CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
S. ABER
van 13 september 2001 ( 1 )
I — Inleiding
1.
In de onderhavige procedure verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek verschillende op haar rustende verplichtingen krachtens de richtlijn inzake de erkenning van architectendiploma's niet is nagekomen en tevens, wat sommige nationale bepalingen op dit gebied betreft, de beginselen van de vrijheid van vestiging of van het vrij verrichten van diensten heeft geschonden.
II — Het juridisch kader
A — Richtlijn 85/384/EEG ( 2 )
2.
Richtlijn 85/384 regelt de onderlinge erkenning van diploma's op het gebied van de architectuur in het kader van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten. Te dien einde stelt zij de minimumeisen voor de opleiding van architect vast en geeft zij bovendien een definitie van bepaalde andere titels die de lidstaten dienen te erkennen. Ten slotte bevat richtlijn 85/384 enkele bepalingen die de daadwerkelijke uitoefening van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten moeten vergemakkelijken. Krachtens artikel 31, lid 1, van richtlijn 85/384 moest deze binnen twee jaar na haar bekendmaking zijn omgezet, dat wil zeggen uiterlijk op 5 augustus 1987. Wat de in artikel 22 neergelegde bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten betreft, was de termijn drie jaar.
3.
De relevante bepalingen worden gedetailleerd vermeld in het kader van de verschillende middelen.
B — De Italiaanse bepalingen
4.
Pas na de vaststelling van een schending van het Verdrag bij het arrest van 11 juli 1991 in de zaak Commissie/Italië ( 3 ), heeft de Italiaanse Republiek bij decreet van de president van de Republiek nr. 129 van 27 januari 1992 ( 4 ) (hierna: „decreet nr. 129/92”) richtlijn 85/384 ten dele omgezet. Artikel 12 van dit decreet voorzag in verdere maatregelen tot omzetting binnen een termijn van zes maanden. Dit geschiedde op 10 juni 1994 in de vorm van decreet nr. 776 van de minister van Universiteiten en Wetenschappelijk en Technologisch Onderzoek ( 5 ) (hierna: „decreet nr. 776/94”).
5.
De verschillende bepalingen van deze decreten worden, ter wille van de duidelijkheid, voorzover nodig samen met de verschillende middelen voorgesteld.
III — Procedure en conclusies
6.
Bij schrijven van 24 september 1996 stelde de Commissie de Italiaanse regering in gebreke door erop te wijzen dat richtlijn nr. 85/384 deels onjuist en deels onvolledig was omgezet, en gaf zij haar twee maanden de tijd om te reageren. De Italiaanse regering antwoordde niet op deze ingebrekestelling. In haar met redenen omklede advies van 23 maart 1998 heeft de Commissie de Italiaanse regering uitgenodigd, binnen een termijn van twee maanden een eind te maken aan de volgens de Commissie bestaande inbreuken. Deze termijn is zonder resultaat afgelopen op 23 mei 1998.
7.
Bij verzoekschrift van 9 augustus 1999 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht:
I.
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 12, 20, 22, 27 en 31 van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd, en wat punt 3 hieronder betreft, krachtens artikel 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG), door:
1)
niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, alsmede de artikelen 7, 11 en 14 van richtlijn 85/384,
2)
de volgende bepalingen vast te stellen:
—
artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub a, van decreet nr. 776/94, dat de algemene verplichting oplegt het originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan over te leggen,
—
artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94, waarbij de overlegging van een nationaliteitsbewijs algemeen verplicht wordt gesteld,
—
artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94, waarbij de officiële vertaling van documenten stelselmatig verplicht wordt gesteld,
—
artikel 11, lid 1, sub e en d, van decreet nr. 129/92, waarbij de geldigheid van de attesten tot na 5 augustus 1987 wordt verlengd;
3)
de architect die in Italië diensten verricht, te verbieden in dit land over een infrastructuur te beschikken (artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92),
4)
de architect die diensten verricht te verplichten zich bij de territoriaal bevoegde provinciale raad van de orde van architecten in te schrijven (artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikelen 7 en 8 van decreet nr. 776/94) volgens andere regels dan die welke in artikel 22 van de richtlijn zijn voorgeschreven, en
5)
artikel 4, leden 6 tot en met 8, van decreet nr. 129/92 toe te passen op een wijze die niet overeenstemt met artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384;
II.
de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.
8.
De Italiaanse Republiek verzoekt het beroep te verwerpen.
IV — Beoordeling
9.
In de eerste plaats wil ik erop wijzen dat de Italiaanse Republiek, schriftelijk en ter terechtzitting, in antwoord op een vraag van het Hof melding heeft gemaakt van recentere bepalingen van Italiaans recht, die architecten uit andere lidstaten een rechtspositie verschaffen die beter is dan die welke in de onderhavige zaak wordt onderzocht. Ook al zou dit juist zijn, dan nog is dit in casu irrelevant. Deze bepalingen werden pas vastgesteld na het instellen van het beroep, en dus zeker na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Aangezien alleen de situatie feitelijk en rechtens bij het verstrijken van deze termijn voor het voorwerp van de niet-nakomingsprocedure van belang is ( 6 ), zijn deze recentere maatregelen zonder betekenis voor de uitkomst van de onderhavige procedure.
A — De grief dat de artikelen 4, leden 1 en 2, 11 en 14 van richtlijn 85/384 niet zijn omgezet
10.
Om te beginnen brengt de Commissie haar grieven naar voren met betrekking tot enkele niet-omgezette bepalingen.
11.
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/384 regelt in de hier relevante tweede alinea de erkenning van titels die aan Duitse Fachhochschulen worden behaald. Artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/384 bepaalt onder welke voorwaarden een opleiding in het kader van de sociale verheffing of van parttime universitaire studies erkend moet worden.
12.
Artikel 11 staat in hoofdstuk III van richtlijn 85/384, dat overgangsbepalingen ter bescherming van verworven rechten bevat. Dit artikel geeft een lijst van titels uit verscheidene lidstaten die ingevolge artikel 10, onafhankelijk van de in artikel 3 gestelde eisen, tot automatische erkenning leiden, wanneer de rechthebbende op de datum van kennisgeving van richtlijn 85/834 reeds in het bezit was van deze kwalificatie of, uiterlijk in de loop van het derde academiejaar volgende op deze kennisgeving, begonnen was met de opleiding om deze titel te behalen. De oorspronkelijke versie van artikel 11 van richtlijn 85/384 werd uitgebreid na de toetreding van Spanje en Portugal. In verband met een nieuwe titel werd op 2 april 1986 een rectificatie gepubliceerd. ( 7 ) De grief van de Commissie is, dat bij de omzetting van richtlijn 85/384 met deze rectificatie geen rekening is gehouden.
13.
Artikel 14 van richtlijn 85/384 bevat bepalingen met betrekking tot de erkenning van door de voormalige Duitse Democratische Republiek afgegeven opleidingstitels. Deze bepalingen werden niet in Italiaans recht omgezet.
Argumenten van partijen
14.
De Italiaanse Republiek stelt dat de bepalingen van de richtlijn rechtstreeks toepasselijk zijn, omdat zij voldoende duidelijk, precies en onvoorwaardelijk zijn. Door de rechtstreekse werking ervan is schending van het Verdrag uitgesloten. Bij latere wijzigingen is wat noodzakelijk was, toegevoegd. De rechtstreekse werking is ook geen probleem voor de rechtszekerheid, omdat het Italiaanse recht geen met de richtlijn strijdige bepalingen bevat.
15.
Voorts maakt de Italiaanse Republiek een onderscheid tussen de formele verplichting een richtlijn om te zetten en de verplichting de doelstellingen van de richtlijn te verwezenlijken. De eerste verplichting kan niet door verwijzing naar rechtstreekse werking van bepalingen, maar alleen door vaststelling van rechtsregels vervuld worden. Dit laatste is geschied bij de decreten nr. 129/92 en nr. 776/94. Nu moet alleen nog onderzocht worden of Italië de doelstellingen heeft verwezenlijkt die in de richtlijn worden genoemd. Daarbij kan men met rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de richtlijn zeker rekening houden. In de onderhavige zaak heeft de Commissie niet aangetoond dat in Italië de doelstellingen van de genoemde bepalingen van de richtlijn niet zijn verwezenlijkt.
16.
De Commissie is van mening dat de rechtstreekse werking van een richtlijn niet in de plaats kan komen van de rechtstreekse omzetting in de interne rechtsorde. Volgens vaste rechtspraak hebben de lidstaten zorg te dragen voor een volledige en nauwkeurige toepassing van de bepalingen van iedere richtlijn. ( 8 )
17.
De rechtstreekse werking vormt slechts een minimumwaarborg voor de individuele burger. Deze ingevolge artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 249, derde alinea, EG) aan de lidstaten opgelegde minimumwaarborg kan voor een lidstaat geen rechtvaardiging vormen om niet tijdig de nodige uitvoeringsmaatregelen te nemen die aan het doel van elke richtlijn beantwoorden. ( 9 )
18.
Ten slotte vormt de loutere aankondiging dat een richtlijn zal worden omgezet, geen rechtvaardiging.
Beoordeling
19.
