CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 26 september 2002 (1)
Zaak C-194/99 P
Thyssen Stahl AG
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Mededinging – Artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag – Informatie-uitwisseling – Normale werking van de mededinging – Aandeel in de geldboete – Besluitvorming door de Commissie – Procedurele rechten – Artikel 6 EVRM – Duur van de procedure”
I ─ Inleiding
1. De onderhavige hogere voorziening betreft het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (hierna: Gerecht) van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie (2) (hierna: bestreden arrest).
2. Met betrekking tot het verloop van de contacten tussen de ijzer- en staalindustrie en de Commissie vanaf de zeventiger tot en met de negentiger jaren, met name betreffende de regelingen in verband met de uitgesproken crisis en beschikking nr. 2448/88/EGKS van de Commissie van 19 juli 1988 tot invoering van een stelsel van toezicht voor bepaalde producten van de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie (3) (hierna: beschikking nr. 2448/88), wordt naar het bestreden arrest verwezen. Het stelsel van toezicht op grond van beschikking nr. 2448/88 is op 30 juni 1990 beëindigd en door een individuele en vrijwillige informatieregeling (4) vervangen.
3. Op 16 februari 1994 heeft de Commissie tegen zeventien Europese staalondernemingen en een van hun ondernemersverenigingen beschikking nr. 94/215/EGKS vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (5) (hierna: beschikking). De adressaten van de beschikking hadden volgens haar het mededingingsrecht van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal geschonden aangezien zij systemen van informatie-uitwisseling hadden opgezet, prijzen hadden vastgesteld en markten hadden verdeeld, waardoor zij de mededinging hadden verstoord. De Commissie heeft aan veertien ondernemingen geldboeten opgelegd. Zij heeft aan Thyssen Stahl AG (hierna: rekwirante) een geldboete van 6,5 miljoen ECU opgelegd.
4. Tegen de beschikking hebben meerdere betrokken ondernemingen, waaronder rekwirante, en de ondernemersvereniging bij het Gerecht beroep ingesteld. Het Gerecht heeft het beroep van rekwirante gedeeltelijk toegewezen en de geldboete naar 4,4 miljoen euro verlaagd.
5. Rekwirante heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 mei 1999, hogere voorziening tegen dit arrest ingesteld.
II ─ Conclusies en middelen
6. Rekwirante concludeert dat het den Hove behage:
1) het bestreden arrest te vernietigen, voorzover haar een geldboete van 4,4 miljoen euro is opgelegd (punt 2 van het dictum), haar beroep is verworpen (punt 3 van het dictum) en zij in haar eigen kosten en in de helft van de kosten van de Commissie is verwezen (punt 4 van het dictum);
2) de artikelen 1, 3 en 4 van de litigieuze beschikking nietig te verklaren, voorzover zij niet reeds bij het bestreden arrest nietig zijn verklaard;
3) de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwirante in de kosten te verwijzen.
7. In haar verzoekschrift voert rekwirante tot staving van de hogere voorziening de volgende middelen aan: Eerste middel: Het arrest schendt verschillende procedurele beginselen, en miskent in het bijzonder de draagwijdte van de procedurele rechten van rekwirante, haar recht om te worden gehoord en haar recht op een eerlijke procedure, alsmede de uit het beginsel van ambtshalve onderzoek voortvloeiende verplichting om ook die feiten vast te stellen die in het voordeel van de ondernemingen zijn.Daarenboven heeft het Gerecht ten onrechte aanvaard dat dergelijke procedurele fouten die tijdens de administratieve procedure zijn begaan, tijdens de procedure voor het Gerecht kunnen worden hersteld. Tweede middel: Het arrest miskent de vormvoorschriften van het reglement van orde van de Commissie van 1993 voor de vaststelling van beschikkingen van de Commissie en gaat er derhalve ten onrechte van uit dat er sprake is van een rechtsgeldig vastgestelde beschikking. Derde middel: Het arrest schendt artikel 33 EGKS-Verdrag doordat het Gerecht bij de toetsing van de litigieuze beschikking de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden. Vierde middel: Het arrest schendt in meerdere opzichten artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag:Het Gerecht beschouwt de monitoring van orders en leveringen ten onrechte als een zelfstandige inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag zonder de concurrentiebeperkende gevolgen van de informatie-uitwisseling aan te kunnen tonen. Het geeft bovendien blijk van een onjuiste rechtsopvatting doordat het op basis van een onjuiste uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging aanneemt dat de monitoring van orders en leveringen de normale werking van de mededinging verstoort.Het Gerecht kwalificeert de gelaakte gedragingen van rekwirante die op de vaststelling van prijzen betrekking hebben ten onrechte als schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag. Het baseert zich hier eveneens op een onjuiste uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS Verdrag. Vijfde middel: Ten slotte schendt het Gerecht artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag en het schuldbeginsel doordat het de mate waarin rekwirante schuldig is, overschat. Het houdt met name geen rekening met de gevolgen van de vastgestelde onduidelijkheid omtrent het begrip normale werking van de mededinging in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag en gaat er ten onrechte van uit dat rekwirante zich ten volle bewust was van de onrechtmatigheid van haar gedrag. Het Gerecht laat derhalve bij de berekening van de geldboete ten onrechte na als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen dat rekwirante zich in feite slechts in geringe mate van haar onrechtmatige gedrag bewust was. Zesde middel: Wat de monitoring van bestellingen en leveringen betreft, schendt het Gerecht bovendien artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag doordat het de bij de berekening van de geldboete in aanmerking te nemen economische gevolgen van de informatie-uitwisseling ontoereikend beoordeelt en meer bepaald overschat. Het opleggen van een aparte geldboete voor de informatie-uitwisseling is voorts reeds wegens het ontbreken van een zelfstandige inbreuk ongeoorloofd. Zevende middel: Het Gerecht houdt er geen rekening mee dat de berekening van de geldboete toereikend dient te worden gemotiveerd en schendt daarmee artikel 15 EGKS-Verdrag. Het gaat eraan voorbij dat een motiveringsgebrek tijdens een gerechtelijke procedure niet kan worden hersteld. Achtste middel: Het Gerecht schendt door de buitensporig lange duur van de procedure van bijna vijf jaar het recht van rekwirante op rechtsbescherming binnen een redelijke termijn.
Samenvatting van de belangrijkste juridische punten van de middelen en onderdelen daarvan
8. Uit de toelichtingen bij de afzonderlijke middelen en onderdelen daarvan blijkt dat rekwirante meerdere schendingen van het EGKS-Verdrag aanvoert. De belangrijkste juridische punten kunnen worden samengevat als volgt: het Gerecht heeft in het bestreden arrest het gemeenschapsrecht geschonden doordat het
─ ten onrechte is uitgegaan van de formele rechtmatigheid van de beschikking, hoewel tijdens de procedure voor de Commissie procedurele rechten zijn geschonden ( eerste middel) en de beschikking niet regelmatig is vastgesteld ( tweede middel);
─ zijn toetsingsbevoegdheden krachtens artikel 33, eerste alinea, EGKS-Verdrag heeft overschreden ( derde middel);
─ ten onrechte is uitgegaan van de materiële rechtmatigheid van de beschikking, hoewel er geen sprake was van een schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag ( vierde middel), omdat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling
6 Rekwirante spreekt over monitoring van orders en leveringen (in het enkelvoud), maar bedoelt duidelijk zowel de monitoring van orders en leveringen in het kader van het Poutrelles Committee als de informatie-uitwisseling in het kader van de Walzstahl-Vereinigung. Aangezien het bestaan van twee, elkaar aanvullende systemen van informatie-uitwisseling (zie punt 371 van het bestreden arrest) in het geval van rekwirante noch voor de beschikking, noch voor het bestreden arrest of voor de argumenten van rekwirante van belang lijkt te zijn, wordt hierna algemeen over het systeem van informatie-uitwisseling gesproken. geen zelfstandige inbreuk op de mededinging vormde en het systeem van informatie-uitwisseling en de vaststelling van prijzen geen nadelige invloed op de normale werking van de mededinging konden hebben;
─ de geldboete en de motivering daarvan onjuist heeft beoordeeld (vijfde, zesde en zevende middel);
─ in strijd met artikel 6 EVRM geen rechtsbescherming binnen een redelijke termijn heeft geboden ( achtste middel).
9. De hiernavolgende bespreking volgt deze samenvatting. De door rekwirante aangevoerde middelen of onderdelen daarvan en de daarin uiteengezette argumenten alsmede de argumentatie van de Commissie worden in deze volgorde behandeld.
10. De middelen in deze procedure komen inhoudelijk grotendeels overeen met de in de parallelle zaken aangevoerde middelen of onderdelen daarvan. Die worden bijgevolg in de betrokken conclusies (7) telkens op een vergelijkbare wijze samengevat, zodat door verwijzingen naar de onderhavige conclusie herhalingen worden vermeden.
III ─ Bespreking van de zaak
A ─ Onjuiste beoordeling van de formele rechtmatigheid van de beschikking
11. Deze schending van het Verdrag wordt aan de orde gesteld in het eerste en het tweede middel.1. Schending van procedurele rechten door de Commissie ( eerste middel)
12. Het eerste middel bestaat in beginsel uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel voert rekwirante aan dat het Gerecht de omvang van de verplichting van de Commissie tot ambtshalve onderzoek heeft miskend. Met het tweede onderdeel voert zij aan dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de schending van de rechten van de verdediging door de Commissie. In beide onderdelen verwijt zij het Gerecht dat het heeft aanvaard dat de betrokken gebreken tijdens de procedure voor het Gerecht kunnen worden hersteld.
a) Schending van het beginsel van ambtshalve onderzoek door de Commissie en mogelijkheid tot herstel
Argumenten van partijen
13. Volgens rekwirante heeft het Gerecht in de punten 92 tot en met 116 van het bestreden arrest de omvang van de verplichting van de Commissie tot ambtshalve onderzoek miskend. Volgens haar volstond de van DG IV verkregen schriftelijke informatie niet om uit te maken in hoeverre de ambtenaren van DG III op de hoogte waren van de onwettige handelingen van de ondernemingen of daar objectief aanleiding toe hadden gegeven, zodat de Commissie de werkelijk betrokken ambtenaren had moeten horen. Het Gerecht heeft dit zelf noodzakelijk geacht en tijdens de procedure een hoorzitting gehouden. Het ontkent niettemin dat de Commissie een dergelijke verplichting heeft. De door DG IV met betrekking tot de rol van DG III verzamelde bewijselementen konden alles bij elkaar geen volledige klaarheid scheppen en er waren reeds tijdens de administratieve procedure andere bewijselementen beschikbaar.
14. Volgens de Commissie heeft dit onderdeel van het eerste middel geen betrekking op een schending van een rechtsregel door het Gerecht, maar is het gericht tegen de feitelijke vaststellingen in de punten 108 en volgende en de beoordeling daarvan door het Gerecht, zodat het middel op dit punt niet-ontvankelijk is. Dit wordt bevestigd door rekwirantes stelling dat de door de Commissie voorgelegde bewijselementen niet toereikend waren. Het Gerecht heeft in de punten 96 en volgende van het bestreden arrest de omvang van de verplichting tot ambtshalve onderzoek bepaald en een strenge norm gehanteerd. Deze punten worden als zodanig echter niet betwist.
15. Subsidiair acht de Commissie het middel ongegrond. Rekwirante overschat de omvang van de verplichting tot ambtshalve onderzoek. Aangezien de uitleg van DG III nauwkeurig en gedetailleerd was, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, was er geen enkele reden om andere inspecties te verrichten.
16. Rekwirante betwist de door de Commissie gestelde niet-ontvankelijkheid. Zij is van mening dat het door de Commissie bepleite onderscheid tussen het beginsel van de verplichting tot onderzoek (rechtsvraag) en de toepassing daarvan (feitelijke vaststelling) onjuist is. Haar argumentatie heeft betrekking op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht (beginsel van ambtshalve onderzoek) en de toepassing van dit beginsel op de vastgestelde feiten. Beide elementen hebben betrekking op de beoordeling van rechtsvragen door het Gerecht en kunnen derhalve in hogere voorziening worden getoetst.
17. Rekwirante klaagt bovendien dat het Gerecht, zoals in punt 115 van het bestreden arrest is uiteengezet, is uitgegaan dat de schending van het beginsel van ambtshalve onderzoek in de gerechtelijke procedure is hersteld, wat in strijd is met de vaste rechtspraak. (8)
18.
De Commissie voert aan dat uit de omstandigheid dat het Gerecht maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft gelast en bewijselementen heeft verzameld, niet kan worden afgeleid dat de Commissie haar verplichting tot onderzoek van de feiten heeft geschonden. Zelfs wanneer wordt aanvaard dat het Gerecht door de instructiemaatregelen tijdens de gerechtelijke procedure heeft erkend dat de Commissie bij het onderzoek van bepaalde feiten fouten heeft gemaakt, kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat de Commissie het beginsel van ambtshalve onderzoek volledig heeft geschonden.
19. Rekwirante betwist deze stelling. Voor de nietigverklaring van de beschikking is niet relevant of de verplichting tot onderzoek volledig is geschonden, maar wel of de procedurele fouten van de Commissie van invloed kunnen zijn geweest op de beschikking. De beschikking waarbij de geldboete wordt vastgesteld, is een discretionaire beschikking die met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval wordt vastgesteld. De mogelijke invloed op de beschikking van een procedurele fout die tot een deel van de feiten is beperkt, kan derhalve niet precies worden afgebakend, zodat in principe de nietigheid van de beschikking ook bij een dergelijke fout niet kan worden uitgesloten.
20. Met betrekking tot de grief dat procedurele fouten van de Commissie tijdens de procedure voor het Gerecht niet meer kunnen worden hersteld, voert de Commissie aan dat punt 115 van het bestreden arrest uitdrukkelijk in deze mogelijkheid voorziet. Op deze vraag behoeft niet dieper te worden ingegaan, aangezien de feitelijke vaststellingen van het Gerecht niet aantonen dat de Commissie haar verplichting tot opheldering van de feiten heeft geschonden, zoals rekwirante stelt.
Beoordeling
21. Rekwirante verwijt het Gerecht dat het de omvang van de verplichting van de Commissie tot ambtshalve onderzoek heeft miskend. Dat argument roept de vraag op of en in hoeverre de inachtneming van het beginsel van ambtshalve onderzoek door de Commissie een rechtsvraag vormt, die in hogere voorziening kan worden onderzocht.
22. Voor de beantwoording van deze vraag dient nader te worden bezien wat met de omvang van de verplichting tot ambtshalve onderzoek kan worden bedoeld. Dit begrip kan betrekking hebben op de te bewijzen punten , dat wil zeggen op de vraag of alle in het betrokken geval relevante mededingingsrechtelijke feiten en ontlastende omstandigheden zijn onderzocht, maar ook op de bewijselementen , dat wil zeggen op de vraag welke en hoeveel bewijzen de Commissie heeft bijeengebracht om de feiten of ontlastende omstandigheden aan te tonen.
23. De vraag welke punten dienen te worden bewezen is alleen al een rechtsvraag omdat deze niet van de vraag naar de juridische beoordeling van een gedraging is te scheiden. Wanneer de Commissie namelijk geen serieus onderzoek heeft verricht naar alle in het betrokken geval relevante feiten, kan een schending juridisch moeilijk worden vastgesteld. Dit geldt echter niet voor de vraag naar de omvang van het gebruikte bewijsmateriaal. (9)
24. In het onderhavige geval heeft het Gerecht in het bestreden arrest vastgesteld dat de bevoegde dienst van de Commissie de kennis en het gedrag van andere diensten als mogelijk ontlastende omstandigheid heeft onderzocht. (10) Daarmee heeft het kenbaar gemaakt dat de Commissie heeft bepaald welke punten dienden te worden bewezen en zich dienovereenkomstig heeft gedragen. Rekwirante heeft dit in het kader van haar betoog over het beginsel van ambtshalve onderzoek ook niet betwist.
25. Het Gerecht heeft zich ook uitgesproken over de bewijselementen, door in de punten 108 en volgende van het bestreden arrest in te gaan op de desbetreffende briefwisseling tussen de directeuren van DG III en DG IV en deze briefwisseling alsmede de beoordeling van de daarin verstrekte informatie als passende onderzoekspogingen te beoordelen. Rekwirante bestrijdt dit oordeel met dit onderdeel van het eerste middel.
26. Deze beoordeling van de genoemde briefwisseling door het Gerecht vormt echter geen juridische, maar een feitelijke beoordeling, aangezien het Gerecht de effectief gebruikte bewijselementen op hun geschiktheid en serieusheid beoordeelt. Een beoordeling van de feiten is, behoudens in het geval van een verdraaiing ervan, als zodanig niet vatbaar voor toetsing in het kader van een hogere voorziening. (11)
27. Het eerste onderdeel van het eerste middel, over de miskenning van de verplichting van de Commissie tot ambtshalve onderzoek, dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
28. Op de door rekwirante aangevoerde omstandigheid dat het Gerecht ten onrechte ervan is uitgegaan dat de procedurele fout van de Commissie in de procedure voor het Gerecht kan worden hersteld, behoeft niet verder te worden ingegaan, aangezien de Commissie ─ zoals gesteld ─ geen procedurele fout heeft begaan.
b) Schending van de rechten van de verdediging en de mogelijkheid tot herstel
Argumenten van partijen
29. Rekwirante voert de schending van de rechten van de verdediging om te beginnen aan in het kader van haar grief betreffende de schending van het beginsel van ambtshalve onderzoek. Het Gerecht heeft de werkelijke omvang van de onderzoeksplicht van de Commissie op grond van het beginsel van ambtshalve onderzoek miskend en schendt daardoor eveneens de rechten van verdediging van rekwirante, namelijk haar recht om gehoord te worden, aangezien rekwirante de rol van DG III niet voor haar verdediging heeft kunnen inroepen.
30.
De Commissie brengt daartegen in dat rekwirante de vermeende schending van de rechten van de verdediging afleidt uit de schending van de verplichting tot ambtshalve onderzoek, waarvan echter geen sprake is. Het is niet nodig de vraag met betrekking tot de rechten van de verdediging afzonderlijk te onderzoeken.
31. Volgens rekwirante zijn haar rechten van verdediging tijdens de ambtelijke procedure ook geschonden doordat zij niet is gehoord. Zij heeft immers geen toegang gekregen tot de resultaten van het onderzoek naar de rol van DG III, dat pas na de eerste hoorzitting is verricht. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof in de zaak Technische Universität München (12) betwist zij met name de punten 113 en 114 van het bestreden arrest.
