Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1. In deze zaak verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten ingevolge artikel 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG), in verband met de administratieve en contractuele praktijk die bepaalde openbare universiteiten hebben ingevoerd. Die praktijk komt erop neer dat bij de aanstelling van bepaalde docenten de ervaring die dezen hebben opgedaan als lector vreemde talen niet wordt erkend, terwijl een vergelijkbare erkenning wordt verzekerd aan alle nationale werknemers.
2. Deze zaak is een uitvloeisel van twee eerdere arresten van het Hof. Dit betreft het arrest Allué en Coonan (hierna: arrest Allué I") en het arrest Allué e.a. (hierna: arrest Allué II").
Het nationale juridisch kader
3. In vervolg op de genoemde arresten - en een eerste inbreukprocedure door de Commissie ex artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) - heeft de Italiaanse regering een wet aangenomen met als doel de hervorming van het onderwijs in vreemde talen op de Italiaanse universiteiten.
4. Deze wet van 21 juni 1995 (hierna: wet 236/95") heeft vier hoofdpunten, te weten:
a) de functie van lector vreemde talen is opgeheven en vervangen door medewerker en taalkundig expert in de moedertaal" (hierna: taalkundig medewerker");
b) deze taalkundig medewerkers worden thans aangesteld door de universiteiten op basis van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst (en niet langer op basis van een publiekrechtelijke aanstelling), meestal voor onbepaalde tijd en soms, voor tijdelijke behoeften bij het onderwijs in bepaalde vreemde talen, voor bepaalde tijd;
c) de aanstelling van deze medewerkers geschiedt op basis van een openbare selectie waarvan de modaliteiten worden vastgesteld door de universiteiten volgens hun eigen reglementen;
d) deze gewezen lectoren vreemde talen profiteren van een voorkeursrecht op aanstelling en bovendien behouden zij rechten die zijn verkregen in het kader van eerdere werkzaamheden.
In het kader van dit geschil is met name artikel 4, derde alinea, van de wet van belang waarin het behoud van verkregen rechten is vastgelegd (zie hierboven, onder d). Dit behoud van verkregen rechten wordt voor Italiaanse werknemers in het algemeen verzekerd via wet 230 uit 1962 (hierna: wet 230/62").
5. Evenwel, de autonomie van universiteiten in Italië leidt ertoe dat de juridische status van de taalkundig medewerkers, behalve door wet 236/95 en meer in het algemeen door het privaatrechtelijk arbeidsrecht, wordt beheerst door de volgende overeenkomsten: de collectieve arbeidsovereenkomst voor de universitaire sector, de collectieve arbeidsovereenkomst voor de betreffende universiteit en de individuele arbeidsovereenkomst tussen de universiteit en de taalkundig medewerker. De (nationale) collectieve arbeidsovereenkomst voor de universitaire sector voorziet in artikel 51, vijfde alinea, in een mogelijkheid dat de collectieve arbeidsovereenkomst van een universiteit een verhoging van het salaris biedt op grond van de productiviteit en de ervaring van de betrokken medewerkers.
6. De Italiaanse universiteiten hebben verschillende vormen gekozen voor het wederom in dienst nemen van de gewezen lectoren. Een aantal universiteiten heeft de tijdelijke arbeidsovereenkomsten omgezet in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde duur en heeft de carrièreloop van de gewezen lectoren hersteld. De universiteiten van La Basilicate, Milaan, Palermo, Pisa en Rome (La Sapienza") en het Oriëntaals Universitair Instituut van Napels hebben echter oplossingen gekozen, waarbij de carrièreloop van de gewezen lectoren niet volledig wordt hersteld. De verenigbaarheid van deze oplossingen met het communautaire recht staat in de onderhavige zaak ter discussie.
De procedure
7. Na de inwerkingtreding van wet 236/95 heeft de Commissie een reeks aan klachten ontvangen van voormalige lectoren vreemde talen, waarin zij protesteren tegen een discriminerende behandeling door Italiaanse universiteiten bij de overgang naar de nieuwe regelgeving (sindsdien bekleden zij de functie van taalkundig medewerker").
8. In vervolg op deze klachten heeft de Commissie de Italiaanse Republiek bij brief van 23 december 1996 in gebreke gesteld overeenkomstig artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG), waarbij zij twee grieven naar voren heeft gebracht. De eerste grief betrof het niet erkennen van verworven rechten van lectoren door bepaalde Italiaanse universiteiten, de tweede grief had betrekking op wijzigingen in de rechtspositie van de taalkundig medewerkers. Op 12 maart 1997 heeft de Italiaanse regering geantwoord. De Commissie, niet tevreden met het antwoord van de Italiaanse regering, heeft op 16 mei 1997 een met redenen omkleed advies uitgebracht. De Italiaanse regering heeft vervolgens de nodige informatie verschaft, hetgeen weer leidde tot een aanvullende brief van de Commissie van 9 juli 1998. In deze brief werd de eerste grief van de Commissie geherformuleerd en is de tweede grief komen te vervallen.
9. Uit de door de Italiaanse regering verstrekte informatie blijkt, aldus de Commissie, dat geen einde is gemaakt aan de inbreuk op artikel 48 EG-Verdrag welke door de Commissie gedetailleerd is beschreven in de aanvullende brief van 9 juli 1998. Met betrekking tot zes van de negen in deze brief vermelde universiteiten heeft de Italiaanse regering de Commissie geen bewijsstukken verstrekt om aan te tonen dat de dienstjaren die taalkundig medewerkers als lector vreemde talen vóór de inwerkingtreding van wet 236/95 hebben vervuld, op het gebied van de salariëring en voor de sociale zekerheid worden erkend.
10. Een en ander leidde tot een aanvullend met redenen omkleed advies van 28 januari 1999, en tot slot tot het onderhavige verzoek aan het Hof. In deze zaak vond op 11 januari 2001 een terechtzitting plaats.
De argumenten van partijen
11. Volgens de Commissie hanteren zes openbare universiteiten bij de aanstelling van taalkundig medewerkers een praktijk die niet verenigbaar is met het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 48 EG-Verdrag. Die praktijk komt erop neer dat de ervaring die de taalkundig medewerkers hebben opgedaan als lector van vreemde talen, vóór de inwerkingtreding van wet 236/95, niet wordt erkend, terwijl een vergelijkbare erkenning wordt verzekerd aan alle nationale werknemers. Artikel 2 van wet 230/62 bepaalt namelijk dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, vanaf de datum van de eerste indiensttreding van de werknemer.
