Conclusie van de advocaat generaal
1. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van kogellagers van oorsprong uit Japan, waarvan de belangrijkste bepalingen door het Gerecht om algemene redenen zijn nietig verklaard, zij het uitsluitend voorzover daarbij een recht werd opgelegd op de producten van de twee ondernemingen die tijdig beroep hadden ingesteld krachtens artikel 173 EEG-verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG). In hoeverre kan een in de Gemeenschap gevestigde importeur van kogellagers die zijn vervaardigd door zijn Japanse moedermaatschappij op wier producten eveneens een antidumpingrecht is ingesteld, maar die niet bij de beroepsprocedure was betrokken en daarin ook niet is genoemd zich voor de nationale rechter op die nietigverklaring beroepen, teneinde kwijtschelding of terugbetaling van de geheven antidumpingrechten te verkrijgen? Dat is in wezen de vraag die door het Finanzgericht Düsseldorf in de onderhavige zaak is gesteld.
De antidumpingprocedure
2. Een definitief antidumpingrecht op de invoer uit Japan van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 millimeter (hierna: kogellagers") werd ingesteld bij verordening nr. 1739/85. Dit recht was van toepassing op al deze kogellagers, met uitzondering van die welke door vier met name genoemde ondernemingen werden vervaardigd. Op de producten van tien andere met name genoemde fabrikanten, waarvan hier slechts vier behoeven te worden vermeld, werden individuele dumpingrechten ingesteld. Op de door NTN Toyo Bearing Co Ltd (hierna: NTN") vervaardigde kogellagers werd een recht van 3,2 % ingesteld, op die van Koyo Seiko Co Ltd (hierna: Koyo Seiko") een recht van 5,5 %, op die van Nippon Seiko KK (hierna: NSK") een recht van 16,7 % en op die van Nachi Fujikoshi Corporation (hierna: Nachi Fujikoshi") een recht van 13,9 %.
3. In mei 1989 kondigde de Commissie een nieuw onderzoek aan van de antidumpingmaatregelen die ingevolge artikel 15, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad (hierna: basisverordening") in 1990 zouden vervallen. Ingevolge artikel 15, lid 4, van deze verordening bleven zij echter in afwachting van het resultaat van het onderzoek van kracht.
4. Het onderzoek eindigde met de vaststelling van verordening (EEG) nr. 2849/92 van de Raad (hierna: bestreden verordening") op 28 september 1992, dus bijna drieënhalf jaar na het begin ervan en meer dan twee jaar nadat verordening nr. 1739/85 had moeten aflopen. In de considerans van zijn verordening stelde de Raad vast dat de dumpingmarges nog steeds bestonden (punten 21-23) onderzocht hij of de bedrijfstak van de Gemeenschap zich in een zodanige situatie bevond dat het vervallen van de maatregelen opnieuw tot schade zou leiden en kwam hij tot de slotsom dat dat het geval zou zijn (punten 26-39). Van mening dat handhaving van de beschermende maatregelen voor de bedrijfstak van kogellagers duidelijk in het belang van de Gemeenschap was (punten 40-44), en na vergelijking van de prijsniveaus (punten 45-52) besloot de Raad de bestaande definitieve rechten te wijzigen. Het basis-antidumpingrecht werd vastgesteld op 13,7 %, terwijl voor kogellagers die waren vervaardigd door vier met name genoemde ondernemingen lagere percentages werden vastgesteld (artikel 1, lid 2,) en voor zeven andere met name genoemde ondernemingen werd voorzien in een vrijstelling van antidumpingrechten (artikel 1, lid 3).
5. Daarmee bedroegen de rechten 11,6% voor NTN (voordien 3,2 %), 13,7 % voor Koyo Seiko (voordien 5,5 %), 6,5 % voor NSK (voordien 16,7 %) en 7,7 % voor Nachi Fujikoshi (voordien 13,9 %) (artikel 1, lid 2).
De rechterlijke toetsing
In eerste aanleg
6. Tegen verordening nr. 2849/92 werd door NTN en Koyo Seiko (de Japanse ondernemingen die het meest getroffen werden door het gewijzigde recht) binnen de in het toenmalige artikel 173, lid 3, EG-verdrag gestelde termijn van twee maanden beroep ingesteld bij het Hof van Justitie. Die beroepen tegen de Raad werden vervolgens naar het Gerecht verwezen, waar zij werden ingeschreven onder zaaknummers T-163/94 en T-165/94. In deze zaken werd de Raad ondersteund door de Commissie en door de Federation of European Ball Bearing Manufacturers' Associations, maar geen van de andere betrokken Japanse ondernemingen of Europese importeurs verzocht om interventie ter ondersteuning van NTN of Koyo Seiko. NTN verzocht het Gerecht artikel 1 van verordening nr. 2849/92 nietig te verklaren, voorzover hierbij aan verzoekster een antidumpingrecht wordt opgelegd" en Koyo Seiko verzocht verordening nr. 2849/91 nietig te verklaren voorzover zij verzoekster betreft".
7. In zijn arrest van 2 mei 1995 achtte het Gerecht slechts het onderzoek noodzakelijk van twee van de door verzoeksters aangevoerde middelen, die het beide gegrond achtte.
8. In het eerste middel betoogden verzoeksters dat de Raad geen schade in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening heeft aangetoond. Op grond van deze bepaling kan schade in wezen slechts worden vastgesteld, wanneer de schade of dreigende schade aan een bedrijfstak van de Gemeenschap aan de gevolgen van dumping en niet aan andere factoren is te wijten. In de punten 69 tot en met 116 van zijn arrest werden de overwegingen 27 tot en met 38 van de considerans van de bestreden verordening door het Gerecht grondig onderzocht. In sommige overwegingen ontdekte het Gerecht onjuiste of onvolledige vaststelling van de feiten, alsmede onderstellingen en bevindingen die voor een definitief eindoordeel te vaag waren. Ook stelde het vast dat de Raad zijn redenering deels baseert op het bestaan van een recessieperiode die voor het vaststellen van de schade niet in aanmerking mag worden genomen. Daaruit leidde het af dat de Raad zonder deze onjuiste opvatting zowel feitelijk als rechtens mogelijk niet tot een dreiging van schade zou hebben geconcludeerd.