Overeenkomstig artikel 5, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 10, lid 1, EG) juncto artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag zijn de lidstaten verplicht richtlijnen volledig en nauwkeurig om te zetten. ( 10 ) Weliswaar heeft de Italiaanse Republiek de richtlijn bij twee decreten omgezet, maar zij heeft met betrekking tot de artikelen 1, lid 1, en 4, lid 2, van richtlijn 85/384 geen bepalingen vastgesteld. Onbetwist is ook, dat de Italiaanse Republiek weliswaar alle in artikel 11 van richtlijn 85/384 bedoelde titels — ook wat Spanje en Portugal betreft — expressis verbis in een bijlage bij decreet nr. 129/92 heeft opgesomd, maar met de voornoemde rectificatie geen rekening heeft gehouden. De omzetting was derhalve onvolledig.
20.
Volgens vaste rechtspraak is het eveneens uitgesloten dat een lidstaat zich op de rechtstreekse werking van richtlijnen beroept om zich tegen het verwijt van onvolledige omzetting te verdedigen. ( 11 )
21.
Deze rechtspraak berust op het feit dat alleen de volledige omzetting voor de burger rechtsduidelijkheid en rechtszekerheid schept. Zolang de richtlijn niet correct in nationaal recht is omgezet, zijn de individuele burgers niet in staat de precieze omvang van hun rechten te kennen. Zelfs al zou het Hof vastgesteld hebben dat de een of andere bepaling van een richtlijn voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om daarop voor een nationale rechter een beroep te doen, dan volgt daaruit, tenminste voor de juridische leek, nog niet dat hij zeker weet wat zijn rechten zijn. ( 12 )
22.
In deze omstandigheden kan de Italiaanse Republiek zich ook niet beroepen op het feit, dat in de praktijk de doelstellingen van de litigieuze bepalingen werden verwezenlijkt. Volgens vaste rechtspraak is een eenvoudige administratieve praktijk onvoldoende om de omzetting van de bepalingen van richtlijnen volledig te waarborgen. ( 13 ) Deze rechtspraak is verklaarbaar uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsduidelijkheid. Een dergelijke praktijk komt alleen die burgers van de Unie ten goede, welke in Italië hun erkenning als architect aanvragen, hoewel de erkenning van hun titels niet voldoende in het Italiaanse recht wordt geregeld. Met diegenen die op grond van de onvoldoende regeling de erkenning onmogelijk achten of op deze grondslag onjuiste informatie over de werkelijk bestaande mogelijkheden krijgen en die daarom niet eens proberen toegelaten te worden, wordt daarbij geen rekening gehouden. Juist deze groep moet worden beschermd door de verplichting om bepalingen van richtlijnen volledig om te zetten.
23.
De mogelijk bestaande rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn kan daarom geen rechtvaardiging zijn voor de niet-correcte omzetting.
24.
Wat de rectificatie van de lijst van titels door toevoeging van een Portugese titel betreft, laat de Italiaanse regeling de betrokkenen wel zeer in het ongewisse over hun rechten, omdat deze lijst voor het overige volledig is en dus de gedachte aan een fout bij de omzetting niet direct voor de hand ligt. De Italiaanse Republiek had met de rectificatie bij de omzetting rekening kunnen en moeten houden, omdat deze pas verscheidene jaren na de rectificatie plaatsvond.
25.
Derhalve zijn deze grieven gegrond.
B — De grief dat artikel 7 van richtlijn 85/384 niet correct is omgezet
26.
Artikel 7 van richtlijn 85/384 luidt als volgt:
„1.
Iedere lidstaat stelt zo spoedig mogelijk de andere lidstaten en de Commissie gelijktijdig in kennis van de lijst van diploma's, certificaten en andere opleidingstitels die op zijn grondgebied worden afgegeven en die voldoen aan de criteria van de artikelen 3 en 4, alsmede van de instellingen of autoriteiten die deze afgeven.
De eerste mededeling heeft plaats binnen twaalf maanden na de kennisgeving van deze richtlijn.
Iedere lidstaat deelt op dezelfde wijze de wijzigingen mee inzake de diploma's, certificaten en andere opleidingstitels die op zijn grondgebied worden afgegeven, met name die welke niet meer aan de eisen van de artikelen 3 en 4 voldoen.
2.
De lijsten en de bijwerkingen daarvan worden, drie maanden nadat zij zijn medegedeeld, door de Commissie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De publicatie van een diploma, certificaat of andere titel wordt echter uitgesteld in de in artikel 8 bedoelde gevallen. De Commissie maakt regelmatig geconsolideerde lijsten bekend.”
27.
De Italiaanse Republiek heeft noch in haar schriftelijke stukken noch bij de mondelinge behandeling bepalingen genoemd die expliciet en op niet mis te verstane wijze op deze bepaling of op de daarin vermelde lijsten en bijwerkingen betrekking hebben.
Argumenten van partijen
28.
Beide partijen verwijzen gedeeltelijk naar de boven onder A vermelde argumenten.
29.
De Commissie verwijt de Italiaanse Republiek met name dat artikel 7 van de richtlijn slechts gedeeltelijk is omgezet. Alleen de diploma's die in artikel 11 van de richtlijn worden opgesomd, zijn in de bijlage bij decreet nr. 129/92 vermeld. Iedere verwijzing ontbreekt naar de mededelingen van de Commissie die de te erkennen titels bevatten. Verder is niet erop gewezen dat de diploma's die in deze mededelingen worden genoemd, automatisch worden erkend.
30.
De Commissie wijst erop, dat de lidstaten zich niet op moeilijkheden van hun interne rechtsorde kunnen beroepen om de niet-inachtneming van gemeenschapsrechtelijke verplichtingen te rechtvaardigen. ( 14 ) Men kan van de Italiaanse Republiek zeker eisen dat zij een dergelijke lijst door middel van ministeriële decreten bijwerkt.
31.
Ook de verwijzing naar de toepassing van de mededelingen van de Commissie ontslaat de Italiaanse Republiek niet van de haar opgelegde verplichting. De niet-inachtneming van een gemeenschapsrechtelijke verplichting is op zich al een nietnakoming. Het argument dat deze niet-inachtneming geen nadelige gevolgen heeft gehad, is irrelevant. ( 15 )
32.
Volgens de Italiaanse Republiek is het niet nodig de automatisch te erkennen titels uitdrukkelijk in de nationale wettelijke bepalingen op te sommen. In de praktijk is het voldoende de mededelingen van de Commissie te raadplegen. Wegens het grote aantal mededelingen over de erkenning van titels, is het zeer moeilijk een dergelijke lijst voortdurend bij te houden en vergissingen ten nadele van de belanghebbenden te vermijden.
Beoordeling
33.
De Commissie laakt blijkbaar, dat er in het Italiaanse recht geen lijst van te erkennen titels bestaat en dat er evenmin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de desbetreffende lijsten die de Commissie in het Publicatieblad bekendmaakt.
34.
Om te beginnen merk ik op dat artikel 7 van de richtlijn niet expliciet de verplichting bevat om in een nationale lijst de te erkennen diploma's op te sommen die in de mededelingen en lijsten van de Commissie worden genoemd, of naar deze mededelingen te verwijzen. Ook de considerans duidt niet op een dergelijke verplichting.
35.
Men zou echter uit de samenhang van artikel 7 met andere bepalingen van richtlijn 85/384 een dergelijke verplichting kunnen afleiden. Artikel 2 bepaalt dat de lidstaten titels erkennen die behaald zijn na een opleiding welke beantwoordt aan de eisen van artikel 3. Pas in artikel 7 wordt bepaald, wie beoordeelt welke opleiding aan deze eisen voldoet. In beginsel berust de beslissing bij de lidstaat op wiens grondgebied de titel wordt afgegeven. Deze lidstaat deelt dan de desbetreffende titels aan de Commissie mee, die deze normaliter in het Publicatieblad bekendmaakt. De artikelen 8 en 9 regelen ten slotte de procedure waarmee verschillen van mening over de kwaliteit van de titels dienen te worden opgelost.
36.
De mededelingen van de Commissie in het Publicatieblad zijn derhalve in de praktijk van doorslaggevende betekenis voor de onderlinge erkenning van titels op het gebied van de architectuur. De in deze mededelingen opgesomde titels leiden tot een automatische erkenning. Een volledige en nauwkeurige omzetting van de erkenningsprocedure van richtlijn 85/384 zoals bepaald in de artikelen 2, 3, 7, 8 en 9, vereist derhalve, of de overneming van de lijst van alle te erkennen titels, of ten minste een uitdrukkelijke verwijzing naar de mededelingen van de Commissie. De meest praktische en efficiënte werkwijze zou zijn dat de nationale wettelijke bepalingen uitdrukkelijk naar de Commissiemededelingen verwijzen en tevens — vrijblijvend — alle te erkennen titels opsommen.
37.