Per universiteit
12. Bij de universiteit van La Basilicate ontvangen de taalkundig medewerkers, die eerder lector waren, en de nieuw aangetrokken taalkundig medewerkers hetzelfde salaris, aldus de Commissie. Zelfs als dit salaris hoger is dan het salaris dat is voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst voor de universitaire sector, betekent dit niet dat rekening is gehouden met de individueel opgedane ervaring van de gewezen lector, dit terwijl artikel 4, derde alinea, van wet 236/95 en artikel 51, vijfde alinea, van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de universitaire sector, die op hun beurt uitvoering geven aan artikel 48 EG-Verdrag, zulks wel vereisen. De Commissie wijst er nog op dat de Italiaanse regering impliciet de gegrondheid van de grief erkent, door te stellen dat een oplossing wordt geboden voor het door de Commissie gesignaleerde probleem via een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst voor de universiteit en de daaruit voortvloeiende contracten. De Italiaanse regering brengt hiertegen in dat de taalkundig medewerkers een vergoeding ontvangen die aanzienlijk hoger is dan de basisvergoeding die is voorzien in artikel 51, vijfde alinea, van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de universitaire sector. Hiermee verkrijgen zij voldoende erkenning voor hun professionele ervaring. Eveneens is de Italiaanse regering van oordeel dat de Commissie onvoldoende bewijs aandraagt voor haar beweringen.
13. De collectieve arbeidsovereenkomst van de universiteit van Milaan kent geen voorzieningen voor verkregen rechten, en maakt geen onderscheid naar anciënniteit. Weliswaar stelt de universiteit volgens een brief van de Italiaanse autoriteiten van 11 december 1998 dat zij een voordeliger behandeling van gewezen lectoren kent op basis van ervaring, maar die stelling wordt niet door stukken gestaafd. Voorts wijst het Ministerie van de Universiteiten er in zijn brief van 23 april 1999 op, dat de universiteit van Milaan onderhandelingen met de vakbonden is gestart om de behandeling van taalkundig medewerkers op basis van verkregen ervaring te herdefiniëren. De universiteit bevindt zich met andere woorden op de goede weg. De Commissie is van oordeel dat zij verplicht is in afwachting van een en ander schending van artikel 48 EG-Verdrag te constateren. De Italiaanse regering stelt in reactie daarop dat de gewezen lectoren nu reeds feitelijk een hoger salaris ontvangen dan de nieuw aangeworven taalkundig medewerkers. Het feit dat onderhandelingen met de vakbonden zijn gestart betekent slechts dat de universiteit een en ander formeel en definitief wil regelen.
14. Het Oriëntaals Universitair Instituut van Napels heeft eerst vanaf 1996 arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd afgesloten met gewezen lectoren, maar heeft daaraan - aldus de Commissie - een draconische salarisvermindering verbonden. Uit de stukken die aan de Commissie zijn aangeleverd zou blijken dat het jaarlijks loon omhoogging van 12 618 650 ITL naar 17 707 830 ITL, onder een gelijktijdige verhoging van het aantal te werken uren van 114 naar 318. De Commissie stelt dat het hier gaat om een ernstige schending. In haar verweerschrift wijst de Italiaanse regering erop dat het bestuur van de universiteit bij besluit van 14 juli 1999 een verhoging van het salaris heeft vastgesteld op basis van de verkregen ervaring, conform artikel 51 van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de universitaire sector, en dat ook voordien een gratificatie werd toegekend op basis van de verkregen ervaring. Verder betwist de Italiaanse regering de hierboven weergegeven berekening door de Commissie. De regering van het Verenigd Koninkrijk daarentegen overlegt bij zijn interventie een negental verklaringen van Britse onderdanen, waarin deze - gewezen lectoren vreemde talen - stellen geen salarisverhoging te hebben verkregen. Tijdens de terechtzitting bij het Hof op 11 januari 2001 is de feitelijke behandeling van de gewezen lectoren bij het Oriëntaals Universitair Instituut van Napels uitvoerig aan de orde gekomen. Duidelijk werd dat een en ander complex in elkaar zit. Duidelijk werd eveneens, dat - voorzover al een regeling tot stand is gekomen die rekening houdt met het persoonlijk arbeidsverleden - die regeling eerst bij het genoemde besluit van 14 juli 1999 is tot stand gebracht.
15. Bij de universiteit van Palermo zijn veertig arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van gewezen lectoren omgezet in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, zonder dat uit enig document blijkt dat verworven rechten zijn erkend. 38 van de 40 gewezen lectoren hebben het niveau van hun beloning met succes bij de rechter aangevochten, terwijl in 11 additionele gevallen de tijdelijke overeenkomst eveneens is omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De stelling van de Italiaanse regering, dat de situatie bij de universiteit van Palermo thans op orde is, wordt naar het oordeel van de Commissie in het geheel niet bewezen. In haar verweerschrift wijst de Italiaanse regering erop dat ook hier feitelijk de gewezen lectoren vreemde talen een hogere vergoeding krijgen dan de nieuw geworven taalkundig medewerkers. De Commissie bestrijdt deze feitelijke constatering in repliek, verwijzende naar de uitspraak van de arbeidsrechter in Italië.
16. De situatie bij de universiteit van Pisa is vergelijkbaar met die bij La Basilicate. Er wordt geen rekening gehouden met de individueel opgedane ervaring. De rector van de universiteit van Pisa stelt in een brief van 17 juli 1998, bijlage bij de brief van 23 april 1999 van de Italiaanse autoriteiten, dat rekening wordt gehouden met de ervaring opgedaan door de gewezen lectoren. Deze stelling berust naar het oordeel van de Commissie echter op een slecht begrip van het met redenen omkleed advies. De collectieve arbeidsovereenkomst van de universiteit erkent niet de specifieke en persoonlijke beroepservaring. In haar verweerschrift wijst de Italiaanse regering erop dat reeds sinds 1994 de gewezen lectoren vreemde talen een verhoging van 30 % van hun salaris hebben gekregen en dat die verhoging is gehandhaafd na de inwerkingtreding van wet 236/95.