32. Op grond van het recht om te worden gehoord, is de Commissie verplicht partijen in de gelegenheid te stellen om over zowel stukken à charge als stukken à decharge een standpunt in te nemen. Bij beschikking van 10 december 1997 heeft het Gerecht besloten dat rekwirante toegang diende te krijgen tot bepaalde door de Commissie over te leggen interne stukken, aangezien die stukken op het eerste gezicht bewijselementen leken te bevatten die de relevante aanwijzingen die rekwirante reeds op serieuze wijze had verstrekt, konden staven. In het bestreden arrest heeft het Gerecht daarentegen vastgesteld dat de Commissie niet verplicht was de ondernemingen reeds tijdens de precontentieuze procedure de mogelijkheid te bieden om met betrekking tot de mogelijkerwijs ontlastende feiten een standpunt in te nemen. Indien de ondernemingen de pas tijdens de procedure te voorschijn gekomen documenten reeds eerder voor hun verdediging hadden kunnen gebruiken was de Commissie mogelijkerwijs tot een andere beschikking gekomen.
33. De resultaten van het interne onderzoek van de Commissie kunnen evenmin worden beschouwd als interne documenten die zijn uitgezonderd van de verplichting tot openbaarmaking. Deze uitzondering geldt slechts voor stukken die geen bewijselement vormen omdat de Commissie zich er bij de beoordeling van de feiten niet op kan baseren (bijvoorbeeld interne voorstellen, standpunten of beoordelingen) of die onder het geheim van de beraadslagingen vallen, dat haar diensten de mogelijkheid biedt zich volledig vrij over de aanhangige zaken te uiten. Dit alles geldt niet voor de betrokken stukken, aangezien het daarin gaat om de rol die de diensten van de Commissie hebben gespeeld in het kader van de aan de betrokken ondernemingen verweten gedragingen.
34.
De Commissie stelt dat rekwirante niet opkomt tegen de vaststelling van het Gerecht in punt 110 van het bestreden arrest dat de Commissie geen nader onderzoek behoeft in te stellen en de door de betrokkenen genoemde getuigen niet hoeft te horen, wanneer zij de feiten voldoende opgehelderd acht.
35. De afwijzing van de argumenten van rekwirante door het Gerecht vindt bovendien steun in de punten 113 tot en met 115 van het bestreden arrest, volgens welke de verplichting om de betrokken ondernemingen toegang te verlenen tot de stukken, zich niet tot interne stukken van de Commissie en andere vertrouwelijke stukken uitstrekt. Overigens dient onderscheid te worden gemaakt tussen de interne nota's over het onderzoek dat de Commissie na de hoorzitting heeft verricht, en de stukken over de contacten tussen DG III en de staalindustrie. Bij zijn beschikking van 10 december 1997 heeft het Gerecht slechts laatstgenoemde stukken in het procesdossier laten opnemen, aangezien slechts die stukken rechtstreeks op de feiten van het geding betrekking hadden. De resultaten van het interne onderzoek bestonden uit standpunten en beoordelingen van DG IV, waar geen inzage in behoefde te worden verleend.
36. Rekwirante haalt op onjuiste wijze de toegang tot interne documenten tijdens de administratieve procedure en tijdens de gerechtelijke procedure door elkaar. Tijdens de gerechtelijke procedure dient het beginsel van de doeltreffendheid van de administratieve actie te worden afgewogen tegen het beginsel van de rechterlijke toetsing van overheidshandelingen. Deze afweging dient te worden verricht door het Gerecht in het kader van zijn beslissing op grond van artikel 23 van ‘s Hofs Statuut-EGKS, maar niet door de Commissie tijdens de administratieve procedure.
Beoordeling
37. Om te beginnen behoeft hier niet nader te worden ingegaan op het argument dat het Gerecht eraan voorbij is gegaan dat een schending van het beginsel van ambtshalve onderzoek eveneens een schending van de rechten van de verdediging met zich kan brengen, aangezien rekwirante ─ zoals hierboven (13) is uiteengezet ─ niet heeft kunnen aantonen dat het Gerecht bij de beoordeling van de verplichting van de Commissie tot ambtshalve onderzoek blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
38. Het betoog van rekwirante heeft verder betrekking op het recht op inzage van documenten en het recht om opnieuw te worden gehoord, ditmaal over de inhoud van documenten die pas na de eerste hoorzitting zijn opgesteld. Ook hier rijst de vraag of dergelijke schendingen van de rechten van de verdediging tijdens de procedure voor het Gerecht kunnen worden hersteld.
39. Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat wanneer er geen recht op inzage van documenten bestond, ook niet het recht zou bestaan om over de inhoud ervan te worden gehoord. Ik onderzoek dan ook eerst het recht op inzage van documenten .
40. Volgens de rechtspraak van het Hof is er alleen sprake van een schending van het recht op inzage van documenten (14) indien de kennis van de daarin vervatte informatie het verloop van de procedure en daardoor ook de inhoud van de beschikking zou hebben kunnen beïnvloeden. Een definitieve vaststelling dat de beschikking daadwerkelijk anders zou zijn uitgevallen, is derhalve niet vereist. (15)
41. Er dient bijgevolg te worden onderzocht of het Gerecht in het bestreden arrest dit criterium in acht heeft genomen en juist heeft toegepast. (16)
42. In punt 114 oordeelt het Gerecht dat de stukken betreffende de resultaten van het na de eerste hoorzitting door de Commissie verrichte onderzoek naar DG III kennelijk geen ontlastende omstandigheden bevatten. Daarmee heeft het Gerecht onmiskenbaar tot uitdrukking gebracht dat de kennis van deze stukken geen invloed had kunnen uitoefenen op het verdere procedureverloop en dus evenmin op de inhoud van de beschikking.
43. De inhoud van de stukken wordt in de punten 100 tot en met 106 van het bestreden arrest weergegeven. Zo te zien bevatten deze stukken helemaal niets dat rekwirante kan ontlasten. Rekwirante heeft evenmin iets concreets aangevoerd dat de betekenis die het Gerecht in verband met de aangevoerde ontlastende omstandigheden ( rol van DG III) aan deze stukken heeft gehecht, in twijfel kan trekken.
44. Het Gerecht heeft het recht op ruimere toegang tot het dossier van de Commissie dan ook terecht afgewezen.
45. Wanneer het Gerecht derhalve terecht heeft vastgesteld dat er geen recht op ruimere toegang tot het dossier bestond, moet daaruit, gelet op mijn inleidende opmerking, gelijktijdig worden geconcludeerd dat het Gerecht ook geen beoordelingsfout kan hebben begaan door vast te stellen dat de weigering om een nieuwe hoorzitting te houden (over de inhoud van deze documenten) geen schending van de rechten van de verdediging oplevert.
46. Het tweede onderdeel van het eerste middel, waarmee het Gerecht wordt verweten niet de schending van de rechten van de verdediging te hebben vastgesteld (inzage van documenten en recht om te worden gehoord), dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
47. Op de door rekwirante aangevoerde omstandigheid dat het Gerecht ten onrechte ervan is uitgegaan dat de gestelde procedurefout van de Commissie in de procedure voor het Gerecht kan worden hersteld, behoeft niet verder te worden ingegaan (17) aangezien de Commissie ─ zoals gesteld ─ geen procedurefout heeft begaan.2. Besluitvorming door de Commissie ( tweede middel)
48. Het tweede middel bestaat eveneens uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel richt rekwirante zich tegen het oordeel van het Gerecht dat de Commissie bij haar besluitvorming het voor de stemming vereiste quorum had bereikt. Met het tweede onderdeel klaagt zij erover dat het Gerecht heeft ontkend dat de vormvoorschriften voor de vaststelling van de beschikking zijn geschonden.
a) Het quorum bij de vaststelling van de beschikking door de Commissie
Argumenten van partijen
49. Rekwirante voert aan dat het Gerecht in punt 142 ten onrechte heeft ontkend dat er bij de vaststelling van de beschikking van de Commissie sprake was van een vormfout, doordat het de notulen van de zitting van de Commissie (hierna: notulen) onjuist heeft uitgelegd en dientengevolge tot de ─ onjuiste ─ conclusie is gekomen dat het voorgeschreven quorum van leden van de Commissie bij de vaststelling van de beschikking aanwezig was. Het Gerecht heeft aldus de artikelen 5 en 6 van het reglement van orde van de Commissie van 1993 (18) geschonden.
50.
De Commissie voert daarentegen aan dat rekwirante feitelijke vaststellingen en de beoordeling van bewijselementen betwist, zodat dit onderdeel van het middel niet-ontvankelijk is.
51. Volgens haar is het middel eveneens ongegrond aangezien de namen van de personen die aan de beraadslagingen over de beschikking hebben deelgenomen, voorkomen op de presentielijst op bladzijde 2 van de notulen. De bewijsfunctie en de bewijskracht van de presentielijst worden niet ondergraven doordat elders in de notulen wordt gesteld dat bepaalde leden van kabinetten bij afwezigheid van de leden van de Commissie de zitting hebben bijgewoond.
Beoordeling
52. Voor de beantwoording van de vraag of het krachtens de artikelen 5 en 6 van het destijds geldende reglement van orde van 1993 voorgeschreven aantal leden bij de vaststelling van de beschikking aanwezig was, heeft het Gerecht zich in het bestreden arrest gebaseerd op de presentielijst op bladzijde 2 van de notulen van de zitting. (19) Het was van oordeel dat de opmerking op bladzijde 40 van de notulen, dat bepaalde leden van kabinetten bij afwezigheid van de leden van de Commissie de zitting hebben bijgewoond (20) , niet in tegenspraak was met de presentielijst op bladzijde 2 van de notulen. (21)
53. Volgens de Commissie is dit onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk voorzover het gericht zou zijn tegen een feitelijke beoordeling door het Gerecht, die niet vatbaar is voor toetsing in hogere voorziening.
54. Het Hof heeft reeds enige malen onderzocht of de beoordeling van een document een feitelijke dan wel een juridische beoordeling vormt. (22) Bij de beoordeling van een document door het Gerecht kunnen de volgende drie stadia worden onderscheiden.
55. Om te beginnen kan het om de vaststelling van de zuiver tekstuele inhoud van een document gaan (bijvoorbeeld welke woorden zijn daadwerkelijk gebruikt). Vervolgens kan het gaan om een daarop berustende vaststelling van de objectieve, dus nog niet juridische, inhoud (wat drukken deze woorden in het algemeen uit). Ten slotte kan aan de hand van de aldus vastgestelde objectieve inhoud de juridische betekenis van het document worden beoordeeld (voldoet het document daarmee aan de eisen van het materieel recht).
56. De vaststelling van de tekstuele en de objectieve inhoud vormt een loutere voorfase van de juridische beoordeling. Er is sprake van een vaststelling en een beoordeling van de feiten die ─ behoudens in het geval van een verdraaiing ervan ─ niet vatbaar zijn voor toetsing in hogere voorziening. De eigenlijke juridische beoordeling vindt pas in het derde stadium plaats en kan in hogere voorziening worden getoetst.
57. Het onderhavige geval is een klassiek voorbeeld van de gegeven driedeling: de tekst van de bladzijden 2, 7 en 40 van de notulen wordt in de punten 140 en volgende en punt 146 van het bestreden arrest weergegeven. In de betwiste punten 142 en volgende stelt het Gerecht de objectieve inhoud met betrekking tot de vraag naar de aanwezigen vast, door de bladzijden 40, 2 en 7 van de notulen naast elkaar te leggen. De juridische beoordeling van de objectieve inhoud (kon de Commissie geldig de beschikking vaststellen overeenkomstig artikel 5 van het reglement van orde van 1993) volgt pas in punt 147.
58. Rekwirantes argument dat het vereiste quorum niet is bereikt, betreft bijgevolg het tweede stadium van de beoordeling van een document, dat wil zeggen de vaststelling door het Gerecht van wat de tekst van de notulen betekent. Aldus bekritiseert zij de feitelijke en niet de juridische beoordeling door het Gerecht.
59. Het eerste onderdeel van het tweede middel, waarmee het Gerecht wordt verweten dat het ten onrechte heeft geoordeeld dat het vereiste quorum bij de vaststelling van de beschikking door de Commissie was bereikt, dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
b) De regelmatige waarmerking van de beschikking van de Commissie en de inhoudelijke overeenstemming tussen de betekende en de goedgekeurde versie van de beschikking
Argumenten van partijen
60. Rekwirante voert aan dat het Gerecht in punt 158 van het arrest haar grief ongegrond heeft verklaard volgens welke de aan haar betekende versie C (94) 321 def. van de beschikking van de Commissie niet overeenkomstig artikel 16 van het reglement van orde van 1993 is gewaarmerkt. Het heeft daarbij met name de vormvoorschriften voor beschikkingen van de Commissie onjuist toegepast en het vermoeden van geldigheid van de gemeenschapshandelingen verkeerd uitgelegd.
61. Het Gerecht heeft in zijn arrest noch vastgesteld dat de aan rekwirante betekende versie overeenkwam met de versies C (94) 321/2 en C (94) 321/3, noch dat zij regelmatig als bijlage bij de notulen was gevoegd. Bovendien bleek de Commissie niet in staat de notulen met de originele handtekeningen van haar voorzitter en haar secretaris-generaal over te leggen, en ontbrak op de notulen de datum van ondertekening. Het Gerecht is derhalve ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de betekende beschikking op 23 februari 1994 regelmatig is vastgesteld, aangezien de beschikbare bewijselementen deze conclusie niet toelaten.
62. Volgens de Commissie is het middel niet-ontvankelijk voorzover het is gebaseerd op het ontbreken van overeenstemming tussen de versies van de beschikking, aangezien rekwirante haar kritiek op de redenering van het Gerecht op dit punt niet onderbouwt en het argument betrekking heeft op de vaststelling van feiten, waarvoor het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is.
Beoordeling
63. Het door rekwirante betwiste punt 158 van het bestreden arrest betreft het vermeende gebrek aan overeenstemming tussen de versie van de beschikking die door de Commissie is goedgekeurd en die welke aan rekwirante is betekend.
64. De louter inhoudelijke overeenstemming van de aan rekwirante betekende versie van de beschikking met die waarover die de Commissie heeft beraadslaagd, is een feitelijke en geen juridische kwestie.
65. Het tweede onderdeel van het tweede middel dient bijgevolg, voorzover het betrekking heeft op het gebrek aan overeenstemming tussen de goedgekeurde en de betekende versie van de beschikking, niet-ontvankelijk te worden verklaard.
66. Uit de argumenten die tot staving van dit onderdeel van het tweede middel zijn aangevoerd, blijkt echter dat rekwirante het Gerecht hoofdzakelijk verwijt dat het haar twijfels over de regelmatige waarmerking van de beschikking door de Commissie ongegrond heeft geacht. Daarmee betwist zij echter niet het door haar aangehaalde punt 158, maar veeleer punt 166 van het bestreden arrest.
67. De vraag inzake de inhoudelijke overeenstemming van de versies van de beschikking en de vraag inzake de regelmatige waarmerking van de beschikking zijn echter ─ zoals zo dadelijk zal worden aangetoond ─ onscheidbaar met elkaar verbonden. Het loutere feit dat rekwirante de betwiste punten onvolledig heeft aangehaald, betekent dus niet dat niet hoeft te worden ingegaan op haar betoog dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de beschikking regelmatig is gewaarmerkt.
68. Rekwirante trekt kennelijk de vergelijkingspunten op basis waarvan het Gerecht de inhoudelijke overeenstemming heeft vastgesteld, in twijfel. De aan rekwirante betekende versie is namelijk door het Gerecht niet met de originele beschikking vergeleken maar met een kopie. Met andere woorden, het Gerecht heeft zich bij het ontbreken van de gewaarmerkte originele beschikking gebaseerd op bewijselementen die ongeschikt zijn voor de beoordeling van de inhoudelijke overeenstemming.
69. Deze stelling kan niet zomaar van de hand worden gewezen, gezien de eisen die aan het waarmerken van besluiten van de Commissie worden gesteld en het daarmee nagestreefde doel. Uit de artikelen 9 en 16 van het reglement van orde van de Commissie van 1993 blijkt dat een besluit is gewaarmerkt wanneer de notulen van de desbetreffende zitting van de Commissie zijn goedgekeurd en het voorblad van de goedgekeurde notulen is ondertekend door de voorzitter en de secretaris-generaal (artikel 9). Het is door deze handtekeningen op de notulen dat het besluit wordt gewaarmerkt (artikel 16, eerste alinea, tweede volzin). Artikel 16, eerste volzin, van het reglement van orde bepaalt dat de goedgekeurde tekst bij de desbetreffende notulen wordt gevoegd. Slechts daardoor wordt naar buiten duidelijk dat het niet ondertekende besluit en de ondertekende notulen een geheel vormen en is de versie van dit ─ bijgevoegde ─ besluit van een niet gewaarmerkte versie te onderscheiden. (23)
70. Deze eisen van het reglement van orde vormen derhalve geen doel op zich, maar hebben veeleer juist ten doel om in twijfelgevallen voor het Gerecht te kunnen bewijzen of de Commissie als college een tekst heeft aangenomen en zo ja, welke. (24) Nauwkeuriger gezegd wordt een door de Commissie aangenomen versie van een beschikking juridisch gezien pas dan een originele beschikking wanneer zij regelmatig is gewaarmerkt. Aangezien de betekende versie en het origineel dienen te worden vergeleken, is in principe slechts door overlegging van het gewaarmerkte besluit een vergelijking mogelijk die elke twijfel uitsluit.
71. Dat roept de volgende vragen op: hoe heeft het Gerecht aan de hand van een afschrift eigenlijk kunnen vaststellen dat er een regelmatig gewaarmerkt origineel bestaat en welke inhoud dat origineel heeft?
72. Er dient daarbij onderscheid te worden gemaakt tussen de handtekeningen op het voorblad van de notulen en de eis dat het besluit bij de notulen is gevoegd.
73. In punt 165 heeft het Gerecht zich gebaseerd op de echtverklaring van het afschrift door middel van een stempel en de handtekening van de ten tijde van de procedure in functie zijnde secretaris-generaal van de Commissie en duidelijk tot uitdrukking gebracht dat het de vermelding voor eensluidend afschrift zodanig uitlegt dat de secretaris-generaal daarmee bevestigt dat het afschrift van de notulen dezelfde handtekening draagt als de originele versie ervan. Dit komt neer op een beoordeling van bewijselementen, die in hogere voorziening niet kan worden getoetst.
74. Problematischer daarentegen lijkt de vraag hoe het Gerecht formeel aan de hand van een afschrift meent te kunnen vaststellen dat de tekst van de door de Commissie goedgekeurde beschikking bij het origineel van de notulen was gevoegd toen het afschrift werd gemaakt.
75. Dienaangaande beroept het Gerecht zich in punt 162 ten eerste op het feit dat de notulen en de tekst van de beschikking (beide in kopievorm) in dezelfde legger zijn toegestuurd en ten tweede op de verklaring van de gemachtigden van de Commissie dat zij beide teksten zo van het secretariaat-generaal van de Commissie (25) hebben ontvangen.