Het Italiaanse recht bevat daarentegen geen bepalingen waarin voldoende wordt aangegeven welke titels dienen te worden erkend. De bestaande lijsten hebben slechts betrekking op de voorlopig nog te erkennen titels (artikel 11 van richtlijn 85/384, zie boven). Artikel 2 van decreet nr. 129/92 lijkt te bepalen, dat titels worden erkend die voldoen aan de vereisten van artikel 3 van richtlijn 85/384. Artikel 5, lid 1, sub a, van decreet nr. 129/92 staat de betrokkene toe zich te vestigen indien hij in het bezit is van een erkende titel. Artikel 9, lid 1, sub a, van dit decreet bevat een overeenkomstige bepaling betreffende het vrij verrichten van diensten. De centrale regel echter die bepaalt welke titels automatisch erkend worden, is in het Italiaanse recht niet opgenomen. Het is best mogelijk dat in de praktijk met de mededelingen van de Commissie rekening wordt gehouden, maaide houder van een dergelijke titel kan zijn aanspraak op automatische erkenning noch direct noch indirect aan de Italiaanse wettelijke bepalingen ontlenen. Het is geenszins voldoende dat men de te erkennen titels in het Publicatieblad kan vinden. Zonder een overeenkomstige verplichting in de Italiaanse regelgeving biedt deze publicatie de belanghebbenden niet de waarborg dat de Italiaanse autoriteiten de automatische erkenning ook toepassen.
38.
De Italiaanse Republiek heeft derhalve de procedure voor de onderlinge erkenning van titels, zoals bepaald in de artikelen 2, 3, 7, 8 en 9 van richtlijn 85/384, niet volledig en nauwkeurig omgezet. Bijgevolg is ook deze grief gegrond.
C — De verplichting bet originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan over te leggen
39.
Artikel 27 van richtlijn 85/384 bepaalt dat de ontvangende lidstaat in geval van gegronde twijfel aan de echtheid van een titel van de andere lidstaat een bevestiging van die echtheid kan verlangen. Artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 bepaalt daarentegen dat bij de aanvraag om een diploma te erkennen, het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan moet worden gevoegd.
Argumenten van partijen
40.
De Commissie betoogt dat de vereisten van artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 alleen bij twijfel aan de echtheid van de diploma's geoorloofd zijn. Deze bepaling maakt inbreuk op artikel 27 van richtlijn 85/384, omdat daardoor in het algemeen een bijkomende voorwaarde wordt opgelegd die met het oog op de uitoefening van het recht van vestiging niet evenredig en evenmin gerechtvaardigd is.
41.
Het in de Italiaanse regeling opgenomen vermoeden van rechtsmisbruik schept een belemmering voor het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging, hetgeen ingaat tegen de geest van de richtlijn. Uit het arrest Centros ( 16 ) volgt, dat de vraag of er sprake is van frauduleus handelen geval per geval moet worden beantwoord.
42.
De verplichting om het originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan over te leggen, brengt ook bijkomende kosten mee. Rekening moet worden gehouden met het risico dat het diploma zoek raakt of dat de procedure vertraging oploopt.
43.
Het doel van deze verplichting — het verifiëren van de verworven kwalificaties — kan ook door een eenvoudige verklaring of een fotokopie worden bereikt. De Italiaanse regering is daarmee verder gegaan dan nodig om een mogelijk doel van algemeen belang te bereiken.
44.
Artikel 27 kan geen rechtvaardiging vormen voor dit vereiste, integendeel. Deze bepaling moet strikt worden uitgelegd en voorziet alleen in de verificatie van de echtheid van titels bij vermoeden van frauduleus handelen. Daaruit volgt a contrario dat zonder gegronde twijfel de echtheid van een titel niet behoeft te worden bewezen.
45.
De Italiaanse Republiek betoogt dat er geen belemmering is voor het uitoefenen van de fundamentele vrijheden. De Italiaanse regeling is niet een symptoom van algemeen wantrouwen, maar een waarborg voor de juiste toepassing van de gemeenschapsbepalingen en voor de rechtszekerheid.
46.
Artikel 27 van richtlijn 85/384 regelt deze kwestie niet, maar heeft slechts betrekking op de bevestiging van de echtheid door van het land van oorsprong van de architect een bevestiging van die echtheid te verlangen.
47.
De belemmeringen die volgens de Commissie worden opgeworpen, zijn naar de mening van de Italiaanse Republiek niet ongerechtvaardigd en niet onevenredig.
Beoordeling
48.
De richtlijn bevat geen uitdrukkelijke regeling voor de vraag, of de lidstaten bij de erkenningsprocedure van titels mogen eisen dat daarvan het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift wordt overgelegd. Indien echter artikel 27 van richtlijn 85/384 zo moet worden uitgelegd, dat het de enige procedure bevat om de echtheid van een titel te verifiëren, dan is dit artikel een beletsel voor die eis.
49.
Volgens zijn bewoordingen regelt artikel 27 alleen het bijzondere geval waarin, bij gegronde twijfel, de ontvangende lidstaat van de autoriteiten van de lidstaat van herkomst een bevestiging van de echtheid van een titel verlangt. In dit geval moeten de autoriteiten van de lidstaat van oorsprong met die van de ontvangende lidstaat samenwerken en eventueel een bevestiging van de echtheid afgeven.
50.
Het in artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 genoemde geval, dat de aanvrager het originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan bij de aanvraag moet voegen, wordt in artikel 27 van richtlijn 85/384 niet geregeld.
51.
De plaats van artikel 27 onder de slotbepalingen van richtlijn 85/384 biedt geen aanknopingspunten voor de vraag of het een algemeen verbod betreft om van mogelijke aanvragers het originele diploma of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan te verlangen, behalve in geval van gegronde twijfel. Het gaat dus klaarblijkelijk om een — in zekere zin algemene — bepaling die op alle andere hoofdstukken van toepassing is. Daaruit kan men echter niet de uitbreiding van het toepassingsgebied van deze bepaling buiten de grenzen van haar letterlijke formulering afleiden.
52.
Noch de ontstaansgeschiedenis noch de strekking van de bepaling duiden erop, dat zij een belemmering vormen voor eenzijdige nationale maatregelen om de echtheid van de te erkennen titel te waarborgen.
53.
Beschouwt men tevens het doel van de richtlijn, namelijk de uitoefening van het vrij verrichten van diensten en van de vrijheid van vestiging te vergemakkelijken, dan is het duidelijk dat andere manieren om de echtheid te bewijzen in beginsel niet zijn uitgesloten. Zou iemand die een aanvraag indient alleen maar een afschrift overleggen, en zouden de Italiaanse autoriteiten gegronde twijfel hebben of hij inderdaad over een overeenkomstige titel beschikt, dan is het uiteraard niet nodig tijd te verliezen door de autoriteiten van de lidstaat van oorsprong erbij te betrekken. Het ligt daarom meer voor de hand eerst de aanvrager te verzoeken het origineel over te leggen.
54.
Hieruit volgt dat artikel 27 van richtlijn 85/384 in ieder geval niet de enige methode regelt om titels te controleren. Dit artikel is derhalve niet in tegenspraak met artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92.
55.
De onrechtmatigheid van deze regeling zou echter rechtstreeks kunnen voortvloeien uit de fundamentele vrijheden. Het betreft hier in ieder geval een onrechtstreekse discriminatie, omdat voornamelijk niet-Italianen de erkenning vragen van titels die zij in andere lidstaten hebben behaald. Er bestaat dus ten minste een potentiële inbreuk op het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging. Derhalve dient onderzocht te worden of het vereiste van overlegging van originelen of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften hiervan gerechtvaardigd is wegens dwingende redenen van algemeen belang.
56.
Het is in het algemeen belang, een bewijs voor het werkelijk bestaan van de desbetreffende titel te verkrijgen. Een door richtlijn 85/384 erkend belang is namelijk ook, dat de activiteit van architect wordt uitgeoefend door personen die de verwerving van bepaalde kwalificaties door overlegging van een erkende titel kunnen bewijzen. De erkenning van vervalste bewijzen gaat in tegen dit algemeen belang.
57.
Afschriften zijn slechts in beperkte mate geschikt om het bestaan van een origineel te bewijzen, omdat de handeling van het kopiëren vele mogelijkheden biedt om de kopie te manipuleren. Het overleggen van een origineel of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan maakt het veel moeilijker de betrokken autoriteiten te bedriegen. Een dergelijk vereiste kan dus beter de echtheid van de betrokken titel waarborgen dan de mogelijkheid een afschrift hiervan over te leggen.
58.
Verder lijkt het mij ook uitgesloten, dat het bestaan van een origineel even efficiënt bewezen kan worden door een minder ingrijpend middel dan het overleggen van dit document of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan. Juist deze laatste mogelijkheid is een aanvaardbaar alternatief indien men vreest het origineel kwijt te raken.
59.
Ten slotte is dit vereiste naar mijn mening ook niet onevenredig. De inspanning om het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan over te leggen en de daarmee gepaard gaande kosten zijn verhoudingsgewijs gering. Overigens is het een gangbare praktijk, dat autoriteiten van lidstaten maar ook diensten van de Gemeenschap bewijzen door een origineel of door een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan verlangen.
60.
Artikel 4, lid 2, sub a, van decreet nr. 129/92 is dus ook niet in strijd met de fundamentele vrijheden.
61.
Derhalve is deze grief van de Commissie ongegrond.
D — De verplichting een Italiaanse vertaling van alle documenten alsmede een nationaliteitsbewijs over te leggen
62.
Artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94 bepalen beide dat bij het verzoek om erkenning van een titel een nationaliteitsbewijs moet worden gevoegd. Artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94 bepalen dat alle documenten die niet in de Italiaanse taal zijn gesteld, vergezeld moeten gaan van een vertaling in het Italiaans. Deze vertalingen moeten voor eensluidend met het origineel worden gewaarmerkt door de Italiaanse diplomatieke of consulaire autoriteiten in de lidstaat waar de documenten zijn opgesteld of door een erkend vertaler.
63.
Richtlijn 85/384 bevat dienaangaande geen uitdrukkelijke regeling.
Argumenten van partijen
1) Het nationaliteitsbewijs
64.
De Italiaanse Republiek stelt dat er geen belemmering bestaat voor de vestiging als architect. Het nationaliteitsbewijs kan in de lidstaten snel en op eenvoudige wijze worden verkregen. Er is geen beperking van de in de richtlijn omschreven rechten.
65.
In de bestuurspraktijk zouden bovendien in plaats van het nationaliteitsbewijs afschriften van geldige nationale identiteitsbewijzen volstaan. Deze verwijzing naar de bestuurspraktijk is geen erkenning van de inbreuk. Er is alleen een aanpassing aan de feitelijke situatie.
66.
De Commissie stelt dat het vereiste van een nationaliteitsbewijs een onevenredige en ongerechtvaardigde beperking vormt op het recht van vestiging — artikel 52 EG-Verdrag (thans artikel 43 EG) —, omdat het paspoort voldoende is om te bewijzen van welke lidstaat men onderdaan is.
67.
Het bestaan van een dergelijke bestuurspraktijk is een erkenning door de Italiaanse autoriteiten van het onevenredige karakter van deze verplichting. Dwingende redenen van rechtszekerheid nopen, met het oog op een mogelijk willekeurig gedrag van de overheid, tot een definitieve afschaffing van de contraire regels door dwingende nationale bepalingen.
2) Vertaling van documenten
68.
Om te beginnen, is naar de mening van de Italiaanse Republiek niet bewezen dat de verplichting om documenten over te leggen een belemmering vormt en de erkenning van diploma's in de Italiaanse Republiek moeilijker maakt.
69.
De verplichting om een officieel erkende vertaling te verschaffen, is doelmatig vanwege de technische inhoud van de documenten en de moeilijkheid om de teksten correct te begrijpen. Het gaat er niet om, frauduleus handelen te vermoeden, maar veeleer rekening te houden met objectieve taalmoeilijkheden. Door de verplichting om meteen vertalingen te verschaffen, moeten vertragingen worden vermeden die door het verzoek om nadere inlichtingen kunnen worden veroorzaakt.
70.
In de bestuurspraktijk in Italië is de vraag naar vertalingen ten slotte teruggelopen, omdat de overgelegde documenten al uit eerdere procedures bekend waren. Het betreft hier niet een onrechtmatige bestuurspraktijk, maar de rationele toepassing van de bepalingen met het oog op het nagestreefde doel en het meer algemene doel om de procedure zo weinig mogelijk te laten kosten.
71.
De Commissie stelt dat de verplichting documenten te verschaffen, leidt tot een langere procedure en meer kosten. In plaats van een gewone vertaling is er de bijkomende verplichting om een door diplomatieke of consulaire autoriteiten gewaarmerkte of door een erkend vertaler opgestelde officiële vertaling bij te voegen.
72.
Het risico van vertraging in de procedure ontslaat niet van de voorwaarde van het bestaan van een gegronde twijfel.
73.
Het doel om na te gaan of de voorwaarden voor een erkenning vervuld zijn, kan met een niet-officiële vertaling worden bereikt. Een uitzondering is alleen in het geval van verdenking van frauduleus handelen mogelijk. Deze mogelijkheid bestaat reeds, en wordt gewaarborgd door de artikelen 17, lid 4, en 18, lid 2, van richtlijn 85/384.
74.
De verplichting geldt ongedifferentieerd en betreft alle architecten, onafhankelijk van het feit of zij houder van een reeds door de Italiaanse autoriteiten erkend diploma zijn.
75.
Het feit dat de bestuurspraktijk afziet van de verplichting om een officiële vertaling over te leggen, omdat zij met de onderscheiden documenten vertrouwd is en in staat is de documenten te begrijpen, is geen waarborg voor de volledige omzetting van de richtlijn. Een belangstellende zal eerst inlichtingen inwinnen over de juridische situatie, en de markt voor zijn activiteit verkennen; hij zal zich aanpassen aan de vigerende regelingen en verbodsbepalingen.
76.
Zelfs indien men toegeeft dat de inbreuk slechts beperkt van aard is, dan nog kan zulks de Italiaanse Republiek niet van de verplichting ontslaan om de richtlijn correct en volledig om te zetten, aangezien er geen minimumgrens voor een inbreuk bestaat.
Beoordeling
77.
De Commissie beperkt haar verzoek uitdrukkelijk tot de constatering dat de Italiaanse regering de artikelen 12, 20, 22, 27 en 31 van richtlijn 85/384 heeft geschonden. Zij verwijst niet naar een fundamentele vrijheid en evenmin in het algemeen naar het Verdrag. Zij gaat echter in haar motivering uit van een schending van de vrijheid van vestiging. Haar verzoek moet derhalve, in tegenstelling tot de formulering ervan, zo uitgelegd worden, dat het betrekking heeft op de vaststelling van een inbreuk op de genoemde bepalingen van de richtlijn en op de vrijheid van vestiging.
78.
Het valt moeilijk in te zien hoe het vereiste om een nationaliteitsbewijs en documenten met een officieel erkende vertaling over te leggen, inbreuk zou kunnen maken op een bepaling van richtlijn 85/384.
79.
Er zou evenwel sprake kunnen zijn van een inbreuk op het recht van vestiging. De Italiaanse vereisten bemoeilijken in ieder geval de erkenning van titels van architecten die zich in Italië willen vestigen. Zij zijn op zijn minst indirect discriminerend omdat voornamelijk niet-Italianen om erkenning zullen verzoeken. Weliswaar schijnt zowel de controle op de nationaliteit als de kennisneming van de inhoud van de documenten in het algemeen belang te zijn, maar noch de overlegging van een bijzonder bewijs noch die van officiële vertalingen is volgens de Italiaanse autoriteiten nodig om dit belang te dienen. Zelfs de Italiaanse autoriteiten zijn, volgens hun zeggen, vaak tevreden met afschriften van geldige identiteitsbewijzen en zien af van vertalingen indien hun de titels bekend zijn.
80.
Wat de overlegging van vertalingen betreft, moet men toegeven dat het gemeenschapsrecht de nationale autoriteiten toestaat om in beginsel alleen in hun officiële talen te werken en te communiceren met burgers van de Unie. Men kan daarom niet verlangen dat nationale autoriteiten documenten in alle talen van andere lidstaten zonder vertalingen aanvaarden. Het doel van richtlijn 85/384 is echter, de uitoefening van het beroep van architect voor in andere lidstaten opgeleide architecten te vergemakkelijken. Dit doel vereist dat nationale instanties gebruik maken van beschikbare kennis van andere talen, in plaats van star officiële vertalingen te blijven verlangen. De in het licht van richtlijn 85/384 uit te leggen vrijheid van vestiging staat derhalve het vereiste om officiële vertalingen over te leggen alleen dan toe, wanneer de geraadpleegde dienst anders geen kennis van het betrokken document kon nemen. Indien de verantwoordelijke ambtenaar of een andere bij deze dienst werkzame persoon, op wie zonder te veel kosten een beroep kan worden gedaan, de nodige kennis bezit om het document in het origineel of met behulp van een niet-officiële vertaling te lezen, dan is het vereiste van een officiële vertaling niet nodig en derhalve onevenredig. De verder gaande vereisten van artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94 zijn derhalve onverenigbaar met het recht van vestiging.
81.
Overigens zij erop gewezen dat er geen minimumgrens voor een inbreuk bestaat. Zelfs indien de economische gevolgen van de inbreuk eerder bescheiden zijn, is de de-minimisregel niet van toepassing wanneer lidstaten hun wetgevingsverplichtingen niet nakomen. ( 17 )
82.
Derhalve zijn artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92, artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94, artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr.776/94 onverenigbaar met artikel 52 EG-Verdrag.
E — De grief inzake de te ruime erkenning van verworven reebten
83.
Artikel 12 van richtlijn 85/384 voorziet in een uitzondering op de minimumvereisten van de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn voor de opleiding van architecten. Onder bepaalde voorwaarden kennen de lidstaten de titel van architect ook toe aan personen die in een andere lidstaat op het tijdstip van de omzetting van de richtlijn ( 18 ) het recht hadden deze titel te voeren, zonder evenwel aan deze voorwaarden te voldoen.
84.
Artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 erkent de titel van architect van personen die deze titel in een andere lidstaat mochten voeren vóór de inwerkingtreding van het decreet, dat wil zeggen vóór 19 februari 1992.
Argumenten van partijen
85.
