hume voert in zijn verweer aan, dat hij in de week die op 10 juli begon, voldoende wekelijkse rusttijd heeft genomen, ook al is die rusttijd ingekort en moest zij overeenkomstig artikel 8, lid 6, van verordening nr. 3820/85 worden gecompenseerd, wat op 26 en 27 juli is gebeurd. Bijgevolg heeft hij op 24 en 25 juli door een verschuiving overeenkomstig artikel 8, lid 5, voldoende rusttijd genomen voor de week die op 17 juli begon. Ook voor de week die op 24 juli begon, heeft hij voldoende wekelijkse rusttijd genomen, die overeenkomstig artikel 8, lid 5, naar 4 en 5 augustus was verschoven.
21. Volgens hem schrijft artikel 8, lid 5, niet voor, dat een wekelijkse rusttijd, om bij een rusttijd van de volgende week te kunnen worden gevoegd, zonder onderbreking tezamen met die volgende rusttijd moet worden genomen. Evenmin wordt zijns inziens vereist, dat deze beide rusttijden in dezelfde week worden genomen.
IV - De prejudiciële vragen
22. Aangezien de Sedgefield Magistrates' Court de uitlegging van artikel 8 van de verordening relevant acht voor de beslechting van het geding, heeft zij het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1. Indien een daartoe gerechtigd bestuurder krachtens artikel 8, lid 5, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad verkiest, zijn wekelijkse rusttijd te verschuiven naar de daaropvolgende week, moet hij in die volgende week dan twee opeenvolgende wekelijkse rusttijden nemen zonder onderbreking daartussen?
2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet die bestuurder in de volgende week dan toch twee wekelijkse rusttijden nemen, of mag hij de wekelijkse rusttijd voor die tweede week op zijn beurt verschuiven naar de daaropvolgende week?
V - Argumenten van partijen
23. Volgens de Britse regering dient eerst de tweede vraag te worden beantwoord, want Hume heeft de bepalingen van de verordening slechts overtreden, wanneer het hem niet geoorloofd was ook de wekelijkse rusttijd van de tweede week te verschuiven. Artikel 8, lid 5, van de verordening kan slechts aldus worden uitgelegd, dat de rusttijd van de tweede week, waarbij de rusttijd van de voorgaande week moet worden gevoegd, ook in die week moet worden genomen. Deze uitlegging vindt steun in de bewoordingen en de logica van de bepaling, inzonderheid om te voorkomen dat rusttijden voortdurend naar de volgende weken worden verschoven.
24. Voor zover de tweede vraag in het onderhavige geval aldus moet worden beantwoord, behoeft niet meer te worden ingegaan op de eerste vraag. Wanneer de eerste vraag toch nog een antwoord behoeft, voert de Britse regering aan, dat de beide rusttijden die op grond van een verschuiving in de tweede week moeten worden genomen, niet noodzakelijkerwijs altijd zonder onderbreking daartussen moeten worden genoten, maar slechts dan wanneer zodoende wordt gegarandeerd, dat beide rusttijden in deze tweede week worden genomen. Dit is noodzakelijk om voortdurende verschuivingen van rusttijden te voorkomen en te garanderen, dat deze rusttijden daadwerkelijk worden genomen. Uit de verordening kan in geen geval worden afgeleid dat de betrokken rusttijden altijd zonder onderbreking daartussen moeten worden genomen. Indien de wetgever dit had gewenst, had hij dit uitdrukkelijk in de verordening kunnen opleggen.
25. Volgens de Franse regering gaat het in het onderhavige geval om een uitleggingsprobleem dat alleen de Engelse versie van de verordening betreft. De uitlegging of de toepassing van de Franse versie van de betrokken bepalingen heeft geen problemen opgeleverd. Uit de Franse versie van artikel 8, lid 5, volgt dat de verschoven rusttijd en de rusttijd van de tweede week moeten worden samengevoegd, dat wil zeggen zonder onderbreking daartussen moeten worden genomen.
