Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. De door het administratieve gerecht van Heraklion voorgelegde vragen betreffen de uitlegging van het begrip gewone verblijfplaats" in de zin van richtlijn 83/182/EEG betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap. Daarnaast zijn tevens het evenredigheidsbeginsel en de bescherming van de goede trouw aan de orde.
II - De feiten
2. De vragen zijn gerezen in het kader van de administratiefrechtelijke toetsing van de beschikking van 8 januari 1996 waarbij aan verzoeker in het hoofdgeding een boete is opgelegd wegens de vermeend illegale invoer van drie motorvoertuigen. De Griekse autoriteiten hebben verzoeker een aanslag opgelegd voor het betalen van verhoogde douanerechten en boetes voor een bedrag van in totaal 83 516 969 GRD, vermeerderd met andere heffingen voor een bedrag van 2 004 410 GRD.
3. In detail gaat het om de volgende bedragen:
- een boete van 100 000 GRD voor elk motorvoertuig dat hij zonder aangifte in Griekenland heeft ingevoerd,
- een boete van 5 000 000 GRD voor elk van de twee motorvoertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 2 001 cc, en een boete van 1 000 000 GRD voor een motorvoertuig met een cilinderinhoud van minder dan 1 300 cc, en
- dubbele douanerechten en andere heffingen (ofwel 36 108 840 GRD x 2), die hij volgens de douaneautoriteiten opzettelijk heeft ontdoken.
4. De boete was ingegeven door het feit dat verzoeker zijn gewone verblijfplaats in Griekenland had. Hij bewoonde daar met zijn familie een huis, zijn kinderen bezochten de plaatselijke school en hij had in Heraklion een vennootschap opgericht met als doel de handel in en de in- en uitvoer van olijfolie.
5. Volgens de verwijzingsbeschikking werd verzoeker in 1956 te Chania (Kreta) geboren. Hij heeft sinds meer dan vijftien jaar de Italiaanse nationaliteit. Hij woont sinds 1974 in Italië, heeft een huis in Florence en bezit een Italiaanse identiteitskaart en paspoort waaruit blijkt dat hij sinds 1991 zijn vaste verblijfplaats in Florence heeft. Volgens de opmerkingen van de Griekse regering bezit hij tevens een Grieks paspoort.
6. Verzoeker is architect, maar is sinds vele jaren in Italië als handelaar actief. Op 15 september 1986 richtte hij met zijn echtgenote de Eterorrythmi Etairia (commanditaire vennootschap) Studio Fiorentino Oikonomikes Epicheirises P. Louloudakis kai Eia EE (Studio Fiorentino SAS)" op, gevestigd te Florence. Het statutaire doel van de firma is de handel in en de in- en uitvoer van apparaten en olijfolie en de mogelijkheid om installaties/opslagruimtes in Italië en in het buitenland te creëren. Er zijn aangiftes voor de inkomstenbelasting van de vennootschap over de aanslagjaren 1990 tot en met 1995.
7. De vennootschap kocht in 1989 een Fiat Iveco, in 1991 een Ford Fiësta en in 1993 een BMW, waarop de boete betrekking heeft. De voertuigen zijn bij een Italiaanse verzekeringsmaatschappij verzekerd. In 1993, 1994 en 1995 waren de Fiat Iveco en de Ford Fiësta echter ook tijdelijk bij Griekse verzekeringsmaatschappijen verzekerd. Volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter zijn alle drie voertuigen als personenvoertuigen in de zin van de richtlijn aan te merken.
8. Op 17 september 1993 richtte verzoeker met zijn echtgenote in Chania een vennootschap op met als doel de verpakking van oliën en vetten, waarvan de werkzaamheden volgens de belastingaangifte over 1994 3 686 355 GRD aan bruto-inkomsten uit de verkoop van olijfolie opleverden en in 1994 leidden tot het uitschrijven van een eerste rekening met leveringsbon (nr. 1) voor 25 ton olijfolie, die voor levering van Kastelli naar Italië werd vervoerd.
9. Op 2 november 1994 richtte verzoeker bovendien de naamloze vennootschap Kritiki Viomichania Elaioladou AE (KRI-V-EL) op, gevestigd te Chania. Zij heeft geen noemenswaardige werkzaamheden ontplooid, staakte haar activiteiten na het instellen van de procedure tegen verzoeker, en werd op 17 juli 1995 ontbonden.
10. Verzoeker deed over 1993 en 1994 gezamenlijk met zijn echtgenote belastingaangifte over zijn inkomsten in Griekenland; hij gaf aan als architect geen inkomsten te hebben genoten en enkel zijn echtgenote deed in 1994 aangifte van een nettowinst van 931 250 GRD uit de handel in olijfolie. Sinds 1982 is verzoeker bij de Tameio syntaxeos michanikon ergolavon dimosion ergon (pensioenverzekering voor bouwkundige ingenieurs en aannemers) als voornaamste verzekeraar verzekerd. Volgens een verklaring van de Dievthynsi Poleodomias (directie stadsplanning) Chania heeft hij echter tot oktober 1995 in Griekenland geen opdrachten uitgevoerd. Verzoeker verklaart, ook in Italië verzekerd te zijn.
11. In 1991 en in 1995 verlengde hij zijn Italiaanse rijbewijs dat hij sinds 1984 bezit.
12. Hij is ingeschreven op de kieslijsten van de Italiaanse gemeente San Severo, en nam op 21 april 1996 aan de verkiezingen deel.
13. Zijn oudste zoon bezocht in het schooljaar 1994/1995 de tweede klas van lagere school Korais te Chania. Ook gedurende het daaraan voorafgaande schooljaar bezocht hij diezelfde school. Verzoeker zet echter uiteen, dat zijn kinderen ook een school in Florence bezochten. De gezondheidsdienst van San Severo bevestigt, dat de oudste zoon op 18 augustus 1994, 24 september 1994 en 25 februari 1995 tegen hepatitis B is ingeënt.
III - De prejudiciële vragen
14. In het kader van de administratiefrechtelijke toetsing van de rechtmatigheid van de boetebeschikking heeft het administratieve gerecht het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
1) Moet artikel 7, lid 1, [tweede alinea], van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, aldus worden uitgelegd, dat de gewone verblijfplaats van een onderdaan van lidstaat A zich bevindt in land A, waar hij sinds jaren succesvol werkzaam is als architect en als handelaar via een commanditaire vennootschap, en waar hij een woning aanhoudt en het grootste deel van zijn productieve tijd doorbrengt, dan wel in land B, waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit en waar hij eveneens zelfstandige activiteiten onderneemt op verwant zo niet hetzelfde gebied, waar hij een woning huurt en een deel van zijn tijd is gaan doorbrengen, en er ook voldoet aan zijn fiscale verplichtingen, bijgestaan door zijn vrouw, die als vennoot met een aandeel in die ondernemingen aan alle bovenbedoelde activiteiten in beide landen, A en B, deelneemt?