76. Zonder dat daar in het onderhavige geval van moet worden uitgegaan, is het echter theoretisch goed mogelijk om de ondertekende notulen en een tekst waarvan wordt beweerd dat het de tekst is die is goedgekeurd, afzonderlijk te kopiëren en deze afschriften in dezelfde legger toe te sturen. Juist dat dient echter ─ zoals hierboven is uiteengezet ─ door inachtneming van het waarmerkingsvereiste dat de beschikking is gevoegd bij de notulen te worden voorkomen. Dit louter fysieke feit en daarmee samenhangend het bestaan en de inhoud van de beschikking van de Commissie kan het Gerecht in principe slechts vaststellen op een wijze die elke twijfel uitsluit door beide originele teksten (notulen en tekst van de beschikking) naast elkaar te leggen.
77. Aan het Gerecht is echter van geen van beide teksten het origineel voorgelegd. Het heeft zich in plaats daarvan met name op de verklaring van de gemachtigden van de Commissie (die beide teksten zo van het secretariaat-generaal van de Commissie ontvangen zouden hebben) gebaseerd. Daarbij heeft het Gerecht de verklaring van de gemachtigden van de Commissie kennelijk zo begrepen dat de beide door hen ontvangen afschriften zo bij elkaar waren gevoegd als de originele teksten bij elkaar gevoegd zouden zijn. Daaruit en uit het feit dat deze afschriften rechtstreeks door het secretariaat-generaal, derhalve door de enig mogelijke bezitter van een origineel, aan hen zijn toegezonden, leidt het Gerecht kennelijk af dat zich eveneens een overeenstemmend origineel van beide teksten, en wel bij elkaar gevoegd, in het bezit van het secretariaat-generaal bevindt.
78. Het Gerecht baseert deze conclusie derhalve voornamelijk op de verklaringen van de gemachtigden van de Commissie, die het geloofwaardig acht en op een bepaalde wijze uitlegt. Dit is een beoordeling van bewijselementen, die in hogere voorziening, behoudens in geval van verdraaiing van de bewijselementen door het Gerecht, niet kan worden getoetst, zodat het middel op dit punt niet-ontvankelijk is.
79. Rekwirante betwist daarenboven punt 164 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht zich ter motivering van zijn conclusie dat de beschikking van de Commissie regelmatig is gewaarmerkt, aanvullend baseert op zijn eigen rechtspraak met betrekking tot het beginsel van het vermoeden van geldigheid van de gemeenschapshandelingen. (26)
80. Naar mijn mening gaat het Gerecht hier uit van een verkeerde opvatting van het door de rechtspraak erkende vermoeden van geldigheid van de gemeenschapshandelingen. Dit vermoeden is in de eerste plaats toepasselijk op een handeling van de Gemeenschappen waarvan de onregelmatigheid reeds is aangetoond. (27) In het onderhavige geval dient echter nog te worden uitgemaakt of de handeling wel (formeel) onregelmatig is, preciezer gezegd, of de daarvoor noodzakelijke feiten zijn aangetoond. Het Gerecht heeft in punt 164 kennelijk een denkfout gemaakt door het vermoeden van geldigheid te beschouwen als bewijs van de geldigheid (in de zin van regelmatigheid). Daarmee verwart het Gerecht het voorwerp van de bewijsvoering met de bewijsvoering zelf.
81. Dit inhoudelijke motiveringsgebrek leidt er evenwel niet toe dat de redenering van het Gerecht met betrekking tot de regelmatige waarmerking van de beschikking geheel onjuist is. De rechtspraak met betrekking tot het vermoeden van geldigheid wordt in het bestreden arrest namelijk duidelijk slechts aangevoerd ter aanvulling op en in samenhang met de zojuist uiteengezette redenering van het Gerecht in verband met de verklaring van de gemachtigden van de Commissie (28) , zodat er op zich geen doorslaggevend belang aan kan worden gehecht.
82. Met betrekking tot het argument van rekwirante dat het Gerecht eraan is voorbijgegaan dat de handtekeningen van de secretaris-generaal en de voorzitter op de notulen niet waren gedateerd, dient slechts te worden vastgesteld dat dit volstrekt identiek is aan het argument dat zij als verzoekster voor het Gerecht heeft aangevoerd. Zij voert geen nieuwe argumenten aan waarom het Gerecht in punt 167 van het bestreden arrest blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
83. Een middel dat enkel argumenten herhaalt is krachtens vaste rechtspraak van het Hof (29) niet-ontvankelijk .
84. Het tweede onderdeel van het tweede middel, waarmee het Gerecht wordt verweten ten onrechte te hebben geoordeeld dat de beschikking van de Commissie regelmatig was gewaarmerkt, dient derhalve eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.
B ─ Bevoegdheidsoverschrijding door het Gerecht (derde middel)
Argumenten van partijen
85. Het middel van rekwirante is gericht tegen punt 392 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat de Commissie de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling in de beschikking als zelfstandige inbreuk heeft beschouwd, hoewel ─ zoals uit punt 384 van het bestreden arrest blijkt ─ de gemachtigden van de Commissie tijdens de procedure voor het Gerecht desgevraagd zelf hebben gesteld dat de Commissie ervan is uitgegaan dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling juist deel uitmaakte van een ruimer geheel van inbreuken, doordat het de prijs- en marktafspraken heeft vergemakkelijkt.
86. Het Gerecht heeft, althans volgens rekwirante, zijn bevoegdheden krachtens artikel 33 van het EGKS-Verdrag overschreden doordat het zich niet tot de toetsing van de beschikking van de Commissie heeft beperkt, maar deze heeft gecorrigeerd.
87. Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk aangezien de kwalificatie van het systeem van informatie-uitwisseling door de Commissie geen juridische, maar een feitenkwestie is, die niet onder de controlebevoegdheid van het Hof valt.
88. Subsidiair stelt zij dat het middel ongegrond is. Het beroep is immers gericht tegen de beschikking. Het kan zich niet tegen de door de vertegenwoordigers van de Commissie tijdens de procedure verstrekte uitleg richten, aangezien het Gerecht daar geen rekening mee behoefde te houden. In de beschikking, namelijk in artikel 1 en in punt 314, wordt de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling als een van de zelfstandige inbreuken naast de vaststelling van prijzen en verdeling van markten genoemd.
Beoordeling
89. Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat rekwirante met haar argumenten met betrekking tot het derde middel bevestigt dat zij de voor haar gunstige rechtsopvatting van de Commissie deelt die laatstgenoemde tijdens de procedure voor het Gerecht kenbaar heeft gemaakt (de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling vormt geen zelfstandige inbreuk op de mededinging). Zij deelt daarentegen niet de voor haar op dit punt ongunstige rechtsopvatting van de Commissie zoals die blijkt uit de beschikking (deze deelneming vormt wel een zelfstandige inbreuk op de mededinging). Rekwirante is het dus evenmin eens met het Gerecht waar dit deze laatste rechtsopvatting van de Commissie bevestigt.
90. Rekwirante voert met dit middel echter niet de onjuiste toepassing van het mededingingsrecht (artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag) door het Gerecht aan. Daarover gaat het vierde middel, dat hierna (30) zal worden besproken.
91. Met het derde middel komt rekwirante uitdrukkelijk op tegen een vermeende bevoegdheidsoverschrijding door het Gerecht, bijgevolg tegen een schending van artikel 33, eerste alinea, tweede volzin, juncto artikel 34 EGKS-Verdrag. Ik zal derhalve dit middel aan deze bepalingen toetsen.
92. Volgens de genoemde bepalingen kan het Gerecht een beschikking van de Commissie enkel toetsen en mag het dus, onder voorbehoud van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht krachtens artikel 36 EGKS-Verdrag, geen wijzigingen aanbrengen ten nadele van de verzoekende partij.
93. Rekwirante stelt thans dat het Gerecht de inhoud van de beschikking in haar nadeel heeft gewijzigd en aldus het Verdrag, namelijk artikel 33, eerste alinea, EGKS-Verdrag, heeft geschonden. Het middel is derhalve ontvankelijk .
94. De vraag is echter of er werkelijk sprake is van een dergelijke wijziging door het Gerecht. Dit zou namelijk slechts het geval zijn wanneer de beschikking in het bestreden arrest een andere inhoud heeft gekregen dan zij werkelijk heeft. Uiteindelijk bevestigt het bestreden arrest echter de door de Commissie in de beschikking uiteengezette rechtsopvatting dat het systeem van informatie-uitwisseling op zich reeds een schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vormt. Het Gerecht kan dus slechts worden verweten in de inhoud van de beschikking te hebben ingegrepen, wanneer de oorspronkelijke beschikking tijdens de procedure op dit punt is gewijzigd.
95. Volgens rekwirante vloeien dergelijke wijzigingen kennelijk voort uit de antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht en uit de toelichting die de gemachtigden van de Commissie ter terechtzitting daarbij hebben verstrekt.
96. De gemachtigden van de Commissie konden echter ─ zelfs wanneer dit werkelijk de bedoeling zou zijn geweest ─ de inhoud van de beschikking niet rechtsgeldig wijzigen, al was het maar omdat het voor dat doel noodzakelijke formele besluit van de Commissie ontbrak.
97. Aangezien de inhoud van de beschikking gedurende de procedure voor het Gerecht derhalve niet is gewijzigd, is het Gerecht in het bestreden arrest uitgegaan van de beschikking zoals deze door de Commissie is vastgesteld. Het Gerecht is derhalve gebleven binnen de grenzen van zijn toetsingsbevoegdheid krachtens artikel 33, eerste alinea, EGKS-Verdrag en heeft de inhoud van de beschikking niet ten nadele van rekwirante gewijzigd.
98. Het derde middel, volgens hetwelk het Gerecht de grenzen van de hem bij artikel 33, eerste alinea, EGKS-Verdrag verleende bevoegdheid heeft overschreden, is derhalve ongegrond .
C ─ Onjuiste beoordeling van de materiële rechtmatigheid van de beschikking (vierdemiddel)
99. Het vierde middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel komt rekwirante op tegen de vaststelling van het Gerecht dat de Commissie terecht heeft gesteld dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op het mededingingsrecht vormt. Met het tweede onderdeel verwijt zij het Gerecht dat het heeft miskend dat het systeem van informatie-uitwisseling geen beperkende werking heeft gehad op de normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag.
1. Zelfstandig karakter van de inbreuk op de mededinging bestaande in de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling
Argumenten van partijen
100. Rekwirante betwist hier de punten 393 en volgende van het bestreden arrest. Volgens haar beschouwt het Gerecht de monitoring van orders en leveringen ten onrechte als een schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, ofschoon het betrokken systeem van informatie-uitwisseling op zich beschouwd geen mededingingsbeperkend effect kan hebben gehad.
101. De informatie-uitwisseling had geen betrekking op prijzen, maar op statistische gegevens over orders en leveringen. Een dergelijke uitwisseling heeft in beginsel een mededingingsbevorderend effect.
102. Rekwirante verwijt het Gerecht bovendien dat het zijn conclusie over het mededingingsbeperkende karakter van het systeem van informatie-uitwisseling op tegenstrijdige gronden heeft gebaseerd. In punt 403 is het ervan uitgegaan dat het mededingingsbeperkend effect inherent is aan het systeem van informatie-uitwisseling, terwijl het in de punten 401 en volgende de uit het systeem van informatie-uitwisseling voortvloeiende gevolgen voor de handhaving van de traditionele handelsstromen als argument voor dit mededingingsbeperkende karakter heeft aangevoerd. Een systeem van informatie-uitwisseling kan maar op zich een zelfstandige inbreuk op artikel 65, lid 1, van het Verdrag vormen, indien het mededingingsbeperkend effect uit het systeem zelf en, in voorkomend geval, uit de algemene structuur van de markt voortvloeit.
103. Tot staving van zijn conclusie dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling een inbreuk op het mededingingsrecht vormt, heeft het Gerecht ten onrechte de rechtspraak met betrekking tot de UK Tractor Registration Exchange (31) (hierna: landbouwtrekkers-arresten) aangehaald en aangenomen dat de markt van balken zoals deze markt een strikt oligopolistische structuur heeft. Zoals het Gerecht in punt 400 van het bestreden arrest zelf heeft vastgesteld, hadden de tien grootste ondernemingen echter slechts tweederde van de markt voor stalen balken in handen, hetgeen wijst op een sterke mededinging tussen een groot aantal concurrenten. Bij een dergelijke marktstructuur kan hoe dan ook geen sprake zijn van een eenvoudige oligopolistische structuur, laat staan van een sterk geconcentreerde markt.
104.
De Commissie voert aan dat deze grieven niet-ontvankelijk zijn aangezien rekwirante de betwiste onderdelen van het bestreden arrest en de juridische argumenten waarop de vordering tot vernietiging van het arrest op deze punten berust, niet precies omschrijft. De kritiek op de punten 401 en volgende van het bestreden arrest is ongegrond omdat, anders dan rekwirante stelt, het Gerecht heeft aangetoond dat het systeem van informatie-uitwisseling als zodanig de mededinging verstoort.
105. Het betoog waarmee rekwirante het oordeel van het Gerecht over de oligopolistische structuur van de balkenmarkt betwist, dient eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien het is gericht tegen een feitelijke beoordeling. Bovendien heeft rekwirante zelf in haar verzoekschrift van 8 april 1994 (punt 80) de balkenmarkt als een oligopolistische markt omschreven.
106. De kritiek van rekwirante op de verwijzing naar de landbouwtrekkers-arresten door het Gerecht dient evenzeer te worden afgewezen. Het Gerecht heeft in die arresten namelijk uitdrukkelijk vastgesteld dat systemen van informatie-uitwisseling die transparantie tussen de marktdeelnemers willen scheppen, slechts een positief effect op de mededinging kunnen hebben indien het aanbod op de markt versnipperd is, hetgeen volgens de Commissie op de balkenmarkt niet het geval is.
107. Bovendien is rekwirantes kritiek volgens de Commissie beperkt tot een enkel punt, terwijl het Gerecht zijn oordeel over het mededingingsverstorende karakter van het systeem van informatie-uitwisseling op een groot aantal factoren heeft gebaseerd. De markt van stalen balken is weliswaar minder oligopolistisch dan de in de landbouwtrekkers-arresten relevante markt, maar stalen balken zijn homogenere producten dan landbouwtrekkers, zodat de mededinging op het gebied van de productkenmerken in het onderhavige geval op voorhand beperkt is.
108. Het onderzoek naar de invloed van een overeenkomst op de mededinging vereist een ingewikkelde economische analyse. Bij de toetsing hiervan dient de gemeenschapsrechter zich noodzakelijkerwijs te beperken tot de vraag of de procedurevoorschriften en het motiveringsvereiste in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout dan wel van machtsmisbruik. Rekwirante toont evenwel geenszins aan dat het Gerecht bij de beoordeling van het onderzoek van de Commissie naar het betrokken systeem van informatie-uitwisseling deze criteria niet in acht heeft genomen.
Beoordeling
109. Rekwirante werpt hier in wezen de vraag op of het Gerecht de door het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden waaronder bepaalde systemen van informatie-uitwisseling als mededingingsbeperkend kunnen worden beschouwd, zoals die uit de landbouwtrekkers-arresten (32) blijken, op het onderhavige systeem van informatie-uitwisseling juist heeft toegepast.
110. Daarom wil ik om te beginnen de hoofdlijnen van deze rechtspraak beknopt uiteenzetten.
111. Vooraf dient te worden vastgesteld dat het Hof tot op heden nog geen gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken over het zelfstandige mededingingsbeperkende karakter van systemen van informatie-uitwisseling in het licht van het EGKS-Verdrag (artikel 65 EGKS-Verdrag). Alle gevallen die tot nu toe zijn onderzocht vielen binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag (artikel 85 EG-Verdrag, thans artikel 81 EG). Aangezien het hier echter in de eerste plaats louter gaat om de vraag of en in hoeverre systemen van informatie-uitwisseling als zodanig in het algemeen de mededinging kunnen verstoren, kunnen de mogelijke verschillen met het EGKS-Verdrag in eerste instantie buiten beschouwing blijven. De vraag of de resultaten ook gelden voor de normale werking van de mededinging binnen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag) zal hierna (33) afzonderlijk worden besproken.
112. Systemen van informatie-uitwisseling vormen een zelfstandige inbreuk op de mededinging wanneer het mededingingsbeperkende karakter uit de systemen zelf blijkt, los dus van de vraag of de daardoor verkregen informatie voor andere klassieke beperkingen van de mededinging, zoals bijvoorbeeld prijsafspraken en marktverdelingen, wordt aangewend. Het Hof heeft in het houtslijp-arrest (34) en de landbouwtrekkers-arresten (35) in beginsel erkend dat systemen van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op de mededinging vormen. De onderliggende gedachte waarop het Hof zich baseert, de zogenaamde eis van zelfstandigheid (36) , houdt in dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren en welke condities hij zijn klanten zal bieden. (37) Aan deze eis van zelfstandigheid wordt niet voldaan door een systeem van informatie-uitwisseling wanneer daardoor mededingingsvoorwaarden [kunnen] ontstaan die [...] niet met de normaal te achten voorwaarden van die markt overeenkomen. (38) Dit is met name het geval wanneer de systematische informatie-uitwisseling op een oligopolistische markt met een hoge concentratiegraad plaatsvindt. Op een dergelijke markt verschaft de systematische informatiestroom kennis over de marktpositie en de marketingstrategie van de concurrenten. (39)
113. Het Hof heeft echter eveneens geoordeeld dat systemen van informatie-uitwisseling onder bepaalde voorwaarden met de mededinging verenigbaar zijn. Zo zal een systeem van informatie-uitwisseling dat behalve voor de kring van deelnemers, bijvoorbeeld eveneens voor de afnemers toegankelijk is, de mededinging eerder versterken dan verminderen. (40) Ook op een echt concurrentiële markt met een versnipperd aanbod kan de mededinging door de aldus verkregen informatie wordt versterkt. (41) In dat geval zijn de deelnemers immers juist dankzij de hierdoor bereikte transparantie in staat hun individuele gedrag aan die markt aan te passen.
114. Het Gerecht heeft in het onderhavige geval het systeem van informatie-uitwisseling tegen deze achtergrond onderzocht.
115. Wat om te beginnen het bestaan van een oligopolistische markt betreft, ben ik met de Commissie van mening dat het middel niet-ontvankelijk is voorzover het gericht is tegen de kwalificatie van de markt voor stalen balken (als oligopolistische markt). Het betreft een feitelijke beoordeling die ─ behoudens in het geval van een verdraaiing van de feiten ─ in hogere voorziening niet kan worden getoetst.