26. Haars inziens zijn de doelstellingen van verordening nr. 3820/85 de harmonisatie van de concurrentievoorwaarden en de verbetering van de arbeidsvoorwaarden en de verkeersveiligheid. De door deze verordening betrachte verlenging van de wekelijkse rusttijd komt de sociale vooruitgang en de verkeersveiligheid ten goede. Artikel 8, lid 5, van de verordening kan dientengevolge slechts aldus worden uitgelegd, dat de beide rusttijden die in één week moeten worden genomen, niet los van elkaar mogen worden genomen. Gelet op deze uitlegging behoeft de tweede vraag van de verwijzende rechter niet meer te worden beantwoord.
27. De Portugese regering voert aan, dat de bepalingen betreffende de wekelijkse rusttijd van artikel 8, lid 5, een autonome regeling vaststellen, met als doel de bepalingen betreffende de wekelijkse rusttijd aan te passen aan de bijzondere omstandigheden van het ongeregeld vervoer. Artikel 8, lid 5, bepaalt derhalve ondubbelzinnig en onbetwistbaar, dat een wekelijkse rusttijd die naar de volgende week wordt verschoven, tezamen met de wekelijkse rusttijd van deze week moet worden genomen.
28. Volgens de Commissie wijst reeds de Engelse versie van artikel 8, lid 5, erop dat de beide wekelijkse rusttijden tezamen, dat wil zeggen zonder onderbreking daartussen, moeten worden genomen. Deze uitlegging vindt tevens steun in het feit dat de verordening geen bepalingen bevat betreffende de vraag of deze wekelijkse rusttijden mogen worden onderbroken of verschoven en in voorkomend geval met welke gevolgen. Ook de andere taalversies van deze verordening pleiten voor een dergelijke uitlegging.
29. De doelstellingen van de verordening zijn onder andere sociale vooruitgang en de verbetering van de verkeersveiligheid. Dit doel kan inzonderheid worden bereikt door wekelijkse rusttijden vast te stellen, zodat een extensieve uitlegging van artikel 8, lid 5, uitgesloten is. Aangezien de bepalingen betreffende de wekelijkse rusttijden en de verschuiving daarvan zeer precies en gedetailleerd zijn, kan artikel 8, lid 5, slechts aldus worden uitgelegd, dat de verschoven wekelijkse rusttijd en de wekelijkse rusttijd van de tweede week tezamen en zonder onderbreking daartussen moeten worden genomen. Aangezien de eerste vraag van de verwijzende rechter aldus moet worden beantwoord, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
VI - Beoordeling
30. Vooraf moet worden opgemerkt, dat Hume ten laste wordt gelegd, op 25 juli 1995 een voertuig te hebben bestuurd, zonder de verplichte wekelijkse rusttijden te hebben genomen. De verwijzende rechter vermeldt echter tevens, dat Hume van 24 juli tot en met 26 juli 1995 een rusttijd van in totaal 38 uur en 30 minuten heeft genomen. Aangezien het echter enerzijds aan de verwijzende rechter staat, de feiten en het chronologisch verloop daarvan vast te stellen, en het anderzijds voor het antwoord op de in dit verband gestelde prejudiciële vragen niet relevant is, of Hume op 25 juli 1995 een voertuig bestuurde of een rusttijd nam, behoeft op dit punt niet nader te worden ingegaan.
31. Beslissend voor het antwoord op de eerste prejudiciële vraag is de uitlegging van de bewoordingen van artikel 8, lid 5, en inzonderheid de passage added on to that second week's weekly rest".
32. De bewoordingen van de andere taalversies duiden erop, dat artikel 8, lid 5, inderdaad aldus moet worden uitgelegd, dat de beide in een week te nemen wekelijkse rusttijden, voor zover rusttijden als gevolg van een verschuiving worden gecumuleerd, tezamen en zonder onderbreking daartussen moeten worden genomen.