17. De universiteit La Sapienza" te Rome kent in zijn collectieve arbeidsovereenkomst geen clausule die rekening houdt met de ervaring van gewezen lectoren en is in zoverre vergelijkbaar met La Basilicate en Pisa. De Italiaanse regering erkent dat een dergelijke clausule ontbreekt. De Commissie neemt nota van het feit dat de universiteit van Rome de erkenning van individuele ervaring voorbereidt. De Commissie constateert in afwachting van een en ander schending van artikel 48 EG-Verdrag. In haar verweerschrift wijst de Italiaanse regering erop dat de universiteit bij besluit van 28 januari 1999 de anciënniteit heeft erkend, en op basis daarvan met terugwerkende kracht een aanvullende vergoeding in het leven heeft geroepen. De Commissie bestrijdt de juistheid van deze constatering in repliek, aangezien het besluit van 28 januari 1999 weliswaar voorziet in een salarisverhoging voor taalkundig medewerkers, maar daarbij geen rekening houdt met anciënniteit. Die stelling wordt ondersteund in de interventie van het Verenigd Koninkrijk.
Ten algemene
18. Samengevat concludeert de Commissie dat de bovengenoemde zes universiteiten in hun arbeidsovereenkomsten met taalkundig medewerkers de jaren die zijn gewerkt als lector vreemde talen niet erkennen. De Commissie ziet het feit dat vier van deze zes universiteiten thans onderhandelen met de vakbonden over de erkenning van de verkregen rechten als een bevestiging daarvan.
19. De zes universiteiten handelen daarmee naar het oordeel van de Commissie niet overeenkomstig wet 236/95. Italië maakt zich schuldig aan verboden discriminatie op basis van nationaliteit ten koste van de gewezen lectoren vreemde talen, aangezien de Italiaanse wetgeving (wet 230/62) voor Italiaanse werknemers wier arbeidsrelatie onder het privaatrecht valt, van rechtswege voorziet in een omzetting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur vanaf de datum van de eerste indiensttreding van de werknemer. Ik herinner eraan dat ook de arbeidsovereenkomsten van de taalkundig medewerkers van privaatrechtelijke aard zijn.
20. De argumenten die de Commissie hanteert geef ik hieronder in essentie weer.
21. Het hoofdargument van de Commissie ziet op het volgende. Het stelsel moet tot resultaat hebben dat bij iedere taalkundig medewerker de persoonlijke en specifiek opgedane ervaring, opgedaan onder het oude wettelijke regime, wordt erkend. Het gaat naar het oordeel van de Commissie om een effectieve en individuele erkenning van de anciënniteit. De vorm waarin die erkenning plaatsvindt, doet niet ter zake. In geen van de zes betrokken universiteiten wordt de anciënniteit op effectieve en individuele wijze erkend.
22. Het tweede argument van de Commissie ziet op de wijze waarop moet worden vastgesteld dat de zes universiteiten de anciënniteit niet effectief en op individuele basis erkennen. De Commissie legt hiertoe voorbeelden over van enkele universiteiten die wel op juiste wijze de anciënniteit hebben erkend. In het bijzonder wijst zij daarbij op de oplossingen gekozen door de drie universiteiten die oorspronkelijk deel uitmaakten van de inbreukprocedure, te weten Aquila, Venetië en Genua. De collectieve arbeidsovereenkomsten voor die drie universiteiten kennen een clausule die de verkregen rechten erkent, hetzij door een speciale salarisverhoging naar evenredigheid van de verkregen anciënniteit (in Aquila op jaarbasis, in Venetië op uurbasis), hetzij door een eenmalig bedrag, eveneens evenredig aan de verkregen anciënniteit (Genua).
23. Het derde argument van de Commissie ziet op de bewijsvoering. Zij heeft een aantal documenten geproduceerd, ter onderbouwing van haar stellingname. Het is aan de Italiaanse regering om aan te tonen dat de inhoud van die documenten onjuist is.
24. Overigens hecht de Commissie niet veel belang aan de bewijsvoering. Het feit dat de gewezen lectoren en de nieuw aangetrokken taalkundig medewerkers eenzelfde beloning krijgen, althans dat geen rekening wordt gehouden met het individueel arbeidsverleden, volstaat naar haar oordeel.
25. Het vierde argument van de Commissie: de schending van het verbod van discriminatie overeenkomstig artikel 48 EG-Verdrag vloeit volgens de Commissie voort uit het feit dat - zoals ik hierboven reeds weergaf - voor Italiaanse werknemers van rechtswege omzetting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur plaatsvindt vanaf de datum van de eerste indiensttreding van de werknemer (op grond van wet 230/62). De Commissie merkt daarbij op dat de handelwijze van de zes universiteiten ook een schending oplevert van genoemde wet. De gewezen lectoren zullen zich echter steeds - om hun recht erkend te krijgen - moeten wenden tot de nationale rechter. De noodzaak om de rechter in te schakelen teneinde gelijke behandeling met Italiaanse werknemers te bewerkstelligen, levert op zichzelf reeds strijd op met het communautaire recht.
26. Het vijfde argument van de Commissie: het is niet van belang dat enkele universiteiten doende zijn de beweerde schending op te heffen (Milaan), of zulks inmiddels hebben gedaan (Napels). Zij wijst in haar repliek onder meer op het arrest Commissie/Frankrijk, waarin het Hof zegt: Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn." De Commissie gaat vervolgens, eveneens aan de hand van vaste rechtspraak, in op haar belang om ook ingeval de inbreuk inmiddels is opgeheven een uitspraak van het Hof te verkrijgen: [...] dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het voorwerp van een ingevolge artikel 169 EEG-Verdrag ingesteld beroep wegens niet-nakoming wordt bepaald door het met redenen omkleed advies van de Commissie en dat, ook wanneer de niet-nakoming na ommekomst van de ingevolge de tweede alinea van genoemd artikel vastgestelde termijn ongedaan is gemaakt, de Commissie een belang bij de voortzetting van haar actie behoudt. Dit belang kan onder meer bestaan in de bepaling van een grondslag voor eventuele aansprakelijkheid van de lidstaat wegens de niet-nakoming tegenover andere lidstaten, de Gemeenschap of particulieren." In casu gaat het, aldus de Commissie, om vaststelling van de aansprakelijkheid jegens de gewezen lectoren.