9. In het tweede middel betoogden verzoeksters dat er sprake was van schending van artikel 7, punt 9, sub a, van de basisverordening volgens welke bepaling een onderzoek in het algemeen" binnen een jaar na de aanvang van de procedure dient te zijn afgesloten, aangezien niet voldoende was gemotiveerd waarom die termijn niet in acht was genomen. Het Gerecht was van oordeel dat een onderzoek een redelijke termijn niet mag overschrijden en dat de Raad de tijdsduur van de procedure in dit geding niet voldoende had gemotiveerd (punten 119-124 van het arrest).
10. Om deze twee redenen verklaarde het Gerecht artikel 1 van de bestreden verordening nietig voorzover daarbij een antidumpingrecht aan verzoeksters wordt opgelegd".
In beroep
11. Op 12 juli 1995 stelde de Commissie hogere voorziening in (zaak C-245/95 P) tegen het arrest in de gevoegde zaken T-163/94 en T-165/94, op grond dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake de uitlegging van het begrip schade in de basisverordening en inzake de uitlegging en de toepassing van artikel 7, punt 9, sub a, van die verordening, voorzover het van oordeel was dat de buitensporige tijdsduur van het onderzoek noodzakelijkerwijze de nietigverklaring van de bestreden verordening meebracht.
12. In hogere voorziening verzochten NSK en acht van haar Europese dochterondernemingen om toelating tot interventie ter ondersteuning van NTN en Koyo Seiko, welk verzoek werd ingewilligd.
13. In het arrest van 10 februari 1998 heeft het Hof van Justitie het standpunt van de Commissie dat de in artikel 4 van de basisverordening genoemde criteria voor het vaststellen van de schade niet in het kader van een nieuw onderzoek van bestaande antidumpingmaatregelen, van toepassing zijn, maar enkel wanneer maatregelen voor de eerste keer worden genomen, en daarmee tevens het eerste middel afgewezen. Het Hof onderzocht het tweede middel van de Commissie niet, omdat het Gerecht had geconstateerd dat de Raad had verzuimd om schade of dreiging van schade in de zin van dat artikel vast te stellen, welk verzuim volstond voor de nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening.
14. In hun memories in interventie in hogere voorziening verzochten NSK en haar dochterondernemingen de Raad om niet alleen de vorderingen van NTN en Koyo Seiko toe te wijzen, maar ook te bevestigen dat de nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening eveneens op NSK van toepassing was. In punt 24 van het arrest verklaarde het Hof van Justitie dat verzoek krachtens artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG niet-ontvankelijk, aangezien een verzoek tot interventie slechts kan strekken tot ondersteuning van de conclusies van één der partijen.
15. Op 3 juni 1998 heeft de Commissie een Bericht betreffende antidumpingmaatregelen aangaande de invoer van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm van oorsprong uit Japan" gepubliceerd, waarin zij verklaarde dat na de nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening voorzover dit NTN en Koyo Seiko betrof, en na de afwijzing van de hogere voorziening tegen die nietigverklaring invoerende bedrijven van de nationale douaneautoriteiten terugbetaling [mogen] eisen van de na de inwerkingtreding van de verordening geïnde definitieve antidumpingrechten op de producten geproduceerd door Koyo Seiko Co. en NTN Corporation".
De procedure in deze zaak
16. Nachi Europe GmbH (hierna: Nachi Europe"), is een Europese dochteronderneming van Nachi Fujikoshi. In november en december 1995 voerde zij kogellagers van oorsprong uit Japan in, en betaalde daarvoor in totaal 58 891,51 DEM aan antidumpingrechten, haar opgelegd bij douanenota's van 17 november 1995 en 29 december 1995.
17. Bij brief, ingekomen bij het Hauptzollamt Krefeld op 19 november 1998, verzocht Nachi Europe om terugbetaling van de antidumpingrechten op grond dat de heffing ervan, gezien de arresten in de gevoegde zaken T-163/94 en T-165/94 en in zaak C-245/95 P, onrechtmatig was.
18. Bij beschikking van 11 januari 1999 wees het Hauptzollamt het verzoek om terugbetaling af. Het daartegen door Nachi Europe ingediende bezwaarschrift werd eveneens door het Hauptzollamt afgewezen, omdat het niet in staat was om te bepalen of de bestreden verordening onwettig was.
19. Daarop stelde Nachi Europe beroep in bij het Finanzgericht Düsseldorf, dat van mening was dat de vordering tot terugbetaling zeker zou slagen, wanneer de ongeldigheid van artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening kon worden vastgesteld. Verder overwoog het Finanzgericht dat het arrest van het Gerecht artikel 1 weliswaar enkel nietig had verklaard ten aanzien van NTN en Koyo Seiko, maar dat de beslissing van het Gerecht net als het arrest van het Hof van Justitie in hogere voorziening op algemene overwegingen berustte.
20. Het Finanzgericht besloot om de behandeling van de zaak te schorsen en te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Is artikel 1, sub 2, van verordening (EEG) nr. 2849/92 ongeldig?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vanaf welk tijdstip moet de ongeldigheid van artikel 1, sub 2, van verordening (EEG) 2849/92 dan ten gunste van verzoekster werken?"
21. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Nachi Europe, de Raad en de Commissie, die alle hun standpunt ook tijdens de mondelinge behandeling kenbaar hebben gemaakt.
Analyse
22. De nationale rechter vraagt of artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening ongeldig is en vanaf welk tijdstip moet worden uitgegaan van de ongeldigheid ervan ten opzichte van Nachi Europe.
23. De vorm van de tweede vraag en de inhoud van de verwijzingsbeschikking duiden erop dat de vraag betreffende de geldigheid niet in algemene termen is gesteld, maar veeleer moet worden begrepen als een vraag naar de gevolgen van de nietigverklaring ten gunste van NTN en Koyo Seiko voor de geldigheid van de verordening ten opzichte van Nachi Europe.