De Commissie stelt dat de uiterste datum van geldigheid van de attesten die overeenkomstig artikel 12 van richtlijn 85/384 konden worden afgegeven, samenviel met de datum waarop de richtlijn in nationaal recht moest zijn omgezet, namelijk 5 augustus 1987. Dit was de laatste datum waarop betrokkenen toestemming hadden kunnen verkrijgen om de titel van architect te voeren en de voorwaarden voor de uitoefening van dit beroep te vervullen.
86.
Artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 heeft deze datum verlengd tot de inwerkingtreding, begin 1992, van het decreet, dat wil zeggen vijf jaar na afloop van de omzettingstermijn. Artikel 12 van de richtlijn is echter slechts een overgangsbepaling, en dus een uitzondering op de algemene regels, die derhalve strikt moet worden uitgelegd. Het Hof heeft in een soortgelijke zaak met betrekking tot de erkenning van tandartsen eveneens een strikte uitlegging verlangd. ( 19 ) Het „overgangskarakter” van deze gebrekkige omzetting is geen rechtvaardiging.
87.
De Commissie wijst er bovendien op, dat potentiële cliënten van deze architecten erop mochten vertrouwen dat deze aan de vereisten van richtlijn 85/384 zouden voldoen. Volgens haar is er geen wezenlijk verschil tussen de situatie waarin een cliënt van een ten onrechte erkende architect zich bevindt bij het instorten van een huis dat deze heeft gebouwd, en die waarin een patiënt verkeert bij een fout in de behandeling.
88.
De Commissie is ten slotte van mening dat deze „vrijgevigheid” van de Italiaanse Republiek een bijkomend onrecht is voor de titularissen die door de richtlijn worden erkend, omdat zij worden gelijkgesteld met architecten die niet voldoen aan de vereisten om deze activiteit uit te oefenen.
89.
De Italiaanse Republiek stelt dat de langere overgangstermijn het gevolg is van de laattijdige omzetting van de richtlijn. Men heeft de betrokkenen de overgangstermijn willen bieden die ook gegolden zou hebben ingeval de richtlijn tijdig was omgezet. De gemeenschapswetgever is bij het vaststellen van de uiterste datum ervan uitgegaan dat de termijn voor omzetting nagekomen moest worden, en heeft geen rechtsgevolg voorzien ingeval van niet-omzetting binnen een bepaalde termijn.
90.
De Italiaanse Republiek wijst erop dat velen die over verworven rechten beschikken, gebruik konden maken van de in de richtlijn voorziene speciale erkenning, terwijl anderen aan de strenge beoordeling overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de richtlijn waren onderworpen. Dit is een zwaarder wegende onrechtvaardigheid dan die welke de Commissie naar voren brengt, waarbij de titularissen van titels die door de richtlijn worden erkend, worden gelijkgesteld met diegenen wier titel niet erkend dient te worden.
91.
Er bestaat, aldus de Italiaanse Republiek, een verschil met het door de Commissie aangehaalde arrest inzake de tandartsen. Op het gebied van de geneeskunde worden met het oog op de bescherming eisen gesteld die absoluut zijn en een algemene uitbreiding van de groep op dat gebied werkzame personen onaanvaardbaar zouden maken. Wanneer de Commissie zich beroept op de algemene noodzaak dat de aanvragers voldoen aan minimumeisen aangaande opleiding en ervaring om een bepaald niveau van dienstverrichting te waarborgen, dan moet men bij alle verworven rechten hiervan uitgaan. Het gemeenschapsrecht zou echter door regelingen als artikel 12 van richtlijn 85/384 een groot aantal personen in staat stellen een beroep uit te oefenen waarvoor zij, naar de mening van de Commissie, niet voldoende zijn gekwalificeerd.
Beoordeling
92.
De partijen zijn het oneens over de in acht te nemen termijn voor de erkenning van de titel van architect. Indien men ervan uitgaat dat de voor de omzetting van de richtlijn voorziene uiterste datum — 5 augustus 1987 — de laatste datum is waarop een te erkennen titel kon worden verkregen, dan voert de litigieuze Italiaanse regeling tot een aanzienlijke verlenging van de periode waarin het recht bestaat om onder gemakkelijker voorwaarden erkenning als architect te verkrijgen.
93.
Volgens de formulering van artikel 12 van richtlijn 85/384 is de procedure voor erkenning onder gemakkelijker voorwaarden van toepassing op diegenen die, vóór de omzetting van de richtlijn, het recht hadden de titel van architect te voeren. In zoverre is er een verschil tussen het onderhavige geding en het arrest inzake de tandartsenrichtlijn ( 20 ), namelijk dat de litigieuze bepaling in die zaak, artikel 19 van richtlijn 78/686/EEG ( 21 ), de uiterste datum voor de erkenning van de verworven rechten verbond met het tijdstip van kennisgeving van de richtlijn en niet met dat van de omzetting.
94.
Daar in casu de Italiaanse Republiek de richtlijn bij decreet nr. 129/92 wenste om te zetten, lijkt het logisch naar Italiaans recht het einde van de overgangstermijn vast te stellen op het ogenblik dat dit decreet in werking trad. Er moet echter onderzocht worden of de in artikel 12 van richtlijn 85/384 genoemde omzettingstermijn werkelijk betrekking heeft op de inwerkingtreding van de nationale omzettingshandeling. Men zou ook, als alternatief, kunnen denken aan artikel 31, lid 1, van richtlijn 85/384, dat bepaalt dat de richtlijn binnen twee jaar moest worden omgezet.
95.
De argumenten ten gunste van deze laatste oplossing hebben de overhand. De door richtlijn 85/384 voorziene erkenning van titels beoogt met name, ter bescherming van particuliere en publieke belangen de in hoofdstuk II van de richtlijn vermelde, aan architecten gestelde minimumeisen te waarborgen. Artikel 12 is een uitzondering op deze algemene regel. Het maakt deel uit van hoofdstuk III van richtlijn 85/384 dat het behoud van de verworven rechten regelt om redenen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en de bestaande rechten. Om deze bescherming te waarborgen, wordt daarbij op de koop toe genomen dat de aldus erkende architecten niet noodzakelijkerwijze beantwoorden aan de eisen van hoofdstuk II van richtlijn 85/384. Het vertrouwen in de verworven rechten dient echter niet meer beschermd te worden wanneer de betrokkenen, vóór het verwerven van de betrokken rechtspositie, kunnen weten dat deze rechten door een op handen zijnde wetswijziging hun waarde verliezen. Het zou derhalve logisch zijn geweest dat in artikel 12, evenals in artikel 10 van richtlijn 85/384 en in artikel 19 van richtlijn 78/386, de datum van kennisgeving van de richtlijn als uitgangspunt was genomen. De verlenging van de bescherming van het gewettigd vertrouwen tot het tijdstip van de omzetting mag bij twijfel niet zo worden opgevat, dat deze uitzondering op de algemene regels inzake de erkenning van titels onredelijke proporties aanneemt.
96.
Bovendien verlangt de rechtszekerheid, dat het einde van de overgangstermijn nauwkeurig bepaald kan worden. Dit is mogelijk wanneer men zich baseert op het einde van de in artikel 31, lid 1, van richtlijn 85/384 bedoelde omzettingstermijn. Daarentegen is niet te voorzien wanneer de lidstaat de richtlijn omzet. Dit kan vóór het einde van de omzettingstermijn geschieden of — zoals in de onderhavige zaak — ook veel later. Nog ingewikkelder wordt de situatie wanneer de lidstaat de richtlijn niet volledig of niet correct omzet. De omzetting is feitelijk pas voltooid wanneer alle vereisten van de richtlijn in het nationale recht zijn overgenomen. Of dit is geschied, kan in laatste instantie alleen het Hof bepalen. Dientengevolge is alleen het in de richtlijn voorziene tijdstip van de omzetting voldoende nauwkeurig bepaald om als tijdstip van de tenuitvoerlegging in de zin van artikel 12 van de richtlijn te worden beschouwd. Derhalve is de verwijzing naar de tenuitvoerlegging in artikel 12 van richtlijn 85/384 zo te verstaan, dat daarmede het einde van de omzettingstermijn zoals bepaald in artikel 31, lid 1, van de richtlijn wordt bedoeld.
97.
Van minder betekenis is daarentegen de vraag of richtlijn 85/384 de erkenning van titels voor het beroep van architect uitputtend regelt, of dat daarnaast ook een individueel onderzoek naar de kwalificaties conform 's Hofs rechtspraak inzake de fundamentele vrijheden mogelijk of zelfs noodzakelijk is. ( 22 ) Daar de litigieuze Italiaanse regelgeving niet voorziet in zulk een onderzoek, dient zij niet als de omzetting van een dergelijke primairrechtelijke verplichting beschouwd te worden.
98.
Artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 is derhalve in strijd met artikel 12 van richtlijn 85/384.
F — Het verbod om over een vaste infrastructuur te besebikken
99.
Artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 regelt het verrichten van diensten als architeet, indien deze uitsluitend van tijdelijke aard zijn en de dienstverrichtende architecten niet over een hoofd- of nevenvestiging in Italië beschikken.
Argumenten van partijen
100.