Zijn er behalve de genoemde bepalingen ook andere criteria aan de hand waarvan de gewone verblijfplaats kan worden bepaald, indien de aanvankelijke aanwijzing problematisch is?
2) Is het in overeenstemming met het communautaire evenredigheidsbeginsel, dat een bezitter of gebruiker van een particulier motorvoertuig zonder recht op tijdelijke vrijstelling, die zich naar nationaal recht slechts schuldig maakt aan een eenvoudige douaneovertreding, op basis van het uitsluitende criterium van de cilinderinhoud van dat voertuig als specifieke administratieve sanctie een boete kan worden opgelegd (zoals die van artikel 88, lid 2, sub g, van wet nr. 2127/93), van één tot vijf miljoen GRD per voertuig, welk bedrag de courante handelswaarde van het voertuig, mede gelet op de ouderdom ervan, verre overtreft?
3) Kan het geheel van administratieve maatregelen, daaronder begrepen de tenlastelegging van smokkel, die door de daartoe bevoegde lidstaat B worden toegepast ter zake van douaneovertredingen (gelet op het ontbreken van harmonisatie van de nationale wetgevingen), leiden tot sancties die oplopen tot een veelvoud (het tienvoudige) van de oorspronkelijke aankoopwaarde van het goed in lidstaat A, zonder dat het vrije verkeer van goederen en personen daardoor wordt belemmerd?
Zo neen, zijn er dan criteria voor begrenzing tot wat strikt noodzakelijk is voor het bereiken van de nagestreefde doelen?
4) Vloeit uit richtlijn 83/182/EEG of enige andere bepaling een verplichting voor de lidstaten voort om bij het opleggen van administratieve sancties in gevallen die verband houden met genoemde richtlijn, rekening te houden met de goede trouw van de betrokkenen en de afwezigheid van bedrieglijk opzet (bijvoorbeeld onwetendheid)?"
IV - Toepasselijke bepalingen
1) De gemeenschapsrechtelijke bepalingen
Richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (hierna: richtlijn")
15. De vrijstelling van heffingen bij tijdelijke invoer van motorvoertuigen is gebaseerd op artikel 1, lid 1, van richtlijn 83/182/EEG. Die bepaling luidt als volgt:
De lidstaten verlenen onder de hierna vastgestelde voorwaarden bij de tijdelijke invoer uit een lidstaat van motorvoertuigen [...] vrijstelling:
- van omzetbelasting, accijnzen en alle andere verbruiksbelastingen;
- van de in de bijlage genoemde belastingen."
16. Voor het onderhavige geval zijn verder de volgende bepalingen van belang:
Artikel 4
1. Vrijstelling van de in artikel 1 bedoelde belastingen wordt verleend bij de tijdelijke invoer van een personenvoertuig voor beroepsmatig gebruik, onder de volgende voorwaarden:
a) de particulier die het personenvoertuig invoert:
aa) moet zijn gewone verblijfplaats hebben in een andere lidstaat dan die van de tijdelijke invoer;
bb) mag het voertuig binnen de lidstaat van tijdelijke invoer niet gebruiken voor het vervoer van personen tegen betaling of ander materieel voordeel of voor het industrieel en/of commercieel vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling;
[...]
c) het personenvoertuig moet zijn verkregen of ingevoerd met toepassing van de algemene belastingregeling, geldende voor de binnenlandse markt van de lidstaat waarin de gebruiker zijn gewone verblijfplaats heeft, en mag niet uit hoofde van zijn uitvoer in aanmerking komen voor ontheffing of teruggave van omzetbelasting, accijnzen of andere verbruiksbelastingen.
Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld wanneer dit voertuig voorzien is van een gewone kentekenplaat van de lidstaat van registratie, met uitzondering van tijdelijke kentekenplaten.
[...]"
17. Artikel 7 van richtlijn 83/182 luidt als volgt:
1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ,gewone verblijfplaats verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen, of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen, waaruit nauwe banden tussen hemzelf en de plaats waar hij woont blijken.
De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen gelegen in twee of meer lidstaten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt wanneer de betrokkene in een lidstaat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.
2. Particulieren tonen met passende middelen, met name met hun identiteitskaart of enig ander legitimatiebewijs, aan waar hun gewone verblijfplaats is.
3. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van invoer de juistheid van de verklaring van de gewone verblijfplaats die is afgelegd overeenkomstig lid 2 in twijfel trekken of met het oog op bepaalde specifieke controles, kunnen zij om aanvullende inlichtingen of bewijsstukken verzoeken."
2) De nationale voorschriften
a) Wet nr. 2127/1993
18. Wet nr. 2127/1993 (A 48) bevatte ten tijde van de feiten van het hoofdgeding de volgende relevante bepalingen:
Artikel 75:
Auto's en motorfietsen die [...] uit andere lidstaten van de Gemeenschap in het land worden gebracht, vallen onder de bijzondere verbruiksbelasting die wordt geheven op ingevoerde of in het land zelf geproduceerde gelijksoortige voertuigen."
[...]
Artikel 84:
2. De vrijstelling van de bijzondere verbruiksbelasting ingevolge de desbetreffende bepalingen voor voertuigen die worden ingevoerd krachtens de tijdelijke invoerregeling op voorwaarde van wederuitvoer, geldt onder dezelfde voorwaarden ook voor voertuigen als bedoeld in artikel 75, die uit andere lidstaten van de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd voor tijdelijk gebruik in het binnenland."
Artikel 88:
1. Ontduiking of poging tot ontduiking van de verschuldigde belastingen en overige heffingen en niet-inachtneming van de door de wet voorgeschreven formaliteiten met het oogmerk van ontduiking van bedoelde belastingen en overige heffingen, worden bestraft volgens het bepaalde in de artikelen 89 en volgende van wet nr. 1165/1918 (douanewet).