27. Het zesde argument van de Commissie heeft betrekking op de verwijtbaarheid van het handelen van de Italiaanse regering. De Italiaanse regering had - aldus de Commissie - een circulaire kunnen doen uitgaan over de uitleg van artikel 4 van wet 236/95. Zo'n circulaire had een geordende en uniforme overgang kunnen regelen voor de gewezen lectoren vreemde talen. De Italiaanse regering heeft zulks echter nagelaten, waardoor iedere universiteit op eigen wijze uitvoering heeft gegeven aan dit artikel.
28. De Italiaanse regering legt in haar verweer de nadruk op de feitelijk bij de betrokken universiteiten bestaande situatie. Ofwel er is materieel (in dupliek hanteert Italië ook de term substantieel) geen sprake van benadeling van de gewezen lectoren, casu quo de Commissie heeft zulks onvoldoende kunnen aantonen, ofwel de universiteiten zijn doende die benadeling op te heffen. De verwijten aan Italië hebben dan ook een formeel karakter.
29. De Italiaanse regering stelt dat er bij de universiteiten geen intentie bestaat de gewezen lectoren te discrimineren ten opzichte van andere werknemers. Een goede uitvoering kost tijd, mede gelet op de conflictgevoeligheid van de arbeidsrelatie met de gewezen lectoren.
30. Los van de intentie van de universiteiten, vindt ook feitelijk geen discriminatie plaats, nu is aangetoond dat de gewezen lectoren een hogere beloning krijgen dan de nieuw aangetrokken taalkundig medewerkers.
31. Vervolgens betwist de Italiaanse regering het gebruik door de Commissie van wet 230/62 als basis voor de vergelijking met nationale werknemers. Deze wet is niet vergelijkbaar met wet 236/95. Waar eerstgenoemde wet voorziet in een automatische omzetting van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur, doet wet 236/95 zulks niet. De gewezen lectoren komen namelijk alleen in aanmerking voor de functie van taalkundig medewerker, indien zij slagen voor een selectietest.
32. De Italiaanse regering wijst voorts op de financiële en juridische autonomie van de Italiaanse universiteiten. De erkenning van verworven rechten is een typisch contractueel vraagstuk dat speelt in de relatie tussen de universiteit en de gewezen lector. Een dergelijk vraagstuk kan niet unilateraal door een publiek orgaan worden opgelost. Voorts vindt de Italiaanse regering dat de Commissie haar bevoegdheid te buiten is gegaan door enkele voorstellen te formuleren, waarmee het vraagstuk zou kunnen worden opgelost. Het doen van zulke voorstellen behoort niet tot de bevoegdheid van de Commissie, maar maakt deel uit van de soevereiniteit van de nationale wetgever.
33. De regering van het Verenigd Koninkrijk ondersteunt het standpunt van de Commissie. In het bijzonder wijst zij erop dat de verplichting rekening te houden met de beroepservaring inhoudt dat de totaliteit van die ervaring wordt meegenomen. Zij betwist dat de schending van artikel 48 EG-Verdrag louter formeel van aard is. Zij ontvangt ook zelf nog steeds klachten van Britse onderdanen over de behandeling van gewezen lectoren in Italië.
De eerdere zaken over lectoren vreemde talen in Italië
34. Het Hof heeft reeds in drie eerdere zaken betreffende de positie van lectoren vreemde talen in Italië, arrest gewezen. Dit betreft allereerst de in punt 2 genoemde arresten Allué I en Allué II. Naar aanleiding daarvan heeft Italië haar nationale wetgeving aangepast. Het derde arrest is het arrest Petrie e.a. Ik zal deze arresten hier bespreken, voorzover zij belang hebben voor de conclusie in de onderhavige zaak.
35. Het arrest Allué I betrof de duur van de arbeidsverhouding tussen universiteiten en lectoren vreemde talen. Deze duur was beperkt tot een jaar, met een mogelijke verlenging met ten hoogste vijf jaren, terwijl een dergelijke beperking in beginsel voor andere, vergelijkbare, werknemers niet gold. Het Hof vergeleek de lectoren vreemde talen met hoogleraren die op overeenkomst zijn aangesteld en een onderwijstaak hebben, zonder dat zij hebben deelgenomen aan een openbaar vergelijkend examen.
36. Het Hof beschouwde de beperking als vorm van discriminatie op grond van nationaliteit, op basis van de volgende redenering. De beperking van de duur van de arbeidsverhouding wordt toegepast ongeacht de nationaliteit van de betrokken werknemer, doch treft voornamelijk werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten. Van de lectoren vreemde talen zouden immers slechts 25 % de Italiaanse nationaliteit hebben. De door de Italiaanse regering aangevoerde rechtvaardigingsgronden voor de beperking van de duur van de arbeidsverhouding werden door het Hof niet aanvaard.
37. Het arrest Allué II vormt een precisering van het arrest Allué I. Het dictum luidt als volgt: Artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag verzet zich ertegen, dat de wetgeving van een lidstaat de duur van arbeidsovereenkomsten van lectoren vreemde talen in alle gevallen beperkt tot één jaar, met mogelijkheid van verlenging, wanneer een dergelijke beperking in beginsel niet bestaat voor het overig onderwijzend personeel." De toegevoegde waarde van dit arrest ligt er mijns inziens in dat het Hof niet meer een specifieke referentiegroep hanteert (de hoogleraren met een arbeidsovereenkomst), maar in het algemeen vergelijkt met ander onderwijzend personeel.
38. Daarnaast overweegt het Hof dat de lidstaten, ter verzekering van een goed bestuur van hun universiteiten, maatregelen kunnen vaststellen die zonder onderscheid van toepassing zijn en in het bijzonder de onderdanen van andere lidstaten zouden kunnen treffen. Zulke maatregelen kunnen ook de beperking van de duur van de arbeidsverhouding inhouden. Echter, die maatregelen moeten wel voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. De beperkte duur van de arbeidsovereenkomst in casu voldoet daar niet aan. Het onderwijs in een vreemde taal voorziet normalerwijs in een permanente behoefte. In zo'n omstandigheid is het niet evenredig lectoren per definitie voor bepaalde tijd aan te stellen. Zo de situatie zich met betrekking tot een bepaalde taal wijzigt, en er op een bepaald moment geen behoefte meer bestaat aan docenten in een bepaalde taal, dan zijn er andere middelen om zich van overtollige lectoren te ontdoen. Zo zou men de overtollige lectoren kunnen ontslaan om het personeelsbestand aan de nieuwe situatie aan te passen. Deze maatregel, aldus het Hof, zou minder beperkend zijn voor het vrije verkeer van werknemers dan de maatregel die in casu in het geding is.