De Commissie is van mening dat artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 verbiedt dat de architect die in Italië diensten verricht, aldaar over een vaste infrastructuur beschikt. Geen enkele bepaling van de richtlijn inzake het vrij verkeer van diensten kan een dergelijk algemeen en ongedifferentieerd verbod rechtvaardigen.
101.
Bovendien schendt dit verbod artikel 59 EG-Verdrag. De werkzaamheden van een architect maken een min of meer lang verblijf nodig. Een inrichting in de ontvangende lidstaat is derhalve absoluut noodzakelijk. Het Hof heeft in het arrest Gebhard geoordeeld dat „het tijdelijk karakter van de dienst [...] niet uit[sluit], dat een dienstverrichter [...] zich in de lidstaat van ontvangst voorziet van een zekere infrastructuur [...], wanneer die infrastructuur noodzakelijk is om de betrokken diensten te kunnen verrichten.” ( 23 )
102.
De Italiaanse Republiek betoogt dat de richtlijn geen bepaling bevat, krachtens welke dit verbod in tegenspraak is met de regeling inzake de erkenning van diploma's. De bedoeling van de Italiaanse wetgever is geweest de nadruk te leggen op de in de tijd beperkte, respectievelijk tijdelijke, aard van de dienstverrichting. Deze tijdelijke aard blijkt uit de afwezigheid van een georganiseerde structuur.
103.
De Italiaanse Republiek is van mening dat decreet nr. 129/92 een vast steunpunt („appoggio stabile”) bij het verrichten van diensten niet uitsluit.
104.
Het is niet mogelijk de Italiaanse Republiek te veroordelen vanwege een bepaling die de tijdelijke aard van de dienstverrichting karakteriseert door het ontbreken van een hoofdvestiging respectievelijk nevenvestiging van een architectenbureau. Het onderscheid ligt in de blijvende of de tijdelijke aard van de werkzaamheden die een architect uit een andere lidstaat in Italië wenst te ontplooien.
105.
Wanneer een architect zich voor een zekere duur op Italiaans grondgebied wil vestigen, zijn de bepalingen inzake de vrijheid van vestiging van toepassing.
106.
Wanneer een architect zijn werkzaamheden alleen tijdelijk wil uitoefenen, zijn de minder strikte bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten van toepassing. Deze bepalingen dienen onder de voorwaarde te worden toegepast dat — wanneer de werkzaamheden een vaste infrastructuur vereisen — zulks mogelijk is, mits deze infrastructuur niet de vorm van een hoofd- of nevenvestiging van een architectenbureau gaat aannemen.
Beoordeling
107.
De Commissie baseert haar grief niet op richtlijn 85/384, maar op het vrij verrichten van diensten. Zoals bekend, is deze vrijheid krachtens artikel 60 EG-Verdrag (thans artikel 50 EG) subsidiair ten opzichte van de vrijheid van vestiging, omdat „in de eerste plaats [...] er in de formulering van artikel 59, eerste alinea, van [wordt] uitgegaan, dat de dienstverrichter en degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, in twee verschillende lidstaten zijn ‚gevestigd’ en in de tweede plaats [...] artikel 60, eerste alinea, [bepaalt] dat de bepalingen betreffende de diensten slechts van toepassing zijn, indien de bepalingen betreffende het recht van vestiging dat niet zijn.” ( 24 ) De toepassing van het verrichten van diensten op architecten uit andere lidstaten die in Italië werkzaam zijn, is dus uitgesloten wanneer dezen reeds in Italië zijn gevestigd. De Italiaanse Republiek is derhalve niet verplicht het verrichten van diensten in het minder strikte kader van het vrij verrichten van diensten toe te staan, wanneer er reeds van een vestiging sprake is.
108.
De Commissie wijst er trouwens terecht op, dat het Hof in het arrest Gebhard ook bij het enkel verrichten van diensten, dat ipso facto van voorbijgaande aard is, heeft geoordeeld dat de dienstverrichter over een vaste infrastructuur, daaronder begrepen een bureau, mag beschikken indien dit voor het verrichten van de litigieuze diensten nodig is. Zou de Italiaanse regeling een dergelijke infrastructuur bij het verrichten van diensten verbieden, dan zou dat een inbreuk op het vrij verrichten van diensten kunnen betekenen.
109.
Artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 bepaalt echter alleen dat een architect noch een hoofdvestiging noch een nevenvestiging in Italië mag hebben indien hij het wettelijk kader van het verlenen van diensten wenst te benutten. Het daarbij gehanteerde begrip „stabilimento” doelt in de Italiaanse versie van het Verdrag op vestiging in de zin van artikel 52 EG-Verdrag. Dit is een argument voor de stelling dat artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 enkel een grens trekt tussen de vestiging en het verrichten van diensten in de zin van het Verdrag.
110.
Het is niet uitgesloten dat de uitlegging en de toepassing van deze bepaling in Italië de werkzaamheden van architecten in het kader van het vrij verrichten van diensten kunnen bemoeilijken of verhinderen, hoewel het gebruik van geoorloofde infrastructuur leidt tot de toepassing van de regeling voor gevestigde architecten. Een dergelijke met het Verdrag strijdige toepassing van schijnbaar daarmee conforme bepalingen had de Commissie naar voren moeten brengen en eventueel bewijzen. ( 25 ) De Commissie heeft echter geen elementen daarvoor aangedragen, hetgeen op grond van de formulering van artikel 9, lid 1, van decreet nr. 129/92 nodig zou zijn geweest om een inbreuk op het vrij verrichten van diensten te kunnen vaststellen.
111.
Deze grief is derhalve ongegrond.
G — De noodzaak zich in te schrijven in het register van de orde van architecten
112.
Artikel 22 van richtlijn 85/384 bevat volgende bepalingen:
„1.
Indien een lidstaat van zijn onderdanen voor de toegang tot of de uitoefening van een der in artikel 1 bedoelde werkzaamheden, hetzij een vergunning eist, hetzij inschrijving of aansluiting bij een beroepsof bedrijfsorganisatie verlangt, ontheft deze lidstaat, in geval van dienstverrichting, de onderdanen van de andere lidstaten van deze eis.
De begunstigde oefent zijn dienstverrichting uit met dezelfde rechten en verplichtingen als de onderdanen van de ontvangende lidstaat; voor hem gelden met name de tuchtrechtelijke bepalingen van professionele of administratieve aard die van toepassing zijn in deze lidstaat.
Ter aanvulling van de in lid 2 bedoelde verklaring aangaande het verrichten van diensten kunnen de lidstaten daartoe, ten einde de toepassing van de op hun grondgebied vigerende tuchtrechtelijke bepalingen mogelijk te maken, voorzien in een tijdelijke inschrijving die automatisch plaatsvindt of in een aansluiting pro forma bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie of in een inschrijving in een register, op voorwaarde dat deze inschrijving het verrichten van diensten op generlei wijze vertraagt of bemoeilijkt en geen extra kosten met zich brengt voor degene die de diensten verricht.
[...]
2.
De ontvangende lidstaat kan voorschrijven dat de begunstigde vooraf de bevoegde instanties in een verklaring op de hoogte stelt van de dienstverrichting, ingeval de uitoefening daarvan de verwezenlijking van een project op zijn grondgebied meebrengt.
3.
Op grond van de leden 1 en 2 kan de ontvangende lidstaat van de begunstigde één of meer documenten eisen met de volgende gegevens:
—
de in lid 2 bedoelde verklaring,
—
een attest waaruit blijkt dat de betrokkene in de lidstaat waar hij gevestigd is, de desbetreffende werkzaamheden wettig uitoefent,
—
een attest dat de betrokkene het of de diploma('s), certificaat (certificaten) of andere titel(s) bezit, dat/die voor het verrichten van de bedoelde diensten is/zijn vereist en voldoet/voldoen aan de in hoofdstuk II of hoofdstuk III van deze richtlijn bedoelde criteria,
—
zo nodig, het in artikel 23, lid 2, bedoelde attest.
4.
Het (de) in lid 3 bedoelde document(en) mag/mogen bij overlegging niet ouder zijn dan twaalf maanden.
5.
[...]”
113.
Artikel 9, lid 3, van decreet nr.129/92 bepaalt dat architecten ook bij het verrichten van diensten in een register ingeschreven moeten zijn, dat door en bij de provinciale raden en de nationale raad van de orde van architecten wordt bijgehouden. De orde van architecten draagt de kosten hiervan.
114.
De inschrijvingsprocedure is geregeld in de artikelen 7 en 8 van decreet nr. 776/94. De Italiaanse regering heeft op verzoek een toelichting gegeven. Volgens deze toelichting vindt de eerste inschrijving binnen dertig dagen plaats. De aanvraag dient vergezeld te gaan van bewijzen van bekwaamheid tot het uitoefenen van het beroep van architect en van aanvragers daadwerkelijke en rechtmatige uitoefening ervan in de lidstaat van oorsprong alsmede van een verklaring betreffende de te verrichten dienst. Later te verrichten diensten moeten aangemeld worden. De vergunning wordt dan automatisch verleend. Iedere inschrijving geldt echter slechts voor het gebied van de provinciale orde, die de inschrijving moet goedkeuren alvorens de dienst kan worden verricht.
Argumenten van partijen
115.