33. Deze uitlegging vindt niet alleen steun in de bewoordingen van de passage, maar ook al in het feit dat dit zinsdeel in de bepaling is opgenomen. Als het de bedoeling was geweest dat de rusttijden mochten worden gescheiden, dan was het voldoende geweest om te zeggen, dat de rusttijd naar de tweede week kon worden verschoven.
34. De bewoordingen van artikel 8, lid 5, pleiten dus tegen de stelling van verdachte in het hoofdgeding, ook al is de Engelse versie niet zo duidelijk en precies dat elke twijfel over de uitlegging ervan uit de weg wordt geruimd.
35. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet voor de uitlegging van een niet voldoende duidelijke bepaling te rade worden gegaan met de juridische context waarin zij voorkomt en met het gestelde doel.
36. Blijkens de eerste overweging van de considerans van de verordening heeft deze drie doelstellingen: de harmonisatie van de concurrentievoorwaarden, de verbetering van de arbeidsvoorwaarden en de verkeersveiligheid. Derhalve bevat de verordening gedetailleerde bepalingen betreffende de bemanning, de rijtijden, de onderbrekingen en de rusttijden, evenals voorschriften betreffende de controle en de sancties op overtredingen van de bepalingen van de verordening.
37. Blijkens de zeventiende overweging van de considerans van de verordening is het gewenst een minimumduur voor de rusttijd vast te stellen alsmede de andere voorwaarden waaraan de dagelijkse rusttijd en de wekelijkse rusttijd van de bestuurders moeten voldoen. Bij de vaststelling van de verordening is de Raad er blijkens de negentiende overweging van de considerans van uitgegaan, dat het voor de sociale vooruitgang en de verkeersveiligheid bevorderlijk is dat de wekelijkse rusttijd wordt verlengd, waarbij echter tegelijk de mogelijkheid dient te worden geschapen dat deze rusttijd wordt verkort mits de bestuurder de niet opgenomen rusttijdgedeelten binnen een bepaalde tijd op een door hem gekozen plaats kan compenseren".
38. Artikel 8, lid 3, bepaalt dan ook, dat in beginsel een wekelijkse rusttijd van in totaal 45 achtereenvolgende uren in acht moet worden genomen. Deze rusttijd kan overeenkomstig artikel 8, lid 3, tot een minimum van 36 dan wel 24 achtereenvolgende uren worden ingekort. Elke verkorting moet evenwel worden gecompenseerd door een aaneengesloten rusttijd die moet worden genomen vóór het einde van de derde week die volgt op de betrokken week.
39. In het geval van het personenvervoer kan een wekelijkse rusttijd van de week waarin hij had moeten worden genoten, naar de volgende week worden verschoven. In dat geval moet hij worden gevoegd bij de wekelijkse rusttijd van deze tweede week.
40. Uit deze bepalingen volgt, dat slechts van de voorgeschreven duur van de te nemen wekelijkse rusttijden kan worden afgeweken, wanneer deze in de volgende week wordt gecompenseerd. Aangezien de verordening de minimumduur en de andere voorwaarden van de wekelijkse rusttijd, zoals aangetoond, zeer uitvoerig regelt, moeten mogelijke uitzonderingen of afwijkingen strikt worden uitgelegd.
41. De door Hume verdedigde stelling komt echter neer op een ruime uitlegging, die tegen het algemene doel van de verordening indruist.
42. De verordening beoogt de verkeersveiligheid te verhogen door de rijtijden strikt te beperken en rusttijden vast te leggen. Sociale vooruitgang wordt bereikt doordat een verlenging van de rijtijden of een inkorting van de rusttijd slechts mogelijk is voor zover in ruil daarvoor in een compensatieregeling voor de bestuurder wordt voorzien.