116. Op grond van die feitelijke beoordeling komt het Gerecht tot de conclusie dat het mededingingsbeperkende karakter van het systeem van informatie-uitwisseling ligt in de beperking van de beslissingsvrijheid van de ondernemingen. In de punten 402 en volgende zet het uiteen dat deze beperking voortvloeit uit de druk die op de deelnemers werd gelegd door de besprekingen die na de informatie-uitwisseling plaatsvonden (analyse en beoordeling van en kritiek op orderniveaus en leveringen, enz.).
117. Volgens mij ondergraaft deze redenering van het Gerecht echter juist de stelling dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op de mededinging vormt.
118. Het mededingingsbeperkende karakter van bepaalde systemen van informatie-uitwisseling volgt namelijk niet a priori uit het feit dat de informatie de beslissingsvrijheid beperkt. Dat is veeleer kenmerkend voor de klassieke overeenkomsten of onderling samenhangende gedragingen. Het mededingingsbeperkende karakter van een systeem van informatie-uitwisseling is juist gelegen in het feit dat het een ander, voor het handelen van een ondernemer evenzeer wezenlijk kenmerk uitschakelt, namelijk de onzekerheidsfactor . De beslissingsvrijheid en de onzekerheidsfactor zijn echter twee verschillende kenmerken van de volledige mededinging. Beide kenmerken kunnen elkaar weliswaar wederzijds beïnvloeden. Het wegnemen van de onzekerheid kan in bepaalde economische situaties zeker ook de beslissingsvrijheid beïnvloeden, doordat bijvoorbeeld druk wordt uitgeoefend om zich op een bepaalde manier op de markt te gedragen. Dit is echter niet noodzakelijk het geval en het Hof was in de landbouwtrekkers-arresten (42) van oordeel dat bepaalde systemen van informatie-uitwisseling de mededinging juist verstoren op de loutere grond dat de onzekerheid, die inherent is aan de volledige mededinging, daardoor wordt verminderd.
119. Het Gerecht is dus voorbijgegaan aan dit onderscheid door zijn conclusie dat het systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op de mededinging vormt te baseren op de beperking van de beslissingsvrijheid, die daarvoor juist geen strikt noodzakelijke voorwaarde vormt.
120. Het Hof heeft echter herhaaldelijk geoordeeld dat een hogere voorziening ook moet worden afgewezen wanneer blijkt dat het gemeenschapsrecht is geschonden door de rechtsoverwegingen van een arrest van het Gerecht, maar dat het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt. (43)
121. In dit verband dient te worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 410 van het bestreden arrest uitdrukkelijk naar het toepasselijke landbouwtrekkers-arrest verwijst. Gelet op de ─ vaststaande ─ feiten kan er geen redelijke twijfel over bestaan dat het Gerecht ook zou hebben geoordeeld dat het systeem van informatie-uitwisseling de mededinging beperkte indien het de bestaande rechtspraak op de volgens mij correcte wijze had uitgelegd. Het Gerecht stelt immers in de punten 394 en volgende vast, dat het systeem de deelnemers ─ met uitsluiting van de niet aan het systeem deelnemende concurrenten en de verbruikers ─ in staat stelde kennis te nemen van de hoeveelheden orders en leveringen (44) van iedere deelnemer, die gewoonlijk onder het bedrijfsgeheim vallen, en aldus zeer actuele informatie te verkrijgen over de marktpositie van iedere individuele deelnemer in verhouding tot de totale afzet op alle betrokken markten. Dat is nu juist wat een systeem van informatie-uitwisseling als zodanig mededingingsbeperkend maakt: dat het risico dat voortvloeit uit de onzekerheid die kenmerkend is voor de mededinging uitsluitend voor de deelnemers wordt verminderd.
122. Aangezien er bijgevolg alles samen beschouwd van kan worden uitgegaan dat het Gerecht zijn conclusie over het mededingingsbeperkende karakter van het systeem van informatie-uitwisseling heeft gemotiveerd en zich hierbij terecht op de bestaande rechtspraak heeft gebaseerd en derhalve uiteindelijk tot een juiste uitspraak is gekomen, is het aangetoonde inhoudelijke motiveringsgebrek onvoldoende zwaarwegend om het middel op dit punt te doen slagen.
123. Het eerste onderdeel van het vierde middel, waarmee het Gerecht wordt verweten dat het heeft miskend dat het systeem van informatie-uitwisseling geen zelfstandige inbreuk op de mededinging vormde, dient derhalve deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te worden verklaard.
2. Verstoring van de normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65 EGKS-Verdrag door het systeem van informatie-uitwisseling en de vaststelling van prijzen
Argumenten van partijen
124. Rekwirante stelt dat het Gerecht de gelaakte gedragingen ten onrechte als een schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag heeft beschouwd, aangezien het zich op een onjuiste uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag heeft gebaseerd.
125. Onder de normale werking van de mededinging in de zin van het EGKS-Verdrag dienen niet alleen de beperkingen van een volledige mededinging te worden begrepen die zijn toegelaten door de algemene bepalingen van artikel 5 en de artikelen 46 tot en met 48 van het EGKS-Verdrag of beschikking nr. 2448/88, maar ook iedere mededingingssituatie die in het concrete geval voortvloeit uit alle in het kader van dat Verdrag geldende speciale kadervoorwaarden. In casu is het Gerecht voorbijgegaan aan de invloed van het gedrag van DG III op de structuur van de mededinging.
126. Rekwirante betwist in het bijzonder de mededingingsrechtelijke beoordeling van het systeem van informatie-uitwisseling en van de prijsvaststellingen en voert, samengevat, de volgende grieven aan.
127. Het Gerecht is eraan voorbijgegaan dat de ondernemingen in het kader van de normale werking van de mededinging binnen de EGKS over een manoeuvreerruimte beschikken die eveneens de betrokken handelingen omvat. De poging van het Gerecht om bij de juridische beoordeling onderscheid te maken tussen enerzijds algemene, vrijblijvende, in het kader van de samenwerking met DG III toegestane gesprekken, en anderzijds verboden overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen, is niet overtuigend.
128. Rekwirante beroept zich in wezen op de getuigenverklaring van een toenmalige medewerker van DG III, de heer Kutscher, die in de punten 484 en volgende van het bestreden arrest is weergegeven. De heer Kutscher heeft het uitdrukkelijk over een consensus. Een dergelijke consensus veronderstelt echter niet enkel de uitwisseling van prognoses, met name van individuele gegevens over prijzen en hoeveelheden, maar eveneens een akkoord daarover tussen de ondernemingen. Een dergelijk groepsakkoord is door DG III derhalve niet enkel toegestaan, maar zelfs als onvermijdelijk beschouwd, gelet op de informatie die het nodig had.
129. Het bestreden arrest is in ieder geval tegenstrijdig, aangezien het Gerecht met betrekking tot de prijsvaststellingen in punt 318 vaststelt dat geen van de bepalingen van het EGKS-Verdrag onderling samenhangende gedragingen met betrekking tot de vaststelling van prijzen toestaat, en in punt 269 het begrip onderling samenhangende gedragingen dermate ruim omschrijft dat daarmee eveneens de door de heer Kutscher als geoorloofd beschouwde onderlinge uitwisseling van prijsprognoses door de ondernemingen als onderling samenhangende gedraging moet worden beschouwd, maar niettemin, bijvoorbeeld in punt 534, vaststelt dat de Commissie niet op de hoogte was van de schendingen van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag.
130. Het bestreden arrest is verder tegenstrijdig omdat het Gerecht de invloed van de Commissie niet in aanmerking heeft genomen bij het onderzoek naar de schending van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, maar wel bij de berekening van de geldboete. In punt 644 van het bestreden arrest heeft het Gerecht met betrekking tot de hoogte van de geldboete immers vastgesteld dat ook een gedachtewisseling tussen de ondernemingen over prijsprognoses van het type dat DG III als geoorloofd beschouwde op zich tot een zeker parallellisme van het marktgedrag had kunnen leiden. Hiermee zegt het in feite dat in deze context aan de ondernemingen een ruimere manoeuvreerruimte was verleend om hun prijsbeleid onderling af te stemmen, waarbinnen zij eveneens handelingen konden verrichten die anders ─ en wel in het kader van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) ─ als inbreuk op de mededinging zouden zijn aangemerkt. Dit is evenwel in tegenspraak met de gronden die het Gerecht in de punten 318, 330 en 411 aanvoert tot staving van zijn conclusie dat de verschillende onrechtmatige gedragingen een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vormen.
131.
De Commissie stelt dat de draagwijdte van het begrip normale werking van de mededinging binnen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal niet door haar kan worden vastgesteld, maar door het Verdrag is omschreven.
132. Het is evenmin tegenstrijdig om bij de bepaling van de geldboete het economisch effect van de inbreuk te onderzoeken en daarbij in zekere mate eveneens rekening te houden met de door DG III geaccepteerde situatie, omdat het door het EGKS-Verdrag omschreven begrip normale werking van de mededinging daardoor als zodanig niet ter discussie wordt gesteld.
133. Met de argumentatie van rekwirante zou slechts kunnen worden ingestemd wanneer de door DG III gewilde en geaccepteerde situatie ertoe had geleid dat de gelaakte handelingen op geen enkele wijze de normale werking van de mededinging binnen de EGKS hadden kunnen beperken. Dat heeft het Gerecht echter niet vastgesteld. Het heeft integendeel in de punten 643 en volgende enkel het economisch effect van de betrokken handelingen vergeleken, niet met de situatie zoals die zonder enig contact tussen de ondernemingen zou zijn geweest, maar met de door DG III gewilde en geaccepteerde situatie.
Beoordeling
134. De stelling dat het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag (hierna: normale werking van de mededinging) onjuist is uitgelegd, is gebaseerd op de principiële veronderstelling dat dit begrip op grond van de toevoeging normale werking verschilt van het begrip mededinging van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG). Daarop voortbouwend voert rekwirante drie hoofdargumenten aan:
─ het Gerecht heeft niet of niet naar behoren rekening gehouden met het feit dat gewettigde verstoringen van de volledige mededinging deel uitmaken van de normale werking van de mededinging.
─ het Gerecht heeft het begrip onderling samenhangende gedragingen ─ in de zin van een beperking van de normale werking van de mededinging ─ tegenstrijdig toegepast.
─ het Gerecht heeft bij de berekening van de geldboete krachtens artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag het begrip normale werking van de mededinging anders uitgelegd dan bij de beoordeling of er sprake is van een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag.
a) Vallen gewettigde verstoringen van de volledige mededinging onder het begrip normale werking van de mededinging en in welke mate?
135. Het onderscheid tussen de normale werking van de mededinging en de mededinging in de zin van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) wordt in het bestreden arrest (45) besproken in verband met de vraag of ervan kan worden uitgegaan dat het EGKS-Verdrag van een op zich verstoorde mededinging op de relevante markten uitgaat. Het Gerecht heeft deze stelling van rekwirante slechts in zoverre gevolgd dat het in beginsel erkent dat de normale werking van de mededinging op de EGKS-markten door het oligopolistische karakter daarvan en door bepaalde industriepolitieke doelstellingen en het gebruik van de daarbij horende instrumenten (46) , kan afwijken van de volledige mededinging. (47) Het Gerecht weigert echter uitdrukkelijk uit deze juridische situatie algemene conclusies met betrekking tot het mededingingsrecht van de EGKS te trekken.
136. Rekwirante komt niet op tegen het algemene standpunt van het Gerecht, dat het oligopolistische karakter van de relevante markten en de toepassing van industriepolitieke instrumenten de normale werking van de mededinging van de volledige mededinging onderscheiden. Naar mijn mening rijst hier veeleer de verdergaande vraag of het Gerecht de volgens het EGKS-Verdrag toegelaten ( aan het systeem inherente) verstoringen van de volledige mededeling ten onrechte heeft beperkt tot die welke voortvloeien uit het oligopolistische karakter van de relevante markten en de juiste toepassing van de industriepolitieke instrumenten van het EGKS-Verdrag. De grief van rekwirante komt erop neer dat het Gerecht had dienen te onderzoeken of de in het concrete geval door het gedrag van een gemeenschapsorgaan geschapen speciale kadervoorwaarden niet eveneens een door het EGKS-Verdrag gewettigde verstoring van de volledige mededinging konden vormen. Wanneer dat het geval zou zijn, zou de normale (werking van de) mededinging ook om die reden aan minder strenge eisen hoeven te voldoen dan de volledige mededinging. Daaraan had het Gerecht volgens rekwirante bij de toepassing van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag de juiste gevolgen moeten verbinden.
137. Naar mijn mening heeft het Gerecht in punt 302 de juiste aanzet voor de beantwoording van de vraag gegeven. Met betrekking tot de vraag in hoeverre het oligopolistische karakter van de EGKS-markten uit mededingingsrechtelijk oogpunt in aanmerking dient te worden genomen stelt het Gerecht:[...] de werking van de mededinging kan daardoor weliswaar tot op zekere hoogte worden afgezwakt [...], doch dit is nog geen rechtvaardiging om artikel 65 zo uit te leggen, dat gedragingen van ondernemingen waardoor [...] de mededinging nog verder wordt beperkt [...] geoorloofd zouden zijn [cursivering van mij]. Gezien de consequenties die de oligopolistische structuur van de markt kan hebben, is het des te noodzakelijker de overblijvende mededinging te beschermen.
138. Dit principiële standpunt van het Gerecht is wellicht ook geldig buiten het kader van de oligopolistische structuur van de EGKS-markten. Noch de door het Gerecht onderzochte verstoringen die hun oorsprong vinden in de specifieke kenmerken van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, noch de in het concrete geval (door een gemeenschapsorgaan geschapen) speciale kadervoorwaarden die volgens rekwirante onder het begrip normale werking van de mededinging van het EGKS-Verdrag vallen, veroorzaken immers een gedeeltelijke of tijdelijke verstoring van de mededinging. Zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld, gaat het in werkelijkheid hoogstens om een afzwakking (van de werking) van de mededinging. Het onderscheid is juist dat bij een verstoorde mededinging de vraag is of er hoegenaamd nog sprake kan zijn van mededingingsbeperkende gedragingen. In geval van een afgezwakte mededinging is het daarentegen duidelijk dat de volledige mededinging (op een lager niveau) voortleeft (48) en derhalve dient te worden beschermd.
139. Uit deze behoefte aan bescherming volgt noodzakelijkerwijs dat naast de reeds genoemde aan het systeem inherente verstoringen, de door rekwirante in casu aangevoerde in het concrete geval geldende speciale kadervoorwaarden hoe dan ook slechts tot stand kunnen komen op basis van de door het EGKS-Verdrag nagestreefde doelstellingen en geboden instrumenten.
140. Deze speciale kadervoorwaarden zijn volgens rekwirante in casu de bijeenkomsten van de ondernemingen, waar DG III ontegenzeggelijk ten minste mede toe heeft aangezet. Het Gerecht heeft deze kwestie behandeld in de punten 515 en volgende van het bestreden arrest, onder de titel De betrokkenheid van DG III bij de na het einde van de crisisregeling geconstateerde inbreuken.
141. Onder verwijzing naar de getuigenverklaring van de medewerker van DG III, de heer Kutscher, voert rekwirante voornamelijk aan dat de Commissie naar eigen zeggen de verwachting had dat de deelnemende ondernemingen tijdens de interne voorbereidingsbijeenkomsten onder elkaar een consensus (49) over bepaalde marktparameters (productie, levering, prijzen, inclusief tendensen) zouden bereiken. Daardoor zou de Commissie de benodigde informatie over de marktsituatie en de toekomstige marktontwikkelingen in uitgewerkte en gebundelde vorm kunnen verkrijgen.
142. Het Gerecht heeft in punt 318 van het bestreden arrest onderzocht of het verlangen van de Commissie naar een consensus rechtmatig was. Het is tot de conclusie gekomen dat een consensus in de vorm van de vaststelling van prijzen niet wordt gewettigd door de artikelen 46 tot en met 48 EGKS-Verdrag (50) . Aangezien met name artikel 47 EGKS-Verdrag louter betrekking heeft op de inwinning van informatie en de toch al afgezwakte mededinging, zoals reeds gezegd, dient te worden beschermd, is deze conclusie juridisch niet te betwisten.
143. Met betrekking tot het systeem van informatie-uitwisseling heeft het Gerecht in de punten 542 en 549 van het bestreden arrest vastgesteld dat de werkelijke inhoud van de betrokken besprekingen bewust voor de Commissie geheim is gehouden. Bovendien had de Commissie de tijdens deze besprekingen uitgewisselde geïndividualiseerde gegevens als zodanig duidelijk ook niet nodig. (51) Het kon derhalve evenmin gaan om een voorbereidingsbijeenkomst waarvan het doel en het voorwerp bestond in de verschaffing van voor de vervulling van [de] taak [van de Commissie] noodzakelijke inlichtingen in de zin van artikel 47, eerste alinea, EGKS-Verdrag.
144. Het tweede onderdeel van het vierde middel dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen, voorzover het is gericht tegen de uitlegging en toepassing van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, meer bepaald wat de omvang van de daaronder vallende (gewettigde) beperkingen betreft.
b) De tegenstrijdige toepassing van het begrip onderling samenhangende gedragingen in de zin van een beperking van de normale werking van de mededinging
145. Met dit onderdeel van het middel klaagt rekwirante dat het Gerecht het begrip normale werking van de mededinging binnen de EGKS verkeerd heeft uitgelegd, uitgaande van de veronderstelling dat er sprake was van onderling samenhangende gedragingen. Voor een beter begrip van de aldus opgeworpen rechtsvraag dient vooraf de volgende verduidelijking te worden gegeven.
146. In de punten 263 en volgende van het bestreden arrest wordt onderzocht of er bij drie prijsverhogingen op de markt van het Verenigd Koninkrijk sprake was van verboden onderling samenhangende gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord.
147. Onder verwijzing naar zijn arrest in de zaak Rhône-Poulenc/Commissie (52) stelt het Gerecht met name het volgende vast:[U]it de rechtspraak van het Gerecht betreffende het EG-Verdrag [volgt], dat het voor het aannemen van een onderling samenhangende gedraging niet nodig is, dat de afstemming [...] tot uiting is gekomen in het marktgedrag van de concurrenten. (53)
148. Volgens rekwirante impliceert dit een zodanig ruime definitie van het begrip onderling samenhangende gedragingen, dat gedragingen van ondernemingen die helemaal niet zijn bedoeld om het marktgedrag van de concurrenten te beïnvloeden, eveneens een schending van het mededingingsrecht kunnen vormen. Wanneer een dergelijke bedoeling echter niet vereist zou zijn ─ zo is kennelijk de gedachtegang ─ dan zou een uitwisseling van informatie die de Commissie de nodige marktparameters dient te verschaffen, een onderling samenhangende gedraging zijn en evenzeer onrechtmatig. Een dergelijke idee wordt door het Gerecht elders (54) in het bestreden arrest echter uitdrukkelijk afgewezen. Deze kennelijke tegenspraak kan volgens rekwirante slechts door een navenant beperkende uitlegging van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag worden opgelost, wat het Gerecht in het bestreden arrest echter niet heeft gedaan.