De Commissie stelt dat artikel 22, lid 1, derde alinea, van richtlijn 85/384 bepaalt dat de lidstaten voorzien in een tijdelijke inschrijving die automatisch plaatsvindt of in een aansluiting pro forma bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie of in een inschrijving in een register, op voorwaarde dat deze inschrijving het verrichten van diensten op generlei wijze vertraagt of bemoeilijkt en geen extra kosten met zich brengt voor degene die de diensten verricht.
116.
Artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92, dat bepaalt dat de dienstverlener in een desbetreffend register van de provinciale orde dient te worden ingeschreven, dat door de provinciale raden en de nationale raad wordt bijgehouden, gaat verder dan de met richtlijn nr. 85/384 verenigbare beperkingen.
117.
De Commissie wijst erop, dat decreet nr. 776/94 de inbreuk niet heeft beëindigd, zoals de artikelen 7 en 8 hebben aangetoond. Artikel 7 van decreet nr. 776/94 voorziet bij de eerste dienstverrichting in de inschrijving bij de orde van architecten in de provincie waarin de dienst wordt verricht. Voorwaarde is een in het Italiaans geformuleerd verzoek.
118.
De Commissie is van mening dat de door de Italiaanse Republiek gestelde eisen niet met 's Hofs rechtspraak verenigbaar zijn en een onevenredige beperking inhouden. In het kader van het vrij verrichten van diensten is het ontoelaatbaar dat de ontvangende lidstaat eisen stelt, voorzover het daarmee nagestreefde algemeen belang reeds door vergelijkbare regelingen in de lidstaat van oorsprong voldoende wordt beschermd. ( 26 ) De Italiaanse regeling laat de overeenkomstige voorwaarden die reeds in de lidstaat van oorsprong zijn gesteld, buiten beschouwing en houdt er geen rekening mee dat andere lidstaten mogelijk soortgelijke regelingen als Italië hebben vastgesteld. Er kan dus een dubbele verplichting bestaan: in de lidstaat van oorsprong en in Italië.
119.
Verder is de regeling onevenredig. Een minder stringente regeling zou erin bestaan dat men van de dienstverrichter verlangt attesten over te leggen van zijn inschrijving in het desbetreffende register van de lidstaat van oorsprong. Een minder stringente mogelijkheid is ook voorzien in artikel 22, lid 1, van de richtlijn — een tijdelijke inschrijving die automatisch plaatsvindt of een aansluiting pro forma bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie of een inschrijving in een register.
120.
Het feit, ten slotte, dat de kosten door de orde worden betaald, maakt niet dat het vereiste van een echte inschrijving, die zich niet beperkt tot een verklaring dat het beroep wordt uitgeoefend, zijn verplichte karakter verliest.
121.
De Italiaanse Republiek stelt dat artikel 22 van de richtlijn een tijdelijke inschrijving die automatisch plaatsvindt of een aansluiting pro forma bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie of een inschrijving in een register toestaat.
122.
Er is hier geen sprake van een werkelijke belemmering, maar enkel van een maatregel die voorziet in de noodzakelijke controle op beroepswerkzaamheden, zelfs op die van uit andere lidstaten afkomstige burgers die slechts af en toe of tijdelijk hun werkzaamheden op het grondgebied van een lidstaat uitoefenen.
123.
De inschrijving in een register ad hoc door de beroepsorganisatie is geen hinderpaal. Deze inschrijving heeft het karakter van een handeling die verbonden is met en aansluit op het bezit van een erkende titel respectievelijk het bestaan van een van de andere voorwaarden van artikel 9, lid 1, sub a en b, van decreet 129/92. De daardoor veroorzaakte kosten komen op grond van deze bepaling voor rekening van de orde of de beroepsorganisatie.
124.
De Italiaanse Republiek is van mening dat het hier niet een werkelijke inschrijvingsplicht betreft, maar alleen een vooraanmelding bij de orde van architecten, waarop een automatisch plaatsvindende inschrijving in het desbetreffende register volgt. Artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 komt overeen met artikel 22, lid 1, derde alinea, van de richtlijn. Het gaat hier om een tijdelijke inschrijving omdat de dienstverlening naar haar aard ook slechts tijdelijk is. Zij vindt ook automatisch plaats omdat inschrijving zonder verder onderzoek alleen op basis van het verzoek tot inschrijving geschiedt.
125.
De Italiaanse Republiek meent ten slotte dat de Commissie door een kunstgreep de inschrijving in het desbetreffende register van artikel 9 van het decreet verwisselt met de inschrijving in het beroepsregister als bedoeld in artikel 5 van decreet nr. 129/92. In verband met deze beoordeling voorziet artikel 7 van decreet nr. 129/92 in een coördinatiemechanisme met de overeenkomstige inschrijvingen in de andere lidstaten. De Commissie heeft zelf een dergelijk mechanisme voorgesteld.
Beoordeling
126.
Uit artikel 22 van richtlijn 85/384 volgt dat het verrichten van diensten als architect aan de ontvangende lidstaat enkel wordt medegedeeld. Deze lidstaat kan bij die gelegenheid bepaalde bewijzen verlangen en de architect in een register inschrijven respectievelijk voorzien in een tijdelijke aansluiting pro forma bij een beroepsorganisatie. Deze maatregelen mogen het verrichten van diensten niet vertragen of bemoeilijken. Deze regels zijn zo te verstaan, dat architecten uit andere lidstaten na erkenning van hun titels in de ontvangende lidstaat onmiddellijk diensten mogen verrichten en deze hoogstens vooraf moeten aanmelden. A contrario volgt hieruit dathet verrichten van diensten niet vooraf moet worden goedgekeurd. Zelfs goedkeuringen die automatisch en binnen strikte termijnen worden verleend, zijn ongeoorloofd.
127.
De Italiaanse Republiek geeft zelf toe dat tenminste de eerste dienstverrichting door de inschrijvingsprocedure wordt vertraagd. De betrokken architect dient namelijk ingevolge artikel 8, lid 4, van decreet nr. 776/94 na aanmelding van de te verrichten diensten en indiening van het verzoek, af te wachten tot de raad van de orde over de inschrijving een besluit heeft genomen. Dat kan tot dertig dagen duren. Pas de daarop volgende dienstverrichtingen lijken bij hun aanmelding automatisch te worden toegestaan. Wenst de architect in het gebied van een andere orde diensten te verrichten, dan is er wederom deze vertraging. ( 27 )
128.
Een dergelijke vertraging weegt zwaar, want zij beïnvloedt de toegang van architecten uit andere lidstaten tot de Italiaanse markt nadelig. Doorgaans levert juist de acquisitie van de eerste opdracht moeilijkheden op, voordat men zich plaatselijk een reputatie kan verwerven. Wanneer daar nog administratieve vertragingen bijkomen voordat de architect met zijn werkzaamheden mag beginnen, kan juist deze last ertoe leiden dat de cliënt de voorkeur geeft aan een nationale architect die meteen kan beginnen. ( 28 )
129.
De procedure voor inschrijving in het register van de orde ingevolge artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 en de artikelen 7 en 8 van decreet 776/94, is derhalve onverenigbaar met artikel 22 van richtlijn 85/384, voorzover zij de eerste dienstverrichting van een architect in het gebied van een bepaalde orde uitstelt tot een datum na die van de aanmelding.
H — De grief van niet-tijdige erkenning van de titels
130.
Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384 moet de toelatingsprocedure van een architect uit een andere lidstaat zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden na indiening van het volledige dossier van de betrokkene voltooid zijn.
131.
Artikel 4, lid 6, van decreet nr. 129/92 bepaalt dat voor de erkenning advies moet worden ingewonnen van de nationale universiteitsraad en van de raad van de orde van architecten. De gehele procedure moet ingevolge artikel 4, lid 7, van decreet nr. 129/92 binnen drie maanden na de indiening van de aanvraag met het volledige dossier, door een erkenning of een afwijzing zijn voltooid. Het inwinnen van inlichtingen bij instanties van de lidstaat van oorsprong schorst de termijn voor uiterlijk vier maanden. De uiteindelijke beslissing wordt overeenkomstig artikel 4, lid 8, van decreet nr. 129/92 door de minister van Universiteiten en Wetenschappelijk en Technologisch Onderzoek in overeenstemming met de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie genomen.
Argumenten van partijen
132.
De Commissie betoogt dat in de procedure van artikel 4, leden 6 tot en met 8, van decreet nr. 129/92 de termijn van drie maanden niet kan worden nagekomen. Er is een inbreuk op artikel 20, lid 1, van de richtlijn. De Commissie haalt het voorbeeld aan van een Oostenrijkse architect, die sinds 17 maart 1994 wacht op een beslissing van de Italiaanse autoriteiten inzake zijn aanvraag. De Commissie heeft meer klachten van deze aard ontvangen. Of het hier uitzonderingen betreft, is van geen belang, aangezien iedere inbreuk op het gemeenschapsrecht kan worden vervolgd.
133.
De Italiaanse Republiek wijst erop dat in de literatuur de mening wordt verdedigd dat een op zichzelf staande en kortdurende inbreuk op bepalingen van gemeenschapsrecht geen veroordeling in een niet-nakomingsprocedure met zich kan brengen.
134.