2. Onverminderd de toepassing van de in het vorige lid bedoelde bepalingen, worden al naar het geval, tevens de volgende boetes opgelegd:
a) voor verzuim van aangifte als voorgeschreven in artikel 79, leden 1 en 2: een boete van 100 000 GRD per voertuig [...];
[...]
g) voor de houder of gebruiker van een voertuig als bedoeld in artikel 75, die niet in het genot is van de in artikel 84, lid 2, bedoelde tijdelijke vrijstelling, gelden de volgende boetes:
- tot 1 300 cc: 1 000 000 GRD,
- tussen 1 300 en 1 600 cc: 2 000 000 GRD [...],
- tussen 1 601 en 2 000 cc: 3 000 000 GRD [...],
- vanaf 2 001 cc: 5 000 000 GRD [...].
Deze boetes zijn onmiddellijk verschuldigd, en een eventueel beroep voor de administratieve rechter heeft geen schorsende werking.
[...]"
b) Wet nr. 1165/1918
19. Artikel 97, lid 3, van de douanewet (wet nr. 1165/1918 - A 73) bepaalt:
Wie op enigerlei wijze deelneemt aan de in artikel 89, lid 2, van deze wet bedoelde douaneovertreding, wordt afhankelijk van de mate van zijn deelneming en ongeacht of hij strafrechtelijk wordt vervolgd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 100 en volgende van deze wet hoofdelijk aangeslagen tot betaling van twee tot tien maal het bedrag van de op het goed drukkende invoerrechten, heffingen en rechten, waarbij ieder voor het geheel hoofdelijk aansprakelijk is [...]"
c) Besluit nr. 247/13/1-3
20. Het besluit van de minister van Financiën nr. 247/13/1-3 van 6 april 1988, betreffende de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen en artikelen voor persoonlijk gebruik bepaalt onder andere:
A - Artikel 1:
1. Onder het regime van tijdelijke invoer als geregeld in onderhavig besluit, is invoer toegestaan zonder betaling van invoerrechten en andere belastingen daarover, van personenauto's [...] die zijn bestemd om tijdelijk in het land te blijven en vervolgens wederom te worden uitgevoerd binnen de per geval te stellen termijn [...]"
[...]
Artikel 4:
1. [...] De particulier die de in artikel 1 genoemde goederen tijdelijk wil invoeren, moet cumulatief: a) zijn gewone woonplaats buiten Griekenland hebben, b) voor tijdelijk verblijf naar Griekenland komen, en c) de goederen voor persoonlijk gebruik aanwenden.
2. De verblijfsduur van de goederen is begrensd tot een al dan niet ononderbroken periode van zes maanden per periode van twaalf maanden, welke periode met nogmaals negen maanden kan worden verlengd; wanneer de betrokkene echter beroepsbezigheden in Griekenland heeft, wordt een verlenging met ten hoogste drie maanden toegestaan [...]"
Artikel 5:
1. Degene die een personenvoertuig tijdelijk wenst in te voeren voor bedrijfsmatig gebruik, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 3, moet cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) zijn gewone verblijfplaats buiten Griekenland hebben,
b) het voertuig in Griekenland niet gebruiken voor personenvervoer tegen betaling of andere materiële voordelen, noch voor industrieel of commercieel vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling.
2. De verblijfsduur van het personenvoertuig is begrensd tot een al dan niet ononderbroken periode van zeven maanden per tijdvak van twaalf maanden voor handelsvertegenwoordigers, en van zes maanden voor alle andere gevallen.
3. Indien in uitzonderingsgevallen de douaneautoriteiten ondanks de voorgelegde bewijsstukken omtrent de gewone verblijfplaats ernstige twijfels blijven behouden, wordt het voor bedrijfsgebruik bestemde personenvoertuig voor voorlopige invoer ingevolge het onderhavige besluit toegelaten tegen storting van een waarborg van zodanige hoogte dat een eventuele vordering van de Staat daardoor wordt gedekt. Wanneer de rechthebbende uiteindelijk bewijst dat hij zijn gewone verblijfplaats heeft in een ander land, moeten de douaneautoriteiten de waarborg terugstorten binnen twee maanden na de datum waarop het bewijs is overgelegd."
B - Artikel 3:
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder gewone verblijfplaats verstaan: de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen, al dan niet ononderbroken, per kalenderjaar [zie artikel 15, lid 2, sub a, van wet nr. 2187/1994 (A 94)], wegens persoonlijke en beroepsmatige banden met die plaats, of, bij ontbreken van een bedrijfsmatige band, wegens persoonlijke banden van de betrokken persoon met de plaats waar hij woont. Niettemin wordt de normale woonplaats van een persoon wiens beroepsmatige banden zich op een andere plaats bevinden dan zijn persoonlijke banden, en die daarom achtereenvolgens op verschillende plaatsen in twee of meer landen verblijf houdt, geacht zich te bevinden op de plaats van zijn persoonlijke belangen, mits hij regelmatig naar die plaats terugkeert. Die laatste voorwaarde vervalt wanneer de betrokkene in een land verblijft voor de uitvoering van een missie van bepaalde tijdsduur. Studie aan een universiteit of andere onderwijsinrichting brengt geen verandering van de normale woonplaats met zich."
d) Circulaire 366/26 Pol. 10
21. In de ter uitvoering van besluit 247/1988 vastgestelde circulaire 366/26 Pol. 10 van de minister van Financiën worden als bewijsstukken" in de zin van artikel 7, lid 3, van richtlijn 83/182 genoemd: het paspoort, de identiteitskaart, het bewijs van inschrijving in de gemeente, verblijfs- en arbeidsvergunning, belastingaangiften, verzekeringsattesten, andere gegevens omtrent de verblijfplaats van de andere familieleden, alsmede ieder gegeven waaruit de gewone verblijfplaats kan worden afgeleid.
V - Argumenten van partijen
22. Verzoeker meent, dat de voertuigen slechts tijdelijk in Griekenland zijn ingevoerd. Zij zijn eigendom van de vennootschap Studio Fiorentino en zijn voor haar rekening en ten behoeve van haar bedrijfsbelangen in Griekenland ingevoerd. De bestelauto Fiat Iveco is voor het vervoer van goederen binnen Italië of naar Italië gebruikt, de personenvoertuigen voor reizen van verzoeker of van de medewerkers van de vennootschap binnen en buiten Italië voor beroepsmatige contacten. Tussen september 1994 en februari 1995 werden in en buiten Italië met al deze voertuigen reizen gemaakt en transporten verricht. Derhalve konden zij zich niet tegelijkertijd langdurig in Griekenland bevinden. Eigenlijk zijn zij pas tussen 1 en 8 maart 1995 in Griekenland aangekomen.