43. De verordening beoogt tevens de bescherming van de gezondheid van de bestuurder en gelijktijdig de verkeersveiligheid. Beide kunnen slechts worden gegarandeerd wanneer na dagelijkse rijtijden die bij wijze van uitzondering mogen worden verlengd, ook een langere rustpauze volgt. Het zou juist tegen deze doelstellingen indruisen, indien deze rustfase zou kunnen worden opgesplitst, dat wil zeggen door verdere ritten onderbroken. Aangaande de rusttijden wordt in artikel 8, leden 1 tot 3, altijd gesproken van achtereenvolgende uren; volgens lid 6 van deze bepaling moet de rusttijd bij een andere rusttijd worden gevoegd. Uit het ontbreken van het woord achtereenvolgend" in artikel 8, lid 5, kan echter niet worden afgeleid, dat de rusttijd op grond van deze bepaling mag worden opgesplitst, aangezien de passage moet worden gevoegd" - gelet op het doel van de verordening - precies hetzelfde betekent, zij het met andere woorden.
44. Ook de verwezenlijking van de doelstelling concurrentiedistorsies af te schaffen, vereist dat alle ondernemingen zorgvuldig alle uit de verordening voortvloeiende verplichtingen naleven. Indien ondernemingen regelmatig overschrijdingen van de rijtijden mogen plannen, komt het nagestreefde doel in gevaar, aangezien het algehele systeem van beperking van de rijtijden hierdoor aan het wankelen kan worden gebracht.
45. Indien, zoals Hume betoogt, de beide wekelijkse rusttijden los van elkaar mogen worden genomen, met als gevolg dat de wekelijkse rusttijd die in die tweede week moet worden genomen, naar de volgende week kan worden verschoven, zou dit mede als gevolg hebben, dat de eigenlijk voorgeschreven rusttijden niet worden nageleefd, maar voortdurend naar de volgende weken zouden kunnen worden verschoven.
46. Een dergelijke praktijk zou echter indruisen tegen zowel de bewoordingen van artikel 8, lid 5, als de doelstellingen van de verordening. Aangezien de wekelijkse rusttijd op grond van de verordening slechts onder bepaalde voorwaarden mag worden verschoven, namelijk voor zover in de volgende week deze inkorting wordt gecompenseerd, moet juist gelet op de doelstellingen en de samenhang van de verordening ervan worden uitgegaan, dat de beide wekelijkse rusttijden die moeten worden genomen, niet los van elkaar mogen worden genomen.
47. Het antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechter dient derhalve te luiden, dat een bestuurder, die overeenkomstig artikel 8, lid 5, van verordening nr. 3820/85 zijn wekelijkse rusttijd verschuift naar de week die volgt op die waarin deze rusttijd had moeten worden genomen, in de tweede week twee opeenvolgende rusttijden moet nemen zonder onderbreking daartussen.
48. Aangezien de verwijzende rechter de tweede vraag slechts heeft gesteld voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, behoeft op deze vraag niet te worden ingegaan.
49. Slechts subsidiair moet erop worden gewezen, dat een dergelijke verdere verschuiving volledig tegen de doelstellingen van de verordening zou indruisen en in geen geval nog als gevoegd worden bij" zou kunnen worden aangemerkt. De gewonnen vrije dagen zouden geen verband meer hebben met de verlengde rijtijden en niet als rustdagen om gezondheidsredenen kunnen worden aangemerkt. Door een gewiekste cumulatie zouden deze dagen zelfs in extra vakantiedagen kunnen worden omgezet.
VII - Kosten
50. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Franse en de Portugese regering, alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
VIII - Conclusie
51. Gelet op een en ander geef ik in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
Een bestuurder die overeenkomstig artikel 8, lid 5, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer zijn wekelijkse rusttijd verschuift naar de week die volgt op die waarin deze rusttijd had moeten worden genomen, moet in de tweede week twee opeenvolgende rusttijden nemen zonder onderbreking daartussen."
Full & Egal Universal Law Academy