149. Het betoog van rekwirante is bijgevolg voornamelijk gebaseerd op de veronderstelling dat het Gerecht heeft vastgesteld dat een gedraging moet beogen een parallel marktgedrag tot stand te brengen om als onderling samenhangende gedraging met de mededinging in strijd te zijn.
150. Rekwirante gaat derhalve kennelijk uit van een bepaalde opvatting van onderling samenhangende gedragingen (respectievelijk onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81 EG). Het lijkt mij dan ook interessant een korte schets te geven van deze vorm van schending van de mededinging op basis van de actuele rechtspraak van het Gerecht en het Hof.
151. Er kan slechts sprake zijn van onderling samenhangende gedragingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen wanneer de gedragingen ten minste de vorm hebben aangenomen van een contact (55) tussen ondernemingen. Vervolgens dient een feitelijk parallel marktgedrag van de ondernemingen te worden aangetoond (56) (behalve bij systemen van informatie-uitwisseling (57) ) en dient een causaal verband (58) te bestaan tussen het contact en het parallelle marktgedrag. Het bewijs van een effect op de markt is niet absoluut vereist (59) . Een groot of klein effect op de markt kan echter bij de bepaling van de geldboete, en wel bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk, in aanmerking worden genomen. (60)
152. De verwijzing door rekwirante naar het in het bestreden arrest genoemde arrest Rhône-Poulenc/Commissie (61) is naar mijn mening misleidend om de volgende redenen. De veronderstelling van rekwirante dat het Gerecht in het door haar aangehaalde punt van het bestreden arrest ervan uitgaat dat de afstemming niet het daaropvolgende parallelle marktgedrag van de deelnemers dient te hebben beoogd, berust wellicht op een onjuist begrip van het in het bestreden arrest gebruikte Duitse woord erstrecken.
153. De formulering in het Duits, de procestaal, dat het voor het aannemen van een onderling samenhangende gedraging nicht davon abhänge, dass sich die Abrede [...] auf das Marktverhalten der Konkurrenten erstreckte (cursivering van mij) kan in het Duits weliswaar eveneens zo worden begrepen dat de afstemming het marktgedrag niet hoefde te beogen . Het is echter eveneens mogelijk de zinsnede zo te begrijpen dat de afstemming het parallelle marktgedrag niet hoefde te veroorzaken . (62)
154. Aangezien dit laatste ten tijde van het bestreden arrest inderdaad de opvatting van het Gerecht (63) weerspiegelde en het Gerecht uitdrukkelijk naar zijn arrest Rhône-Poulenc/Commissie heeft verwezen, dient ervan te worden uitgegaan dat het Gerecht zich in het betwiste punt enkel met de vraag naar de noodzaak van een aantoonbaar parallel marktgedrag heeft beziggehouden. Zo bezien kan uit het punt echter niet worden geconcludeerd dat het Gerecht enige uitspraak over het doel van bepaalde gedragingen heeft willen doen.
155. Uit de bestreden onderdelen van het arrest kan bijgevolg niet worden geconcludeerd dat het Gerecht ervan is uitgegaan dat er eveneens sprake zou kunnen zijn van onderling samenhangende gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag wanneer bepaalde gedragingen een ander doel hadden dan het marktgedrag van de deelnemers te beïnvloeden. Derhalve kan uit het bestreden arrest evenmin worden geconcludeerd dat een uitwisseling van informatie die enkel heeft plaatsgevonden in het kader van hetgeen de Commissie nodig had om haar taken te vervullen binnen de wettelijke grenzen van het EGKS-Verdrag, een schending van de mededinging vormde.
156. Derhalve valt er op dit punt evenmin een tegenstrijdigheid met andere onderdelen van het arrest te bespeuren.
157. Het tweede onderdeel van het vierde middel dient derhalve ongegrond te worden verklaard, voorzover het klaagt over de tegenstrijdige toepassing van het begrip onderling samenhangende gedragingen, in de zin van een beperking van de normale werking van de mededinging als bedoeld in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag.
c) De tegenstrijdige toepassing van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, leden 1 en 5, EGKS-Verdrag
158. De punten 632 en volgende van het bestreden arrest handelen over de vraag of de Commissie bij de bepaling van de geldboete de economische effecten van de verschillende mededingingsbeperkende gedragingen voldoende in aanmerking heeft genomen. Het Gerecht heeft ─ zoals hierboven (64) is uiteengezet ─ terecht geoordeeld dat er voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag in beginsel geen economische effecten behoeven te worden aangetoond. Daaruit concludeert het Gerecht dat de economische effecten van een inbreuk in beginsel (65) evenmin bij de bepaling van de geldboete in aanmerking kunnen worden genomen.
159. In punt 644 overweegt het Gerecht evenwel met betrekking tot de prijsafspraken dat het eveneens bij een mededingingsrechtelijk onberispelijk gedrag van de deelnemers niet [is] uitgesloten, dat dergelijke door DG III goedgekeurde contacten tussen de ondernemingen een zeker parallellisme van het marktgedrag, in het bijzonder wat de prijsverhogingen betreft, die althans gedeeltelijk door de gunstige economische conjunctuur in 1989 werden uitgelokt, hadden kunnen versterken.
160. Naar mijn mening kan uit het aangehaalde punt enkel worden afgeleid dat het Gerecht in deze passage met betrekking tot de vraag naar de economische effecten een hypothetisch causaal verband (rechtmatig gedrag ─ parallel marktgedrag ten gevolge van externe effecten ─ versterking van dit parallel gedrag dat wordt veroorzaakt door het rechtmatige gedrag) in zijn redenering heeft betrokken.
161. Rekwirante stelt met haar betoog de vraag aan de orde of het Gerecht in het bestreden arrest het recht heeft geschonden door het hypothetische causale verband pas bij de juridische beoordeling en niet reeds bij het onderzoek van de feiten in aanmerking te nemen.
162. Naar mijn mening gaat rekwirantes betoog omtrent dit onderdeel van het middel eraan voorbij dat het hier helemaal niet om de wederrechtelijkheid van bepaalde gedragingen gaat, maar om een bewijskwestie, namelijk om de vraag of er een causaal verband bestaat tussen de gedraging en het daaropvolgende parallelle marktgedrag: wanneer bepaalde gedragingen, een parallel marktgedrag en een causaal verband tussen beide worden aangetoond, staat een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vast. Kwam het Gerecht echter tot de conclusie dat een rechtmatige gedraging eveneens tot hetzelfde of tot een vergelijkbaar parallel marktgedrag zou hebben geleid, dan zou dit ernstige twijfel doen rijzen over het causaal verband tussen de gedraging en het marktgedrag en zou de inbreuk niet langer bewezen kunnen worden geacht.
163. In het onderhavige geval heeft het Gerecht het in punt 644 echter enkel zeer voorzichtig over het feit dat het niet [is] uitgesloten dat rechtmatige gedragingen eveneens een zeker parallellisme van het markt[ge]drag hadden kunnen (niet eens veroorzaken maar enkel) versterken. Er kan derhalve niet worden verondersteld dat het Gerecht daarmee het causaal verband tussen de door hem eerder als onrechtmatig beoordeelde gedragingen en het marktgedrag (in casu: prijsvaststellingen) ernstig in twijfel heeft willen trekken. (66)
164. Er is dan ook geen tegenspraak met die overwegingen van het arrest waarin het Gerecht heeft uiteengezet waarom de prijsvaststellingen een inbreuk vormden.
165. Het tweede onderdeel van het vierde middel dient derhalve ongegrond te worden verklaard, voorzover het klaagt over een tegenstrijdige toepassing van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, leden 1 en 5, EGKS-Verdrag.
166. Het vierde middel, waarmee wordt geklaagd over de onjuiste beoordeling van de materiële rechtmatigheid van de beschikking (artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag), dient derhalve deels niet-ontvankelijk en deels, voor het merendeel, ongegrond te worden verklaard.
D ─ De geldboete
167. Rekwirante klaagt met haar vijfde , zesde en zevende middel dat bij de vaststelling van de geldboete het Verdrag op meerdere punten is geschonden.1. Het schuldbeginsel is niet naar behoren in aanmerking genomen ( vijfde middel)
Argumenten van partijen
168. Rekwirante is van mening dat haar op grond van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht slechts een ─ sterk verminderde ─ schuld kan worden verweten. Het Gerecht is in de punten 504, 514 en 589 en volgende van het bestreden arrest van oordeel dat de verscheidene inbreuken duidelijk vaststaan, maar weerspreekt daarmee zijn eigen vaststelling in punt 643 van het bestreden arrest, dat door de houding van DG III in het kader van het toezichtsysteem vanaf medio 1988 tot eind 1990 een zekere onduidelijkheid over de draagwijdte van het begrip normale werking van de mededinging in de zin van het EGKS-Verdrag is gecreëerd. Zoals uit punt 643 blijkt acht het Gerecht het op grond van de betrokkenheid van DG III zelfs mogelijk dat ook de uitwisseling van individuele gegevens in het onderhavige geval niet noodzakelijkerwijs een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag vormt. Rekwirante kon zich er wegens deze onduidelijkheid niet van bewust zijn dat haar gedrag in strijd was met de bepalingen van het EGKS-Verdrag. Om dezelfde reden konden de algemene aanmaningen van DG III om de mededingingsregels in acht te nemen, rekwirante niet tot het besef brengen dat zij zich onrechtmatig gedroeg.
169. Ten slotte betwist rekwirante dat zij opzettelijk informatie hierover heeft achtergehouden, zoals het Gerecht in de punten 522 en volgende van het bestreden arrest heeft aangenomen. In het kader van het toezichtsysteem van de Commissie was het immers vereist dat de ondernemingen de aan DG III verstrekte informatie samenvatten en voorbereidden. De uitgewisselde informatie was derhalve niet dezelfde als die welke aan DG III werd verstrekt, aangezien de aan DG III verstrekte informatie getotaliseerd was en bijgevolg slechts een algemeen overzicht diende te geven van de feitelijk gevoerde gesprekken tussen de ondernemingen.
170.
De Commissie voert aan dat dit middel niet-ontvankelijk is aangezien rekwirante de vaststelling van het Gerecht betwist dat er sprake was van kennelijke inbreuken en echte prijsafspraken, dat informatie over leveringen werd uitgewisseld en dat rekwirante de intentie had om informatie achter te houden, en dus de vaststelling en de beoordeling van feiten betwist, waarvoor het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is.
171. Het middel is in elk geval ongegrond. Aan rekwirante worden immers geen gedragingen ten laste gelegd die in een grijs gebied liggen, maar zware inbreuken op het kartelverbod, waarover geen enkele vergissing mogelijk was.
Beoordeling
172. Volgens rekwirante is het Gerecht uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting en heeft het daardoor haar schuld onjuist beoordeeld.
173. Rekwirante baseert zich voornamelijk op punt 643 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht vaststelt dat DG III een zekere onduidelijkheid over de draagwijdte van het begrip, 'normale werking van de mededinging' in de zin van het EGKS-Verdrag [heeft] gecreëerd.
174. Inderdaad kan niet worden ontkend dat uit deze zin een zekere twijfel blijkt over de vraag of rekwirante zich bewust kon zijn van de onrechtmatigheid van haar gedrag. Rekwirante dient eveneens te worden toegegeven dat deze passage in tegenspraak zou kunnen zijn met de overwegingen van het Gerecht in de punten 504, 514 en 589 en volgende.
175. Er mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat de desbetreffende vaststellingen van het Gerecht in het bestreden arrest telkens in een geheel andere context zijn verricht.
176. Om te beginnen bevestigt het Gerecht in de overwegingen met betrekking tot de materiële rechtmatigheid van de beschikking, in het kader van het onderzoek naar [h]et voortbestaan van misverstanden over de uitlegging of toepassing van artikel 65, lid 1, van het Verdrag na de crisisperiode (67) , dat rekwirante zich bewust kon zijn van de onrechtmatigheid van de gelaakte gedraging.
177. Vergelijkbare opmerkingen zijn te vinden in de overwegingen met betrekking tot het verzoek om verlaging van de geldboete, ditmaal in het kader van het onderzoek betreffende de [a]fwezigheid van schuld van verzoekster, [de] schending van het vertrouwensbeginsel en het ontbreken van overgangsmaatregelen na het einde van de crisisregeling. (68)
178. De daarmee tegenstrijdige passage (69) maakt eveneens deel uit van de overwegingen met betrekking tot het verzoek om verlaging van de geldboete, maar dan van die betreffende de evenredigheid van de geldboete. Daarin worden, naast talrijke andere gronden die in de procedure voor het Gerecht zijn aangevoerd om het onevenredige karakter van de geldboete aan te tonen, de economische gevolgen van de gelaakte gedraging besproken. Het Gerecht vergelijkt daarbij de situatie die op grond van de gelaakte gedraging is ontstaan met de situatie die zou hebben bestaan wanneer de ondernemingen enkel in het belang van DG III bijeen waren gekomen.
179. Bij de vergelijking van twee economische scenario's lijkt het mij echter niet vereist, om niet te zeggen overbodig, subjectieve aspecten zoals vermeende of feitelijke onduidelijkheden over bepaalde begrippen te vermelden. (70) Uit dat oogpunt kunnen uit punt 643 evenmin conclusies worden getrokken in de zin die rekwirante in gedachten heeft.
180. Het vijfde middel, waarmee wordt geklaagd dat het schuldbeginsel niet naar behoren in aanmerking is genomen, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.2. De berekening van het deel van de geldboete dat verband houdt met de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling ( zesde middel)
Argumenten van partijen
181. Rekwirante is van mening dat het Gerecht de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling in punt 649 van het arrest heeft aangemerkt als een zelfstandige inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag, die tot een verhoging van de geldboete heeft geleid, hoewel het systeem van informatie-uitwisseling in vergelijking met de andere inbreuken slechts van secundair belang is geweest.
182.
De Commissie verwijst naar haar andere argumenten met betrekking tot het zelfstandige karakter van de inbreuk bestaande in de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling.
183. Rekwirante haalt verder punt 644 van het bestreden arrest aan, waarin het Gerecht de verlaging van de geldboete voor de prijsvaststellingen heeft gerechtvaardigd op grond van de wijziging van de normale werking van de mededinging door het toezichtsysteem van DG III. Zij is van mening dat het Gerecht deze overweging ten onrechte tot de prijsvaststellingen heeft beperkt. Zij is evenzeer van toepassing op de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling. Het Gerecht had deze overweging dan ook logischerwijs eveneens voor deze deelneming moeten laten gelden en de geldboete ook hiervoor moeten verminderen.
184. Volgens de Commissie gelden de gronden waarop het Gerecht de geldboete voor de prijsvaststellingen heeft verlaagd niet voor de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling.
Beoordeling
185. Het zesde middel bestaat uit twee onderdelen. Om te beginnen dient in algemene zin te worden onderzocht of het Gerecht terecht heeft bevestigd dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige factor bij de berekening van de geldboete kon zijn. Zo ja, dient het tweede onderdeel te worden onderzocht, volgens hetwelk de overwegingen op basis waarvan het Gerecht het deel van de geldboete heeft verminderd dat verband houdt met de prijsvaststellingen, eveneens hadden moeten gelden voor het deel van de geldboete dat is opgelegd wegens de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling.
186. Anders dan de Commissie ben ik van mening dat het eerste onderdeel van dit middel een vraag betreft die los van het hierboven (71) reeds beoordeelde zelfstandige karakter van het systeem van informatie-uitwisseling dient te worden onderzocht. Eerst is nagegaan of er wel sprake is van een inbreuk (of de constitutieve elementen daarvan zijn verenigd), thans wordt onderzocht of het zelfstandige karakter van de inbreuk er eveneens kan of zelfs toe dient te leiden dat deze inbreuk op het vlak van de rechtsgevolgen afzonderlijk in aanmerking wordt genomen.
187. Dit onderdeel van het zesde middel verschilt overigens eveneens van de hierboven (72) besproken vraag of het Gerecht het recht heeft geschonden door de hypothetische veronderstellingen waar het bij de beoordeling van de hoogte van de geldboete van is uitgegaan, niet eveneens bij de beoordeling van het systeem van informatie-uitwisseling in aanmerking te nemen. Bij die vraag ging het erom of de redenering van het Gerecht bij het onderzoek van de rechtsgevolgen ook had moeten worden toegepast op de beoordeling van de vraag of de constitutieve elementen van de inbreuk verenigd waren. Hier gaat het ─ omgekeerd ─ om de vraag of de vaststelling dat er sprake is van een inbreuk een weerslag dient te hebben op de rechtsgevolgen en, zo ja, welke.
188. Het Gerecht heeft ─ terecht (73) ─ de stelling van de Commissie bevestigd dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling een zelfstandige inbreuk op de mededinging vormde. Aangezien de informatie die de deelnemers uit het systeem verkregen ontegenzeggelijk vervolgens voor de prijsafspraken en marktverdelingen is gebruikt, rijst thans de vraag: heeft het Gerecht terecht aangenomen dat het zelfstandige karakter van deze inbreuk op de mededinging een weerslag kon hebben op de geldboete (door verhoging daarvan), zelfs wanneer de uit deze inbreuk onrechtmatig verkregen voordelen bij het begaan van verdere inbreuken zijn benut, dus als het ware zijn opgebruikt? Deze situatie doet zich typisch voor bij een combinatie van systemen van informatie-uitwisseling enerzijds en klassieke inbreuken op de mededinging zoals marktverdelingen en prijsafspraken anderzijds.
189. De gronden waarop het Hof in de landbouwtrekkers-arresten (74) heeft vastgesteld dat de feiten een zelfstandige inbreuk vormden, zijn naar mijn mening niet onbeperkt toepasselijk op de vraag of deze inbreuk eigen rechtsgevolgen diende te hebben. Dit geldt niet in de laatste plaats omdat deze vraag in die zaken niet aan de orde was.
190. De Commissie heeft in de landbouwtrekkers-zaken het systeem van informatie-uitwisseling in het kader van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) als aangemelde overeenkomst onderzocht, maar wist reeds daarvoor dat er al gedurende vele jaren vergelijkbare niet-aangemelde voorafgaande overeenkomsten bestonden en ook werden toegepast. Zij heeft in de landbouwtrekkers-beschikking (75) het mededingingsbeperkende karakter van het systeem van informatie-uitwisseling vastgesteld, geweigerd een individuele ontheffing te verlenen en een verbod uitgevaardigd, maar geen geldboete opgelegd. Zij diende bijgevolg na te gaan of het systeem van informatie-uitwisseling bij de landbouwtrekkers voldeed aan de voorwaarden om te kunnen spreken van een zelfstandige inbreuk op de mededinging, aangezien dit het voorwerp van het verzoek om een negatieve verklaring was, maar niet of hieraan eigen rechtsgevolgen dienden te worden verbonden, omdat de benutting van dit systeem voor prijsafspraken, marktverdelingen, enzovoort, in die procedure niet aan de orde was.