24. Tijdens de discussie voor het Hof ging het inderdaad om die beperktere vraag alsmede om de vraag of Nachi Europe, door niet binnen de daarvoor gestelde termijn rechtstreeks beroep in te stellen, zich thans niet meer voor de nationale rechter op de ongeldigheid van de verordening kan beroepen.
25. Alvorens op deze vragen in te gaan, acht ik het echter nuttig om een punt te bespreken dat voor beide vragen van belang is, namelijk de voorwaarden waaronder rechtstreeks beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening voor het Gerecht van eerste aanleg kan worden ingesteld.
Recht van beroep tegen de bestreden verordening
26. Krachtens artikel 230 EG kunnen de lidstaten en, onder enigszins andere voorwaarden, de gemeenschapsinstellingen de wettigheid van communautaire handelingen betwisten zonder dat zij een specifiek belang dienen aan te tonen. De vierde alinea van dat artikel (voorheen artikel 173, derde alinea, EEG-verdrag) staat echter natuurlijke of rechtspersonen toe om een beroep in te stellen tegen tot hen gerichte beschikkingen, of tegen andere beschikkingen die hen rechtstreeks en individueel raken. Al deze beroepen moeten worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking, kennisgeving of kennisneming van de handeling.
27. Als handelingen van algemene strekking kunnen verordeningen krachtens deze bepalingen in beginsel niet door particulieren worden aangevochten. Sommige verordeningen kunnen echter een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks en individueel raken en kunnen door hem dus krachtens artikel 230 EG rechtstreeks voor het Gerecht van eerste aanleg worden aangevochten.
28. Antidumpingverordeningen worden dikwijls (terecht) omschreven als handelingen van hybride aard. Enerzijds zijn zij handelingen van algemene strekking, omdat zij, ongeacht de identiteit van de importeur die de rechten moet betalen, gelden voor alle invoer van de betrokken producten. Anderzijds raken zij exporteurs van die producten althans de met name genoemde exporteurs en importeurs die exclusief met hen zijn geassocieerd rechtstreeks en individueel.
29. In de onderhavige zaak staat vast dat Nachi Fujikoshi, voorzover het haar producten betrof, zelf rechtstreeks beroep tot nietigverklaring van de verordening bij het Gerecht van eerste aanleg had kunnen instellen, zoals ook is gedaan door NTN en Koyo Seiko, die zich in een vergelijkbare situatie bevonden. Producenten en exporteurs van producten waarop antidumpingrechten zijn ingesteld kunnen dus altijd worden geacht rechtstreeks en individueel te zijn geraakt, althans voorzover zij in de verordening zijn genoemd of bij het vooronderzoek zijn betrokken.
30. De nationale procedure is in casu echter niet ingeleid door de moedermaatschappij Nachi Fujikoshi, op wier producten de rechten waren ingesteld, maar door haar dochteronderneming Nachi Europe, die deze producten invoert en de rechten betaalt. Ondanks de duidelijke regels, kunnen zij voor importeurs toch leiden tot uiteenlopende situaties.
31. Door importeurs ingestelde beroepen tot nietigverklaring zijn ontvankelijk wanneer, zoals bepaald in artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening, een associatie bestaat tussen de importeur en de exporteur of de producent op wiens producten de rechten zijn ingesteld en de door de importeur toegepaste wederverkoopprijzen zijn gebruikt om het bestaan van dumping of het antidumpingrecht zelf vast te stellen. Het Hof heeft ook beroepen ontvankelijk verklaard waarin, zoals in de zaak Extramet Industrie/Raad, de importeur omstandigheden kan aantonen die overeenkomen met die in het arrest Plaumann/Commissie.
32. In punt 6 van de considerans van de bestreden verordening valt te lezen: De Commissie verzamelde en verifieerde alle informatie die zij voor deze procedure noodzakelijk achtte en verrichtte onderzoekingen ten kantore van: [...] Nachi (Germany) GmbH [...]". In punt 17 wordt gezegd: Bij uitvoer naar importeurs in de Gemeenschap die met Japanse fabrikanten waren geassocieerd, werden de prijzen bij uitvoer samengesteld op basis van de prijs waartegen het product aan de eerste onafhankelijke koper in de Gemeenschap werd wederverkocht [...]."
33. Volgens de stukken in het dossier van de nationale rechter was Nachi (Germany) GmbH de vroegere benaming van Nachi Europe, de verzoekster in het hoofdgeding die is geassocieerd met Nachi Fujikoshi. Het is dus duidelijk dat deze onderneming bij het vooronderzoek was betrokken en dat haar prijzen werden gebruikt bij de vaststelling van de betrokken dumpingmarges.
34. In die omstandigheden kan niet worden betwijfeld dat Nachi Europe rechtstreeks beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening voor het Gerecht had kunnen instellen. Tevens kan worden opgemerkt dat de datum van bekendmaking waarop de termijn voor het instellen van een dergelijk beroep begint te lopen geen probleem opleverde, omdat de bestreden verordening in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen was gepubliceerd en moet worden aangenomen dat Nachi Europe daarvan kennis droeg. Bovendien lijkt het onwaarschijnlijk dat deze onderneming zich niet bewust was van haar rechten ter zake, omdat niet enkel haar moedermaatschappij meermaals beroep tot nietigverklaring van een antidumpingverordening heeft ingesteld, maar zij in de eerste van deze procedures gezamenlijk met haar twee dochterondernemingen beroep had ingesteld. Eén van hen was Nachi (Deutschland) GmbH, kennelijk een vroegere benaming van Nachi Europe.
35. Tegen deze achtergrond zal ik nu de eerste van de twee belangrijkste vragen in deze zaak bespreken.
Het gevolg van de nietigverklaring voor de invoer van kogellagers van Nachi Fujikoshi
36. In zaak T-163/94, verzocht NTN om nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening voorzover hierbij aan verzoekster een antidumpingrecht wordt opgelegd" en in zaak T-165/94 verzocht Koyo Seiko de verordening nietig te verklaren voorzover zij verzoekster betreft". Het Gerecht vernietigde artikel 1 voorzover daarbij een antidumpingrecht aan verzoeksters wordt opgelegd".