23. Volgens verzoeker heeft de BMW een waarde van 10 200 000 ITL, ofwel ongeveer 1 200 000 GRD, en de Ford een waarde van 8 000 000 ITL of 1 200 000 GRD. De voertuigen waren niet veel meer waard, zodat geen sprake kan zijn van smokkel in de omvang en zwaarte als ten laste gelegd (over de BMW werden voor 31 181 280 GRD aan douanerechten en heffingen geheven, en over de Ford 4 156 050 GRD), nu de waarde van de drie voertuigen tezamen op dat tijdstip niet meer dan 4 000 000 GRD bedroeg.
24. Verzoeker stelt, dat richtlijn 83/182 met betrekking tot de voorschriften inzake het bewijs van de gewone verblijfplaats (artikel 7, leden 2 en 3 van de richtlijn) niet naar behoren in nationaal recht is omgezet. Verder stelt hij, dat de vaststelling van de verbruiksbelasting en andere heffingen voor de drie voertuigen een schending vormt van artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG). Het in de waarde van de voertuigen inbegrepen BTW-bedrag is in strijd met de wet in de heffinggrondslag meegerekend. Bovendien is bij de vaststelling van de heffinggrondslag voor de speciale verbruiksbelasting op ingevoerde gebruikte voertuigen sprake van discriminatie ten opzichte van binnenlandse voertuigen. Ten slotte komt verzoeker op tegen het onevenredige verschil dat bestaat tussen de sancties die worden opgelegd bij de invoer van voertuigen zonder betaling van de speciale verbruiksbelasting en soortgelijke overtredingen in het binnenland.
25. De Griekse regering is van mening, dat het onderhavige geval niet onder richtlijn 83/182 valt. Verzoekers plaats van arbeid en de verblijfplaats van zijn familie lopen voor hem niet uiteen. Dit is echter een voorwaarde voor toepassing van artikel 7, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn. Overigens gaat het in het onderhavige geval veeleer om een feitelijk probleem bij de toepassing van artikel 7, lid 1, van de richtlijn, dan om de rechtsvraag volgens welke criteria de gewone verblijfplaats" in de zin van genoemde voorschriften moet worden bepaald.
26. Voor de bepaling van de gewone verblijfplaats" moeten volgens de Griekse regering alle in artikel 7 genoemde criteria in aanmerking worden genomen. Blijkens de uiteenzetting van de feiten is verzoekers gewone verblijfplaats" sinds 1993 in Griekenland gelegen. Beslissend is dat de verwijzende rechter van verzoeker het bewijs verlangde dat hij ten minste 185 dagen per jaar op één van beide plaatsen verblijft.
27. Met betrekking tot de vraag van de evenredigheid van de opgelegde boetes stelt de Griekse regering om te beginnen, dat de lidstaten bij ontbreken van harmonisatie op dit gebied bevoegd zijn de hoogte van de boetes vast te stellen. Volgens haar is geen sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel. Strenge boetes zijn noodzakelijk om frauduleuze praktijken tegen te gaan, omdat een permanente controle van alle in Griekenland rijdende en in andere lidstaten geregistreerde voertuigen onmogelijk is. Het afstemmen van de hoogte van de boetes op de cilinderinhoud is evenredig, omdat de verkoopwaarde van het voertuig functie is van de cilinderinhoud.
28. De Griekse regering is verder van mening, dat de forfaitaire vaststelling van de boetes evenredig is. Dit is tevens een middel tot afschrikking.
29. De verdubbeling van het boetebedrag is eveneens gerechtvaardigd, om naleving van de invoerregelingen te verzekeren.
30. De Griekse regering stelt voor ook de laatste vraag van het administratieve gerecht ontkennend te beantwoorden. De vraag of rekening moet worden gehouden met verzoekers goede trouw moet alleen volgens het nationale recht worden beantwoord.
31. De Commissie deelt verzoekers juridische bezwaren. Met betrekking tot de bepaling van verzoekers gewone verblijfplaats" is zij van mening, dat voor het onderhavige geval overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de richtlijn door middel van overleg tussen de Griekse en de Italiaanse regering een oplossing moet worden gevonden, omdat het inderdaad moeilijk is aan de hand van de gegeven aanknopingspunten verzoekers verblijfplaats ondubbelzinnig vast te stellen.
32. Zou blijken dat verzoekers verblijfplaats in Italië is gelegen, dan is hij op grond van de richtlijn van elke heffing vrijgesteld. Blijkt dat hij zijn verblijfplaats van Italië naar Griekenland heeft verplaatst, dan moet hij alleen aan de registratieheffing worden onderworpen en niet aan de verbruiksbelasting. Zou blijken dat verzoeker nooit zijn woonplaats in Italië heeft gehad, dan zou hij beide heffingen moeten betalen. Het Hof heeft dit laatste in zijn arrest van 23 oktober 1997, Commissie/Griekenland (C-375/95) reeds onevenredig verklaard.
33. Wat de boetes betreft, meent de Commissie dat zij onevenredig zijn, omdat het bepalen van verzoekers gewone verblijfplaats buitengewoon moeilijk is. Deze rechtsonzekerheid houdt in dat er niet kan worden van uitgegaan dat verzoeker opzettelijk fraude zou hebben gepleegd. Ten slotte is het onevenredig om boetes vast te stellen die hoger zijn dan de dagwaarde van het voertuig.
IV - Juridische beoordeling
De eerste vraag
34. De eerste vraag van de verwijzende rechter betreft het onderlinge verband tussen de criteria van artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182. Het gaat om de afweging van de beroepsmatige en de persoonlijke belangen.
35. De verwijzende rechter stelt de volgende criteria tegenover elkaar: verzoeker heeft de nationaliteit van staat A, oefent er werkzaamheden uit als zelfstandige, bezit er een woning, brengt er het grootste gedeelte van zijn arbeidstijd door; hij heeft de nationaliteit van staat B, oefent er werkzaamheden uit als zelfstandige, huurt er een huis, en betaalt er belastingen. Deze opsomming maakt duidelijk dat de verwijzende rechter zich voor de bepaling van de gewone verblijfplaats in de twee gevallen op dezelfde criteria baseert, namelijk de nationaliteit, de beroepsactiviteiten en de beschikking over woonruimte.
36. De opvatting van de Griekse regering dat het in het onderhavige geval enkel om feitelijke vragen gaat, kan niet worden aanvaard. Uit de vraag van het administratieve gerecht blijkt immers, dat verzoeker het grootste gedeelte van zijn arbeidstijd in staat A (Italië) doorbrengt en pas sedert kort een deel van zijn tijd in staat B (Griekenland) doorbrengt. In zoverre kan de vraag van de verwijzende rechter aldus worden opgevat, dat het gaat om de afweging van de beroepsmatige belangen enerzijds, in relatie tot de persoonlijke belangen anderzijds.