De Italiaanse Republiek betoogt dat de meeste gevallen binnen de gestelde termijn worden afgewikkeld. De overschrijding van de termijn in de andere gevallen vindt haar rechtvaardiging in de in de richtlijn voorziene uitzonderingen. Eventuele overschrijding van de termijn is niet de schuld van de Italiaanse Staat, maar is veeleer te wijten aan de nalatigheid van diegenen die om erkenning verzoeken. Dit geldt in het bijzonder voor het door de Commissie aangehaalde geval.
Beoordeling
135.
De onderhavige grief berust niet op concrete bepalingen van Italiaans recht, waaruit een overschrijding van de termijn van artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384, uitdrukkelijk omgezet in artikel 4, lid 7, van decreet nr. 129/92, zou kunnen worden afgeleid. De Commissie verwijst veeleer abstract naar de reeds gelaakte lacunes in de Italiaanse erkenningsprocedure en naar afzonderlijke gevallen, waarvan zij er maar een met name noemt. Uit de andere grieven van deze procedure blijkt echter niet noodzakelijk dat de termijn van drie maanden niet kan worden nagekomen.
136.
Voorzover de Commissie schending van richtlijn 85/384 in bijzondere gevallen inroept, is het van geen belang of deze tot de vaststelling van een verdragsschending kunnen leiden. In de onderhavige zaak heeft de Commissie zich ertoe beperkt de naam en de lidstaat van oorsprong van één aanvrager alsmede de datum van indiening van de aanvraag te noemen. De Italiaanse Republiek heeft hierop gereageerd met de onweersproken verklaring dat deze aanvrager niet alle nodige documenten heeft overgelegd. De termijn voor erkenning begint echter volgens van artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384 bij de overlegging van een onvolledige aanvraag niet te lopen. Derhalve kan uit de beschikbare gegevens niet afgeleid worden dat de Italiaanse autoriteiten in dit geval artikel 20, lid 1, van richtlijn 85/384 hebben geschonden.
137.
Ook deze grief dient te worden verworpen.
V — Kosten
138.
Artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt de verdeling van de proceskosten. De Commissie is weliswaar op drie punten niet en op andere slechts gedeeltelijk in het gelijk gesteld, maar de vastgestelde inbreuken van de Italiaanse Republiek op richtlijn 85/384 en het recht van vestiging wegen veel zwaarder. Deze lacunes lijken in de praktijk van zodanige omvang te zijn, dat zij het bereiken van het doel van richtlijn 85/384 twijfelachtig maken. De Italiaanse Republiek dient derhalve de totale kosten van de procedure te dragen.
VI — Conclusie
139.
Derhalve geef ik het Hof in overweging als volgt te oordelen:
„1)
De Italiaanse Republiek is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 31 van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd, alsmede krachtens de artikelen 5 en 189 EG-Verdrag (thans artikelen 10 en 249 EG), door:
—
niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van artikel 4, leden 1, tweede alinea, en 2, alsmede de artikelen 11 en 14 van richtlijn 85/384,
—
niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de automatische erkenning van diploma's, certificaten en andere titels overeenkomstig de artikelen 2, 3, 7, 8 en 9 van richtlijn 85/384 te regelen,
—
artikel 11, lid 1, sub c en d, van decreet nr. 129/92 vast te stellen, dat in strijd met artikel 12 van richtlijn 85/384 voorziet in de geldigheid van bepaalde na 5 augustus 1987 verkregen titels, en
—
architecten uit andere lidstaten die in Italië diensten wensen te verrichten, te verplichten zich bij de territoriaal bevoegde regionale raad van de orde van architecten in te schrijven (artikel 9, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikelen 7 en 8 van decreet nr. 776/94), voorzover deze verplichting in strijd met artikel 22 van richtlijn 85/384 de eerste dienstverrichting van een architect in het gebied van een bepaalde orde vertraagt tot na zijn aanvraag.
2)
De Italiaanse Republiek heeft artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) geschonden door:
—
artikel 4, lid 2, sub c, van decreet nr. 129/92 en artikel 4, lid 1, sub c, van decreet nr. 776/94 vast te stellen, waarbij de overlegging van een nationaliteitsbewijs algemeen verplicht wordt gesteld,
—
artikel 4, lid 3, van decreet nr. 129/92 en artikel 10 van decreet nr. 776/94 vast te stellen, waarbij de officiële vertaling van documenten stelselmatig verplicht wordt gesteld.
3)
Het beroep wordt voor het overige verworpen.
4)
De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Richtlijn van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15), laatstelijk gewijzigd bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1).
( 3 ) C-296/96, Jurispr. blz. I-3847.
( 4 ) GURI nr. 41 van 19 februari 1992, blz. 18.
( 5 ) GURI nr. 234 van 6 oktober 1995, blz. 3.
( 6 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 10 mei 2001, Commissie/Nederland (C-152/98, Jurispr. blz. I-3463, punt 21).
( 7 ) Rectificatie voor: 86/17/EEG: Richtlijn van de Raad van 27 januari 1986 tot wijziging, in verband met de toetreding van Portugal, van richtlijn 85/384/EEG (PB L 87, blz. 36).
( 8 ) De Commissie verwijst naar het arrest van 3 juni 1992, Coinmissie/Italic (C-287/91, Jurispr. biz. I-3515, punt 7).
( 9 ) De Commissie verwijst naar tle arresten van 6 mei 1990, Commissic/Belgie (102/79, Jurispr. blz. 1473, punt 12), en 20 maart 1997, Commissie/Duitsland (C-96/95, Jurispr. I-1653, punt 37).
( 10 ) Arrest van 3 juni 1992, Commissie/Italiė, aangehaald in voetnoot 8.
( 11 ) Arresten Commissie/België en Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 9.
( 12 ) Zie arrest van 25 juli 1991, Emmott (C-208/90, Jurispr. blz. I-4269, punten 20 e.V.).
( 13 ) -Arresten van 3 maart 1988, Commissie/Italië (116/86, Jurispr. blz. 1323, punt 15), en 9 maart 2000, Commissie/Italië (C-358/98, Jurispr. blz. I-1255, punt 17).
( 14 ) De Commissie haalt het arrest aan van 27 november 1990, Commissie/Portugal (C-150/97, Jurispr. blz. I-259, punt 21).
( 15 ) De Commissie verwijst naar het arrest van 27 november 1990, Commissie/Italië (C-209/88, Jurispr. blz. I-4313, punt 14).
( 16 ) Arrest van 9 maart 1999 (C-212/97, Jurispr. blz. I-1459).
( 17 ) Zie conclusie van 10 december 1996 van advocaatgeneraal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Commissie/Italië (arrest van 26 juni 1997, C-45/95, Jurispr. blz. I-3605, punt 31).
( 18 ) Het schijnt dat de verwijzing in de Duitse versie naar de datum van inwerkingtreding van de richtlijn een vertaalfout bevat, die in andere versies — b.v. Italiaans: „applicazione della presente direttiva”, Nederlands: „tenuitvoerlegging”, Frans: „mise en application”, Engels: „implementation” — niet voorkomt.
( 19 ) De Commissie citeert het arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië (C-40/93, Jurispr. blz. I-1319, punt 23).
( 20 ) Arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 19.
( 21 ) Richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 233, blz. 1).
( 22 ) Zie conclusie van advocaal-gencraal Léger van 17 mei 2001 in de zaak Drecssen II (C-31/00, Arresi van 22 januari 2002, Jnrispr. bíz. I-663, lilz. I-665, jmnlcn 38 e.V. met verdere verwijzingen), waarmee ik hel n) beginsel eens ben.
( 23 ) Arrest van 30 november 1995, Gebhard (C-55/94, Jurispr. blz. I-4165, punt 27).
( 24 ) Arrest Gebhard, aangehaald in voetnoot 23, punt 22.
( 25 ) Zie voor de bewijslast van de Commissie de arresten van 23 oktober 1997, Commissie/Spanje (C-160/94, Jurispr. blz. I-5851, punt 17); 9 februari 1994, Commissie/Italië (C-119/92, Jurispr. blz. I-393, punt 37), en 19 maart 1991, Commissie/België (C-249/88, Jurispr. blz. I-1275, punt 6).
( 26 ) De Commissie verwijst naar arrest van 25 juli 1991, Säger (C-76/90, Jurispr. blz. I-4221, punt 15).
( 27 ) De Commissie heeft bij de mondelinge behandeling, zonder te zijn tegengesproken, verklaard dat er in Italië ongeveer 100 ordes van architecten bestaan.
( 28 ) Men gaat overigens hier ervan uit, dat de aanmelding van een dienstverrichting overeenkomstig artikel 22, lid 2, van richtlijn 85/384 enkel is vereist in de gevallen die leiden tot een project op Italiaans grondgebied. Uit de Italiaanse bepalingen wordt zulks niet duidelijk: artikel 9, lid 2, van decreet nr. 129/92 verlangt in dit geval een aanmelding, lid 3 vereist voor alle dienstverrichtingen een inschrijving, díe echter overeenkomstig artikel 7 van decreet nr. 776/94 steeds de aanmelding van de dienstverrichting vooronderstelt.
Full & Egal Universal Law Academy