37. Artikel 1 van de verordening bepaalt echter om te beginnen dat in beginsel op alle genoemde soorten kogellagers van oorsprong uit Japan een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld. Het artikel staat in een verordening van algemene strekking. Bovendien berustte de nietigverklaring op gronden die verband houden met de onjuistheid en/of onbetrouwbaarheid van de motivering in het algemeen en niet met één specifieke producent. Aangezien een arrest waarbij een communautaire maatregel wordt nietig verklaard werking erga omnes heeft, kan de vraag rijzen of de nietigverklaring zich hier niet noodzakelijkerwijs in het algemeen tot de instelling van het antidumpingrecht uitstrekte. Dit blijkt namelijk de benadering van Nachi Europe te zijn.
38. De Raad en de Commissie wijzen echter op de duidelijke formulering in het dictum van het nietigverklaringsarrest en op het arrest Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a. waarin het Hof oordeelde dat de nietigverklaring van een beschikking ten opzichte van bepaalde adressaten als gevolg van een door hen ingesteld beroep, geen gevolg heeft voor de geldigheid ten opzichte van de andere adressaten die geen partij in de procedure waren.
39. Met deze opvatting ben ik het in wezen eens, hoewel de situatie in de zaak Commissie/AssiDomän Kraft products e.a. en verschilt van die in deze zaak.
40. In de zaak Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a. ging het om de vraag of de Commissie verplicht was om na de nietigverklaring van haar beschikking, voorzover daarbij geldboetes waren opgelegd aan bepaalde deelnemers aan onderlinge prijsafspraken, de bij dezelfde beschikking aan andere adressaten die de beschikking niet hadden aangevochten opgelegde boetes te herzien, teneinde volledig aan het nietigverklaringsarrest te voldoen. Het feit dat deze vraag is opgeworpen en het uiteindelijke oordeel van het Hof dat een dergelijke verplichting niet voor de Commissie bestond, veronderstellen dat de nietigverklaring geen gevolgen ten opzichte van die andere adressaten kon hebben.
41. Een gedeeltelijke nietigverklaring van deze aard die enkel werkt ten gunste van de adressaten of van rechtstreeks en individueel geraakte partijen die de maatregelen hebben aangevochten is enkel mogelijk met betrekking tot handelingen die in werkelijkheid beschikkingen, of bundels beschikkingen zijn. Wanneer de bestreden handeling een echte" verordening is, zou een nietigverklaring, zelfs gedeeltelijk, van haar bepalingen erga omnes werken. Voorzover het gaat om exporteurs en met hen geassocieerde importeurs, behoort een antidumpingverordening tot de eerstgenoemde categorie, zodat een gedeeltelijke nietigverklaring in haar werking beperkt kan blijven tot individuele partijen.
42. Mijns inziens is duidelijk dat het arrest waarbij de bestreden verordening nietig is verklaard voorzover zij NTN en Koyo Seiko betrof, geen gevolgen heeft gehad voor de rechten die op andere betrokken kogellagers waren ingesteld.
43. In de eerste plaats was het dictum van het arrest uitdrukkelijk beperkt tot het aan verzoeksters" opgelegde recht. Zoals het Hof in het arrest Commissie/AssiDöman Kraft Products e.a. heeft verklaard, heeft een nietigverklaringsarrest, zowel wat het dictum als wat de tot staving daarvan noodzakelijke rechtsoverwegingen betreft, absoluut gezag en kan aan de hand van de rechtsoverwegingen de exacte betekenis van het dictum worden bepaald. De uitdrukkelijk beperkte betekenis van het dictum kan echter niet worden uitgebreid op grond van de redenering dat het arrest ook een ruimere betekenis had kunnen rechtvaardigen. Bovendien kan het gezag van een rechtsoverweging van een nietigverklaringsarrest [...] niet gelden ten aanzien van personen die geen partij waren bij het geding en te wier aanzien het arrest dus geen enkele beslissing kan bevatten".
44. Het dictum van het nietigverklaringsarrest was niet alleen uitdrukkelijk beperkt, maar de betekenis ervan kon ook niet ruimer worden gemaakt. Zoals het Hof in het arrest Commissie/AssiDomän Kraft products e.a. onder aanhaling van zijn vaste rechtspraak heeft verklaard, mag de gemeenschapsrechter niet ultra petita beslissen [...] en kan de door hem uitgesproken nietigverklaring derhalve niet verder gaan dan wat de verzoeker heeft gevorderd". Aangezien NTN en Koyo Seiko slechts om de nietigverklaring verzochten van de verordening voorzover zij hen betrof, was het Gerecht niet bevoegd om de verordening in enig ander opzicht nietig te verklaren.
45. NTN en Koyo Seiko verzochten alleen om nietigverklaring in die beperkte mate, maar zij konden ook niet om een uitgebreidere nietigverklaring verzoeken. In parallelle antidumpingprocedures betreffende kogellagers met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 30 mm stelde de Raad in 1984 een verordening vast, waarbij bijzondere rechten werden ingesteld op met name door NTN, Koyo Seiko, NSK en Nachi Fujikoshi vervaardigde producten. Deze vier ondernemingen stelden rechtstreeks beroep in tegen die verordening, waarbij elk van hen verzocht om een algemene ongeldigverklaring van de verordening. In elke zaak voerde de Raad aan dat het beroep enkel ontvankelijk moest worden verklaard voorzover het de specifieke producten van verzoekster betrof, en die stelling werd door het Hof in elke zaak in vrijwel identieke bewoordingen onderschreven.
46. In de zaak Nachi Fujikoshi verklaarde het Hof bijvoorbeeld:
Er moet echter op worden gewezen, dat de bestreden verordening geen algemene regels vaststelt, die voor een hele groep van handelaren gelden zonder onderscheid tussen hen te maken; integendeel, aan een aantal met name genoemde, in Japan en Singapore gevestigde fabrikanten of exporteurs van kleine kogellagers, evenals aan andere, niet aangeduide, ondernemingen die in deze landen dezelfde activiteit verrichten, worden uiteenlopende anti-dumpingrechten opgelegd. Onder deze omstandigheden wordt verzoekster enkel door die bepalingen van de bestreden verordening individueel geraakt, die haar een bijzonder anti-dumpingrecht opleggen en de hoogte ervan vaststellen, en niet door die, waarbij anti-dumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd.