39. In het arrest Petrie e.a. ging het om een Italiaanse regeling over de toegang tot betaalde universitaire leeropdrachten in nevenvakken en wegens vervanging. Het Hof vergelijkt in zijn arrest de lectoren vreemde talen in de eerste plaats met hoogleraren en erkende onderzoekers, die na een openbaar vergelijkend examen zijn toegelaten. Voor de erkende onderzoekers geldt bovendien dat hun wetenschappelijke en didactische vaardigheden worden getoetst. Deze twee categorieën docenten kunnen als vervanger werkzaam worden, terwijl de lector vreemde talen dat niet mag. Het Hof redeneert in deze zaak vervolgens dat de lectoren vreemde talen zich niet in dezelfde situatie bevinden als de andere twee categorieën docenten, en dus niet met hen kunnen worden vergeleken. Kern van deze redenering is dat de universiteiten redelijkerwijs het openbaar vergelijkend examen kunnen hanteren als voorwaarde om als vervanger op te treden, dat de lectoren vreemde talen zo'n examen niet hebben gedaan en dat het ondoelmatig zou zijn (indruisen tegen de eisen van een goed beheer van de universiteiten") voor de functie van vervanger - apart - deze examens te laten doen. Het Hof voegt daaraan toe, dat de nationale regeling wel discriminerend zou zijn als de post van vervanger wel zou openstaan voor andere beroepsgroepen, die evenmin als de lectoren vreemde talen het vergelijkend examen hebben gedaan.
Het vrije verkeer van werknemers
40. Alvorens toe te komen aan de juridische merites van de zaak zelf, ga ik kort in op verdere rechtspraak van het Hof op het terrein van het vrije verkeer van werknemers, die voor deze zaak relevant is. Ik wil daarbij met name bezien hoe - ten aanzien van vormen van verkapte discriminatie - uitwerking wordt gegeven aan het tweede lid van artikel 48 EG-Verdrag, dat het volgende bepaalt: Het vrije verkeer van werknemers houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden."
41. Het Hof heeft het begrip discriminatie, zoals omschreven in artikel 48 EG-Verdrag reeds veelvuldig uitgelegd. Daarbij heeft het Hof erop gewezen dat het algemene verbod op discriminatie op grond van nationaliteit dat is neergelegd in artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) voor de door dat Verdrag geregelde bijzondere gebieden nader is uitgewerkt. Dit verbod op discriminatie op grond van nationaliteit moet ruim worden uitgelegd. Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 48 niet alleen zichtbare discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook alle vormen van verkapte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden.
42. In het arrest O'Flynn heeft het Hof een synthese gegeven van zijn jurisprudentie over verkapte of indirecte discriminatie van werknemers op grond van nationaliteit. Ik geef die hier weer:
17. Volgens vaste rechtspraak van het Hof verbiedt het in artikel 48 van het Verdrag en artikel 7 van verordening nr. 1612/68 neergelegde beginsel van gelijke behandeling niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit, maar ook alle vormen van verkapte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden.
18. Zo moeten als indirect discriminerend worden beschouwd de voorwaarden van nationaal recht die, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, hoofdzakelijk of in de meeste gevallen migrerende werknemers treffen, alsook de zonder onderscheid van toepassing zijnde nationale voorwaarden waaraan nationale werknemers gemakkelijker kunnen voldoen dan migrerende werknemers, of die in het bijzonder voor migrerende werknemers nadelig kunnen uitvallen.
19. Dit is slechts anders wanneer die bepalingen worden gerechtvaardigd door objectieve overwegingen die losstaan van de nationaliteit van de betrokken werknemers, en zij evenredig zijn aan het rechtmatig door het nationale recht nagestreefde doel.
20. Uit al deze rechtspraak volgt dat een bepaling van nationaal recht als indirect discriminerend moet worden beschouwd, wanneer zij door haar aard zelf migrerende werknemers eerder kan treffen dan nationale werknemers en derhalve de eerste categorie van werknemers meer in het bijzonder dreigt te benadelen, tenzij zij objectief is gerechtvaardigd en evenredig is aan het nagestreefde doel.
21. Dienaangaande behoeft niet te worden vastgesteld dat de betrokken bepaling in de praktijk een aanzienlijk groter percentage migrerende werknemers treft, doch het volstaat om vast te stellen dat die bepaling een dergelijk effect kan hebben. Daaraan moet worden toegevoegd dat de redenen waarom een migrerend werknemer gebruik wenst te maken van zijn recht op vrij verkeer binnen de gemeenschap, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling, of een nationale bepaling discriminerend is. De mogelijkheid om zich op een zo fundamentele vrijheid als het vrije verkeer van personen te beroepen kan immers niet door zulke overwegingen van zuiver subjectieve aard worden beperkt."
43. In het recente arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund ging het - evenals in de onderhavige zaak - om het niet meetellen van anciënniteit bij de vaststelling van de beloning van docenten met een arbeidscontract. De nationale Oostenrijkse wetgeving stelde in casu voorwaarden aan het meetellen van de in andere lidstaten gewerkte tijdvakken, die strenger waren dan de voorwaarden die golden voor het in aanmerking nemen van de tijdvakken die in Oostenrijk zelf waren gewerkt. Het Hof stelt vast dat een dergelijke nationale regeling strijdig is met - onder andere - artikel 48 EG-Verdrag. Deze zaak volgt op eerdere zaken waarin het niet meetellen van in andere lidstaten gewerkte tijdvakken als indirecte discriminatie was beschouwd. Ten overvloede wijs ik erop dat in dit arrest ook nog eens de vaste rechtspraak van het Hof werd bevestigd, dat de uitzondering van artikel 48, lid 4, EG-Verdrag voor betrekkingen in overheidsdienst niet ziet op docenten.
Beoordeling van het geschil
Ten principale
44. Ik ben van mening dat de hoofdvraag in dit geding de volgende is: heeft Italië in voldoende mate uitvoering gegeven aan de arresten Allué I en Allué II, waarin het Hof heeft vastgesteld dat de wijze van aanstelling van lectoren vreemde talen een verkapte discriminatie inhield op grond van nationaliteit, die is verboden op grond van artikel 48 EG-Verdrag? Uitgangspunt voor het Hof was daarbij dat deze lectoren voornamelijk werknemers zijn die onderdaan zijn van andere lidstaten dan Italië.
