Conclusie van de advocaat generaal
1. In de onderhavige niet-nakomingsprocedure verzoekt de Commissie het Hof:
1) vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de ingevolge de artikelen 12 EG, 43 EG en 49 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door een regeling in stand te laten volgens welke gemeenschapsonderdanen die als dienstverrichter in Italië de werkzaamheid van expediteur uitoefenen, ingeschreven moeten zijn in een bijzonder register bij de Kamer van Koophandel, na voorafgaande goedkeuring van het Ministerie van Binnenlandse zaken;
2) de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.
2. De Commissie uit kritiek op twee bepalingen van de Italiaanse wet nr. 1442 van 14 november 1941, in de redactie zoals die ten tijde van de precontentieuze procedure gold. Artikel 4, eerste alinea, van deze wet schrijft voor, dat elke in een andere lidstaat gevestigde expediteur die zijn werkzaamheid in Italië wenst uit te oefenen, zich moet inschrijven in een bijzonder register bij de Kamer van Koophandel. Dit inschrijvingsvereiste is volgens de Commissie onverenigbaar met het beginsel van de vrijheid van dienstverrichting. Voor een marktdeelnemer die in een andere lidstaat dan Italië is gevestigd, vormt dit vereiste een belemmering om zijn werkzaamheid in Italië uit te oefenen.
3. Volgens artikel 6, laatste alinea, van de wet moeten ondernemingen die door buitenlandse onderdanen worden vertegenwoordigd, bij de inschrijvingsaanvraag de goedkeuring van het Ministerie van Binnenlandse zaken voegen. Dit vereiste acht de Commissie onverenigbaar met het beginsel van de vrijheid van vestiging en het beginsel van gelijke behandeling.
4. In haar verweerschrift heeft de Italiaanse regering deze grieven niet bestreden. Met betrekking tot artikel 4 van de wet heeft zij een wetswijziging aangekondigd en met betrekking tot artikel 6 heeft zij meegedeeld, dat de bekritiseerde bepaling zal worden ingetrokken.
5. Niet betwist kan worden, dat het verzuim op de in het kader van de niet-nakomingsprocedure relevante datum, dat wil zeggen na afloop van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, nog niet was beëindigd. De Italiaanse Republiek moet derhalve overeenkomstig het verzoek van de Commissie worden veroordeeld. De beslissing omtrent de kosten vloeit voort uit artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
Conclusie
6. Ik geef het Hof in overweging te beslissen als volgt:
1) Door een regeling in stand te laten volgens welke gemeenschapsonderdanen die als dienstverrichter in Italië de werkzaamheid van expediteur uitoefenen, ingeschreven moeten zijn in een bijzonder register bij de Kamer van Koophandel, na voorafgaande goedkeuring van het Ministerie van Binnenlandse zaken, is de Italiaanse Republiek de ingevolge de artikelen 12 EG, 43 EG en 49 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten."
Full & Egal Universal Law Academy