37. Volgens de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van de richtlijn moet de gewone verblijfplaats aan de hand van de persoonlijke en beroepsmatige bindingen van een persoon worden bepaald. Het gebruik van het voegwoord en" duidt op de gelijkwaardigheid van de criteria.
38. Hieraan doet niet af, dat meteen daarop wordt gepreciseerd, dat in geval van een persoon zonder beroepsmatige bindingen moet worden uitgegaan van de persoonlijke bindingen. Hier vervalt alleen de omstandigheid van de beroepsmatige bindingen, zonder dat verdere omstandigheden worden toegevoegd. Het gaat derhalve enkel om het in acht nemen van twee bevolkingsgroepen, de actieve en de niet-actieve bevolking.
39. Toch kan uit de context van die regeling iets anders worden afgeleid. Artikel 7, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn bepaalt namelijk, dat wanneer de plaats van de beroepsmatige bindingen en de plaats van de persoonlijke bindingen niet samenvallen, de plaats van de persoonlijke bindingen beslissend is. Deze voorrang van de plaats van de persoonlijke bindingen geldt echter enkel op voorwaarde dat die persoon op geregelde tijden naar die plaats terugkeert. Als dit wordt toegepast op de vaststellingen van de verwijzende rechter, volgens welke verzoeker het grootste gedeelte van zijn arbeidstijd in staat A doorbrengt en pas sedert kort een deel van zijn tijd in staat B doorbrengt, betekent dit dat de verwijzende rechter moet uitmaken of verzoeker op geregelde tijden naar staat B terugkeert.
40. Dat verzoekers kinderen ten minste tijdelijk een school in staat B hebben bezocht, zou voor het bepalen van verzoekers gewone verblijfplaats irrelevant moeten zijn. Volgens artikel 7, lid 1, tweede alinea, derde volzin, van de richtlijn houdt immers zelfs het schoolbezoek van degene tot wie de regel is gericht, dat wil zeggen verzoeker in het hoofdgeding zelf, niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst". Het schoolbezoek van zijn kinderen kan dus a fortiori niet de verplaatsing van zijn gewone verblijfplaats meebrengen.
41. Nog afgezien van de analyse van de bewoordingen en de systematische samenhang van de bepaling moet erop worden gewezen, dat het Hof van Justitie in zijn rechtspraak altijd heeft benadrukt, dat alle criteria van artikel 7, lid 1, van de richtlijn tezamen in aanmerking moeten worden genomen. Onder verwijzing naar de rechtspraak op andere gebieden van het gemeenschapsrecht heeft het Hof de gewone verblijfplaats" in de zin van richtlijn 83/182 omschreven als de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gekozen. Op grond hiervan moet derhalve rekening worden gehouden met alle relevante feiten ter bepaling van de gewone verblijfplaats als het permanente centrum van zijn belangen.
42. In het arrest Ryborg heeft het Hof zich ook nog op een subjectief element gebaseerd. Afgezien van de zuiver objectieve omstandigheden, heeft het Hof zich afgevraagd of de betrokkene in het kader van zijn gedragingen blijk heeft gegeven van zijn bedoeling om zich in een andere lidstaat te vestigen dan die waarin hij tot dan toe zijn gewone verblijfplaats had. Ook advocaat-generaal Saggio is er in zijn conclusie bij de zaak Swaddling van uitgegaan, dat uit de objectieve omstandigheden moet blijken dat de betrokkene heeft beslist om zijn woonplaats in een bepaalde lidstaat te kiezen. Die zaak betrof een kwestie van sociale zekerheid; het Hof heeft zich in zijn arrest ook gebaseerd op de intentie van de werknemer zoals die uit het geheel van omstandigheden blijkt.
43. In een geval als dat waarin de verwijzende rechter thans uitspraak moet doen, waarin de verzoeker blijk geeft van beroepsmatige en persoonlijke bindingen zowel in lidstaat A als in lidstaat B, moet aan het subjectieve element doorslaggevende betekenis worden verleend. Verzoeker heeft de dubbele nationaliteit, heeft in beide lidstaten een onderneming en een woning, zijn gezin verbleef in de periode in kwestie, vanaf 1993, in de twee lidstaten. Indien de zaak niet door middel van een wederzijds akkoord tussen de Griekse en de Italiaanse autoriteiten overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de richtlijn wordt opgelost, zoals de Commissie voorstelt, maar waar de Griekse regering blijkbaar niet voor voelt, en waartoe zij ook - hetgeen ik hier uitdrukkelijk benadruk - noch volgens de bewoordingen van de richtlijn noch volgens de rechtspraak verplicht is, dan kan enkel verzoekers intentie uitkomst brengen. De verwijzende rechter moet derhalve alle omstandigheden onderzoeken waaruit verzoekers beroepsmatige en persoonlijke bindingen blijken en daaruit het centrum van zijn belangen afleiden. Daarbij moet de vraag worden gesteld, of uit verzoekers gedragingen sinds 1993 zijn intentie blijkt om zijn tot dat tijdstip onomstreden in Italië gelegen gewone verblijfplaats naar Griekenland te verplaatsen.
44. Ik geef het Hof derhalve in overweging de eerste vraag aldus te beantwoorden, dat de vraag of de gewone verblijfplaats" als bedoeld in artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, van een onderdaan van staat A gelegen is in staat A,
- waar hij sinds jaren succesvol als architect en als handelaar via een commanditaire vennootschap werkzaamheden ontplooit, waar hij een woning heeft en het grootste deel van zijn arbeidstijd doorbrengt,
dan wel in staat B,
- waarvan hij eveneens de nationaliteit heeft en waarin hij gelijktijdig een naar haar aard gelijksoortige werkzaamheid verricht, waar hij een woning heeft gehuurd, waar hij sedert kort een deel van zijn tijd doorbrengt, waar hij belastingen betaalt, en waar hij in zijn activiteiten wordt gesteund door zijn echtgenote, die in de twee landen aan alle werkzaamheden deelneemt en als vennoot een aandeel in die ondernemingen bezit,
moet worden beantwoord door de nationale rechter en autoriteiten aan de hand van alle omstandigheden waaruit blijkt waar het centrum van zijn belangen is gelegen. Daarbij moet ook de eventuele intentie van de betrokkene om zijn oorspronkelijke gewone verblijfplaats te verlaten en ze naar elders over te brengen in aanmerking worden genomen.