Uit het voorafgaande volgt, dat de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid dient te slagen en dat de primaire vordering van verzoekster tot nietigverklaring van verordening nr. 2089/84 in haar geheel moet worden verworpen. Daarentegen moet wel de gegrondheid van de subsidiaire vordering worden onderzocht, strekkende tot nietigverklaring van die bepalingen van de bestreden verordening, die uitsluitend verzoekster betreffen."
47. Zeker, het Hof heeft in het kader van deze allereerste groep bij hem aanhangig gemaakte antidumpingzaken de verordening in haar geheel nietig verklaard. Daarbij overwoog het evenwel dat alle bij de verordening betrokken producenten partij waren in de procedure. Voorzover mij bekend heeft het Hof nog nooit een dergelijke verordening nietig verklaard jegens producten van producenten of van geassocieerde importeurs die geen partij in de procedure waren.
48. Ik ben er dan ook van overtuigd dat het Gerecht de in deze zaak bestreden verordening enkel nietig kon verklaren ten aanzien van NTN en Koyo Seiko.
49. Wellicht moet ik nog even ingaan op een omstandigheid die zou kunnen pleiten voor een ruimere werking van de nietigverklaring. Ik doel hierbij op het standpunt van het Hof bij de toelating van NSK en haar Europese dochterondernemingen als interveniënten in het beroep van NTN en Koyo Seiko.
50. Het Hof verklaarde dat NSK een zelfstandig beroepsrecht had tegen de bestreden verordening, omdat zij wel rechtstreeks en individueel werd geraakt door de bepalingen van de verordening waarbij een recht op haar producten werd opgelegd, maar niet door de andere bepalingen en dat zij, omdat zij geen beroep tot nietigverklaring had ingesteld, nog slechts kon interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van NTN en Koyo Seiko. Verder kwam het Hof tot de slotsom dat de belangen van de dochterondernemingen, omdat zij door NSK vervaardigde kogellagers invoerden waarvoor zij krachtens de verordening een specifiek antidumpingrecht betaalden, door het in hogere voorziening te wijzen arrest zouden worden geraakt en dat zij dus een rechtstreeks en daadwerkelijk belang hadden bij toewijzing van de conclusies van NTN en Koyo Seiko.
51. In die omstandigheden zie ik echter niet in welk belang NSK of haar dochterondernemingen bij de uitkomst van de zaak hadden, althans voorzover zij NTN en Koyo Seiko ondersteunden. De handhaving of nietigverklaring van het antidumpingrecht op de producten van NTN en Koyo Seiko kon geen rechtstreeks gevolg voor de bedrijfsactiviteiten van NSK hebben. Een indirect gevolg zou wel mogelijk zijn geweest, omdat nietigverklaring van het recht hun producten alleen maar competitiever dan die van NSK had kunnen maken, maar in dat geval zou men hebben verwacht dat NSK en haar dochterondernemingen de Commissie hadden ondersteund en niet NTN en Koyo Seiko.
52. Ik moet toegeven dat ik de beschikking waarbij de interventie werd toegestaan als onjuist beschouw. Het is denkbaar dat NSK belang kon hebben bij het resultaat van het beroep met het oog op bijvoorbeeld een nieuw onderzoek door de Commissie van de antidumpingmaatregelen, doch de beschikking bevat geen aanwijzing dat NSK dit had aangevoerd of dat het Hof dit in gedachten had. Het verzoek om interventie lijkt eerder te zijn gedaan en te zijn toegestaan op basis van een algemeen belang, onafhankelijk van de uitkomst van de zaak zelf. Het Hof was echter zeer duidelijk in zijn afwijzing van het door NSK gedane verzoek om bevestiging dat de nietigverklaring ook op haar producten van toepassing was.
53. Ik blijf dus bij mijn standpunt dat het arrest tot nietigverklaring van de bestreden verordening voorzover het NTN en Koyo Seiko betrof noch het arrest in hogere voorziening ook maar enig gevolg kon hebben voor de geldigheid van de instelling van een antidumpingrecht op door Nachi Fujikoshi vervaardigde kogellagers, hoewel dit niet betekent dat, zoals ik hierna zal verduidelijken, Nachi Fujikoshi of Nachi Europe daaraan geen enkel voordeel had kunnen ontlenen.
54. Ik zal nu ingaan op de tweede in deze zaak gestelde vraag die weliswaar net zo belangrijk is als de eerste vraag, maar in velerlei opzichten om iets heel anders gaat.
Het recht van Nachi Europe om zich voor de nationale rechter op de onwettigheid van de bestreden verordening te beroepen
Toepassing van het beginsel van het arrest TWD
55. Volgens vaste rechtspraak wordt om redenen van rechtszekerheid een beschikking die niet binnen de in artikel 230 EG gestelde termijn door de adressaat voor de communautaire rechterlijke instantie is aangevochten definitief jegens hem. Volgens het arrest TWD Textilwerke Deggendorf (hierna: arrest TWD") geldt hetzelfde voor niet-adressaten die rechtstreeks en individueel door de beschikking worden geraakt. Volgens ditzelfde arrest kan de beschikking in dat geval ook niet meer door hen voor de nationale rechter worden aangevochten of in het geding worden gebracht.
56. De zaak TWD betrof een ontvanger van staatssteun die moest worden terugbetaald op grond van een beschikking van de Commissie waarbij deze steun onwettig was verklaard. De ontvanger was in kennis gesteld van de beschikking van de Commissie en van zijn onbetwistbaar recht om daartegen beroep in te stellen, maar hij had dit niet tijdig gedaan, waarna hij voor de nationale rechter in een procedure betreffende de nationale maatregel tot terugvordering van de steun een beroep deed op de onwettigheid van de beschikking. Het Hof stelde vast dat de nationale rechter in een dergelijke feitelijke en juridische situatie krachtens het rechtszekerheidsbeginsel aan de beschikking van de Commissie was gebonden wegens de definitieve aard ervan.