191. In de zaken Mo Och Domsjö e.a./Commissie (76) (hierna: karton-zaken) was de situatie eveneens anders, omdat de Commissie reeds bij de beoordeling van de feiten van een enkel feit was uitgegaan, aangezien de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling en de praktijken waarvoor de informatie werd benut, van meet af aan als een enkele inbreuk op het mededingingsrecht van de Gemeenschap waren aangemerkt en er dus slechts één geldboete voor was opgelegd.
192. In casu zijn echter beide elementen aanwezig: de Commissie is in haar beschikking van een zelfstandige inbreuk uitgegaan en heeft de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling in aanmerking genomen door de geldboete met een bepaald deel te verhogen. Aldus rijst hier voor het eerst de vraag of meerdere zelfstandige inbreuken op het mededingingsrecht ook op het vlak van de rechtsgevolgen afzonderlijk in aanmerking genomen kunnen worden.
193. Artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag geeft zelf geen uitsluitsel over de vraag hoe meerdere feiten dienen te worden behandeld, noch over de vraag of en onder welke voorwaarden meerdere met het mededingingsrecht onverenigbare handelingen samen eventueel slechts één inbreuk vormen, noch over de vraag of en hoe het bestaan van meerdere inbreuken in de rechtsgevolgen tot uitdrukking dient te komen. Daaruit kan worden geconcludeerd dat het gemeenschapsrecht de Commissie in dit opzicht in beginsel een manoeuvreerruimte laat.
194. Er dient evenwel te worden onderzocht of uit de gemeenschappelijke rechtstraditie van de lidstaten een uniforme oplossing van het probleem valt af te leiden.
195. De lidstaten staan de nationale mededingingsautoriteiten ─ onder toezicht van de rechter ─ een relatief ruime manoeuvreerruimte toe bij de bepaling van de hoogte van de sancties in mededingingsprocedures. Daarbij wordt vaak uitdrukkelijk de zwaarte van de inbreuk of de inbreuken als beoordelingscriterium vermeld. (77) Meestal is echter niet nader omschreven of dit criterium ook kan of dient te spelen wanneer er sprake is van meerdere samenhangende inbreuken. Denemarken, Duitsland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk en Portugal kennen wettelijke regelingen betreffende de behandeling van meervoudige inbreuken op de nationale mededingingsbepalingen. In een dergelijke situatie geldt onder meer het absorptiebeginsel, dat wil zeggen dat er een totaalboete wordt opgelegd die meestal is gebaseerd op de hoogte van de boete voor de zwaarste inbreuk. (78)
196. Aangezien de behandeling van meerdere samenhangende inbreuken en de rechtsgevolgen daarvan in het nationale mededingingsrecht van de lidstaten verschillend zijn geregeld, kan niet worden aangenomen dat er op dit punt een gemeenschappelijke rechtstraditie tussen de lidstaten (79) bestaat.
197. Bijgevolg kan er niet van worden uitgegaan dat het gemeenschapsrecht (artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag) de Commissie verplicht of, omgekeerd, belet bij de bepaling van de geldboete meerdere samenhangende inbreuken als een boeteverhogende factor in aanmerking te nemen.
198. De toepasselijke bepalingen bieden de Commissie bijgevolg een manoeuvreerruimte, die echter haar grenzen vindt waar een dergelijke handelwijze willekeurig of onredelijk lijkt.
199. Ter beoordeling daarvan dient wellicht de grondslag van iedere vorm van sanctie, dat wil zeggen de laakbaarheid van een daad, als uitgangspunt te worden genomen. De handelwijze van de Commissie zou derhalve willekeurig of onredelijk zijn wanneer zij een van meerdere mededingingsrechtelijke inbreuken bij de bepaling van de geldboete als boeteverhogende factor in aanmerking nam, hoewel de laakbaarheid van deze ene inbreuk dient te worden beschouwd als geabsorbeerd door de andere inbreuken waartoe zij heeft bijgedragen.
200. Bij een systeem van informatie-uitwisseling dat een zelfstandige inbreuk vormt, ligt de laakbaarheid van de daad volgens de rechtspraak van het Hof (80) in het feit dat de voor de vrije mededinging wezenlijke onzekerheidsfactor gedeeltelijk of volledig wordt uitgeschakeld. De laakbaarheid van klassieke inbreuken op de mededinging, zoals prijsafspraken of marktverdelingen, ligt daarentegen in een andere verstoring van de vrije mededinging, namelijk de beperking van de beslissingsvrijheid van de deelnemende ondernemingen. Bijgevolg kan er slechts van worden uitgegaan dat de laakbaarheid van het eerste feit (uitschakeling van de onzekerheidsfactor) bij het plegen van het tweede feit (beperking van de handelingsvrijheid) wordt geabsorbeerd wanneer van de laakbaarheid van het eerste feit in het concrete geval niets overblijft dat een afzonderlijke sanctie zou rechtvaardigen.
201. Nu is weliswaar niet uitgesloten dat er gevallen zijn waarin de informatie die binnen een systeem van informatie-uitwisseling is verkregen door het gebruik ervan voor prijsafspraken en marktverdelingen niet langer laakbaar is op zich. Daarover is echter noch in de procedure voor het Gerecht, noch in de onderhavige hogere voorziening enige opmerking gemaakt.
202. In het algemeen dient er eerder van uitgegaan te worden dat de voor de mededinging kenmerkende onzekerheidsfactor, die volgens het Hof bescherming verdient, door het verkrijgen van systematisch toegestuurde informatie over bedrijfsgeheimen van de concurrenten dermate wordt verkleind dat het nauwelijks denkbaar lijkt dat de vrije mededinging tussen niet-geïnformeerde ondernemingen kan worden hersteld.
203. Toegepast op het concrete geval betekent dit dat systematisch en regelmatig aangeleverde kennis over geleverde hoeveelheden en prijzen van de concurrenten haar (juridisch laakbare) waarde voor de deelnemers niet verliest wanneer voor een bepaalde periode prijsafspraken worden gemaakt en de markt binnen vastgestelde geografische gebieden wordt verdeeld. Integendeel, het is zeer wel mogelijk dat de informatie duurzaam van aard is, doordat zij bijvoorbeeld voor latere prijsafspraken of marktverdelingen wordt gebruikt of alleen al doordat zij de deelnemers een overzicht van de markt en zijn structuur verschaft die de ideaaltypische ondernemer binnen het communautaire mededingingsrecht juist niet heeft.
204. In het onderhavige geval heeft de Commissie de verhoging van de geldboete kennelijk op een dergelijke ─ minstens residuele ─ laakbaarheid van de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling gebaseerd. Er kan derhalve niet worden gesteld dat zij bij de bepaling van de hoogte van de geldboete willekeurig heeft gehandeld. Bijgevolg kan het Gerecht evenmin worden verweten dat het aan deze handelwijze ten onrechte geen negatieve gevolgen heeft verbonden.
205. Het eerste onderdeel van het zesde middel, dat klaagt dat de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling bij de bepaling van de geldboete afzonderlijk in aanmerking is genomen, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
206. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het zesde middel, dat klaagt dat het Gerecht slechts het deel van de geldboete betreffende de prijsafspraken heeft verlaagd, maar niet het deel betreffende de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling, dient het volgende te worden opgemerkt.
207. De gronden op basis waarvan het Gerecht in punt 644 van het bestreden arrest het deel van de geldboete dat verband houdt met de prijsvaststellingen heeft verlaagd, gelden ─ zoals het Gerecht in punt 646 van het bestreden arrest uitdrukkelijk vaststelt ─ slechts voor deze inbreuk op de mededinging, maar niet voor het systeem van informatie-uitwisseling.
208. Deze gronden houden verband met een ─ door het Gerecht theoretisch mogelijk geacht ─ economisch effect van externe factoren, dat volgens het Gerecht een ander licht kan werpen op de economische effecten van de prijsvaststellingen. Het Gerecht gaat er ─ zoals uit punt 646 van het bestreden arrest blijkt ─ kennelijk van uit dat dit hypothetische economische effect bij onderscheiden inbreuken op de mededinging verschillend dient te worden beoordeeld.
209. Aldus betwist rekwirante echter een vaststelling van feiten door het Gerecht, die in hogere voorziening niet kan worden getoetst.
210. Het tweede onderdeel van het zesde middel, dat klaagt dat het Gerecht de redenering op grond waarvan het het deel van de geldboete betreffende de prijsvaststellingen heeft verlaagd, niet heeft doorgetrokken tot de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling, dient bijgevolg niet-ontvankelijk te worden verklaard.
211. Het zesde middel, inzake de bepaling van het deel van de geldboete dat is opgelegd wegens de deelneming aan het systeem van informatie-uitwisseling, is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond .3. Ontoereikende motivering van de beschikking met betrekking tot de hoogte van de geldboete ( zevende middel)
Argumenten van partijen
212. Rekwirante betwist de vaststelling van het Gerecht in punt 606 van het bestreden arrest dat de factoren die bij de beoordeling van de ─ voor de hoogte van de geldboete bepalende ─ zwaarte van de verschillende inbreuken zijn betrokken, in de beschikking voldoende en adequaat zijn uiteengezet.
213. Uit de beschikking is volgens rekwirante evenmin op te maken op welke wijze met de duur van de inbreuken rekening is gehouden. Dienaangaande verwijst zij naar punt 612 van het bestreden arrest, volgens hetwelk uit het feitenonderzoek van het Gerecht [blijkt], dat de Commissie de duur van de in artikel 1 van de beschikking genoemde inbreuken naar behoren heeft gerechtvaardigd door te verwijzen naar de handelingen van de betrokkenen of de periodes waarop die handelingen betrekking hadden. Zelfs een grondig onderzoek van de beschikking van de Commissie kan echter enkel een vermoeden opleveren omtrent de precieze periode waarin de Commissie de inbreuken situeert. Het is met name onduidelijk of en in hoeverre een onderbreking van het systeem van informatie-uitwisseling in aanmerking is genomen.
214. Wat de criteria voor de berekening van de geldboete betreft, bevat het arrest een tegenstrijdigheid. In de punten 608 en 609 herinnert het Gerecht aan de relevante rechtspraak volgens welke de berekeningswijze van de geldboete moet kunnen worden achterhaald zonder dat de beschikking daarvoor in rechte hoeft te worden aangevochten. In de punten 610 en 611 baseert het Gerecht zich echter op het feit dat de Commissie in de loop van het geding de noodzakelijke cijfergegevens heeft verstrekt. Een dergelijke motivering dient krachtens artikel 15 EGKS-Verdrag echter reeds in de beschikking te zijn opgenomen.
215.
De Commissie beroept zich op de punten 607, 614 en 626 van het bestreden arrest en stelt dat het Gerecht de verschillende criteria voor de berekening van de geldboete voor elke afzonderlijke onderneming naar behoren heeft gecontroleerd en zijn arrest aldus toereikend heeft gemotiveerd. Het middel is dus in dit opzicht ongegrond.
216. Voorzover het middel gericht is tegen de beoordeling van de duur van de inbreuk, lijkt het niet-ontvankelijk, aangezien het gaat om een feitelijke beoordeling, waarvoor het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is.
217. Wat de berekening van de geldboete betreft, heeft het Gerecht het wenselijk geacht dat de wiskundige berekeningswijze van de geldboete wordt aangegeven in de beschikking, maar dit niet als een verplichting gezien. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de criteria op grond waarvan de geldboete is berekend in de beschikking zijn aangegeven. Dit onderdeel van het middel is eveneens ongegrond.
Beoordeling
218. Het Hof heeft zich in het verleden reeds herhaaldelijk beziggehouden met de vraag of en in hoeverre de Commissie verplicht is bij de berekening van de geldboete een bepaalde berekeningswijze toe te passen en deze in voorkomend geval ook openbaar te maken.
219. Volgens vaste rechtspraak (81) , die het Gerecht in punt 605 van het bestreden arrest uitdrukkelijk aanhaalt, moet bij de bepaling van de omvang van de motiveringsplicht in het bijzonder in aanmerking worden genomen, dat de zwaarte van de inbreuken afhangt van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat er een dwingende of uitputtende lijst van criteria bestaat, die in ieder geval in aanmerking zouden moeten worden genomen. Bovendien beschikt de Commissie bij het bepalen van de hoogte van de afzonderlijke boeten over een beoordelingsbevoegdheid en is zij niet verplicht, daarbij een precieze wiskundige formule toe te passen.
220. In de karton-arresten (82) heeft het Hof verduidelijkt welke eisen aan de verplichting van de Commissie tot motivering van haar beschikkingen dienen te worden gesteld:[...] [er] wordt [...] aan de eisen van het wezenlijke vormvoorschrift van de motivering voldaan, wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld. Worden deze factoren niet aangegeven, dan zou de beschikking ontoereikend zijn gemotiveerd. (83)
221. In het onderhavige geval heeft de Commissie in de beschikking ─ zoals het Gerecht in de punten 606 en volgende van het bestreden arrest heeft vastgesteld ─ voldoende en adequaat uiteengezet welke factoren zij bij de beoordeling van de zwaarte van de verschillende inbreuken heeft betrokken. De Commissie heeft verder vastgesteld dat het om inbreuken van lange duur ging en heeft dit zelfs aangetoond met tabellen, uitgesplitst over de verschillende deelnemende ondernemingen, en [...] aldus duidelijk gemaakt, dat de met de verschillende inbreuken corresponderende gedeelten van de geldboeten zijn berekend naar de duur van de inbreuken. (84)
222. Met betrekking tot de onjuiste beoordeling van de omvang van de motiveringsplicht in verband met de vermeende onderbreking van het systeem van informatie-uitwisseling dient te worden opgemerkt dat het Hof in de karton-arresten wederom duidelijk de stelling heeft verworpen dat de geldboeten mechanisch dienen te worden berekend en dienovereenkomstig dienen te worden gemotiveerd. Het Hof benadrukt tegelijk dat de Commissie daartoe niet verplicht, maar wel perfect gerechtigd is, voorzover zij geen afstand doe[t] van haar beoordelingsbevoegdheid door uitsluitend en mechanisch wiskundige formules toe te passen. (85)
223. Wanneer de Commissie bijgevolg niet verplicht is zich bij de berekening van de geldboete volledig op een bepaalde formule te baseren, kan evenmin worden aangenomen dat zij dit bij de bepaling van de duur van de inbreuken dient te doen. Uit het gemeenschapsrecht kan derhalve niet de verplichting worden afgeleid om iedere eventuele onderbreking op gelijke wijze in aanmerking te nemen. (86)
224. De Commissie zou in het onderhavige geval derhalve zelfs aan haar motiveringsplicht hebben voldaan, indien zij niet door middel van individuele tabellen een concreet verband had gelegd tussen de duur van iedere afzonderlijke inbreuk en de hoogte van de individuele geldboeten ─ zoals in de beschikking is gebeurd. Bijgevolg kan evenmin worden verlangd dat de Commissie nog gedetailleerder informatie verstrekt over de duur van iedere afzonderlijke inbreuk van iedere afzonderlijke deelnemer. Het volstaat dat de totale duur van de respectieve inbreuken waarvan zij bij de berekening van de geldboete is uitgegaan, duidelijk is.
225. Het zevende middel, dat het Gerecht verwijt geen gevolgen te hebben verbonden aan de ontoereikende motivering van de beschikking met betrekking tot de hoogte van de geldboete, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
E ─ De duur van de procedure vormt een schending van het EVRM(achtste middel)
226. Met haar laatste middel stelt rekwirante dat het Gerecht door de buitensporig lange duur van de procedure het in artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde recht op een beslissing binnen een redelijke termijn heeft geschonden.
Argumenten van partijen
227. Rekwirante wijst op de duur van de administratieve en de contentieuze procedure en verwijst in dit verband naar het arrest Baustahlgewebe/Commissie. (87) De duur van de procedure voor het Gerecht ─ bijna vijf jaar ─ is noch door de complexiteit van de feiten, noch door de door het Gerecht gelaste instructiemaatregelen te rechtvaardigen. Bovendien dient de gehele procedure in aanmerking te worden genomen; het Hof dient in de onderhavige rechtzaak over voorvallen te oordelen die reeds meer dan tien jaar, en op het tijdstip van het definitieve arrest al snel anderhalf decennium geleden, hebben plaatsgevonden. Een beslissing na een dergelijk tijdsverloop raakt een onderneming die zowel uit economisch als uit personeelsoogpunt is veranderd ten opzichte van het tijdstip waarop zij bij de inbreuken betrokken was. Voor de werkelijk betrokkenen komt dit veeleer neer op een rechtsweigering.
228.
De Commissie acht dit middel ongegrond. Om te beginnen kan rekwirante met een beroep op artikel 6, lid 1, EVRM enkel de duur van de procedure voor het Gerecht, echter niet die van de administratieve procedure bekritiseren. De procedure voor het Gerecht heeft echter, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, niet buitensporig lang geduurd.
229. Voor rekwirante stonden aanzienlijke financiële belangen op het spel. Het ging om een ingewikkelde procedure, er waren elf beroepen in vier talen, en het Gerecht heeft een omvangrijk dossier moeten onderzoeken. Bovendien heeft rekwirante ─ evenals de verzoeksters in de andere procedures die later zijn gevoegd met het oog op de mondelinge behandeling ─ steeds weer verzoeken ingediend; het vroeg tijd om deze te behandelen en hierover een beslissing te nemen. Zij kan zich derhalve niet over de duur van de procedure beklagen.
230. Volgens de Commissie toont een vergelijking met de overeenkomstige fasen van de procedure in de zaak Baustahlgewebe/Commissie juist aan, dat het Gerecht in casu geen buitensporig lange duur van de procedure kan worden verweten. In de drie jaar tussen de afsluiting van de schriftelijke behandeling en de beslissing de mondelinge behandeling te openen, zijn in casu immers talrijke maatregelen tot organisatie van de procesgang gelast. Verder is de periode van een jaar tussen de sluiting van de mondelinge behandeling en de uitspraak van het arrest, gelet op de omvang van de zaak, bijzonder kort.
Beoordeling
231. Krachtens artikel 6, lid 1, EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
232. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (88) behoren de fundamentele rechten tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert. (89) Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe. (90)
233. Zo heeft het Hof in het arrest Baustahlgewebe/Commissie geoordeeld dat het uit de fundamentele rechten van het EVRM afgeleide algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid recht op een proces binnen een redelijke termijn, eveneens van toepassing is op een beroep in rechte van een onderneming tegen een beschikking van de Commissie waarbij die onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht. (91)
234. Ter beoordeling of het recht van rekwirante op behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM in de onderhavige procedure is geschonden, dient om te beginnen de te beoordelen periode te worden bepaald.
235. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) met betrekking tot de redelijke termijn dient principieel eveneens de duur van de precontentieuze procedure in aanmerking te worden genomen. (92)
236. Volgens artikel 51, eerste alinea, van ‘s Hofs Statuut-EG is het Hof in hogere voorziening onder andere bevoegd om na te gaan, of voor het Gerecht onregelmatigheden in de procedure zijn begaan waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan. (93) Het fundamentele recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de duur van de procedure voor de Commissie, wordt hierdoor niet uitgehold, aangezien het mogelijk is om voor het Gerecht op te komen tegen een overeenkomstige onregelmatigheid in de procedure voor de Commissie (94) .
237. In het onderhavige geval kan de vraag of de duur van de procedure voor de Commissie dient te worden betrokken bij de beoordeling in hogere voorziening of er binnen een redelijke termijn rechtsbescherming is verschaft, echter buiten beschouwing blijven, aangezien rekwirante hoe dan ook pas in haar verzoekschrift in hogere voorziening ─ en dan nog slechts terloops ─ heeft betoogd dat dit verplicht is. In de procedure voor het Gerecht heeft zij niet gesteld dat zij zich door de duur van de procedure voor de Commissie benadeeld voelde. Het middel dient derhalve in dit opzicht niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien dit punt voor het eerst in hogere voorziening is opgeworpen. (95)
238. Om te beoordelen of rekwirante rechtsbescherming binnen een redelijke termijn is geweigerd, dient bijgevolg in het onderhavige geval enkel de volledige duur van de procedure voor het Gerecht te worden bezien, die vanaf de neerlegging van het verzoekschrift tot en met de dag van de uitspraak van het bestreden arrest ongeveer vier jaar en elf maanden bedroeg.
239. Uit de rechtspraak van het Hof alsmede uit die van het EHRM blijkt dat de redelijkheid van de duur van een procedure dient te worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder met inachtneming van het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen en de bevoegde autoriteiten. (96) Aangezien evenwel de redelijkheid van de duur van een procedure op basis van de specifieke omstandigheden van de zaak en uit verschillende oogpunten dient te worden beoordeeld, kan een vergelijking met andere procedures ─ zoals bijvoorbeeld die met de zaak Baustahlgewebe/Commissie ─ hoogstens aanknopingspunten voor een dergelijke beoordeling bieden. (97)
240. Om te beginnen staat in het onderhavige geval vast dat er voor rekwirante in de procedure voor het Gerecht daadwerkelijk een en ander op het spel stond. (98) Want de Commissie heeft rekwirante zonder twijfel een relatief hoge geldboete van 6 500 000 ECU opgelegd, te betalen binnen drie maanden na de datum van betekening van de beschikking, vermeerderd met vertragingsrente van 9,75 % per jaar na het verstrijken van die termijn. (99) Anderzijds heeft rekwirante niet gesteld dat haar economische voortbestaan door het geschil rechtstreeks werd bedreigd, zodat daaruit niet valt af te leiden dat de procedure voor het Gerecht bijzonder spoedeisend was. (100)
241. Wat de ingewikkeldheid van de zaak betreft, de Commissie heeft in haar beschikking schendingen van de mededinging door zeventien Europese staalondernemingen en een van hun ondernemersverenigingen vastgesteld en aan veertien van deze ondernemingen wegens deze inbreuken een geldboete opgelegd.
242. Zowel uit het bestreden arrest als uit het dossier blijkt dat het Gerecht een aanzienlijke hoeveelheid documenten (101) diende te onderzoeken en een groot aantal feitelijke vragen en rechtsvragen diende te beoordelen, zowel met betrekking tot alle verzoeksters samen, als met betrekking tot rekwirante alleen. Behalve rekwirante hebben tien andere adressaten van de beschikking bij het Gerecht beroep ingesteld. De elf zaken, die in verschillende procestalen zijn ingediend, zijn door het Gerecht met het oog op de instructie en de mondelinge behandeling gevoegd. (102)
243. Onder andere op proceseconomische gronden kan het toegestaan en onder omstandigheden zelfs raadzaam zijn, verschillende procedures te voegen met het oog op een gezamenlijke uitspraak of ze met dat oogmerk te coördineren. (103) Derhalve kan de redelijkheid van de duur van de onderhavige procedure niet afzonderlijk worden beoordeeld, maar dient het geheel van de door het Gerecht parallel behandelde en ten dele gevoegde zaken in aanmerking te worden genomen.
244. Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht een oordeel diende te vellen over een geschil dat zowel in feitelijk als in juridisch opzicht ingewikkeld was.
245. Rest dan nog enkel de beoordeling van de duur van de procedure aan de hand van het gedrag van de ondernemingen, de Commissie en het Gerecht . Daartoe lijkt het passend bepaalde fasen van de procedure afzonderlijk te beschouwen, zoals het Hof dat in het arrest Baustahlgewebe/Commissie reeds heeft gedaan. Het daar gemaakte onderscheid tussen de fase tot en met de mondelinge behandeling en de fase na de mondelinge behandeling tot en met de uitspraak van het arrest (104) is zinvol omdat in de eerste fase ook de ondernemingen en de Commissie de duur van de procedure kunnen beïnvloeden, terwijl in de tweede fase enkel het Gerecht voor de verdere duur van de procedure verantwoordelijk is.
246. Zoals uit de punten 49 en volgende van het bestreden arrest blijkt, duurde de eerste voor de beoordeling van de duur van de procedure relevante fase, vanaf de instelling van het beroep tot en met de mondelinge behandeling, bijna vier jaar. De fase van de beraadslaging tot en met de uitspraak van het arrest duurde bijna een jaar.
247. Wat om te beginnen de duur van laatstgenoemde fase betreft, daarover kan duidelijk niet worden geklaagd. Een periode van nog geen jaar voor de beraadslaging door het Gerecht tot en met de uitspraak van het bestreden arrest is immers redelijk, gelet op de complexiteit van de zaak en procesrechtelijke factoren zoals de gestelde taaleisen. (105) Vergelijken we met de zaak Baustahlgewebe/Commissie, dan ligt de duur eveneens duidelijk onder de door het Hof in die zaak onredelijk geachte duur van 22 maanden voor dezelfde fase van de procedure.
248. Eerstgenoemde fase van bijna vier jaar lijkt daarentegen, zelfs wanneer in aanmerking wordt genomen dat de duur van de schriftelijke procedure daarin is begrepen, op het eerste gezicht inderdaad relatief lang en dient derhalve diepgaander te worden onderzocht, in de eerste plaats aan de hand van het respectieve gedrag van de ondernemingen, de Commissie en het Gerecht.
249. Met betrekking tot het Gerecht dient om te beginnen op basis van de uiteenzetting van zijn activiteiten in de punten 49 en volgende van het bestreden arrest te worden vastgesteld dat er ─ anders dan in de procedure in de zaak Baustahlgewebe/Commissie ─ geen sprake is van langdurige periodes van kennelijke passiviteit, die enkel door uitzonderlijke omstandigheden te rechtvaardigen zouden zijn geweest. (106)
250. Integendeel, in de periode tot de mondelinge behandeling was het Gerecht duidelijk in beslag genomen door de vraag inzake het recht van inzage in de processtukken van de Commissie. (107) Het diende enerzijds te beoordelen of het om vertrouwelijke stukken ging en anderzijds of het om interne stukken ging die voor de juridische beoordeling van de beschikking niet van betekenis waren of konden zijn. In zijn beschikkingen van 19 juni 1996 (108) en 10 december 1997 (109) heeft het Gerecht zich uitgesproken over het recht op inzage in de stukken van de Commissie en de overlegging daarvan.
251. Hoewel derhalve geen duidelijke periodes van kennelijke passiviteit zijn vast te stellen, betekent dit geenszins dat een drukke activiteit van het Gerecht uitsluit dat het recht op rechtsbescherming binnen een redelijke termijn is geschonden.
252. Voor de beoordeling of er sprake is van een schending van het fundamentele recht op rechtsbescherming binnen een redelijke termijn, kan het daarentegen in beginsel zeer wel aangewezen zijn de aard en de duur van de activiteiten nader te bezien en in het bijzonder na te gaan wie (de ondernemingen, de Commissie of het Gerecht zelf) daartoe aanleiding heeft gegeven.
253. Daarbij dient echter tegelijkertijd met de belangen van de partijen en van het Gerecht rekening te worden gehouden. Zo dient met betrekking tot rekwirante duidelijk te worden vastgesteld dat zij in principe alle haar ten dienste staande procedurele mogelijkheden ten volle mag benutten. (110) Daartoe behoort zeker ook het verzoek om inzage in de gegevens van de Commissie. Het is daarom, anders dan de Commissie stelt, behoudens in geval van kennelijk misbruik, evenmin tegenstrijdig eerst dergelijke verzoeken in te dienen en zich vervolgens over de duur van de procedure te beklagen.
254. Het is evenwel niet uitgesloten dat het Gerecht onredelijk veel tijd besteedt aan de verzoeken van de ondernemingen of de Commissie. In dat geval zou de daardoor veroorzaakte vertraging dienen te worden aangerekend aan het Gerecht, dat immers rechtsbescherming binnen een redelijke termijn dient te waarborgen. Datzelfde zou voor duidelijke vertragingsmanoeuvres van de Commissie gelden, wanneer het Gerecht zou kunnen worden verweten dat het daarop niet adequaat heeft gereageerd.
255. Rekwirante heeft echter niets concreets aangevoerd op grond waarvan het Hof tot een dergelijk oordeel zou kunnen komen.
256. De grief van rekwirante dat het verzoek om inzage in de stukken reeds tijdens de procedure voor de Commissie had moeten worden ingewilligd, zodat door de inhaalbeweging tijdens de procedure voor het Gerecht een vertraging is veroorzaakt, faalt omdat inzage in de stukken tijdens de procedure voor de Commissie juist die procedure zou hebben vertraagd en omdat de Commissie in principe niet kan worden verweten dat zij de belangen van derden ( vertrouwelijkheid) of haar eigen belangen, die losstaan van de procedure ( interne gegevens), tracht te beschermen.
257. Uit de gegevens in het bestreden arrest ─ die rekwirante niet betwist en niet als onvolledig aanmerkt ─ kan evenmin worden afgeleid waarom het onderzoek onredelijk lang zou hebben geduurd. Ter beoordeling van de vertrouwelijkheid van de stukken van de Commissie diende het Gerecht deze uit meerdere oogpunten te onderzoeken en de mogelijke rechten van derden, de rechten van de Commissie en de rechten van de ondernemingen, waaronder rekwirante, onderling af te wegen. Ten slotte diende het, om de stukken als intern te kunnen aanmerken, de inhoud daarvan voorshands te beoordelen om de mogelijke relevantie ervan na te gaan. (111)
258. Het bestreden arrest bevat geen aanwijzingen dat de Commissie de procedure onnodig heeft vertraagd. Zoals blijkt uit punt 52 van het bestreden arrest, dat op dit punt niet wordt betwist, hebben integendeel enkel de ondernemingen zelf aan bepaalde vertragingen bijgedragen, doordat zij aan een maatregel tot organisatie van de procesgang van het Gerecht niet onmiddellijk naar behoren gevolg hebben gegeven. (112)
259. Samenvattend kan derhalve worden vastgesteld dat het Gerecht geen trage procesvoering kan worden verweten en dat de duur van de totale procedure niet onredelijk lijkt, rekening houdend met de vereisten van een procedure op tegenspraak en een redelijke manoeuvreerruimte bij het onderzoek van de noodzakelijke gronden van de beschikking, alsook vooral met de verplichting van het Gerecht om de belangen van partijen op gelijke wijze te waarborgen en de taalregeling in acht te nemen. (113)
260. Het op artikel 6, lid 1, EVRM gebaseerde achtste middel dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
IV ─ Conclusie
261. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging,
─ de hogere voorziening af te wijzen;
─ rekwirante in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – T-141/94, Jurispr. blz. II-347.
3 – PB L 212, blz. 1.
4 – Zie punt 33 van het bestreden arrest.
5 – PB L 116, blz. 1.
6 – Rekwirante spreekt over monitoring van orders en leveringen (in het enkelvoud), maar bedoelt duidelijk zowel de monitoring van orders en leveringen in het kader van het Poutrelles Committee als de informatie-uitwisseling in het kader van de Walzstahl-Vereinigung. Aangezien het bestaan van twee, elkaar aanvullende systemen van informatie-uitwisseling (zie punt 371 van het bestreden arrest) in het geval van rekwirante noch voor de beschikking, noch voor het bestreden arrest of voor de argumenten van rekwirante van belang lijkt te zijn, wordt hierna algemeen over het systeem van informatie-uitwisseling gesproken.
7 – Zaken Arbed/Commissie (C-176/99 P), Eurofer/Commissie (C-179/99 P), Salzgitter/Commissie (C-182/99 P), Krupp Hoesch Stahl/Commissie (C-195/99 P), Aristrain/Commissie (C-196/99 P), Ensidesa/Commissie (C-198/99 P), Corus UK/Commissie (C-199/99 P).
8 – Arresten van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T-30/91, Jurispr. blz. II-1775, punten 98 en 103); 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (T-305/94─T-307/94, T-313/94─316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, Jurispr. blz. II-931, punt 1022; hierna: PVC-arrest).
9 – Een uitzondering zou hoogstens dienen te worden gemaakt voor het geval dat de keuze of het aantal van de door de Commissie gebruikte bewijselementen twijfels oproept over de serieusheid van het ambtshalve onderzoek.
10 – Zie bijvoorbeeld punt 108 van het bestreden arrest.
11 – Vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld beschikking Hof van 11 april 2001, Commissie/Gerot Pharmazeutika (C-479/00 P (R), Jurispr. blz. I-3121).
12 – Arrest van 21 november 1991 (C-269/90, Jurispr. blz. I-5469).
13 – Zie de punten 21 e.v. hierboven.
14 – Zie basisarrest van 18 december 1992, Cimenteries CBR e.a./Commissie (T-10/92─T-12/92 en T-15/92, Jurispr. blz. II-2667).
15 – Arrest Solvay/Commissie, aangehaald in voetnoot 8; arresten van 29 juni 1995, ICI/Commissie (T-36/91, Jurispr. blz. II-1847), en 8 juli 1999, Hercules Chemicals/Commissie (C-51/92 P, Jurispr. blz. I-4235, een van de polypropyleen-zaken); zie eveneens conclusie van advocaat-generaal Mischo van 25 oktober 2001 in de zaak DSM en DSM Kunststoffen/Commissie (C-244/99 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: PVC II-zaak).
16 – In het arrest Technische Universität München (aangehaald in voetnoot 12), waarop rekwirante zich beroept, wordt slechts in algemene zin gesteld dat [a]an het recht om in een dergelijke administratieve procedure te worden gehoord, [...] enkel [wordt] voldaan wanneer de betrokkene de gelegenheid krijgt om nog tijdens de procedure voor de Commissie zelf zijn standpunt kenbaar te maken en zich op doelmatige wijze te uiten over de relevantie van de feiten en eventueel over de documenten die door deze gemeenschapsinstelling in aanmerking zijn genomen. Dit algemene beginsel heeft het Gerecht in het bestreden arrest niet ter discussie gesteld.
17 – In verband met het recht op inzage van het dossier heeft het Hof inmiddels geoordeeld dat [d]ie schending [...] in een dergelijk geval niet reeds [wordt] gedekt door het enkele feit, dat de toegang [...] tijdens de gerechtelijke procedure [...] mogelijk is geworden. Zie arrest Hercules Chemicals/Commissie (aangehaald in voetnoot 15, punt 78).
18 – PB L 230, blz. 15.
19 – Punt 140.
20 – Punt 141.
21 – Punten 142 e.v.
22 – Het arrest van 16 juni 1994, SFEI e.a./Commissie (C-39/93 P, Jurispr. blz. I-2681), betrof de vraag of een brief van de Commissie waarin de sepositie wordt meegedeeld, als een voorbereidende standpuntbepaling moet worden aangemerkt en derhalve een voor beroep vatbare handeling vormt; het arrest van 1 oktober 1991, Vidrányi/Commissie (C-283/90 P, Jurispr. blz. I-4339), betrof de vraag of een document een medisch karakter droeg, waarvan volgens bepaalde rechtsregels een recht op toegang tot dat document afhing; het arrest van 8 april 1992, F./Commissie (C-346/90 P, Jurispr. blz. I-2691), betrof de vraag of een brief een verduidelijking of een klacht inhield, wat bepaalde of een bepaalde termijn was ingegaan.
23 – Sedert het reglement van orde van de Commissie van 1999 (PB L 252, blz. 41) is artikel 16, eerste alinea, veel duidelijker: De ter vergadering genomen besluiten worden, in de taal of talen waarin zij authentiek zijn, op onscheidbare wijze als bijlage gevoegd bij een korte samenvatting van de inhoud die wordt opgesteld na afloop van de vergadering van de Commissie waarop zij zijn aangenomen (cursivering van mij). In het sedert 1 januari 2001 van kracht zijnde reglement van orde van de Commissie van 2001 (PB L 308, blz. 26) is deze bepaling (thans artikel 18, eerste alinea) niet gewijzigd.
24 – Dit wordt uitdrukkelijk benadrukt in de arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555, punt 75; hierna: PVC I-arrest), en 6 april 2000, Commissie/ICI (C-286/95 P, Jurispr. blz. I-2341, punt 47).
25 – Punt 162 van het bestreden arrest.
26 – Arrest van 27 oktober 1994, Deere/Commissie (T-35/92, Jurispr. blz. II-957).
27 – Zie punt 48 van arrest Commissie/BASF, aangehaald in voetnoot 24.
28 – Na de bewijswaarde van de verklaringen van de gemachtigden van de Commissie te hebben beoordeeld, vervolgt het Gerecht in punt 164: Onder deze omstandigheden heeft verzoekster, gelet op het geldigheidsvermoeden voor gemeenschapshandelingen [...] niet bewezen, dat [...] (cursivering van mij).
29 – Zie bijvoorbeeld beschikking Hof van 26 april 1993, Kupka-Floridi/Economisch en Sociaal Comité (C-244/92 P, Jurispr. blz. I-2041).
30 – Zie de punten 99 e.v. hieronder.
31 – Arrest Gerecht van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie (T-34/92, Jurispr. blz. II-905), en arrest Deere/Commissie (aangehaald in voetnoot 26), alsmede arresten Hof in de overeenkomstige hogere voorzieningen: arresten van 28 mei 1998, New Holland Ford/Commissie (C-8/95 P, Jurispr. blz. I-3175), en Deere/Commissie (C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111).
32 – Zaken New Holland Ford/Commissie en Deere/Commissie (aangehaald in voetnoot 31).