De tweede vraag
45. De tweede vraag betreft de evenredigheid van de opgelegde administratieve boetes.
46. Alvorens op de details van deze vraag in te gaan, zou ik enkele voorafgaande opmerkingen willen maken.
In de eerste plaats geldt de hierna volgende uiteenzetting enkel in geval van opzettelijke ontduiking van de verschuldigde heffingen. Bij de behandeling van de vierde vraag zal ik op de eventuele goede trouw van de heffingplichtige ingaan.
In de tweede plaats geldt het hierna volgende slechts voorzover de heffingen voor ingevoerde voertuigen, in het bijzonder de verbruiksbelasting waarover het ging in het arrest in zaak Commissie/Griekenland (C-375/95), in overeenstemming met het gemeenschapsrecht worden vastgesteld. De verwijzende rechter wijst in dit verband zelf op het arrest van 5 juni 1997, SETTG (C-398/95, Jurispr. blz. I-3091). Ik ga er derhalve van uit dat de verwijzende rechter die arresten bij zijn beslissing in aanmerking neemt.
In de derde plaats wil ik erop wijzen, dat de betwiste aanslag volgens de verwijzingsbeschikking ingevolge artikel 97, lid 3, van wet 1165/1918 verhoogde douanerechten oplegt voor een bedrag van het dubbele van de douanerechten. De genoemde bepaling knoopt op haar beurt aan bij de omschrijving van de douaneovertreding in artikel 89, lid 2, van wet 1165/1918. Die bepaling noemt niet de douanerechten, maar heffingen in het algemeen. In het onderhavige geval zou dat de ingevolge artikel 75 van wet 2127/1993 bij invoer verschuldigde verbruiksbelasting moeten zijn. Dit blijkt echter niet eenduidig uit de verwijzingsbeschikking, zodat ik duidelijkheidshalve wil preciseren, dat krachtens artikel 9 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 23 EG) in beginsel geen douanerechten mogen worden geheven op vervoermiddelen die zich in een lidstaat in het vrije verkeer bevinden en die vandaar uit naar Griekenland worden vervoerd. Worden derhalve met de betwiste aanslag daadwerkelijk douanerechten geheven, dan is die aanslag in zoverre niet met het gemeenschapsrecht verenigbaar.
47. Wat nu de tweede vraag betreft, zij opgemerkt, dat zij de ingevolge artikel 88, lid 2, sub g, van wet 2127/1993 aan verzoeker in het hoofdgeding opgelegde boete betreft die uitsluitend op grond van de cilinderinhoud van het betreffende voertuig wordt vastgesteld. De verwijzende rechter vraagt of deze wijze van vaststelling, die in het geheel geen rekening houdt met de dagwaarde van het voertuig, verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. Om te beginnen moet worden geconstateerd, dat de lidstaten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bevoegd zijn huns inziens passende regelingen vast te stellen betreffende de sancties op overtredingen bij invoer, met name om belastingontduiking tegen te gaan. Dit heeft het Hof precies met betrekking tot de omzetting van richtlijn 83/182 bevestigd. Bij het vaststellen van die sanctieregelingen beschikken de lidstaten over een beoordelingsmarge.
48. Het sanctiestelsel mag echter niet tot gevolg hebben, dat afbreuk wordt gedaan aan het door het Verdrag gegarandeerde vrije verkeer. Dit zou het geval zijn bij een sanctie die een hinderpaal wordt voor de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde vrijheid. De sanctie moet passend en noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel.
49. Het opleggen van een boete is een passend middel om ervoor te zorgen dat invoerheffingen worden betaald. Aangezien er geen minder ingrijpend middel is om te verzekeren dat de verschuldigde rechten worden betaald, is het opleggen van een boete ook een noodzakelijk middel. Het is echter de vraag of het vaststellen van de hoogte van de boete uitsluitend op grond van de cilinderinhoud een passend middel vormt.
50. Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld, dat de opgeworpen vraag slechts een gedeelte van de opgelegde boete betreft, namelijk het gedeelte dat is opgelegd ingevolge artikel 88, lid 2, sub g, van wet 2127/1993. Een ander gedeelte wordt op grond van het bedrag van de verschuldigde heffingen (artikel 97, lid 3, van wet 1165/1918), respectievelijk forfaitair (artikel 88, lid 2, sub a, van wet 2127/1993) berekend. In hoeverre de verschuldigde heffingen zijn gebaseerd op de waarde van het ingevoerde goed, valt uit de verwijzingsbeschikking niet af te leiden. Het kan echter niet worden uitgesloten, dat de waarde van het motorvoertuig in dit kader in aanmerking wordt genomen.
51. Met betrekking tot het ingevolge artikel 88, lid 2, sub g, opgelegde deel van de boete moet worden vastgesteld, dat de cilinderinhoud van een motorvoertuig om te beginnen een objectief criterium is. Bij de vaststelling van de hoogte van de opgelegde boete kan er derhalve geen sprake zijn van discriminatie. Het Hof heeft heffingssystemen die op de cilinderinhoud van het belaste motorvoertuig als objectief criterium zijn gebaseerd, verenigbaar met het gemeenschapsrecht verklaard.
52. Verder moet worden opgemerkt, dat de waarde van een motorvoertuig misschien niet evenredig aan zijn cilinderinhoud is, zoals de Griekse regering betoogt, maar dat de cilinderinhoud op zijn minst toch een beslissende factor is voor het motorvermogen, en dat de motor op zijn beurt een essentiële factor is voor de bepaling van de waarde van het voertuig. In zoverre bestaat er tussen de waarde van een voertuig en zijn cilinderinhoud op zijn minst een verband.
53. Wat vervolgens het geval betreft dat de op grond van de cilinderinhoud berekende boete eventueel hoger uitvalt dan de verkoopwaarde van het betrokken voertuig, moet worden opgemerkt, dat de berekening van verbruiksbelasting voor motorvoertuigen in de regel ook wordt gebaseerd op onveranderlijke grootheden, zoals de cilinderinhoud of het motorvermogen, en dat de aldus berekende belasting ook niet vermindert naarmate de verkoopwaarde daalt. Over een tien jaar oude auto is hetzelfde belastingbedrag verschuldigd als over een nieuwe auto.