57. In het arrest Accrington Beef is het Hof er kennelijk van uitgegaan dat het in het arrest TWD geformuleerde beginsel ook van toepassing is wanneer de betrokken handeling een verordening is. In die zaak wees het een exceptie van niet-ontvankelijkheid van een beroep op onwettigheid, die voor de nationale rechter was opgeworpen en met een verzoek om een prejudiciële beslissing naar het Hof was verwezen, niet alleen af omdat de bestreden handeling een verordening was, maar omdat zij een verordening was en een beroep van [verzoeksters] krachtens artikel [230 EG] niet zonder meer ontvankelijk zou zijn geweest".
58. Uit deze rechtspraak volgt dus dat een partij, wanneer hij een duidelijk recht heeft om rechtstreeks bij de communautaire rechterlijke instanties beroep tot nietigverklaring van een handeling in te stellen, dat ook moet doen, of anders moet zwijgen. Wanneer hij dit recht niet of niet duidelijk heeft, moet hem worden toegestaan om de geldigheid van deze handeling in het geding te brengen bij de nationale rechter, die het Hof van Justitie dan moet verzoeken om een prejudiciële beslissing.
59. Ik heb reeds vastgesteld dat Nachi Europe een ondubbelzinnig in de rechtspraak verankerd recht had om rechtstreeks voor het Gerecht beroep tegen de bestreden verordening in te stellen. Omdat zij niet binnen de gestelde termijn van twee maanden een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, kan zij zich op grond van het beginsel in het arrest TWD ook niet meer voor de nationale rechter op de onwettigheid van de verordening beroepen.
60. Daarmee is evenwel nog steeds niet alles gezegd. De onderhavige zaak verschilt van de zaak TWD omdat duidelijk vaststaat dat de bestreden verordening in haar geheel onwettig was, maar niettemin telkens bij invoer van goederen van de betrokken soort gevolgen bleef hebben. Ik zal hierna echter aantonen, dat de toepassing van het beginsel van het arrest TWD niet meebrengt dat op geen enkele wijze rekening met deze elementen zou kunnen worden gehouden. Ik moet nu evenwel eerst ingaan op een specifiek argument van Nachi Europe.
Het recht om bij exceptie een beroep op de onwettigheid te doen zonder aan een termijn te zijn gebonden
61. Ter terechtzitting heeft Nachi Europe betoogd, dat het beginsel van het arrest TWD onverenigbaar is met het in artikel 241 EG verleende recht om zich, ook al is de in artikel 230 EG bedoelde termijn voor de instelling van een rechtstreeks beroep verstreken, voor het Hof van Justitie op de niet-toepasselijkheid van een in geding zijnde verordening te beroepen.
62. Er moet worden beklemtoond dat artikel 241 EG op zich niet rechtstreeks in prejudiciële procedures van toepassing is. Uit de formulering ervan lijkt te volgen dat het artikel enkel betrekking heeft op rechtstreekse beroepen en geen plaats heeft in het kader van artikel 234 EG dat eigen bepalingen bevat voor naar het Hof verwezen vragen over de geldigheid van een communautaire maatregel indien dat probleem in nationale procedures aan de orde komt. Niettemin is het daarin verankerde algemene beginsel ook in het kader van artikel 234 EG van toepassing.
63. In het arrest Universität Hamburg verklaarde het Hof dat overeenkomstig een in [artikel 241 EG] tot uitdrukking komend algemeen beginsel [...] de verzoeker de mogelijkheid [moet] hebben in het kader van een volgens het nationale recht tegen de afwijzing van zijn verzoek ingesteld beroep de onwettigheid in te roepen van de beschikking van de Commissie die als grondslag dient voor het te zijnen aanzien genomen nationale besluit" en dat de vraag inzake de geldigheid van de beschikking in het kader van een prejudiciële procedure naar het Hof kan worden verwezen".
64. Mijns inziens gaat het hier om het beginsel dat een partij wier belangen zijn geschaad door een (nationale of communautaire handeling) die haar rechtstreeks en individueel raakt, het recht om die handeling aan te vechten niet mag worden ontzegd op de enkele grond dat het beroep niet kan slagen zonder een communautaire handeling van algemene strekking in geding te brengen die de basis voor de individuele handeling vormt en waartegen na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn geen rechtstreeks beroep meer kan worden ingesteld. In die omstandigheden kan de algemene handeling nog steeds worden aangevochten, voorzover dit noodzakelijk is om vast te stellen dat de individuele handeling onwettig is.
65. De in artikel 230 EG vastgestelde termijn van twee maanden is dus niet van toepassing wanneer de algemene handeling bij exceptie wordt aangevochten. Een communautaire uitvoeringshandeling moet uiteraard wel binnen de termijn van twee maanden worden aangevochten, maar krachtens artikel 241 EG kunnen de betrokken partijen zich, ongeacht de na de vaststelling van de basishandeling verstreken tijd, op de onwettigheid ervan beroepen. Wanneer het gaat om een nationale handeling, worden de termijnen voor het instellen van beroep tegen de uitvoeringshandeling bepaald door het nationale recht.
66. Wanneer de betrokken partij een natuurlijke of rechtspersoon is en niet een geprivilegieerde verzoeker zoals een lidstaat, die een automatische recht heeft om zelfs handelingen van algemene strekking voor het Hof aan te vechten , zal het feit dat niet binnen de gestelde termijn beroep tegen de basishandeling is ingesteld vrijwel zeker niet zijn te wijten aan het niet tijdig instellen van beroep, maar aan het feit dat die partij helemaal geen recht had om rechtstreeks beroep in te stellen.
67. Daarmee werd rekening gehouden in het arrest Simmenthal/Commissie, waarin het Hof bevestigde dat in artikel 241 EG een algemeen beginsel tot uitdrukking [komt] krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de vernietiging van een haar rechtstreeks en individueel rakende beschikking de rechtsgeldigheid van eerdere aan de beschikking ten grondslag liggende handelingen der instellingen mag aanvechten, wanneer zij niet krachtens [230 EG] rechtstreeks tegen die handelingen in beroep mocht komen, zodat zij, zonder vernietiging te mogen vorderen, de gevolgen ervan heeft te dragen".