33 – Zie de punten 135 e.v. hieronder.
34 – Arrest van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie (C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85─C-129/85, Jurispr. blz. I-1307).
35 – Aangehaald in de voetnoten 26 en 31.
36 – Arrest van 14 juli 1972, ICI/Commissie (48/69, Jurispr. blz. 619; hierna: kleurstoffen-arrest).
37 – Arrest Deere/Commissie (aangehaald in voetnoot 26, punt 86).
38 – Ibidem, punt 87.
39 – Ibidem, punt 88.
40 – Ibidem, punt 88.
41 – Ibidem, punt 88.
42 – Aangehaald in voetnoten 26 en 31.
43 – Bijvoorbeeld arrest van 9 juni 1992, Lestelle/Commissie (C-30/91 P, Jurispr. blz. I-3755, punt 28).
44 – Het argument van rekwirante dat het slechts om hoeveelheden orders en leveringen en niet om prijsinformatie ging, haakt kennelijk in op het feit dat het in het houtslijp-arrest (aangehaald in voetnoot 34) ging om een systeem van uitwisseling van prijsinformatie. Volgens de rechtspraak van het Hof is echter niet het voorwerp van de informatie doorslaggevend, maar de functie ervan. Het dient om informatie te gaan die gewoonlijk onder het bedrijfsgeheim valt, omdat de kennis ervan aan de concurrenten de mogelijkheid zou verschaffen individueel het eigen gedrag op de markt aan te passen. Dat is bij actuele informatie over hoeveelheden orders en leveringen het geval.
45 – Punten 299 e.v.
46 – Het Gerecht heeft de regeling van de artikelen 46-48 en 60 EGKS-Verdrag in relatie tot artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag onderzocht.
47 – Mededinging in de zin van artikel 81 EG.
48 – Zoals het Gerecht in punt 303, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof (advies 1/61 van 13 december 1961, Jurispr. blz. 509; arresten van 13 april 1994, Banks, C-128/92, Jurispr. blz. I-1209; 21 december 1954, Frankrijk/Hoge Autoriteit, 1/54, Jurispr. blz. 7; 21 juni 1958, Groupement des hauts fourneaux et aciéries belges/Hoge Autoriteit, 8/57, Jurispr. blz. 239, begin van het citaat. blz. 257) terecht stelt, [heeft] [d]e doelstelling van een vrije mededinging [...] derhalve binnen het Verdrag een autonoom karakter en is [zij] derhalve even dwingend als de andere doelstellingen genoemd in de artikelen 2 tot en met 4 van het Verdrag.
49 – Punt 485.
50 – Het Gerecht heeft daarbij over het hoofd gezien dat de prijsafspraken die zijn gemaakt tijdens de bijeenkomsten die op instigatie van DG III op grond van beschikking nr. 2448/88 hebben plaatsgevonden, tot het verstrijken van deze beschikking medio 1990 zelfs buiten het rechtskader van beschikking nr. 2448/88 vielen. Volgens artikel 2 van de beschikking mochten de besprekingen tot medio 1990 uitsluitend betrekking hebben op geproduceerde en geleverde hoeveelheden. Verder kon het niet om prognoses of zelfs maar om tendensen gaan, aangezien blijkens artikel 2 van beschikking nr. 2448/88 het informatiesysteem van de Commissie maandelijks enkel achteraf vastgestelde gegevens over geproduceerde en geleverde hoeveelheden diende te verschaffen.
51 – Het Gerecht had ook op basis van een beoordeling van de getuigenverklaring van de heer Kutscher ─ die het niet heeft verricht ─ tot de conclusie kunnen komen dat de prijsafspraken in het onderhavige geval duidelijk niet de consensus vormden die DG III nodig had en verwachtte. Daarvoor pleit vooral dat de Commissie duidelijk belangstelling had voor met de computer voorbereide gegevens, maar niet voor gegevens die in strijd met het mededingingsrecht waren geüniformeerd .
52 – Arrest van 24 oktober 1991 (T-1/89, Jurispr. blz. II-867), een van de polypropyleen-zaken. Wat de in hogere voorziening gewezen arresten van het Hof in deze zaken betreft, zie arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, Jurispr. blz. I-4125; hierna: polypropyleen-zaken).
53 – Punt 269.
54 – Punt 564.
55 – Zie bijvoorbeeld arresten Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie (40/73─48/73, 50/73, 54/73─56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663), en 14 juli 1981, Züchner (172/80, Jurispr. blz. 2021).
56 – Arresten van 8 juli 1999, bijvoorbeeld in de zaak Commissie/Anic Partecipazioni (aangehaald in voetnoot 52). Punt 118 luidt: Dit betekent, dat het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging, zoals uit de bewoordingen van artikel 85, lid 1, [EG-]Verdrag blijkt, behalve de afstemming tussen de ondernemingen een daaropvolgend marktgedrag en een oorzakelijk verband tussen beide vereist. In het arrest van 16 november 2000, Sarrió/Commissie (C-291/98 P, Jurispr. blz. I-9991), een van de kartonzaken, heeft het Hof geoordeeld dat er zelfs van een inbreuk op de mededinging sprake kan zijn wanneer een van de betrokken ondernemingen passief aan de afspraken heeft deelgenomen, maar niet aan het daaropvolgende parallelle marktgedrag.
57 – Zie arrest in de zaak C-7/95 P (aangehaald in voetnoot 31). In dat licht bezien heeft het Hof in de slechts korte tijd later gewezen polypropyleen-arresten (aangehaald in voetnoot 52) wellicht een iets te ruime formulering gekozen, die mogelijkerwijs eveneens tot misverstanden heeft geleid omdat het in die zaken onder andere ook om systemen van informatie-uitwisseling ging. De afwijkende behandeling van bepaalde systemen van informatie-uitwisseling is immers volkomen gerechtvaardigd omdat de zelfstandigheid van deze inbreuken op de mededinging ─ zoals hierboven is uiteengezet ─ blijkt uit de vermindering van de bij volledige mededinging bestaande onzekerheid . Aangezien het mededingingsrecht in deze gevallen is gericht op het behoud van een beschermenswaardig risico, is het bewijs van parallel gedrag niet van belang. Bij klassieke inbreuken op de mededinging, waar het mededingingsrecht tot doel heeft de beslissingsvrijheid van ondernemingen te handhaven, is de situatie op dit punt anders. In die gevallen dient een parallel marktgedrag juist te worden aangetoond omdat anders terecht ernstig betwijfeld zou kunnen worden of de gelaakte gedragingen in het specifieke geval wel de beslissingsvrijheid kunnen beperken.
58 – Zie de in voetnoot 52 aangehaalde rechtspraak.
59 – Arresten Hof van 30 juni 1966, Société technique minière (56/65, Jurispr. blz. 391) en Commissie/Anic Partecipazioni (aangehaald in voetnoot 52). Het effect op de markt is enkel van belang wanneer het niet de bedoeling is de mededinging te beperken of wanneer die bedoeling niet kan worden aangetoond. Er worden echter geen algemene economische effecten op de markt onderzocht, er wordt enkel nagegaan of er een beperking van de mededinging is. Het volstaat dat de beperkingen van de mededinging in de overeenkomst of de gedraging besloten liggen, zij hoeven niet werkelijk te hebben bestaan. Zie eveneens de landbouwtrekkers-zaken (aangehaald in de voetnoten 26 en 31).
60 – Zie bijvoorbeeld arrest van 3 juli 1991, AKZO/Commissie (C-62/86, Jurispr. blz. I-3359).
61 – Aangehaald in voetnoot 52.
62 – De oorspronkelijke Franse versie is op dit punt eenduidig: [...] il n'est pas nécessaire que la concertation se soit répercutée [...] sur le comportement des concurrents sur le marché (cursivering van mij).
63 – Het Hof is het Gerecht niet gevolgd. In de in hogere voorziening gewezen arresten in de polypropyleen-zaken (aangehaald in voetnoot 52) heeft het Hof de veronderstelling van het Gerecht in de zaak Rhône-Poulenc/Commissie (aangehaald in voetnoot 52), dat het enkele vermoeden dat het gedrag van de onderneming onvermijdelijk tot een overeenkomstig parallel marktgedrag heeft geleid, voldoende is om van een onderling afgestemde feitelijke gedraging (artikel 81, lid 1, EG) uit te gaan, niet bevestigd. Deze arresten waren ten tijde van de procedure echter nog niet gewezen.
64 – Zie punt 151, hierboven.
65 – Punt 636 van het bestreden arrest.
66 – Al moet ik zeggen dat ik de in dit punt van het bestreden arrest ontwikkelde hypothetische veronderstelling niet helemaal kan volgen, ook niet in het kader van de motivering van een verlaging van de geldboete.
67 – Punten 504 en 514 van het bestreden arrest.
68 – Punten 589 e.v. van het bestreden arrest.
69 – Punt 643 van het bestreden arrest.
70 – De betwiste overweging doet dan ook wellicht eerder twijfel rijzen over de toereikendheid van de motivering betreffende de verlaging van de geldboete. Daarover gaat het echter niet in het te onderzoeken middel.
71 – Zie de punten 109 e.v., hierboven.
72 – Zie de punten 158 e.v., hierboven.
73 – Zie de punten 109 e.v., hierboven.
74 – Aangehaald in de voetnoten 26 en 31.
75 – Beschikking 92/157/EEG van de Commissie van 17 februari 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.370 en 31.446 ─ UK Agricultural Tractor Registration Exchange) (PB L 68, blz. 19).
76 – Bijvoorbeeld arrest van 16 november 2000, Mo Och Domsjö/Commissie (C-283/98 P, Jurispr. blz. I-9855). Deze arresten betreffen beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 EG-Verdrag (IV/C/33.833 ─ Karton) (PB L 243, blz. 1). Voor de overeenkomstige situatie in de PVC-zaken, zie arrest Gerecht van 27 februari 1992, BASF e.a./Commissie (T-79/89, T-84/89─T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89─T-104/89, Jurispr. blz. II-315), dat betrekking heeft op beschikking 89/190/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.865, PVC) (PB 1989, L 74, blz. 1).
77 – België, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Nederland, Zweden, Spanje en het Verenigd Koninkrijk.
78 – Voor een deel vormt deze hoogte een bovengrens en voor een deel is zij de basis voor een passende verhoging van de sanctie. In enige lidstaten gelden ook bij verhogingen bepaalde bovengrenzen.
79 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Léger van 3 februari 1998 in de zaak Baustahlgewebe/Commissie (arrest van 17 december 1998, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417).
80 – Zie de arresten aangehaald in de voetnoten 26, 31 en 34.
81 – Beschikking Hof van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie (C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611); arrest Hof van 15 april 1997, Irish Farmers Association e.a. (C-22/94, Jurispr. blz. I-1809), en arrest Gerecht van 6 april 1995, Martinelli/Commissie (T-150/89, Jurispr. blz. II-1165).
82 – Aangehaald in voetnoot 76.
83 – Ibidem, punt 44.
84 – Punt 607 van het bestreden arrest.
85 – Arrest aangehaald in voetnoot 76 (punt 47).
86 – Dit betekent echter evenmin dat de Commissie onderbrekingen niet in aanmerking mag nemen. In het algemeen dient echter wel in aanmerking te worden genomen dat het in het kartelrecht typisch gaat om langdurige situaties, zodat de Commissie dikwijls kan uitgaan van een voortdurende inbreuk of van meerdere elkaar opvolgende inbreuken, ook al is aangetoond dat er onderbrekingen zijn geweest of dat bepaalde ondernemingen niet aan alle inbreuken hebben deelgenomen. Zie bijvoorbeeld de feiten die ten grondslag liggen aan het kleurstoffen-arrest (aangehaald in voetnoot 36) en aan het arrest van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents Corporation/Commissie (6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223).
87 – Arrest aangehaald in voetnoot 79.
88 – Zie arrest van 28 maart 2000, Krombach (C-7/98, Jurispr. blz. I-1935, punten 25 en 26).
89 – Zie bijvoorbeeld advies 2/94 van 28 maart 1996 (Jurispr. blz. I-1759, punt 33).
90 – Zie bijvoorbeeld arrest van 15 mei 1986, Johnston (222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18). Deze beginselen zijn overigens vastgelegd in artikel 6, lid 2, EU. Krachtens artikel 46, sub d, EU ziet het Hof toe op de toepassing van deze bepaling met betrekking tot de handelingen van de instellingen, voorzover het Hof bevoegd is op grond van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zie eveneens arrest van 6 maart 2001, Connolly/Commissie (C-274/99 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 38).
91 – Arrest Baustahlgewebe/Commissie (aangehaald in voetnoot 79, punt 21); zie eveneens arrest van 11 januari 2000, Koninkrijk der Nederlanden en van der Wal/Commissie (C-174/98 P en C-189/98 P, Jurispr. blz. I-1, punt 17).
92 – Volgens de rechtspraak van het EHRM begint de voor artikel 6, lid 1, EVRM relevante termijn in strafzaken als bedoeld in dit artikel niet pas te lopen met het instellen van beroep bij het Gerecht, maar reeds wanneer iemand van een strafrechtelijke aanklacht of een verdenking in kennis wordt gesteld, derhalve wanneer er een concrete beschuldiging wordt geuit (zie bijvoorbeeld arrest Imbrioscia van 24 november 1993, serie A, nr. 275, § 36). Maar ook in civiele zaken vangt de proceduretermijn reeds aan met de instelling van de voorafgaande administratieve procedure, wanneer in het kader daarvan een bindende beslissing kan worden gegeven en wanneer een beroep op de rechter van de tenuitvoerlegging van die beslissing afhankelijk is (zie arresten Erkner en Hofauer van 23 april 1987, serie A, nr. 117, § 64, en Lithgow e.a. van 18 juli 1986, serie A, nr. 102, § 199).
93 – Arrest Baustahlgewebe/Commissie [aangehaald in voetnoot 87, punten 19 (en de daar aangehaalde rechtspraak) en 28].
94 – Zie onder meer arrest van 24 november 1987, RSV/Commissie ( 223/85, Jurispr. blz. 4617, punten 14 e.v.), maar ook arrest Gerecht van 22 oktober 1997, SCK en FNK/Commissie (T-213/95 en T-18/96, Jurispr. blz. II-1739, punt 56), en de daar aangehaalde rechtspraak van het Hof; zie verder met betrekking tot een tuchtprocedure, arrest Gerecht van 27 november 2001, Z/Parlement (C-270/99 P, Jurispr. blz. I-9197, punt 24); zie verder de conclusie van advocaat-generaal Mischo van 25 oktober 2001 in de zaak PVC II (aangehaald in voetnoot 15, punten 95 e.v.). De specifieke kenmerken van de rechterlijke organisatie van de Gemeenschap kunnen overigens als zodanig nog geen beperking rechtvaardigen van het fundamentele recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn overeenkomstig artikel 6 EVRM: zie (met betrekking tot een ander fundamenteel recht) beschikking Hof van 4 februari 2000, Emesa Sugar (C-17/98, Jurispr. blz. I-665, punt 18).
95 – Arrest Hof van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981).
96 – Zie arresten Z/Parlement (aangehaald in voetnoot 94, punt 24) en Baustahlgewebe/Commissie (aangehaald in voetnoot 87, punt 29), alsmede EHRM, arrest Erkner en Hofauer (aangehaald in voetnoot 92, § 66), en arresten Kemmache van 27 november 1991, serie A, nr. 218, § 60, en X/Frankrijk van 31 maart 1992, serie A, nr. 234-C, § 32, en Phocas/Frankrijk van 23 april 1996, Recueil des arrêts et décisions 1996-II, blz. 546, § 71; Garyfallou AEBE/Griekenland van 27 september 1997, Recueil des arrêts et décisions 1997-V, blz. 1821, § 39).
97 – Zie in deze zin eveneens de conclusie van advocaat-generaal Mischo in de zaak PVC II (aangehaald in voetnoot 15, punten 158 en 159).
98 – Zie hierover eveneens de overwegingen van het Hof in het arrest Baustahlgewebe/Commissie (aangehaald in voetnoot 79, punten 30 en 31), die op dit punt in casu toepasselijk zijn.
99 – Zie de artikelen 4 en 5 van de beschikking.
100 – Zie dienaangaande de rechtspraak van het EHRM (zie bijvoorbeeld arrest A. e.a./Denemarken van 8 februari 1996, Recueil des arrêts et décisions, 1996-1, § 78), dat in bijzondere gevallen waar onherstelbare schade dreigt, een grotere urgentie aanvaardt.
101 – Alleen al het door de Commissie op 24 november 1994 gedeponeerde dossier bevatte 11 000 documenten (punt 51 van het bestreden arrest).
102 – Zie punten 4 en 56 van het bestreden arrest.
103 – Zie EHRM, arrest Süssmann/Duitsland van 16 september 1996, Recueil des arrêts et décisions , 1996-IV, §§ 56 en 59).
104 – Zie meer in het bijzonder punt 45 van het arrest Baustahlgewebe/Commissie (aangehaald in voetnoot 79).
105 – Zie arrest Baustahlgewebe/Commissie (aangehaald in voetnoot 79, punt 43). In de onderhavige zaak dienden ─ voor alle verzoeksters voor het Gerecht samen ─ meer dan 2 500 bladzijden tekst van het arrest uit het Frans naar de verschillende procestalen en uittreksels daarvan naar de andere officiële talen van de Gemeenschappen te worden vertaald voordat de arresten konden worden uitgesproken.
106 – Zie EHRM, arresten Zimmermann en Steiner van 13 juli 1983, serie A nr. 66, § 27, en Guincho van 10 juli 1984, serie A nr. 81, § 36.
107 – In de daaropvolgende maanden tot de mondelinge behandeling gelastte het Gerecht nog verschillende andere maatregelen tot organisatie van de procesgang. Zie punten 57 e.v. van het bestreden arrest.
108 – Beschikking NMH Stahlwerke e.a./Commissie (T-134/94, T-136/94─T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, T-151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-537; hierna: beschikking van 19 juni 1996).
109 – Beschikking NMH Stahlwerke e.a./Commissie (T-134/94, T-136/94─T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, T-151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-2293; hierna: beschikking van 10 december 1997).
110 – Zie arrest Baustahlgewebe/Commissie (reeds aangehaald in voetnoot 79, punt 39) alsmede EHRM, arrest Poiss van 23 april 1987, serie A nr. 117, § 57.
111 – Dit naar aanleiding van het betoog van verschillende partijen bij de procedure voor het Gerecht met betrekking tot de rol van andere directoraten-generaal, in de eerste plaats die van DG III. Zie daarvoor eveneens de punten 40 e.v. hierboven.
112 – De antwoorden op de eerste vragen van het Gerecht waren onvolledig.
113 – Arrest Baustahlgewebe/Commissie (aangehaald in voetnoot 79, punt 43).
Full & Egal Universal Law Academy