45. Ter uitvoering van die arresten is de meergenoemde wet van 21 juni 1995 (wet 236/95) tot stand gekomen. Ik ga ervan uit dat wet 236/95 op zichzelf aan de eisen van het communautaire recht voldoet. Die wet zelf is in casu ook niet in geding. Het gaat in deze zaak om de beoordeling van de wijze waarop die wet wordt uitgevoerd, om de vraag in hoeverre de administratieve praktijk in Italië overeenkomt met de inhoud en strekking van die wet. Het hoeft geen betoog dat die administratieve praktijk juridisch, maar ook feitelijk nogal ingewikkeld in elkaar zit, gelet op de autonomie van de universiteiten bij het aanstellen van taalkundig medewerkers. Ik breng in herinnering dat de juridische status van taalkundig medewerkers behalve door genoemde wet ook wordt beheerst door verschillende contractuele instrumenten (zie punt 5 van mijn conclusie).
46. Ik hecht geen doorslaggevende waarde aan de moeilijkheden die een ingewikkelde en decentrale uitvoering met zich meebrengt. Het is aan het Hof na te gaan of de Italiaanse regering kan volhouden dat een einde is gemaakt aan de schending van het gemeenschapsrecht bestaande uit discriminatie van de (gewezen) lectoren vreemde talen, die reeds voor de eerste maal door het Hof is vastgesteld op 30 mei 1989 in het arrest Allué I. Ik ben van mening dat - mede gelet op het aantal jaren dat inmiddels is verstreken sinds het arrest Allué I - van de Italiaanse regering mag worden geëist dat de opheffing van de eerder vastgestelde discriminatie ook volledig is gerealiseerd. De Italiaanse regering kan er niet mee volstaan te laten zien dat zij inmiddels op de goede weg is. Met andere woorden, het gaat hier om het resultaat, niet om de inspanning.
47. Het spreekt voor zich dat een gelijke behandeling van de gewezen lectoren vreemde talen niet alleen inhoudt dat zij een dienstverband voor onbepaalde tijd verkrijgen - de kern van de geschillen in de zaken Allué I en II - maar ook dat zo'n dienstverband voldoet aan de normale beginselen van het Italiaanse arbeidsrecht. Het rekening houden met de verkregen ervaring is zo een beginsel, zo blijkt onder meer uit wet 230/62 en ook uit artikel 4, derde alinea, van wet 236/95. Ook naar het oordeel van de Commissie moet een stelsel tot resultaat hebben dat bij iedere taalkundig medewerker de persoonlijke en specifiek opgedane ervaring wordt erkend. De Italiaanse regering weerspreekt dit niet ten principale. Ten overvloede wijs ik er nog op dat ook in het nationale recht van andere lidstaten rekening wordt gehouden met het persoonlijk arbeidsverleden, als een beginsel van arbeidsrecht. Ik vermeld op dit punt de verschillende arresten van het Hof, recentelijk nog het arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund, die juist betrekking hadden op het meetellen van het persoonlijk arbeidsverleden.
48. Ik vind het daarbij niet belangrijk op welke wijze de erkenning heeft plaatsgevonden. Wel moet er een relatie bestaan tussen de beloning en de omvang van de opgedane ervaring. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat degene die 1 jaar werkervaring heeft op dezelfde wijze wordt beloond als iemand met 20 jaar werkervaring. Het gaat in dit geding waarbij de eventuele schending van artikel 48 EG-Verdrag aan de orde is, om de vraag of een belangrijk beginsel van arbeidsrecht dat geldt voor Italiaanse werknemers, ook wordt toegepast op de gewezen lectoren. Gelet op het feit dat ik gelijke behandeling in het arbeidsrecht centraal stel, vind ik het ook niet relevant of wet 230/62, dan wel wet 236/95 als referentiepunt wordt genomen.
49. Het Hof zal nu moeten vaststellen of de betrokken universiteiten (voldoende) rekening houden met het arbeidsverleden van de gewezen lectoren vreemde talen. Uit de door de Commissie aangedragen gegevens blijkt dat niet in alle gevallen rekening wordt gehouden met het arbeidsverleden. Ik wijs er in dit verband op dat bij sommige van de betrokken universiteiten de gewezen lectoren en de nieuw aangetrokken taalkundig medewerkers eenzelfde beloning krijgen, en dat in geen van deze universiteiten rekening wordt gehouden met het individueel arbeidsverleden.
50. In een dergelijk geval is er reeds sprake van een verdragsinbreuk indien de Italiaanse regering er niet in slaagt aan te tonen, dat - anders dan de Commissie stelt - met dat verleden wel rekening wordt gehouden. Zeker nu het gaat om de uitvoering van arresten van het Hof, berust bij de lidstaat de plicht zichtbaar te maken, dat zij inmiddels gedragsconform handelt.
De toepassing
51. De Italiaanse universiteiten hebben een grote autonomie bij het aanstellen van taalkundig medewerkers. Die autonomie levert een veelkleurig beeld op. Iedere universiteit bepaalt zelf of en hoe zij rekening houdt met het arbeidsverleden van de taalkundig medewerkers. Deze autonomie versterkt op zichzelf het vermoeden dat niet in alle gevallen het door het gemeenschapsrecht vereiste resultaat wordt bereikt, namelijk dat rekening wordt gehouden met het individueel arbeidsverleden.
52. Hierover gaat ook het eigenlijke geschil tussen partijen, zo is ter terechtzitting nog eens duidelijk gebleken. De Italiaanse regering betwist niet ten principale dat rekening moet worden gehouden met het individueel arbeidsverleden, maar betwist het feitelijk oordeel van de Commissie dat de zes universiteiten ook daadwerkelijk tekortschieten. Voorts is de Italiaanse regering het oneens met het gebruik door de Commissie van wet 230/62 als referentiepunt.