68. Het recht om zich bij exceptie op de onwettigheid te beroepen is enkel van toepassing op handelingen van algemene strekking en strekt zich niet uit tot handelingen waardoor partijen rechtstreeks en individueel worden geraakt. Dit volgt uit de verwijzing in artikel 241 EG naar een verordening" (hoewel het artikel ook van toepassing is op een richtlijn die als rechtsgrondslag voor een latere handeling is gebruikt) en is door het Hof bevestigd in het arrest Salerno e.a./Commissie en Raad waarin het verklaarde dat de mogelijkheid om de niet-toepasselijkheid van een verordening in te roepen [...] slechts bij wege van incident [kan] worden benut; de geldigheid van de verordening is in geding voorzover zij de rechtsgrond vormt van de bestreden uitvoeringshandelingen", en in verband met een lidstaat in het arrest Commissie/België, waarin het Hof beklemtoonde dat artikel 241 in geen geval door de lidstaat die de adressaat van een (eerdere) individuele beschikking is, kan worden opgeworpen".
69. Aangezien het beginsel dat van toepassing is ingeval de geldigheid van een gemeenschapshandeling voor de nationale rechter bij exceptie wordt opgeworpen en een verwijzing naar het Hof volgt, hetzelfde is als het beginsel in artikel 241 EG, moeten in dat verband ook dezelfde beperkingen gelden. Zo niet, dan zou de termijn van artikel 230 EG bij handelingen die natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks en individueel raken in de praktijk een dode letter blijven.
70. In de specifieke context van antidumpingregels wordt de situatie waarin het beginsel van toepassing is geïllustreerd door het arrest Nakajima/Raad. In die zaak had de verzoekster, een Japanse producent op wiens producten bij verordening nr. 3651/88 een definitief antidumpingrecht was ingesteld, bij het Hof rechtstreeks beroep tot nietigverklaring van deze verordening ingesteld voorzover deze op haar betrekking had en verzocht om krachtens het huidige artikel 241 EG vast te stellen dat enkele bepalingen van de basisverordening, die als rechtsgrondslag voor verordening nr. 3651/88 had gediend, op haar niet van toepassing waren.
71. Er is echter niet voorzien in een situatie waarin de antidumpingverordening die de verzoeker rechtstreeks en individueel raakt buiten de daartoe gestelde termijn bij exceptie kan worden aangevochten, met andere woorden, er is eenvoudig geen ruimte voor de toepassing van het beginsel op een zaak als de onderhavige, waarin slechts de individuele maatregel en niet de daaraan ten grondslag liggende handeling wordt betwist.
72. Weliswaar kon de verzoeker in de zaak Universität Hamburg de geldigheid van een beschikking van de Commissie aanvechten in een beroep voor de nationale rechter tegen een krachtens die beschikking genomen besluit tot afwijzing van een verzoek om invoer met vrijstelling van rechten van een bepaald apparaat, doch in het arrest TWD heeft het Hof erop gewezen dat het daarbij ging om een zaak waarin de verzoeker in de nationale procedure nooit in een positie had verkeerd om de gemeenschapshandeling rechtstreeks te betwisten.
73. Nachi Europe kan niet stellen dat zij niet in staat was de bestreden verordening aan te vechten, maar enkel het nationale besluit tot heffing van de rechten. De bestreden verordening liet de nationale autoriteiten bij de uitvoering ervan geen enkele beoordelingsmarge, omdat de uitvoering zuiver automatisch verliep en uit de communautaire regeling voortvloeide, zonder dat daarvoor nadere regels moesten worden toegepast. Zo heeft het Hof in het arrest Nachi Fujikoshi e.a./Raad een exceptie van niet-ontvankelijkheid waarin was gesteld dat enkel de nationale uitvoeringshandelingen door de importeurs voor de nationale rechter konden worden aangevochten, afgewezen met de overweging dat bedoelde uitvoering volkomen automatisch verloopt en bovendien geen uitvoering van intermediaire nationale regelen, doch alleen van het gemeenschapsrecht is".
74. Voorzover het onderliggende algemene beginsel ook van toepassing is op dergelijke nationale regels, kan de werking ervan terecht worden beperkt in gevallen waaronder vele op het gebied van de mededinging, staatssteun en antidumping waarin de betrokkene duidelijk het recht had om rechtstreeks beroep tegen de gemeenschapshandeling in te stellen. Het doel van het beginsel is immers om rechtsweigering te voorkomen en er is geen sprake van een dergelijke weigering wanneer het de betrokkene die over een beroep beschikte enkel niet is toegestaan om een uitvoeringsmaatregel af te wachten teneinde zich achteraf op de onwettigheid van de daaraan ten grondslag liggende handeling te beroepen. In die omstandigheden lijkt mij toepassing van het arrest TWD in de onderhavige zaak niet onverenigbaar met het beginsel in artikel 241 EG.
Het arrest TWD en het probleem van de bevoegdheid om in rechte op te treden
75. Hoewel de vraag hier niet rechtstreeks rijst, moet kort melding worden gemaakt van de bezwaren van een aantal commentatoren tegen het arrest TWD die erop hebben gewezen dat de toepassing van het in dat arrest tot uitdrukking gebrachte beginsel afhankelijk is van de vaststelling van een duidelijk recht om krachtens 230 EG een beroep in te stellen en dat een dergelijk duidelijk recht dikwijls moeilijk is aan te tonen.
76. In mijn conclusie in die zaak was ik van mening dat enkel wanneer de bevoegdheid om in rechte op te treden geen enkele twijfel lijdt, de mogelijkheid om rechtstreeks beroep in te stellen uitsluit dat de betrokkene een handeling voor de nationale rechter bij exceptie aanvecht. Het Hof nam een soortgelijk standpunt in door erop te wijzen dat zijn beslissing op de feitelijke en juridische omstandigheden van het geval berustte en in het bijzonder op het feit dat TWD haar recht om beroep in te stellen zonder enige twijfel kende.