54. Bovendien moet in aanmerking worden genomen, dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de door verzoeker in Italië betaalde aankoopprijs voor de volgens de Griekse voorschriften vastgestelde boete. Op grond van de naar gemeenschapsrecht toegestane verschillen in belasting kan de verkoopwaarde van een voertuig in de twee landen aanzienlijk uit elkaar lopen. De naar Grieks recht vastgestelde boete is te zien in de algemene context van de boetes die naar Grieks recht kunnen worden opgelegd en refereert terecht hoogstens aan de Griekse verkoopwaarde, niet echter aan de verkoopwaarde in andere lidstaten.
55. Op grond van de hierboven gemaakte overwegingen moet een regeling die uitsluitend is gebaseerd op de cilinderinhoud als passend worden beschouwd en derhalve evenredig worden verklaard.
56. Mitsdien geef ik het Hof in overweging op de tweede vraag te antwoorden, dat in het geval van een persoon die een voertuig voor persoonlijk gebruik bezit of gebruikt en geen recht op tijdelijke vrijstelling van heffingen heeft, hetgeen naar nationaal recht een loutere douaneovertreding oplevert, geen sprake is van een schending van het gemeenschapsrechtelijke evenredigheidsbeginsel, wanneer bij het opleggen van een bijzondere administratieve sanctie, met name een geldboete (zoals die op grond van artikel 88, lid 2, sub g, van wet 2127/1993) voor een bedrag van één tot vijf miljoen GRD per voertuig, uitsluitend wordt uitgegaan van het criterium van de cilinderinhoud van het voertuig en die boete hoger is dan de marktwaarde van het voertuig, gelet op de ouderdom ervan.
De derde vraag
57. Met zijn derde vraag onderzoekt de verwijzende rechter de verenigbaarheid van een boete met de beginselen van het vrije verkeer van goederen en van personen. De door lidstaat B opgelegde administratieve sanctie kan volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter het tienvoudige van de oorspronkelijke aankoopprijs van het goed in lidstaat A bedragen.
58. Met deze vraag gaat het derhalve om het totale bedrag van de in de aanslag opgelegde boete. Zoals reeds vermeld, voldoen administratieve sancties slechts aan de normen van het gemeenschapsrecht indien zij geen hinderpaal vormen voor de uitoefening van de door het EG-Verdrag gegarandeerde vrijheden.
59. Met betrekking tot richtlijn 83/182 kan dit beginsel ook op de eerste twee overwegingen van de considerans van die richtlijn worden gefundeerd, volgens welke het [...] vrije verkeer van ingezetenen van de Gemeenschap binnen de Gemeenschap wordt belemmerd door de belastingregelingen die worden toegepast bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen voor persoonlijk of beroepsmatig gebruik", en het opheffen [...] van de door deze belastingregelingen veroorzaakte belemmeringen vooral noodzakelijk is voor de vorming van een economische markt met soortgelijke kenmerken als een binnenlandse markt". Het Hof heeft deze beschermingsdoelstelling van richtlijn 83/182 in zijn arrest Ryborg bevestigd.
60. Nationale voorschriften op grond waarvan een boete kan worden opgelegd die een veelvoud van de oorspronkelijke aankoopwaarde van het goed in een andere lidstaat bedraagt, zijn zeker een passend middel om belastingontduiking te voorkomen en mensen af te brengen van het voornemen een dergelijke overtreding te begaan. Zoals de Griekse regering bovendien betoogt, acht zij de zware straffen ter afschrikking noodzakelijk, omdat een permanente controle van de met buitenlandse kentekenplaten in Griekenland rijdende auto's onmogelijk is.
61. Zoals reeds is uiteengezet, bestaat de boete in het onderhavige geval uit drie delen: verschuldigde heffingen vermenigvuldigd met twee, een boete op basis van de cilinderinhoud, en een forfaitaire boete. Met betrekking tot de verdubbeling van de heffingen kan worden verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal La Pergola in de zaak Klattner, waarin hij een administratieve sanctie die 100 % van het totaalbedrag van de douanerechten en andere heffingen bedroeg, met het gemeenschapsrecht verenigbaar achtte. Ik sluit mij bij deze opvatting aan. Een administratieve sanctie heeft niet alleen de tenuitvoerlegging van een belastingaanslag tot doel, zij is bovendien bedoeld ter afschrikking.
62. Dit bedrag wordt in het onderhavige geval echter verhoogd met verdere bedragen, namelijk de op grond van de cilinderinhoud vastgestelde boete en de forfaitaire boete voor elk niet aangegeven motorvoertuig. Als men deze bedragen met elkaar in verband brengt, dan blijkt dat van het totaalbedrag van 83 517 680 GRD reeds 72 216 960 GRD, en dus het overgrote gedeelte, de verdubbeling van de verschuldigde heffingen betreft, waarvan in het voorgaande punt reeds is vastgesteld dat zij rechtmatig is. De op basis van de cilinderinhoud verschuldigde boete bedraagt voor verzoekers drie voertuigen 11 000 000 GRD en de forfaitair vastgestelde boete 300 000 GRD. Deze deelbedragen vormen derhalve nauwelijks een zevende van de totale boete, hetgeen de beoordelingsmarge waarover de lidstaten bij het vaststellen van de sancties beschikken niet te buiten gaat. Het verschil tussen de door verzoeker op 4 000 000 GRD berekende verkoopwaarde van de motorvoertuigen en de hoogte van de boete is integendeel opnieuw terug te voeren op de verschillen in verkoopwaarde van motorvoertuigen in de beide betrokken lidstaten. Die verschillen worden op hun beurt weer verklaard door de verschillen die - wegens ontbrekende harmonisatie op communautair niveau - tussen de nationale belastingregelingen bestaan.
63. In het algemeen zij er nog op gewezen, dat op de beginselen van vrij verkeer van goederen en van personen geen beroep kan worden gedaan om de wegens het ontbreken van gemeenschapsrechtelijke harmonisatie van de belastingvoorschriften tussen de lidstaten bestaande verschillen weg te nemen of boetes voor opzettelijke belastingontduiking te verminderen. De regelingen betreffende het vrije verkeer van personen kunnen niet bedoeld zijn om wetsovertredingen in de hand te werken. In het geval van een regelmatige aangifte van voertuigen zijn echter, althans volgens de verwijzingsbeschikking, geen heffingen verschuldigd die het vrije verkeer van goederen of van personen belemmeren. Zoals hierboven reeds gezegd, is sprake van een berekening van de verschuldigde verbruiksbelasting in overeenstemming met het gemeenschapsrecht.