53. Er zijn verschillende modaliteiten denkbaar waarop het persoonlijk arbeidsverleden kan worden meegerekend. In haar verzoekschrift aan het Hof noemt de Commissie voorbeelden daarvan (Aquila, Venetië, Genua). Naar mijn oordeel is het niet nodig, in het kader van dit geding die voorbeelden achtereenvolgens te bespreken. Het gaat om het te bereiken resultaat, namelijk dat in de arbeidsovereenkomsten met de gewezen lectoren rekening wordt gehouden met het individueel arbeidsverleden. Uitgaande van de door partijen aangeleverde informatie kwalificeer ik de situatie in de zes universiteiten wat dit betreft als volgt:
- Bij de universiteiten van La Basilicate, Pisa en Rome wordt geen rekening gehouden met het arbeidsverleden van de gewezen lectoren. De gewezen lectoren krijgen dezelfde vergoeding als de nieuw aangetrokken taalkundig medewerkers. De Italiaanse regering betwist dit niet. Ik hecht daarbij geen belang aan het feit dat de gewezen lectoren (en dus ook de nieuw aangetrokken taalkundig medewerkers) een beloning ontvangen die hoger is dan de basisvergoeding die is voorzien in de nationale collectieve arbeidsovereenkomst voor de universitaire sector.
- In de gevallen van de universiteiten van Milaan en Palermo zijn partijen het niet eens over de vraag of rekening wordt gehouden met het arbeidsverleden. Naar mijn oordeel heeft de Italiaanse regering niet aangetoond, dat wel rekening wordt gehouden met het arbeidsverleden. Haar stelling dienaangaande wordt niet door de stukken gesteund. In het geval van Palermo lijkt de stelling ook in strijd met de procedure bij de Italiaanse arbeidsrechter, waar 38 gewezen lectoren met succes het niveau van hun beloning hebben aangevochten. Ik voeg daar nog aan toe, dat al helemaal niet is aangetoond dat rekening is gehouden met het persoonlijk arbeidsverleden van de gewezen lectoren.
- Bij het Oriëntaals Universitair Instituut van Napels is sprake van een complexe situatie, waaruit niet duidelijk blijkt hoe de beloning van de gewezen lectoren zich heeft ontwikkeld, zeker in relatie tot het aantal gewerkte uren. Voor mij is van belang dat ter terechtzitting duidelijk is geworden dat voorzover al een regeling tot stand is gekomen die rekening houdt met het persoonlijk arbeidsverleden, die regeling eerst bij het besluit van 14 juli 1999 is tot stand gebracht. Deze datum ligt na de datum waarop de Commissie het met redenen omkleed advies heeft uitgebracht, te weten 28 januari 1999.
54. Samengevat kom ik tot het oordeel dat de Italiaanse regering er niet in is geslaagd zichtbaar te maken, dat bij deze zes universiteiten met het individueel arbeidsverleden van de gewezen lectoren rekening wordt gehouden. Dit zo zijnde, waarborgt de Italiaanse regering niet dat een einde is gemaakt aan de schending van het gemeenschapsrecht bestaande uit discriminatie van de (gewezen) lectoren vreemde talen, die reeds voor de eerste maal door het Hof is vastgesteld op 30 mei 1989 in het arrest Allué I. Van een rechtvaardigingsgrond is geen sprake.
55. Ik geef het Hof derhalve in overweging vast te stellen dat de Italiaanse Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten ingevolge artikel 48 EG-Verdrag, in verband met de administratieve en contractuele praktijk die bepaalde openbare universiteiten hebben ingevoerd.
Subsidiair
56. Ik ben van oordeel dat ik in het bovenstaande voldoende ben ingegaan op de eerste drie argumenten van de Commissie, waarbij ik - dat moge duidelijk zijn - die argumenten in essentie steun. Ik acht het daarbij niet nodig in extenso in te gaan op de eisen die de Commissie stelt aan het meetellen van anciënniteit. Subsidiair, voor het geval het Hof mijn argumentatie niet of slechts ten dele volgt, ga ik nog in op de overige argumenten, die de Commissie in dit geding naar voren heeft gebracht, alsmede - waar dat nog nodig is - op het verweer van de Italiaanse regering.
57. Het vierde argument van de Commissie ziet op de vergelijking van de gewezen lectoren met werknemers, waarvan de arbeidsrelatie onder het privaatrecht valt, en meer in het bijzonder met de rechten die voortvloeien uit wet 230/62. De vraag is nu of de Commissie de juiste vergelijking heeft gemaakt. Die vraag valt in een aantal onderdelen uiteen:
a) Is het juist, de gewezen lectoren te vergelijken met de Italiaanse werknemers in het algemeen, of moet niet een meer specifieke referentiegroep worden gehanteerd? Ik breng in herinnering dat in de drie eerdere zaken voor het Hof over gewezen lectoren steeds is vergeleken met specifieke categorieën van onderwijzend personeel.
b) Kunnen de rechten die voortvloeien uit wet 230/62 wel worden vergeleken met de rechten ex wet 236/95, nu de gewezen lectoren alleen in aanmerking komen voor de functie van taalkundig medewerker, indien zij slagen voor een selectietest, en er dus geen sprake is van een van rechtswege omzetten van een arbeidsovereenkomst?
c) Vloeit uit wet 230/62 voort dat voor Italiaanse werknemers effectief rekening moet worden gehouden met het individuele arbeidsverleden van de werknemer, of zou ook met een meer globale erkenning van de anciënniteit kunnen worden volstaan?
d) Kunnen de gewezen lectoren vreemde talen niet eveneens een beroep doen op wet 230/62, indien te hun aanzien geen rekening wordt gehouden met hun individuele arbeidsverleden?
e) Bij een positief antwoord op onderdeel d, bestaat er bezwaar tegen dat de gewezen lectoren zich tot de nationale rechter moeten wenden om hun recht geldend te maken, in aanmerking genomen dat hun recht (mede) voortvloeit uit het communautaire recht?
58. Ad onderdeel a: de Commissie hanteert als referentiegroep de Italiaanse werknemers, waarvan de arbeidsrelatie onder het privaatrecht valt. De gewezen lectoren vreemde talen moeten gelijk behandeld worden met de Italiaanse werknemers. Daarnaast hanteert de Commissie een tweede vergelijking: zij vergelijkt de gewezen lectoren vreemde talen met de nieuw aangetrokken taalkundig medewerkers: aangezien de gewezen lectoren vreemde talen een ongelijk arbeidsverleden hebben aan de nieuw aangetrokken taalkundig medewerkers, moeten zij ook ongelijk behandeld worden. Ik vind het opvallend dat de Commissie niet vergelijkt met andere categorieën van universitair personeel, die een arbeidsverleden hebben dat vergelijkbaar is aan dat van de gewezen lectoren vreemde talen. Indien de Commissie zou hebben aangetoond dat bij vergelijkbare categorieën van universitair personeel, zijnde in overwegende mate Italiaanse onderdanen, wel rekening wordt gehouden met het individuele arbeidsverleden, dan zou schending van artikel 48 EG-Verdrag gemakkelijk kunnen worden vastgesteld. De drie eerdere arresten van het Hof over lectoren vreemde talen in Italië bieden daartoe voldoende aanknopingspunten.