77. Deze uitgangspunten moeten mijns inziens bij de verdere toepassing van het beginsel worden gehandhaafd. Steeds wanneer zonder twijfel vaststaat dat de verzoeker rechtstreeks beroep had kunnen instellen, maar deze dat niet heeft gedaan en op veel gebieden, waaronder antidumping, zijn de criteria dikwijls veel duidelijker dan wordt beweerd zouden de nationale rechterlijke instanties moeten afzien van een verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid, omdat de beslissing reeds vooraf duidelijk is. Wanneer een nationale rechter zichzelf echter niet in staat acht om de noodzakelijke beslissing te nemen, dient hij het Hof te raadplegen. Om die reden ben ik het niet eens met het standpunt van de Raad dat de vraag van de nationale rechter in deze zaak op basis van het arrest TWD niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, hoewel de feitelijke en juridische situatie geen enkele twijfel toelaat over het recht van Nachi Europe om rechtstreeks beroep in te stellen.
Conclusies die in deze zaak moeten worden getrokken
78. Mijn bevindingen tot dusver, die erop neerkomen dat het arrest van het Gerecht waarbij de bestreden verordening is nietig verklaard voorzover zij de producten van NTN en Koyo Seiko betrof, geen gevolgen kon hebben voor het op de producten van Nachi Fujikoshi ingestelde recht, en dat Nachi Europe door de verordening niet rechtstreeks aan te vechten thans ook niet meer het recht heeft om de verordening bij exceptie aan te vechten, kunnen voor de beantwoording van de gestelde vragen volstaan.
79. Deze bevindingen betreffen verschillende hypotheses, maar het resultaat voor het hoofdgeding is in beide gevallen hetzelfde: de nationale rechter is aan de bestreden verordening gebonden voorzover daarbij een antidumpingrecht op de kogellagers van Nachi Fujikoshi is ingesteld.
80. Dat wil evenwel niet zeggen dat er voor een partij in Nachi Europe's positie geen enkele beroepsmogelijkheid meer zou hebben opengestaan.
81. Anders dan een beschikking waarbij een boete wordt opgelegd of de terugbetaling van staatssteun wordt gelast in beide gevallen gaat het om de betaling van één enkele geldsom heeft een antidumpingverordening telkens opnieuw gevolgen, steeds wanneer goederen worden ingevoerd waarvoor zij geldig blijft. Het is enigszins paradoxaal dat de bestreden verordening vanuit een positie van absolute onaantastbaarheid nog steeds dergelijke gevolgen zou kunnen hebben, ofschoon het Gerecht heeft bepaald dat de vaststelling ervan in een bepaald opzicht onwettig was.
82. De antidumpingbasisverordening voorziet in een tussentijds onderzoek naar de noodzaak van handhaving van antidumpingmaatregelen op verzoek van onder meer een exporteur of een importeur die voldoende bewijzen levert voor de noodzaak van een nieuw onderzoek. Afhankelijk van het resultaat van het nieuwe onderzoek kunnen de geldende maatregelen worden ingetrokken, gehandhaafd of gewijzigd. Hoewel de wetgever bij een omstandigheid die de noodzaak van een nieuw onderzoek rechtvaardigt waarschijnlijk niet in eerste instantie aan het bestaan van een nietigverklaringsarrest heeft gedacht, ben ik van mening dat de Commissie veeleer om redenen van goed bestuur dan ter vervulling van haar verplichtingen krachtens artikel 233 EG, waarom het in het arrest Commissie/AssiDöman ging, verplicht zou zijn om rekening met een dergelijk arrest te houden en in het bijzonder om na te gaan om welke redenen de verordening ongeldig werd verklaard.
83. Overigens is het interessant om op te merken dat in deze zaak een dergelijk nieuw onderzoek werd gestart in 1994, vóór het arrest van het Gerecht in de zaak NTN en Koyo Seiko niet op verzoek van één van de betrokken exporteurs of importeurs, maar op verzoek van de Federation of European Ball Bearing Manufacturers' Associations. Dat nieuwe onderzoek waaraan Nachi Fujikoshi meewerkte, leidde in 1997 tot de intrekking van de bestreden verordening, ongeveer vijf maanden voordat die verordening zou aflopen. Hoewel in de intrekkingsverordening geen melding wordt gemaakt van het arrest van het Gerecht, wordt in punt 31 van de considerans gezegd dat werd nagegaan of eventuele gevolgen voor de communautaire bedrijfstak niet veroorzaakt werden door andere factoren dan die welke werden toegeschreven aan de betrokken invoer".
84. Ten slotte merk ik nog op dat, hoewel de basisverordening geen specifieke bepaling bevat betreffende de intrekking met terugwerkende kracht als gevolg van een tussentijds nieuw onderzoek, het Gerecht in een recent arrest van oordeel was dat in specifieke feitelijke omstandigheden aan een wijziging die uit een nieuw onderzoek voortvloeit terugwerkende kracht moet worden gegeven wanneer de conclusies van het nieuwe onderzoek dat vereisen.
Conclusie
85. Ik geef het Hof in overweging om de vragen van het Finanzgericht Düsseldorf te beantwoorden als volgt:
Noch het arrest van het Gerecht in de gevoegde zaken T-163/94 en T-165/94 (NTN Corporation en Koyo Seiko/Raad) noch het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-245/95 P (Commissie/NTN en Koyo Seiko) had gevolgen voor de geldigheid van het antidumpingrecht dat bij verordening (EEG) nr. 2849/92 van de Raad van 28 september 1992 tot wijziging van het bij verordening (EEG) nr. 1739/85 ingestelde definitieve antidumpingrecht op de invoer in de Europese Gemeenschap van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm, van oorsprong uit Japan, is ingesteld op door Nachi Fujikoshi Corporation vervaardigde kogellagers.
Een importeur van deze producten, zoals Nachi (Europe) GmbH, die beschikte over een duidelijk recht om de geldigheid van dat antidumpingrecht rechtstreeks voor het Gerecht aan te vechten, maar dat niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan, kan die geldigheid niet meer achteraf in een nationale procedure bij exceptie aanvechten, ook al kan hij dezelfde gronden aanvoeren als die waarop deze verordening in de genoemde arresten met betrekking tot de instelling van andere rechten is nietig verklaard.
Full & Egal Universal Law Academy