64. Mitsdien geef ik het Hof in overweging op de derde prejudiciële vraag te antwoorden, dat administratieve maatregelen die de (gelet op het ontbreken van harmonisatie van de nationale regelingen) bevoegde lidstaat B op het gebied van de douaneovertredingen als passend beschouwt, in totaal (mede gelet op de aanklacht wegens smokkel) tot sancties mogen leiden die een veelvoud (het tienvoudige) van de oorspronkelijke aankoopprijs van het goed in lidstaat A bedragen, zonder dat daardoor inbreuk wordt gemaakt op het vrije verkeer van goederen en van personen.
65. De in het kader van de derde vraag door de verwijzende rechter gestelde extra vraag, of er criteria bestaan voor de afbakening van hetgeen strikt noodzakelijk is voor het bereiken van de nagestreefde doelen, is met de bovenstaande uiteenzettingen reeds beantwoord. Een boete is het minst strenge middel dat ter beschikking staat voor het uitvoeren van de belastingaanslagen van de staat, en de gepastheid daarvan moet op grond van objectieve en zakelijke aanknopingspunten worden bepaald.
De vierde vraag
66. De laatste vraag van het administratieve gerecht betreft de verplichting om bij het opleggen van administratieve sancties de eventuele goede trouw en het ontbreken van opzet van de dader in aanmerking te nemen.
67. Richtlijn 83/182 bevat geen bepalingen betreffende de door de lidstaten toe te passen sancties bij overtredingen van de belastingvoorschriften. Zoals reeds vermeld zijn de lidstaten derhalve bevoegd een regeling te geven betreffende de boetes die verschuldigd zijn bij overtredingen met betrekking tot belastingen en heffingen. De vraag of omstandigheden die de persoon van de dader betreffen, zoals zijn eventuele goede trouw, in aanmerking moeten worden genomen, moet derhalve eveneens volgens het recht van de lidstaten worden beoordeeld.
68. Daarbij moet er echter, zoals ik ook reeds heb uiteengezet, op worden gelet, dat de nationale sanctie de verwezenlijking van de door het gemeenschapsrecht gegarandeerde vrijheden, als bijvoorbeeld het vrije verkeer van personen, niet belemmert. Daarbij komt dat richtlijn 83/182, zoals blijkt uit de eerste twee overwegingen van de considerans ervan, de uit de bestaande belastingregelingen voortvloeiende belemmeringen van het vrije verkeer van personen moet opheffen. Wanneer nu een burger van de Unie het recht van vrij verkeer uitoefent en zijn in een lidstaat toegelaten motorvoertuig te goeder trouw in een andere lidstaat gebruikt zonder de voorschriften van dat land betreffende de aangifte van motorvoertuigen in acht te nemen, dan beantwoordt het aan de doelstelling van richtlijn 83/182 dat bij de vaststelling van de administratieve sanctie met die goede trouw rekening wordt gehouden. Deze conclusie stemt ook overeen met de door het EG-Verdrag nagestreefde bevordering van het goederenverkeer en de door de Gemeenschap nagestreefde onderlinge aanpassing op lange termijn van de belastingregelingen van de lidstaten.
69. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vierde vraag aldus te beantwoorden, dat uit de doelstelling van richtlijn 83/182 om de uitoefening van het recht op vrij verkeer van personen te vergemakkelijken, voor de lidstaten een verplichting voortvloeit om bij het opleggen van administratieve sancties in gevallen die onder die richtlijn vallen, rekening te houden met de goede trouw van de betrokkene en met het ontbreken van opzet tot ontduiking (bijvoorbeeld onwetendheid).
VII - Conclusie
70. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de door het administratieve gerecht Heraklion voorgelegde vragen aldus te beantwoorden:
1) De vraag of de gewone verblijfplaats" in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, van een onderdaan van staat A gelegen is in staat A,
- waar hij sinds jaren succesvol als architect en als handelaar via een commanditaire vennootschap werkzaamheden ontplooit, waar hij een woning heeft en het grootste deel van zijn arbeidstijd doorbrengt,
dan wel in staat B,
- waarvan hij eveneens de nationaliteit heeft en waarin hij gelijktijdig een naar haar aard gelijksoortige werkzaamheid verricht, waar hij een woning heeft gehuurd, waar hij sedert kort een deel van zijn tijd doorbrengt, waar hij belastingen betaalt, en waar hij in zijn activiteiten wordt gesteund door zijn echtgenote, die in de twee landen aan alle werkzaamheden deelneemt en als vennoot een aandeel in die ondernemingen bezit,
moet door de nationale rechter en autoriteiten worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden waaruit blijkt waar het centrum van zijn belangen is gelegen. Daarbij moet ook het eventuele voornemen van betrokkene om zijn oorspronkelijke gewone verblijfplaats te verlaten en naar elders over te brengen in aanmerking worden genomen.
2) In het geval van een persoon die een voertuig voor persoonlijk gebruik bezit of gebruikt en geen recht op tijdelijk vrijstelling van heffingen heeft, hetgeen naar nationaal recht een loutere douaneovertreding oplevert, is geen sprake van een schending van het gemeenschapsrechtelijke evenredigheidsbeginsel, wanneer bij het opleggen van een bijzondere administratieve sanctie, met name een geldboete, uitsluitend wordt uitgegaan van het criterium van de cilinderinhoud van het voertuig en die boete hoger is dan de marktwaarde van het voertuig, gelet op de ouderdom ervan.
3) Administratieve maatregelen die de (gelet op het ontbreken van harmonisatie van de nationale regelingen) bevoegde lidstaat B op het gebied van de douaneovertredingen als passend beschouwt, mogen in totaal tot sancties leiden die een veelvoud van de oorspronkelijke aankoopprijs van het goed in lidstaat A bedragen, zonder dat daardoor inbreuk wordt gemaakt op het vrije verkeer van goederen en van personen.
De afbakening van hetgeen strikt noodzakelijk is voor het bereiken van de nagestreefde doelen, moet in het kader van een toetsing van de evenredigheid van de maatregelen worden vastgesteld. Daarbij moet met name de gepastheid ervan op grond van objectieve en zakelijke aanknopingspunten worden bepaald.
4) Uit de doelstelling van richtlijn 83/182 om de uitoefening van het recht op vrij verkeer van personen te vergemakkelijken, vloeit voor de lidstaten een verplichting voort om bij het opleggen van administratieve sancties in gevallen die onder die richtlijn vallen, rekening te houden met de goede trouw van de betrokkene en met het ontbreken van opzet tot ontduiking (bijvoorbeeld onwetendheid).
Full & Egal Universal Law Academy