59. Echter, ook de vergelijking van de gewezen lectoren vreemde talen met de Italiaanse werknemer in het algemeen, vind ik in casu voldoende concreet om een verkapte discriminatie als bedoeld in artikel 48 EG-Verdrag vast te stellen. Uit de rechtspraak van het Hof vloeit voort dat er sprake kan zijn van discriminatie indien blijkt dat de rechten die voortvloeien uit een algemene wet niet van toepassing zijn op een specifieke groep werknemers, die voornamelijk bestaat uit onderdanen van een andere lidstaat.
60. Ad onderdeel b: de Commissie baseert haar verzoek op het bepaalde in wet 230/62, namelijk dat voor Italiaanse werknemers van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, vanaf de datum van de eerste indiensttreding van de werknemer, zulks in tegenstelling tot de uitwerking die de zes universiteiten geven aan wet 236/95. De Italiaanse regering betwist de relevantie van de vergelijking, aangezien er in het geval van de gewezen lectoren geen sprake is van het van rechtswege omzetten van de arbeidsovereenkomst. Ik kan het betoog van de Italiaanse regering op dit punt niet volgen. Beide wetten hebben, hoewel zij op een verschillende situatie zien, een vergelijkbare doelstelling: zij strekken ertoe te bewerkstelligen dat in een arbeidsovereenkomst rekening wordt gehouden met het arbeidsverleden van de werknemer. Bovendien hebben zij niet alleen dezelfde doelstelling, maar ook hetzelfde effect, namelijk dat daadwerkelijk rekening wordt gehouden met dit arbeidsverleden. Voor artikel 4, derde alinea, van wet 236/95 geldt daarbij wel als voorwaarde dat de universiteiten op juiste wijze uitvoering geven aan dit artikel.
61. Ad onderdeel c: dit onderdeel heeft betrekking op de inhoud van wet 230/62. Het is nog maar de vraag of de precieze interpretatie die de Commissie aan die inhoud geeft, namelijk dat rekening moet worden gehouden met het individuele arbeidsverleden van de werknemer, uit de tekst van de wet voortvloeit. Het betreft hier evenwel de interpretatie van een nationale wet, waarover het Hof zich niet behoeft te buigen. Voor het vaststellen van discriminatie in de zin van artikel 48 EG-Verdrag is het naar mijn oordeel voldoende, dat uit wet 230/62 een beginsel van arbeidsrecht voortvloeit, dat niet (in alle gevallen) wordt toegepast ten aanzien van de gewezen lectoren.
62. Ad onderdelen d en e: Uit de stukken blijkt dat - in ieder geval bij de universiteit van Palermo - een aantal gewezen lectoren zich met succes tot de nationale rechter hebben gewend. De Commissie stelt zich op het standpunt dat de noodzaak om de rechter in te schakelen teneinde gelijke behandeling met Italiaanse werknemers te bewerkstelligen, op zichzelf reeds strijd oplevert met het communautaire recht. Wat er ook zij van dit standpunt in algemene zin, in het onderhavige geval gaat het om de uitvoering van een arrest van het Hof, waaruit de verplichting voortvloeit voor de lidstaat Italië een einde te maken aan de schending van het gemeenschapsrecht, bestaande uit discriminatie van de (gewezen) lectoren vreemde talen. Ik ben van oordeel dat de lidstaat in zo een geval niet aan zijn verplichting heeft voldaan, wanneer iedere lector zich individueel tot de nationale rechter moet wenden om de nog steeds bestaande discriminatie op te heffen.
63. Ik ga over op het vijfde argument van de Commissie. De Commissie haalt vaste rechtspraak van het Hof aan, waaruit blijkt dat de schending van het gemeenschapsrecht in een procedure als de onderhavige moet worden beoordeeld naar de situatie aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Ik ben van oordeel dat de Commissie hiermee voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom zij geen rekening hoeft te houden met de nadien opgetreden wijzigingen in de Italiaanse administratieve praktijk. Het staat buiten kijf dat de gewezen lectoren belang hebben bij een arrest van het Hof, teneinde de Italiaanse regering of de betrokken universiteiten in rechte te kunnen aanspreken. Voorts breng ik in herinnering dat voor de inbreuk op het communautaire recht het resultaat doorslaggevend is, en niet de door Italië gepleegde inspanningen.
64. Het zesde argument van de Commissie ziet op de verwijtbaarheid van het handelen van de Italiaanse regering, doordat zij geen circulaire heeft doen uitgaan over de uitleg van artikel 4, derde alinea, van wet 236/95. Voorop staat voor mij, dat nu in deze zaak het resultaat doorslaggevend is, naar mijn mening de al dan niet verwijtbaarheid van het handelen van de lidstaat Italië niet relevant is. Ten overvloede voeg ik daaraan toe dat het naar mijn oordeel in de rede had gelegen - zeker gezien de voorgeschiedenis, de arresten Allué I en Allué II - dat de Italiaanse regering alle inspanning erop had gericht om de discriminatie van de gewezen lectoren te beëindigen. Een circulaire over de uitleg van de nieuwe wetgeving had in dat kader zeker niet misstaan.
Conclusie
In het licht van de hier weergegeven feiten en omstandigheden geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Italiaanse Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten ingevolge artikel 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging artikel 39 EG), in verband met de administratieve en contractuele praktijk die bepaalde openbare universiteiten hebben gevolgd bij het weer in dienst nemen van de vroegere lectoren vreemde talen als taalkundig medewerkers, waarbij de rechten die deze individueel hadden verkregen uit hoofde van hun eerdere werkzaamheden niet of onvoldoende zijn erkend, terwijl zo'n erkenning in het algemeen wel is gewaarborgd voor de andere nationale werknemers;
2) de Italiaanse Republiek ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de proceskosten te veroordelen.
Full & Egal Universal Law Academy